|
De neutrale staat, het bijzonder onderwijs en de multiculturele samenleving
Rede uitgesproken door
Prof. dr. P.B. Cliteur
bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar
in de encyclopedie van de rechtswetenschap
aan de Universiteit van Leiden op 28 mei 2004
Mijnheer de rector magnificus, zeer gewaardeerde toehoorders,
Wat
leuk dat u er bent! Toen ik vanmorgen mijn dochter naar school bracht
bleek in ieder geval al een van haar vriendinnetje helemaal in de
stemming te zijn. In een prachtig zwart jurkje gestoken zei Paula:
“ik kom vanmiddag ook op de operatie”.
Nu is het uitspreken van een oratie ook wel een beetje een operatie, want ik zal proberen een zwaar en gevoelig
onderwerp wat luchtig te behandelen.
Misschien is het goed eerst te informeren naar uw reis hier naartoe.
Ik hoop dat u een goede reis heeft gehad. Over die reis wil ik meteen
al het volgende kwijt. Diegenen die vandaag met de trein zijn gekomen
zijn iets beter voorbereid op mijn verhaal dan wie de auto heeft
genomen. De treinreizigers zijn namelijk hier naartoe gelopen door de
Stationsweg, langs het Galgewater en vervolgens over het Rapenburg. En
u zult hebben geconstateerd dat in de twintig minuten die u heeft nodig
gehad om te komen waar u zich nu bevindt de omgeving ingrijpend is
veranderd.
U bent in de Stationsweg begonnen. Dat wil zeggen: tussen de
shoarmatentjes. Hier en daar heeft u ook wat weet-lucht opgesnoven. Ook
heeft u geconstateerd dat sommige aanduidingen op de winkeltjes in een
andere taal dan het Nederlands waren gesteld. Maar daarna, op het
Rapenburg werd het allemaal heel anders. Toen kwam u langs van die
grote panden met plakkaten dat een 19e eeuwse beroemdheid in het huis had gewoond dat u passeerde. Het leek wel alsof de tijd had stilgestaan, op het Rapenburg.
Twintig jaar geleden toen ik als universitair docent aan deze
universiteit werd aangesteld bestond dat Leiden van de Stationsweg nog
niet. Er was alleen nog maar het Leiden van het Rapenburg.
Wij zeggen dat ook wel zo: er was nog geen multiculturele samenleving. Tegenwoordig
geven alle grote steden ons de aanblik van een multireligieuze,
pluriforme en multietnische gemeenschap. En het is bij die situatie
waarbij ik vandaag wil aansluiten.
Ik
wil reflecteren op de multiculturele samenleving. Meer in het bijzonder
wil ik één specifieke vraag beantwoorden. En die is: hoe
zou de staat of overheid (ik zal vandaag niet onderscheiden tussen die
twee) zich moeten opstellen in wat wordt genoemd de
“multiculturele samenleving”?
Een veelgehoord antwoord op deze vraag wil ik vandaag met name tegenspreken. Dat
antwoord is, dat een multiculturele samenleving ook vraagt om een multiculturele staat.
De staat zou meer dan tot nu toe gebruikelijk is zich moeten
“openstellen” voor multiculturaliteit en pluriformiteit.
Welnu, dat veelgehoorde antwoord, is naar mijn idee helemaal fout. Ik
zal vandaag argumenten aandragen voor de stelling dat de multiculturele
samenleving juist vraagt om een neutrale staat. Je kan het zelfs zo
zeggen: hoe multicultureler de samenleving, hoe neutraler de staat moet
zijn. In de twintig jaar dat de Stationsweg dus multicultureler is
geworden, had eigenlijk de staat neutraler moeten worden.
U weet misschien dat de discussie over dit onderwerp zich
uitkristalliseerde rond kledingvoorschriften in situaties waarin een
soort van uniformen gedragen worden. Dat is: in het leger, bij de
politie en bij de rechterlijke macht. Zou de multiculturele samenleving
niet van ons vergen dat we ook in de rechterlijke macht het dragen van
keppeltjes, tulbanden en hoofddoekjes moeten gaan gedogen?
Overal in Europa wordt deze discussie gevoerd, maar misschien nog wel
het meest pregnant in Frankrijk. En het zijn de Franse uitgangspunten
die ik vandaag iets nader zal belichten en beoordelen op hun
toepasbaarheid in de Nederlandse situatie.
Ik doe dat om drie redenen.
Waarom dit onderwerp?
De
eerste is dat bij een bespreking van de Franse staatsconceptie in
relatie tot multiculturaliteit het om een onderwerp gaat dat enige
bekendheid geniet. U heeft daar al iets over gehoord of gelezen. U
heeft daarover waarschijnlijk ook al een opinie, al is deze nog zo
vaag. En ik vrees dat bij sommigen de gedachte dat de multiculturele
samenleving om een multiculturele staat vraagt helemaal nog niet zo
slecht scoort.
De tweede reden is dat ik u vandaag iets duidelijk moet maken over het
vak “encyclopedie van de rechtswetenschap”. Ja, wat mag dat
in hemelsnaam betekenen? Een encyclopedie heeft u in de kast staan of
op de PC tegenwoordig. Er bestaat kennelijk ook een “encyclopedie
van de rechtswetenschap”, zult u gedacht hebben. Dat zal wel gaan
om een soort van woordenboek waarin je kunt opzoeken wat de betekenis
is van juridische vaktermen. Maar hoe kan je daarin hoogleraar worden,
moet u hebben gedacht?
U bent “warm”, want
de encyclopedie van de rechtswetenschap heeft de pretentie een totaalvisie
te geven op alles wat aan de orde is binnen de rechtswetenschap. Een
totaalvisie, dat gebeurt ook in een gewone encyclopedie. Ik ben dus,
als het goed is, de minst gespecialiseerde hoogleraar aan de
rechtenfaculteit. Of, zo kan je het ook zeggen, ik ben gespecialiseerd
in het algemene.
Het woord “encyclopedie” gaat terug op een Grieks woord dat
“kring” betekent en daarin zit ook het woord
“paideia” verscholen. De encyclopedie heeft iets met
vorming en opvoeding te maken. De pretentie van het vak encyclopedie is
dat je een jurist alleen maar goed vormt wanneer je hem of haar ook
iets meegeeft van de andere wetenschappen uit de kring der
wetenschappen. Dat doe ik dus.
Hoe ik dat doe, dat kan ik het beste laten zien. Vandaag doe ik dat aan
de hand van de Franse beginselen die handelen over de neutraliteit van
de staat. Vanzelf blijkt dan wel dat je bij de bespreking daarvan stuit
op allerlei vragen die met andere disciplines te maken hebben en die ik
zou willen aanduiden als “encyclopedisch”.
De derde reden dat ik mijn keuze heb laten vallen op die Franse
beginselen is dat het onderwerp nauw aansluit bij het
onderzoeks-programma waarvan ik coördinator ben. Het gaat om het
thema sociale cohesie en multiculturaliteit. Een nieuwbenoemde
hoogleraar moet ook enig inzicht geven in het terrein van de wetenschap
waaraan hij zich de komende tijd wil wijden.
Aan het werk dus.
Het rapport van de commissie-Stasi
Laat
ik beginnen met een bekende, ik geef toe, enigszins versleten uitspraak
van Pascal. Die luidt als volgt: “Drie breedtegraden naar het
Noorden gooien heel de jurisprudentie omver, een meridiaan bepaalt de
geldende waarheid; na enkele jaren veranderen de meest fundamentele
wetten”.
Met name die breedtegraden die de jurisprudentie omver gooien zijn hier
van belang. Jurisprudentie. In het Frans staat:
“jurisprudence”. Het woord “jurisprudence” is
meerduidig, want het kan zowel de “wetenschap van het
recht” betekenen als ook het “geheel van rechterlijke
uitspraken”. Maar voor beide geldt: de breedtegraden gooien ze
helemaal omver. Als we gaan kijken hoe men in Frankrijk de taak van de
staat opvat in relatie tot de multiculturele samenleving, dan worden we
geconfronteerd met totaal andere opvattingen dan die in Nederland
vigerend zijn. Onlangs heeft men zich in Frankrijk opnieuw bezonnen op
de taak van de staat in een multiculturele samenleving. Dat is gebeurd
door een commissie onder leiding van Bernard Stasi. De commissie-Stasi
heeft op 11 december 2003 een rapport aangeboden aan de Franse
president Chirac onder de titel “Laïcité et
République”. Dit rapport geldt als uitgangspunt voor het
herijken van de beginselen volgens welke de Franse staat wil omgaan met
de multiculturele samenleving.
“Laïcité” en republiek dus. De republiek staat
voor een goed functionerende democratie. En wat is nodig voor
zo’n goed functionerende democratie? Men antwoordt:
“laïcité”.
In het Nederlands is dat nog het beste te vertalen met: de neutraliteit
van de staat in religieuze en politiek-ideologische aangelegenheden.
Men spreekt ook wel van de scheiding van kerk en staat. Voor de staat
zou gelden dat hij geen enkele geestelijke of religieuze macht macht
mag bevoorrechten.
De Fransen trekken dus uit het gegeven van de multiculturele
samenleving helemaal niet de conclusie dat ook de staat multicultureel
moet worden. Integendeel, zij zeggen: juist in een multiculturele
samenleving, een samenleving met grote culturele en religieuze
verschillen, moet de staat zo veel mogelijk - als ik het zo mag zeggen
- “a-cultureel” worden en in ieder geval
“a-religieus”.
De koele receptie van het rapport-Stasi in Nederland
Ik
zeg niets teveel, denk ik, wanneer ik constateer dat de bevindingen van
de commissie-Stasi in Nederland een uiterst koele ontvangst ten deel is
gevallen. Ik ken maar twee uitzonderingen.
De eerste is de filosoof Herman Philipse die overigens ook door de
commissie gehoord is en in het rapport genoemd wordt. Spreek uit: Erman
Filieps. De tweede uitzondering is de columnist Sylvain Ephimenco. In
Trouw publiceerde hij een krachtig en - vind ik althans - overtuigend
pleidooi voor de neutrale staat.
Maar verder heeft bij mijn weten de overgrote meerderheid van de Nederlandse commentatoren de Franse beginselen afgewezen.
Naar mijn idee ten onrechte. Er zit in de aanbevelingen van de
commissie-Stasi veel behartigenswaardigs, ook al zijn deze nog zo
onwelkom in de Nederlandse polder.
Laten we allereerst constateren dat het hier een intellectueel
indrukwekkende en consistente visie betreft. Dat ligt ook voor de hand,
als je de samenstelling van de commissie in ogenschouw neemt. De
commissie telde - inclusief de rapporteur - twintig leden, waaronder
zeer vooraanstaande deskundigen op het terrein van zowel godsdienst als
ook de “laïcité”. Men treft de namen aan van
Mohammed Arkoun, Jean Baubérot, Régis Debray, Gilles
Kepel, Henri Pena-Ruiz en Alain Touraine. Deze schrijvers hebben
allemaal uitvoerig geschreven over het onderwerp.
Hoe zouden wij zoiets in Nederland doen? Het hoogste bestuurlijke
ambitieniveau in de polder is: “de boel een beetje bij elkaar
houden”. Wij zouden dus alle voorzitters van belangengroeperingen
bij elkaar roepen, ze aan een ronde tafel plaatsen met koffie en
kaakjes en zien wat voor compromis uit de daar ontstane
“dialoog” zou opborrelen.
In Frankrijk niet dus. En dan krijg je ook een geheel ander resultaat.
Het resultaat van het werk van de commissie-Stasi is, als ik dat met
eigen woorden zou mogen samenvatten, precies omgekeerd aan het
multiculturalisme dat in Nederland zo lang de toon heeft gezet.
Nederland is de afgelopen jaren meegegaan met wat ik zou willen noemen
de “multiculturalistische logica”. En dat is, dat een
multiculturele samenleving ook om een multiculturele staat vraagt. Maar
dat is niet juist. Een multiculturele samenleving vraagt om een
neutrale staat. Men kan het ook zo zeggen: naarmate de tegenstellingen
in de samenleving groter worden moet de staat zich steeds neutraler
gaan opstellen. De staat moet namelijk geloofwaardig zijn als arbiter
die boven de partijen staat. De neutrale staat is daarom een
noodzakelijk complement op de multiculturele samenleving.
Zoals gezegd, de bevindingen van de commissie-Stasi zijn in Nederland
hooghartig van de hand gewezen. Het grootste deel van de commentaren
die in Nederland op het rapport van de commissie gegeven zijn, leed
overigens aan ernstige misverstanden. Een paar daarvan wil ik met name
noemen.
De neutrale staat staat niet “negatief” tegenover religie
Als
eerste is daar de hardnekkige mythe dat het idee van de neutrale staat
blijk zou geven van een negatieve houding tegenover religie. Nu kan men
natuurlijk elk verzet tegen een theocratie per definitie
duiden als verzet tegen religie. Wie zich verzet tegen katholieke
wiskunde kan men ook wel een “negatieve houding” tegenover
het katholicisme aanwrijven.
Maar dat lijkt mij tendentieus taalgebruik.
Het is ook vanuit het oogpunt van een eerlijke debatstrategie unfair om
de voorstanders van een neutrale staat aan te spreken op hun vermeende
atheïstische motieven. Voor sommigen zal gelden dat zij hun
voorkeur voor een neutrale staat combineren met atheïsme of
agnosticisme, maar noodzakelijk is dat zeker niet.
In 1834 publiceerde Abbé Félicité de Lamennais zijn Paroles d’un Croyant. Lamennais
wordt ook wel een “Chrétien laïque” genoemd.
Hij meent dat juist wanneer het katholicisme zich zou concentreren op
zijn spirituele missie en afstand doet van de poging politieke macht te
verwerfen, dit het geloof ten goede zou komen.
Ook de Nederlandse staatsrechtgeleerde Erik Jurgens kan geheel trouw
blijven aan zijn christelijke achtergrond en toch consistent de
beginselen van de neutrale staat omarmen, zoals hij gedaan heeft. Het
ideaal van de neutrale staat is niet noodzakelijk verbonden met de
wereldbeschouwing van een atheïst of agnost. De pretentie van het
Franse systeem is dat dit uiteindelijk in het voordeel is van joden,
christenen, moslims, boeddhisten, hindoes en humanisten. En ook voor de
aanhangers van natuurgodsdiensten geldt: ook zij zijn er beter mee af.
De Nederlandse geschiedenis en volksaard determineert ons niet
Een
tweede bezwaar dat hier veel gehoord werd over het werk van de
commissie-Stasi is dat de Nederlandse volksaard of de Nederlandse
geschiedenis zich tegen een dergelijke rigoereuze scheiding van kerk en
staat zou verzetten. De Franse staatstraditie is een andere dan de
Nederlandse, hoort men wel.
Vooral historici hoor je dit vaak beweren. Maar daarmee overschrijden
zij de competentie van hun vak. Een historicus kan je leren wat in het
verleden heeft plaatsgevonden, niet wat in de toekomst zál
plaatsvinden. Maar heel vaak zijn historici in hun “vrije
tijd”, in hun “obiter dicta”, tevens vergaand
“historisch deterministen”: zij achten de mens bepaald door
zijn historische verleden.
Nu is het ongetwijfeld juist dat het Nederlandse systeem en de
Nederlandse traditie verschillen van de Franse. Ook de Nederlandse
geschiedenis heeft, zoals bekend, een geheel andere loop genomen dan de
Franse. Maar men kan sterk betwijfelen
of dit zoveel betekenis moet hebben voor het beoordelen van de merites
van het ideaal van de neutrale staat. De problemen op het gebied van
integratie en het goed organiseren van een multiculturele samenleving
zijn grotendeels universele problemen geworden. Wij leven in een tijd
van globalisering, is al vaak opgemerkt. Dat betekent dat in de
westerse industriële samenlevingen men met grofweg dezelfde vragen
wordt geconfronteerd. Wij zitten daarbij minder dan ooit vast aan onze
eigen geschiedenis. Die kan misschien verklaren waarom bepaalde zaken
in Nederland anders zijn geregeld dan in Frankrijk of in Duitsland,
maar de geschiedenis is geen keurslijf dat ons determineert in de
toekomst dezelfde wegen te bewandelen als wij in het verleden hebben
gedaan.
Nederland zou zich dus wel degelijk kunnen laten inspireren door het
Franse model van de neutrale staat, als men dat zou willen. Dat dit
niet alleen kan, maar dat daarvoor ook goede redenen zijn, dringt zich
op wanneer men zich realiseert wat ons als alternatief wordt
voorgehouden, namelijk de multiculturele staat.
Laat ik proberen aan te geven hoe die multiculturele staat er volgens zijn aanhangers uit zou moeten zien.
De multiculturele staat
Kenmerkend
voor de multiculturele staat is dat niet het menselijke individu het
belangrijkste referentiepunt vormt, maar de sociale groep. Typerend is
bovendien dat deze groepen niet op basis van vrijwilligheid zijn
geformeerd, zoals een tennisvereniging of een maatschappij ter
bevordering van de letteren en kunsten, maar op basis van etnische en
religieuze criteria. Kinderen wordt op jonge leeftijd geleerd dat hun
primaire identiteit niet ligt bij het abstracte staatsburgerschap, maar
bij de groep waarvan zij door afstamming of religieuze gezindte deel
uitmaken. De loyaliteit aan de groep gaat ook boven de loyaliteit aan
de nationale staat en samenleving waarvan men deel uitmaakt.
Zoals gezegd: de staatsconceptie die de multiculturalisten voor ogen
staat is niet de neutrale staat, maar de pluriforme staat. Het
ventileren van religieuze en politieke partijdigheid binnen het
staatsapparaat wordt geaccepteerd als onvermijdelijk voortvloeiend uit
grondrechten en mensenrechten. Vaak wordt het beroep daarop ook
aangemoedigd. De partijdigheid of schijn van partijdigheid die dit
introduceert in de overheidsdienst wil men compenseren door ook de
leden van concurrerende groeperingen gelijke toegang tot de openbare
dienst te verlenen. Zo zouden de verschillende politieke en religieuze
groeperingen elkaar “in evenwicht moeten houden”. Soms
noemt men die evenwichtssituatie zelfs “neutraal”. Deze
nieuwe vorm van “neutraliteit” zou te verkiezen zijn boven
de oude vorm.
Het is duidelijk dat op die manier een heel ingewikkeld quota-systeem
zou moeten worden ontwikkeld om in allerlei functies waar voorheen de
gewone neutraliteit het uitgangspunt vormde nu een proportioneel
uitgebalanceerde pluriformiteit te realiseren. Maar de problemen
blijven natuurlijk gewoon bestaan. Een islamitische justitiabele die
voor het hekje staat en een rechter met een keppeltje aantreft kan
alleen maar denken “pech gehad”. Hetzelfde geldt voor een
joodse justitiabele die een vrouwelijke rechter ziet met een
hoofddoekje op.
Van de twee naties naar de twee staten
In de 19e
eeuw sprak Benjamin Disraëli over de “two nations”,
die van de armen en die van de rijken, tussen welke “there is no
intercourse and sympathy”. In geheel Europa lijken we op dit
moment te worden geconfronteerd met de “twee staten”. Het
gaat om twee geheel verschillende staatsconcepties. Het Franse concept,
het idee van de neutrale staat. En het multiculturele concept, waarbij
neutraliteit is opgegeven en vervangen door een min of meer
uitgebalanceerde pluriformiteit.
Ook kan men onderkennen dat in één land voor bepaalde
delen van het overheidsapparaat de ene staatsopvatting domineert en
voor andere delen van het overheidsapparaat de andere. In Nederland
vigeert voor de rechterlijke macht nog steeds de neutrale staatsidee.
De poging om met een beroep op mensenrechten hier de mogelijkheid tot
het dragen van religieuze tekenen te introduceren, heeft schipbreuk
geleden op een assertieve minister van justitie. Een politieke
meerderheid was kennelijk niet toe aan het introduceren van
multiculturalisme binnen de rechterlijke macht.
Maar in het openbaar onderwijs, een terrein dat in Frankrijk nog steeds
wordt beheerst door de neutrale staatsconceptie, heeft de
pluralistische en multiculturalistische staatsconceptie veel terrein
gewonnen.
De neutrale staat en het onderwijs
En
dat brengt mij bij het onderwijs: nergens wordt de strijd tussen de
neutrale en de multiculturele staatsconceptie zo hard uitgevochten als
op het terrein van het onderwijs.
Ik zal nu geen pleidooi gaan houden voor de afschaffing van het
bijzonder onderwijs als strijdig met de Franse beginselen. Wat ik wel
wil doen, is het signaleren van een vreemde paradox ten aanzien van dat
onderwijs. Die paradox is dat het bijzonder onderwijs een nieuwe vlucht
lijkt te maken juist
in een periode waarin de ideologische legitimatie daarvoor gebrekkig is geworden. Ik zal uitleggen wat ik bedoel.
Daarvoor moet ik eerst nog iets zeggen over de Franse opvattingen. Wat betekent de neutrale staat voor het
onderwijs?
Eén van de protagonisten van de neutrale staat is de Franse
politiek filosoof Régis Debray. Hij beroept zich bij zijn
verdediging daarvan op de 18e eeuwse verlichtingsdenker
Condorcet. De missie van de school, zei Condorcet, is om de “rede
populair te maken”. Geen enkele autoriteit, geen enkel geloof,
hoe eerbiedwaardig ook, zou het vrije onderzoek (“libre
examen”) mogen frustreren. Een school waarop niemand, ook de
docent niet, een ander kan dwingen te denken zoals hij zelf doet, noemt
Debray een “école laïque”.
Om alle misverstand te voorkomen: ook Debray onderscheidt de
lekenschool weer nadrukkelijk van de “atheïstische
school”. “Laïque” staat tegenover
“klericaal”. De school moet niet door de kerk worden
gedomineerd. Maar dat maakt de lekenschool nog niet atheïstisch.
Wie zich in een bepaalde context afzijdig houdt van God, is niet
noodzakelijkerwijs tegen. Men kan daarom ook heel goed gelovig zijn en
toch de lekenschool omarmen.
Interessant zijn ook hier, net als altijd, de opvattingen van de Duitse
socioloog Max Weber. Weber heeft, zoals bekend, stelling genomen tegen
de ook in onze tijd wijverbreide opvatting dat ambtenaren aan politiek
mogen doen. De beroepseer van de ambtenaar is
“onkreukbaarheid”, zegt Weber en gepolitiseer vanuit de
ambtelijke dienst past daar niet bij. Hij zegt: “De ware
ambtenaar (…) behoort wat zijn werkelijke beroep aangaat, geen
politiek te bedrijven, doch voor alles onpartijdig te besturen.”
Minder bekend is dat hij een soortgelijk pleidooi heeft gehouden voor
de neutraliteit van onderwijzend personeel: “Politiek hoort niet
in de collegezaal” (“Politik gehört nicht in den
Hörsal”), schrijft hij in Wissenschaft als Beruf.
Dat wil zeggen dat studenten geen politiek moeten bedrijven binnen de
universiteit. Maar het betekent ook dat hoogleraren zich daarvan dienen
te onthouden. Juist wanneer de betreffende hoogleraar zich beroepsmatig
met politiek bezighoudt, zou hij zich aan die neutraliteit vanaf het
katheder moeten conformeren. Immers een partijpolitieke stellingname en
een wetenschappelijke analyse zijn twee geheel verschillende zaken. De
studenten worden geacht te luisteren en dan is het onverantwoord dat
zij de politieke boodschap van de docent als onwrikbaar dogma ingegoten
krijgen. De demagoog en de profeet horen daarom niet voor de
collegezaal.
Helaas wordt dat in een cultuur die het geloof in neutraliteit,
onpartijdigheid en objectiviteit heeft verloren in toenemende mate
miskend. Een standpunt is altijd partijdig, denken vele mensen
tegenwoordig. Het lekendom of de “laïcité” is
ook een “bepaald soort geloof”, zij het van een seculiere
geaardheid, zegt men dan.
Nu
lijkt mij dat in een bepaald opzicht juist. Het is juist dat de
lekenschool en de neutrale staat niet neutraal kunnen zijn ten aanzien
van de krachten die democratie, rechtsstaat en mensenrechten
ondersteunen dan wel ondermijnen. Maar dat is ook niet de neutraliteit
die de neutrale staat van Condorcet, Régis Debray en Weber
pretendeert te kunnen realiseren. Het ideaal van de neutrale staat
heeft betrekking op neutraliteit in religieuze en politiek-ideologische tegenstellingen. Over die religieuze tegenstellingen spraken Condorcet en Debray. Over de politieke tegenstellingen
ging het bij Weber. De lekenstaat wil godsdienst en partijpolitiek buiten de deur houden en bepleit in die zin neutraliteit.
Helaas wordt dit onvoldoende onderkend en de woorden van Debray, Weber
en Condorcet glijden daarom van velen af als water van een zwanenhals.
Men denkt: “neutraliteit bestaat niet”. En vervolgens
worden de Franse beginselen als naïve verlichtingsillusies de deur
gewezen.
Maar dat lijkt mij een niet gering maatschappelijk probleem.
Dit probleem is de afgelopen twintig jaar van mijn academische
carrière dat ik, lopend door de Stationsweg en over het
Rapenburg, het straatbeeld heb zien veranderen alleen maar groter
geworden. In een multiculturele samenleving is namelijk grote behoefte
aan een bemiddelende instantie tussen de rivaliserende groepen. Die
bemiddelende instantie, de staat in ons geval, kan niet anders dan
neutraal zijn. Een partijdige arbiter is ongeloofwaardig. Als
onpartijdigheid van de staat een hersenschim is, is de multiculturele
samenleving tot mislukken gedoemd.
Ik stel daarom voor dat de we Franse beginselen serieus gaan nemen. Dat
doen we al voorzover we religieuze symbolen hebben geweerd uit de
rechterlijke macht. Maar daarmee is de betekenis van de Franse
beginselen niet uitgeput. Men kan zich natuurlijk ook afvragen wat deze
betekenen voor ons duale systeem van onderwijs: onze combinatie van
openbaar en bijzonder of religieus gekleurd onderwijs.
Aan dit onderwerp zou ik het tweede deel van mijn verhaal willen wijden. Ik zou willen
beoordelen wat de Franse beginselen betekenen voor:
-
het bijzonder onderwijs, dat wil zeggen: onderwijs dat wordt gegeven op basis van een godsdienstige overtuiging en
-
wat
ik maar noem: “bijzondere wetenschap”, dat wil zeggen:
wetenschaps- beoefening op basis van een godsdienstige overtuiging.
-
Voor confessioneel onderwijs en confessionele wetenschap zijn au fond drie rechtvaardigingen te geven. Twee slechte en één goede,
zoals zal blijken. Ik zal beginnen met de twee slechte.
De eerste rechtvaardiging voor bijzonder onderwijs: wetenschap op basis van de religie
De eerste en
meest principiële rechtvaardiging voor confessioneel onderwijs en
confessionele wetenschapsbeoefening, is ongetwijfeld dat een
intrinsieke band zou moeten en kunnen worden geconstrueerd tussen
godsdienst enerzijds en onderwijs en wetenschap anderzijds. Ik zal gaan
betogen dat het hier om een illusie gaat, maar dat neemt niet weg dat
het een voor de hand liggend idee is. De meeste godsdiensten
verschaffen ons immers niet alleen feitelijke informatie over een leven
na dit leven of een leven voor dit leven, maar zij geven ook informatie
over de wijze waarop de wereld die we om ons heen zien in elkaar zit.
Zo leidde men in de 16e eeuw uit
bijbelpassages af dat het heliocentrisch wereldbeeld niet zou kloppen.
De filosoof Ludovico delle Colombe vatte de bezwaren tegen het
wereldbeeld van Galileï beknopt samen. In Psalm 104 staat
overduidelijk: “Gij grondde de aarde op haar zuilen, onwrikbaar,
eeuwig van duur”? Onwrikbaar dus.
In 1 Kronieken 16 vers 30 staat: “De wereld staat vast en zij wankelt niet”? Dan kan de aarde dus niet ronddraaien.
Uit deze passages uit de Heilige Schrift werd afgeleid dat de nieuwe
astronomische opvattingen die de zon in het middelpunt van het
universum plaatsten, met de aarde daarom heen draaiend, niet juist
konden zijn.
Dat was niet alleen de opvatting van de katholieken, maar ook van de
protestanten. Luther vroeg zich af wie die gek was die de hele
astronomie op zijn kop wilde zetten. Jozua had de zon stilgezet. Hoe
zou dat kunnen als die zon helemaal niet draaide?
De reactie die wij tegenwoordig geneigd zijn te geven wanneer wij kennisnemen van het
conflict tussen de astronomie en de theologie in de 17e
eeuw is dat men toen heel naïeve opvattingen had over
interpretatie. Wij denken nu - wijs geworden door relativistische
postmoderne interpretatietheorieën - dat we woorden alles kunnen
laten betekenen wat we maar willen. Je moet die bijbelpassages helemaal
niet letterlijk nemen, zeggen wij wereldwijs.
Maar die argumenten kende men in de tijd van Galileï ook al. De
genoemde Ludovico Delle Colombe was zich al bewust van het pleidooi dat
velen houden voor een niet-letterlijke lezing van de Schrift. Hij gaf
daarop de volgende reactie: waar men de schrift letterlijk kan verstaan, daar moet men dat ook doen. Daarover waren alle theologen het eens, meende hij.
In de 19e eeuw zou, zoals bekend, de controverse
tussen de geopenbaarde waarheid van de bijbel en de bevindingen van
empirisch onderzoek zich herhalen naar aanleiding van Darwins
evolutietheorie.
Waren dit ongelukkige voorbeelden?
Nu
waren dit misschien ongelukkige voorbeelden van de manier waarop de
relatie tussen godsdienst en wetenschap zou kunnen worden
geconstrueerd. Zoals het met Darwin en met Galileï gegaan is,
zó moet het niet, zullen voorstanders van het bijzonder
onderwijs en de confessionele wetenschapsbeoefening ongetwijfeld
zeggen. Maar als dit verkeerde voorbeelden zijn van de wijze waarop de
relatie tussen wetenschap en religie geconstrueerd is, dan maakt ons
dat nieuwsgierig naar goede voorbeelden.
Dat wil zeggen: voorbeelden waaruit zou blijken dat de godsdienst de
wetenschap tot inzichten kan brengen waarop de wetenschap langs eigen
weg niet zou zijn gekomen.
Misschien vindt u dit een tendentieuze vraag. Maar toch, zou deze vraag niet
eigenlijk gesteld moeten worden als het bijzonder onderwijs en
“bijzondere wetenschapsbeoefening” niet op louter willekeur
zijn gestoeld?
Strikt genomen zou toch de Vrije Universiteit in Amsterdam of de
Katholieke Universiteit in Nijmegen (binnenkort Radbouduniversiteit) de
pretentie moeten hebben betere rechtswetenschap of betere biologie te
bedrijven dan geschiedt aan de universiteit van Leiden of die van
Groningen. Als tussen die twee soorten van wetenschapsbeoefening geen
enkel verschil bestaat, geen rangorde van beter en minder goed - dan
kan je die godsdienst als basis toch net zo goed weglaten?
Van tijd tot tijd wordt overigens nog steeds de pretentie uitgesproken
dat religie tot waarheden kan komen die de waarheid van de wetenschap
te boven gaan, althans deze kunnen aanvullen. En dat gebeurt bepaald
niet alleen in orthodoxe kring. Integendeel zelfs. Die pretentie is
bijvoorbeeld aanwezig bij de Parijse hoogleraar arabistiek Mohammed
Arkoun, die ook in Nederland geen onbekende is. Hij bezette een tijdje
een leerstoel aan de universiteit van Amsterdam. De vrijzinnige moslim
Arkoun verdedigt de opmerkelijke stelling dat religie een bron kan zijn
van “waarheid”. Net zoals met wetenschap het geval is.
Arkoun geeft aan “tegenwicht” te willen bieden aan wat hij
noemt “de mentaliteit die de wetenschap als de bron der dingen
ziet en daarmee een onderscheid maakt tussen de wetenschappelijk
vastgestelde zekerheden van de rede en het geloof met zijn onzekerheden, verbeeldingen,
verdichtingen, mythologieën en andere gebreken, die met name door
de religie in stand worden gehouden.” Volgens Arkoun moeten
religies “geherwaardeerd worden als cognitieve systemen die nog
altijd een belangrijke rol spelen in de werking van onze intellectuele
en gevoelsmatige vermogens.”
Dit is een opvallend standpunt. Niemand zal ontkennen dat religies een
belangrijke rol kunnen spelen in de werking van onze
“gevoelsmatige vermogens”. Maar kan men stellen dat
religies een cognitieve functie kunnen hebben, zoals met de wetenschap
het geval is? Dat is een opmerkelijke claim.
Men behoeft niet in een “sciëntistische
verlichtingswaan” te verkeren of de “droom der rede”
te dromen of van de Verlichting een soort van
“fundamentalisme” te maken om hiertegen bezwaren aan te
tekenen, lijkt mij. De pretentie dat de religie waarheden kan aandragen
die met de wetenschap in strijd kunnen komen, vormde tenslotte de basis
van het conflict tussen religie en wetenschap dat een groot deel van de
wetenschapsgeschiedenis tussen de 16e tot de 19e eeuw heeft bepaald.
Voorzover dit het christendom betreft behoort die strijd grotendeels
tot het verleden. En sinds die tijd is het in toenemende mate
onduidelijk geworden hoe die relatie tussen religie en wetenschap
precies zou liggen. Het is een merkwaardige historische paradox dat de
bekostiging van het Nederlands bijzonder onderwijs uit algemene
middelen dateert uit het begin van de 20ste eeuw, juist de periode waarin het duidelijk was geworden dat de religie niet in staat was tot het doen van uitspraken over de natuurlijke werkelijkheid.
Nu weet ik wel: men hoort tegenwoordig vaak dat wetenschap en religie niet met elkaar in conflict behoeven te komen, omdat
zij een verschillende taal spreken. Maar het argument dat de religie
geen obstakel vormt voor de wetenschap kan men toch moeilijk als een
argument zien voor de stelling dat daartussen een intrinsieke relatie
zou bestaan. Je gaat ook geen universiteiten oprichten gelieerd aan een
bepaalde vorm van sportbeoefening, omdat sport geen obstakel vormt voor
de wetenschap.
Daarmee vervalt - als ik het goed zie - de eerste rechtvaardiging voor bijzonder onderwijs en bijzondere wetenschapsbeoefening.
De tweede rechtvaardiging voor bijzonder onderwijs: waardenoverdracht op basis van de religie
Dat brengt ons op een tweede
rechtvaardiging voor bijzonder onderwijs en bijzondere
wetenschapsbeoefening. Die zou daarin gezocht kunnen worden dat vele
instellingen van wetenschap ook instellingen van onderwijs zijn. Dat
geldt bijvoorbeeld voor de universiteiten. En onderwijs betekent niet
alleen de overdracht van cognitieve zaken, maar ook van waarden en
normen. Die waarden en normen zijn vaak religieus geïnspireerd.
Ook dat kan niet worden ontkend. Maar net als met de relatie tussen
religie en wetenschapsbeoefening het geval is, plaatst ook de relatie
tussen religie en moraal ons voor enorme problemen.
Het eerste punt is een principiële kwestie: die van de
rechtvaardiging van de moraal. Hoe kan moraal worden gerechtvaardigd?
Stel een vader zegt: “Ik heb mijn dochter lief, want dat is
voorgeschreven in mijn heilig boek.” Hoe goed is dat argument
voor vaderliefde? Is moraal noodzakelijk verbonden
met godsdienst? Kan moraal adequaat worden rechtvaardigd door te
verwijzen naar een goddelijke bron, een openbaring, een god of zelfs
maar een religieuze traditie?
Die vraag wordt bevestigend beantwoord door vele theïsten. Het
goede is goed, omdat God ervoor gekozen heeft. Het is niet goed in
zichzelf en wordt daarom door God gekozen.
De eerste is de heteronome positie: de goddelijke
wil staat centraal, de moraal is daarvan een afgeleide.
Het tweede is de autonome positie: de zedelijkheid staat centraal en die is ook voor God de norm.
Voor de aanhangers van de zedelijke autonomie is de vorst der hemelen
een constitutionele vorst, gebonden aan de moraal. Maar is dat
aanvaardbaar vanuit de zuivere theïstische premissen?
Mij lijkt van niet. Niet de autonome positie, maar de heteronome lijkt
mij consistent vanuit het theïstisch godsbeeld dat jodendom,
christendom en islam gemeenschappelijk hebben. Maar die heteronome
positie is ook voor velen onnavolgbaar tegenwoordig. Ik herhaal: welke
vader heeft zijn kinderen lief omdat God het voorschrijft? Die
heteronomie is niet in de laatste plaats een probleem voor gelovigen.
Religie als ondermijnend voor de sociale cohesie in de samenleving
Laat
ik nu wat u misschien ervaart als filosofische spitsvondigheden even
terzijde schuiven om aandacht te vragen voor een meer praktisch
probleem met de religieus gefundeerde ethiek die een legitimatiegrond
is voor bijzonder onderwijs. Dit praktisch probleem heeft te maken met
de sociale cohesie in de samenleving, een belangrijk onderdeel van het
Leidse onderzoeksprogramma sociale cohesie en multiculturaliteit. Tot
voor kort maakte niemand zich daar zorgen over. Je maakte je zorgen
over de verstikkende eenheid, over het conformisme. Ik herinner mij de
boeken van Erich Fromm uit de jaren zestig. Hoe lang lijkt dat niet
geleden. Tegenwoordig is de vraag of de samenleving niet uit elkaar
valt. Niet de orde, maar de anarchie is het probleem. En in die
historische fase is het stimuleren van religieuze en etnische
pluriformiteit misschien niet de meest verstandige overheidsstrategie.
Religie stimuleert immers cohesie binnen de groep, zelden cohesie tussen de groepen.
Precies
hier ligt weer een sterk punt van de Franse beginselen, zoals
uiteengezet door de commissie-Stasi. De commissie-Stasi bepleit de
opvoeding tot staatsburger. De sociale cohesie in de samenleving kan
alleen maar in stand blijven wanneer men zich oriënteert op de
Republiek, niet wanneer men op staatskosten wordt opgevoed om zich
primair te richten op het cultiveren van de eigen etnische en
religieuze identiteit. De Amerikaanse historicus Arthur Schlesinger
typeerde het multiculturalistisch ideaal heel treffend als “the
disuniting of America”: het uiteenvallen van de Verenigde Staten.
Misschien mag ik hier wijzen op wat ik zelf zie als een belangrijke
taak voor het onderwijs in een neutrale staat. Die taak is: bevorderen
dat de autonomie van de moraal tot gelding komt. Voorondersteld aan de
gedachte van de “laïcité” of de scheiding van
kerk en staat of de neutraliteit van de staat, is namelijk wel dat
waardenoverdracht zonder godsdienstige basis mogelijk is en in de toekomst steeds belangrijker zal worden. In
de multiculturele samenleving kunnen wij het ons eenvoudig niet langer
veroorloven dat de grondslag van de moraal versplintert in allerlei
godsdiensten, want die godsdiensten spreken elkaar tegen en moraal
veronderstelt een gedeeld kader. Schlesinger heeft een punt.
Wat vroeger een inzicht was voor enkelingen, zoals voor bijvoorbeeld
onze landgenoot Spinoza, zal in de maatschappij van de toekomst
gemeengoed moeten worden. Spinoza neemt in één van zijn
brieven stelling tegen de gedachte dat men zich aan morele geboden zou
moeten houden uit angst voor de hel. Wie zich aan God’s geboden
houdt alleen maar uit angst voor goddelijke straf, is een slaaf zonder
dat hij dat zelf weet. De deugd is zijn eigen beloning, zei Spinoza.
In zijn Tractatus Theologico-Politicus, in 1670 anoniem
gepubliceerd, werkte hij zijn opvattingen nader uit. Het is een
prachtig pleidooi voor niet alleen de autonomie van de moraal, maar ook
voor religieuze vrijheid en de scheiding van kerk en staat. Dat een
moreel exemplarische levenswandel mogelijk is volgens de opvattingen
van de autonome moraal - daarvan legt het leven van Spinoza zelf
getuigenis af, zoals Heinrich Heine en talloze anderen hebben
geconstateerd. En dat ook hele wereldrijken de moraal hebben
hooggehouden zonder de gedachte van een wrekende en straffende God
bewijst natuurlijk de Griekse samenleving, het Romeinse Rijk, de
cultuur van het oude China en vele andere voorbeelden.
Ook die tweede legitimatiegrond voor bijzonder onderwijs, de veronderstelde relatie tussen religie en moraal, is dus onder de
huidige omstandigheden problematisch geworden.
De derde rechtvaardiging voor bijzonder onderwijs: de organisatievorm maakt ouder-participatie mogelijk
Blijft over een derde
rechtvaardiging voor het religieus gefundeerd onderwijs. Eigenlijk is
dat de enige rechtvaardiging voor het bijzonder onderwijs die deugt,
namelijk: dat het kwalitatief goed functioneert. Geen enkele
tegenstander kan dat ontkennen. Tegelijkertijd moet worden onderkend
dat die kwaliteit niets te maken heeft met de twee principiële en
inhoudelijke rechtvaardigingsgronden die we zoëven hebben
behandeld, namelijk (a) de intrinsieke band tussen geloof en wetenschap
en (b) de noodzakelijke relatie tussen geloof en moraal.
Die kwaliteit van het bijzonder onderwijs schuilt in een volslagen
contingente factor. Contingent is namelijk dat de wijze waarop het
bijzonder onderwijs georganiseerd is, invloed van niet-statelijke
instanties, van ouders, van intermediaire groepen, mogelijk maakt. Het
is gewoon de organisatievorm die kennelijk goed bevalt.
We verkeren daarmee in de paradoxale situatie dat de twee inhoudelijke
rechtvaardigingen voor bijzonder onderwijs grote averij hebben
opgelopen, terwijl het element van de keuzevrijheid ferm overeind
staat. Het bijzonder onderwijs is tegenwoordig vooral als keuze gerechtvaardigd.
Naar mijn idee zouden de uiterst magere argumenten die wij tegenwoordig
kunnen mobiliseren voor het bestaan van bijzonder onderwijs ons tot een
zekere bescheidenheid moeten brengen bij het beoordelen van de Franse
principes.
Omdat het bijzonder onderwijs alleen als organisatievorm gelegitimeerd
is, mag het als ironie van de geschiedenis worden gezien dat juist op
dit moment het bijzonder onderwijs een nieuwe impuls dreigt te krijgen
van de zijde van de derde theïstische godsdienst die
institutioneel zijn vleugels aan het uitslaan is, namelijk de islam. En
dat op dit terrein ook weinig geleerd is van het verleden mag daaruit
blijken dat zelfs een vrijzinnige moslim als Mohammed Arkoun denkt dat
religie geherwaardeerd moet worden als een cognitief systeem dat een
belangrijke rol speelt in de werking van onze intellectuele vermogens.
Nu geef ik toe: dit zijn postmoderne formuleringen van Arkoun waarbij nooit helemaal valt
vast te stellen wat zij precies betekenen (als zij
al iets betekenen), maar geruststellend zijn deze passages toch niet.
Immers een flirt met de gedachte dat religie ons kennis oplevert over
hoe de wereld in elkaar zit, een soort van kennis die nog eens in
polemische zin wordt gecontrasteerd met de kennis die de wetenschap
oplevert, zou namelijk betekenen dat een weg die doodlopend is gebleken
bij jodendom en christendom nu door de derde theïstische
godsdienst, de islam, opnieuw dreigt te worden bewandeld. En het
lastige aan dit dilemma is, dat onze oriëntatie op gelijke
behandeling en keuzevrijheid ons de argumenten uit handen slaat om deze
doodlopende weg voor anderen te verbieden. Iedereen heeft recht op zijn
eigen doodlopende weg.
Nu moeten we bedenken dat het christendom tweeduizend jaar heeft nodig
gehad om erachter te komen dat wetenschap beter gedijt wanneer
géén relatie wordt gelegd met geloof. Hetzelfde geldt
voor de stelling dat moraal beter kan worden ontkoppeld van godsdienst.
Voor de ethiek geldt zelfs dat het pas sinds de jaren zestig van de
twintigste eeuw gemeengoed is geworden dat moraal het beste kan worden
losgemaakt van godsdienst.
De toekomst van de ethiek volgens Derek Parfit
Sommige
filosofen stemt dat optimistisch. Zo schrijft de Britse filosoof Derek
Parfit dat “de geschiedenis van de ethiek nog maar net begonnen
is”. Sommigen, zegt Parfit, geloven dat in de ethiek geen
vooruitgang kan worden geboekt, maar hijzelf gelooft daar niets van. Er
zijn nog maar heel weinig ethici die van een niet-religieuze ethiek hun
levenswerk hebben gemaakt, zegt hij. In de meeste beschavingen hebben
mensen geloofd in één of in meerdere goden. Slechts een
kleine minderheid was ongelovig of kwam daarvoor uit. Bovendien:
diegenen die ongelovig waren, hebben vaak de consequenties van een
goddeloze levenshouding voor de ethiek niet verder doordacht. Boeddha
en Confucius hebben dat misschien gedaan en “a few Ancient Greeks
and Romans”. Maar dat zijn uitzonderingen gebleven. Pas sinds de
jaren zestig van de twintigste eeuw is een niet-religieuze ethiek
serieus tot ontwikkeling gekomen. “Compared with the other
sciences, Non-Religious Ethics is the youngest and the least
advanced,” zegt Parfit. En juist daarom valt hier nog veel
vooruitgang te boeken. Met de toenemende secularisatie zal de ethiek
zich van de godsdienst gaan bevrijden, net zoals eens gebeurd is met de
natuurkunde en met de biologie, meent hij.
U begrijpt dat als je je vertrekpunt maar bescheiden genoeg neemt er
altijd reden is voor optimisme. Vanuit een bepaalde toestand
geredeneerd is elke verandering een vooruitgang. Maar ik moet zeggen
dat het perspectief van Parfit mij ook wel een beetje bedrukt. De islam
is haar loopbaan zes eeuwen later begonnen dan het christendom. Als de
islam net zo veel tijd krijgt (en nodig heeft) om tot het inzicht te
komen waartoe het christendom in deze tijd gekomen is, namelijk dat
wetenschap en moraal beter gedijen zonder godsdienst, dan hebben we nog
zes eeuwen voortwandelen op die doodlopende weg voor de boeg.
Ik heb stille hoop dat het zo lang niet hoeft te duren. Ik hoop dat de
nieuwe islamitische zuil zich veel sneller de beginselen van de
“laïcité” of de neutrale staat zal eigen maken
dan bijvoorbeeld de katholieke kerk gedaan heeft. Maar of die hoop
realistisch is - dat laat ik graag aan anderen over om te beoordelen.
Conclusie
Ik kom tot een afronding.
Dames en heren, ik had mij voorgenomen mij met het onderwerp van de
multiculturele samenleving en religie even niet in te laten. Maar hier,
nu we toch even onder elkaar zijn in een academische context en onder
het presidium libertatis van deze universiteit, heb ik het toch maar
aangedurfd.
Als u het hier besprokene maar niet verder vertelt.
Ik hoop dat ik u een beeld heb gegeven van het vak encyclopedie van de
rechtswetenschap. Je kunt dat op twee manieren doen. Ik had u uitvoerig
kunnen vertellen wat het vak inhoudt, wat de onderverdelingen zijn, wie
daaraan bijdragen heeft geleverd en welke die bijdragen zijn. Maar je
kunt ook laten zien hoe het werkt: encyclopedie in actie.
Ik heb vandaag het laatste gedaan.
Daarbij kan ik mij voorstellen dat u straks, wachtend in de rij om mij
te feliciteren, tegen elkaar zegt: “tjonge-jonge, wat een
normatief verhaal. Is dat wel wetenschap? Het waren allemaal meningen.
Over de multiculturele samenleving. Over integratie. Over het
onderwijs. Over de wetenschap. Over de neutrale staat. Over de
ontwikkeling van godsdiensten. Maar daar kan je toch ook heel anders
tegen aan kijken?”
En dat klopt, dames en heren, daar kan je heel anders tegen aan kijken.
Dat zeg ik mijn studenten ook altijd. Dat ik het vak zo gepresenteerd
heb en niet anders, heeft twee redenen.
Dat je ook in de wetenschap zo van mening kunt verschillen over
belangrijke zaken weerspiegelt de stand van zaken in de samenleving. Er
staat heel veel niet meer zo vast. Alle onderwerpen die ik hier
besproken heb zijn sterk in beweging. Daarover worden ferme debatten
gevoerd. Het zou pure misleiding zijn te doen voorkomen dat daarover
veel onbetwiste wetenschappelijke informatie zou zijn over te dragen.
Wat studenten moeten leren, is over die zaken te reflecteren en zelf
een gefundeerd oordeel te ontwikkelen.
Ik geloof dat rechtenstudenten meer dan gebruikelijk is moeten leren het perspectief van de wetgever
in te nemen. Dat wil zeggen: normatief redeneren vanuit een onzekere
beginsituatie. Wat zij heel veel geleerd hebben in het verleden, is het
perspectief aan te nemen van de rechter, de situatie dus waarin
we te maken hebben met wetgeving en jurisprudentie die al veel
informatie geven over hoe de wereld in elkaar zit.
Tot zover mijn visie op het vak encyclopedie.
Ik heb de encyclopedische benadering vandaag toegepast op het onderwerp
van de neutrale en de multiculturele staat. En daarvan is het resultaat
dat de taak van de staat in een multiculturele samenleving geen andere
is dan de taak van een staat in een “gewone” samenleving.
De staat doet aan rechtsbedeling. De staat lost conflicten op. De staat
treedt op als hoedster van het algemeen belang.
Wat
ik hier heb gedaan is het houden van een pleidooi voor een gewone democratische rechtsstaat.
Nu zal men misschien zeggen: wat is daar zo bijzonder aan? Niets, in
beginsel. Ware het niet dat die “gewone democratische
rechtsstaat” tegenwoordig aan alle kanten onder druk staat. Velen
denken dat
die democratische rechtsstaat zou moeten worden geherformuleerd in het
licht van nieuwe eisen die daaraan te stellen zijn. De eisen van het
multiculturalisme. Ik ontken dat. De enige concessie aan
veranderingsdrift die ik zou willen doen, is stellen dat ten aanzien
van de democratische rechtsstaat een ideaal in ere zou moeten worden
hersteld, dat tegenwoordig ten onrechte bekritiseerd wordt: het ideaal
van de neutrale staat.
Daarbij kunnen wij inspiratie putten uit de traditie van de
“laïcité” van de Fransen. Wat de Fransen naar
mijn idee heel scherp hebben gezien, is dat een tegenwoordig
wijdverbreide opvatting op een ernstig misverstand berust. Die
wijdverbreide opvatting is dat de multiculturele samenleving van ons
vergt dat ook de staat steeds meer multicultureel wordt. Dat is niet
alleen een ernstige denkfout, maar het omgekeerde daarvan herbergt een
diepe waarheid. Die waarheid is dat juist naarmate de samenleving meer
multicultureel wordt, de staat steeds meer neutraal zal moeten worden.
De grootste protagonisten van de multiculturele samenleving zouden
daarmee ook de grootste voorstanders van de neutrale staat moeten zijn.
Ik moet nu afronden. We gaan nu over tot wat altijd het leukste gedeelte is van een oratie, namelijk de
dankwoorden.
Aan het eind van mijn rede wil ik allereerst het College van Bestuur en het Bestuur van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid bedanken
en iedereen die heeft bijdragen aan mijn benoeming op de leerstoel encyclopedie van de rechtswetenschap.
Geachte Prof. Franken/ Beste Hans,
Natuurlijk
moet ik ook jou daarbij noemen. Ik ben in 1984 in Leiden aangekomen en
we hebben dus - afgezien van een korte onderbreking door jouw werk bij
de Raad van State - bijna twintig jaar samengewerkt. Dat is altijd in
goede harmonie verlopen. Ik wil je danken voor de vrijheid die je mij
hebt gegeven. Ik zal het vak encyclopedie zeker voortzetten in jouw
geest. Dat wil zeggen: het is geen rechtsfilosofie, maar het is ook
geen positief recht. Het zit er precies tussenin.
Geachte professor Couwenberg, beste Wim,
In
datzelfde jaar dat ik in Leiden aankwam, in 1984, publiceerde ik ook
een beschouwing over de geschiedfilosofie van Immanuel Kant in Civis Mundi.
Jij was en bent redacteur en sindsdien hebben wij regelmatig contact.
Ik bewonderde je vanaf dat moment en die bewondering is alleen maar
gegroeid. Je was je tijd soms twintig jaar vooruit en je zei over
integratie en de multiculturele samenleving dingen die pas nu
gemeengoed zijn geworden. Jij bent op het moment dat je gevoelige zaken
benoemde door de politiek correcte elite die binnen de muren van de
academie ook zo rijk vertegenwoordigd is vaak op ruwe wijze bejegend.
Maar door gewoon door te gaan en lang te leven heb je de cultuur om je
heen zien veranderen. Ik ben mij ervan bewust dat ik dingen kan zeggen,
omdat mensen zoals jij mij voorgingen.
Dames en heren studenten en leden van het rechtsfilosofisch dispuut Contra Legem,
Het
beoefenen van het vak encyclopedie van de rechtswetenschap is niet
mogelijk zonder waardenkeuzes. Ik heb hiervoor de opvatting van Max
Weber opgevoerd. Een hoogleraar maakt ook waardekeuzes. Maar de
waardekeuzes van de hoogleraar zijn nooit normerend voor u. Wanneer ik
u confronteer met bepaalde opvattingen dan doe ik dat om u te
stimuleren uw eigen opvattingen te ontwikkelen en kritisch te
doordenken. Ik hoop dat ik dat ook vandaag weer heb gedaan.
Beste Emmie, Brigitte en Ilse,
Het
secretariaat van het departement metajuridica is het meest
professionele dat een hoogleraar zich kan wensen. Om maar
één voorbeeld te noemen: op het moment dat ik hier nog
sta te praten, staat het hier gesprokene al vermeld op mijn website. Ik
ben jullie voor dit alles - ook voor het gemak waarmee dat allemaal
gaat - zeer erkentelijk.
Lieve mamma,
Ik
blijf nog even bij 1984, het jaar dat ik aankwam in Leiden. Eén
jaar later overleed mijn vader, jouw echtgenoot. Ik denk dat hij mij
veel respect voor kennis en wetenschap heeft bijgebracht. Maar van jou
heb ik ongetwijfeld geleerd om soms eens iets te zeggen dat niet
iedereen als muziek in de oren klinkt. Jij noemde dat: “op een
nette manier je mond opendoen”.
Lieve Carla,
In Delft gaf ik ethiek uit een boek van Emmet Barcalow.
Dat had als opdracht: “dedicated to my one true love, wherever
she may be”. Die frase is mij altijd bijgebleven. Ik ben mij
ervan bewust dat ik alles kan opdragen aan een ware liefde, waarvan ik precies weet
waar die zich bevindt: hier, recht voor mij. Misschien heb ik zo weinig
behoefte aan religie omdat zo veel van wat voor anderen transcendent is
gebleven zich voor mij heeft gerealiseerd op aarde.
Lieve Valéry,
Volgens
een Duitse filosoof die pappa erg leuk vindt, Arthur Schopenhauer,
ontstaat het kind op het moment dat de ouders elkaar heel lief
aankijken. Pappa en mamma hebben dat gedaan hier, in 1989, toen pappa
promoveerde en mamma zijn paranimf was. Dat is een soort van hulpje.
Sindsdien zijn deze gebouwen voor pappa en mamma verbonden met allemaal
leuke dingen. En wij vinden het heel fijn dat we vandaag ook jou
daarvan deelgenoot kunnen maken.
En laten we dan nu maar wat gaan drinken. Want:
Ik heb gezegd.
|