
Illustratie door Tjeerd Royaards
Civis Mundi digitaal # 18, mei 2013
Dit boek is voor abonnees van Civis Mundi nog steeds verkrijgbraar tegen een gereduceerde prijs (10 euro per exemplaar plus verzendkosten) Voor een toelichting op dit boek, lees verder
In dit nummer wordt het heersende materialistische paradigma opnieuw ter discussie gesteld in een bijdrage waarin de auteur zich verbaasd afvraagt, hoe het komt dat dat paradigma in de wetenschappelijke wereld nog zo lang blijft domineren; voorts een vervolg op de serie ‘’Machtsbeginsel en Moderniteit’’ met een korte reflectie op de telkens terugkerende problematiek die zich voordoen bij de realisering van het emancipatiemotief van de moderniteit met als recente voorbeelden de anti-apartheidsstrijd in Zuid-Afrika en de Arabische Lente in de Arabische wereld. Tevens wordt in het licht gesteld dat met de ontideologisering van de politiek het machtsmotief veel naakter dan voorheen aan de oppervlakte treedt en dat met democratiseringsprocessen de onderlinge strijd om machtsposities intensiever wordt. Onder thema 26 wordt het machtsbeginsel ook aan de orde gesteld als bron van corruptie.
‘’Een aanzwellend koor van filosofen en opiniemakers verkondigt dat we behoefte hebben aan een nieuw groot verhaal na het verdwijnen van de twintigste-eeuwse ideologieën. Dit verhaal is precies wat de wetenschap vandaag in de aanbieding heeft,’’ stelt Peter Westbroek in zijn opmerkelijke boek ‘’De ontdekking van de aarde’ (p. 25). Niet alle ideologieën uit de vorige eeuw zijn echter verdwenen. Het liberalisme staat nog recht overeind. Het ligt als zegevierende westerse beschavingstraditie ten grondslag aan de politieke en maatschappelijke orde van westerse samenlevingen.
In dit nummer een korte toelichting op het liberalisme als zegevierende westerse beschavingstraditie en in aansluiting hierop de huidige positie van VVD en D66 als oorspronkelijk exclusief liberale partijen.
Met het verval van de religieuze, i.c. christelijke levensoriëntatie van de premoderniteit groeit in onze moderne samenleving en cultuur onderhuids het besef van de existentiële zinledigheid van ons bestaan. Vooral sinds Nietzsche treedt dat in de filosofische en literaire literatuur aan de oppervlakte. Voorlopig bleef dat nog beperkt tot een kleine intellectuele elite. Die existentiële zinledigheid is namelijk aanvankelijk gevuld met het moderne vooruitgangsgeloof als zingevend motief van de moderniteit. Maar in de loop van de twintigste eeuw verliest dat geloof met zijn ideologische en utopische uitwerkingen geleidelijk aan zijn ultieme zingevende kracht. Zodoende verbreidt het nihilistische wereldbeeld en levensbesef waar Nietzsche op doelde zich in steeds bredere kring totdat het in het postmoderne denken tenslotte het karakter krijgt van een normaal gegeven. De vraag naar een omvattende zin van het bestaan verliest sindsdien voor veel mensen zijn eeuwenoude cruciale betekenis. En door processen van ontkerkelijking, secularisering en individualisering is de positie en invloed van kerkelijke elites die tot de jaren ’60 nog in staat waren in veler behoefte aan zingeving te voorzien met het grote verhaal van de christelijke heilsbelofte, bovendien sterk verzwakt geraakt. Als reactie op een en ander is een brede en diepgravende bezinning op gang gekomen op dat wijd verbreide nihilistische levensbesef. Met o.a. de ontwikkeling van nieuwe spirituele bewegingen en daarmee samenhangend nieuwe spiritualiteit. Al zo’n 26% van de Nederlanders bekennen zich tot die zeer ontwikkelde nieuwe spiritualiteit als antwoord op de nihilistische effecten van het seculariserende moderniseringsproces en als alternatief van in verval geraakte religieuze orthodoxien van weleer.
In dit nummer een reactie van de antropoloog Hans Feddema op de kritiek van de bekende priester Antoine Bodar op die nieuwe spiritualiteit.
In het vorige nummer is een publicatie aangekondigd, met daarin de stelling dat de maatschappelijke en wetenschappelijke ontwikkeling noopt tot een omslag in het denken. Dat wordt uitgewerkt in 28 essays, waarin een pact tussen wetenschap en spiritualiteit bepleit wordt om die omslag te realiseren. In dit nummer een nadere bespreking ervan waarin op twee grote tekortkomingen gewezen wordt.
Bespreking van: Ervin Laszlo en Kingsley L. Dennis (Red.), De verbinding tussen wetenschap en spiritualiteit - deskundigen aan het woord. Ankh-Hermes, 2012
We leven in een crisistijd. Er is een milieu-, energie-, klimaat-, grondstoffen,- en voedselcrisis. Er is een financieel-economische crisis, ook wel vriendelijker voorgesteld als een heel complex aanpassingsproces. En er is voort een identiteitscrisis gaande: een religieus-culturele, politiek- ideologische en nationale identiteitscrisis. Die stapeling van crises is een niet geringe belasting van deze tijd, maar dat wordt ook geïnterpreteerd als een zegen, want een ideale voedingsbodem voor noodzakelijk geworden transitieprocessen. Met het oog daarop wordt op het terrein van de wereldeconomie zelfs nog een nieuwe kredietcrisis nodig geacht.
Traditionele godsdiensten, ontstaan in een premodern geestesklimaat en met godsdienstige noties die daardoor gestempeld zijn en blijven, worden met het doorzetten van de uitgangspunten van de moderniteit als nieuw beschavingstype meer en meer als een Fremdkӧrper ervaren. Daardoor is onder veel oorspronkelijk traditionele gelovigen een religieuze identiteitscrisis ontstaan. Rond traditionele religieuze zekerheden groeien twijfel en onzekerheid. Die crisis culmineert in de vraag, of er genoegzame redenen zijn om nog te blijven geloven in het door die godsdiensten gepredikte beeld van God. In de predigitale editie van Civis Mundi is als reactie op die religieuze identiteitscrisis al herhaaldelijk in themanummers gezocht naar een adequaat antwoord daarop.
Het christelijke Westen kent vijf Gods- of wereldbeelden. Het is het vijfde integrale, modern spirituele Gods- of wereldbeeld dat nu doorbreekt, maar in de kerk nog niet onderkend wordt. Duidt dit op het doorbreken van een postseculiere fase in de ontwikkeling van de moderniteit, die de Duitse filosoof Jürgen Habermas in zijn Friedenspreis-rede in 2001 al aangekondigd heeft als reactie op de nihilistische effecten van het seculariserende moderniseringsproces? Hierover in dit nummer een korte bijdrage.
Aan de discussie over het al of niet bestaan van een nationale, i.c. Nederlandse identiteit is in dit tijdschrift sinds de jaren zestig intensief deelgenomen. Daarin is echter onvoldoende aandacht geschonken aan de bijzondere betekenis van het verhaal van Oranje voor een Nederlands natiebesef. In dit nummer een uitvoerige bespreking van de dissertatie van Coos Huysen over dat verhaal. De boodschap van dit boek: met de onttovering van Oranje mag de culturele waarde van dit verhaal niet teloor gaan.
Bespreking van: Coos Huijsen, Nederland en het verhaal van Oranje. Uitgeverij Balans, Amsterdam, 2012, 528 blz.
Hoe onvolmaakt democratieën in de praktijk ook functioneren, niettemin is een democratische vorm van regeren en besturen in principe de minst slechte, althans in landen die de opbouwfase van staatsvorming voorbij zijn. Wel vergt democratie periodiek onderhoud. En dat wordt door het politieke establishment graag op de lange baan geschoven. Politici van rechts en links die deel uitmaken van de gevestigde orde, zijn immers geneigd zolang mogelijk vast te houden aan vertrouwd geraakte structuren en procedures, hoe problematisch die ook geworden zijn en dus doof voor de roep om daarin verandering te brengen. De Nederlandse politiek is daarvan een treurig voorbeeld. Sinds de jaren ’60 staat dat daar al op de politieke agenda, maar vooralsnog zonder resultaat.
In dit nummer een korte notitie over het democratisch tekort van de Nederlandse politiek in samenhang met dat van de EU.
Met de ontideologisering van de politieke verhoudingen in Europa hand in hand met pragmatisme als voornaamste politieke gedragslijn raakt de ideologische component van de politiek steeds meer uit zicht.
In dit nummer ter herinnering een korte terugblik op de ideologisering van de politieke verhoudingen in Europa en de eigen weg die Amerika hierbij gegaan is; en de ideologische consensus rond de liberale beschavingstraditie (zie thema 2), die sinds het einde van de Koude Oorlog een feit is waardoor er een einde komt aan die ideologisering zoals we die sinds de Franse Revolutie van 1789 in Europa gekend hebben evenals aan het links-rechts schema als ideologisch bepaalde politieke indeling.
Voorts in dit nummer het eerste deel van een rechtsfilosofische reflectie op de intrinsieke spanning tussen het orde- en het emancipatiemotief van de moderniteit met de conclusie dat die spanning niet eenvoudig te overstijgen valt.
Zoals in Civis Digitaal (14, 2012) uiteengezet onder thema 25, heeft Nederland zwaar geworsteld met het prijsgeven van zijn oude koloniale banden met het vooroorlogse Nederlands-Indië. Daarna heeft het zich echter bekeerd tot een principieel antikolonialisme zoals blijkt uit de Nederlandse stellingname tegen de apartheid in Zuid-Afrika als overjarig restant van Europees kolonialisme. Ondanks die principieel antikoloniale oriëntatie worstelt Nederland nu opnieuw met zijn houding in het Israëlisch-Palestijnse conflict, dat in zekere zin vergelijkbaar is met de conflictsituatie in Zuid-Afrika tijdens de apartheid. Het is een conflict dat in Civis Mundi geïnterpreteerd is als het sluitstuk van het Europese dekolonisatiedrama, maar in Nederland nog niet als zodanig onderkend wordt, omdat dat dat niet past in het officiële beeld van dit conflict.
In dit nummer wordt eerst het joodse karakter van de staat Israël ter discussie gesteld. Het is voorts een staat die als laatste restant van Europees kolonialisme nog steeds niet of onvoldoende als zodanig onderkend wordt. In dit verband wordt tenslotte de vraag onder ogen gezien, hoe de zo verschillende bejegening van de staat Israël en Zuid-Afrika onder de apartheid te verklaren valt.
De secularisering van onze moderne cultuur heeft niet alleen geleid tot vervaging en verdwijning van het traditioneel-christelijke hiernamaalsperspectief, maar ook tot verdringing van de dood als levensmysterie. De laatste tijd verandert dit laatste. Zo is er hernieuwde aandacht voor vragen rond de dood en de omgang daarmee, i.h.b. voor rituelen met betrekking tot dood en afscheid nemen. In maart van dit jaar verscheen voorts een boek onder de titel Het laatste woord. De kunst van leven met de dood met daarin een selectie van achtenveertig afleveringen uit de mooie serie in NRC handelsblad over dit thema.
Het Humanistisch Verbond verkondigt in een reclame het geloof in het leven vóór de dood. Waarom daar niet de hoop op een leven na de dood aan verbinden, gegeven het harde feit, dat er geen enkele hoop is op een leven vóór de dood, waarin gerechtigheid zal heersen. Als we niet kunnen leven zonder hoop op die gerechtigheid, zullen we moeten hopen op een of andere vorm van postmortale gerechtigheid. De filosofie van reïncarnatie lijkt de meest plausibele visie, waarin die hoop onderbouwd wordt, zoals eerder uiteengezet in het Civis Mundi jaarboek 1997, verschenen onder de titel Karma, reïncarnatie en de roep om zingeving.
In dit nummer een reflectie op de moeilijke vraag hoe de dood te duiden met daarin een confrontatie van de meest relevante interpretaties van de dood als levensmysterie in de westerse culturen.
Onder dit thema publiceren we bijdragen over de politieke problematiek en toekomst van België, de relaties tussen Nederland en Vlaanderen en de Benelux problematiek.
In de Tweede Kamer is de functionering van de Benelux onlangs ter discussie gesteld, resulterend in moties, waarin een meerderheid in die Kamer blijk geeft van weinig genegenheid voor de Benelux-instellingen, zoals zij nu functioneren. Dat roept enkele indringende vragen op met in dit nummer een antwoord daarop van het Comité Nieuwe Benelux.
In deze tijd is er op tal van terreinen sprake van een crisis rond woord en beeld. Representeren ze nog iets? Hebben ze ons nog iets te zeggen of is het gebakken lucht? Die representatiecrisis zien we niet alleen op het terrein van de religie, de kunst en de media, maar zeker ook op dat van de (partij)politiek. Gaat het daar nog over iets reëels of wordt met allerlei ongrijpbaar geworden clichés uit het voorbije ideologische tijdperk een politiek schimmenspel opgevoerd ter instandhouding van de status-quo?
Geldt dit ook voor een begrip als progressief dat nog altijd heel courant is? In de regel wordt progressief als antipode van conservatief gesteld, al wordt dat van conservatieve zijde wel tegengesproken. In deze zin is progressief tot driemaal toe inzet geweest van politieke discussie en strijd in de Nederlandse politiek. Sinds het einde van het ideologische tijdperk heeft deze tegenstelling ook haar oorspronkelijk ideologisch bepaalde inhoud verloren.
Uitgaande van de huidige omschrijving van progressiviteit als gericht op verandering en vernieuwing van de status quo rijst de vraag of de Britse conservatieve politica Margaret Thatcher in die zin niet zou moeten worden aangemerkt als een prominente progressieve politica? Op die vraag wordt in dit nummer kort gereageerd.
Nederland was eens niet alleen een van de zes initiatiefnemers van het streven naar Europese eenwording, maar tot in de jaren ’90 ook het land dat zich met Duitsland en België het meest sterk maakte voor versterking van het integratiegehalte van de Europese Unie (voorheen Europese Gemeenschap). Sindsdien is daar de klad in gekomen en is ons land steeds meer geneigd de intergouvernementele component van de Europese Unie te benadrukken, ten koste van de federale component. En sinds het referendum over het voorstel voor een Europese grondwet raakt Nederland in toenemende mate in de greep van een Eurosceptische tegenbeweging. Nog altijd koestert Nederland het zelfbeeld van een internationaal georiënteerd land met een sterke afkeer van nationalisme, i.h.b. van de bekende extreemrechts geheten leuze "eigen volk eerst". Maar in feite is het steeds meer geneigd tot het vooropstellen van eigen nationale belangen en de eigen nationale soevereiniteit, en komt het daarmee in de greep van een staatsnationalistische oriëntatie.
Tegenover het sindsdien dominerende Euroscepticisme klinken er wel tegengeluiden, zoals bijvoorbeeld het in 2010 gepubliceerde WRR-rapport Aan het buitenland gehecht, met daarin een pleidooi voor een strategische keuze voor een op Europa gericht overheidsbeleid als beste optie voor Nederland in het licht van de huidige wereldconstellatie; en sinds kort de publicatie van European Federalist Papers door een initiatief groep waaraan in een vorig nummer (16) al de nodige aandacht geschonken is.
Tot de richtingenstrijd in Europa behoort van stonde af aan de controverse over een federaal of een confederaal Europa; en die tussen een politiek strategische richting, die daarop een duidelijk antwoord noodzakelijk acht; en een pragmatische richting die die kwestie bewust uit de weg gaat en kiest voor een stapsgewijze voortgang van het integratieproces en zo al doende wil verkennen hoever we op die manier met die integratie kunnen komen. De pragmatische richting heeft op een bepaalde periode na de overhand gekregen.
In dit nummer een bijdrage over de toekomst en identiteit van Europa. Eerst wordt de vraag onder ogen gezien of Europese burgers via die pragmatische, dus doelonbewuste Europese politiek in feite niet op weg zijn geraakt naar een federaal Europa; en daarna de vraag of er zoiets is als een Europees cultureel identiteitsbesef. Is Europa niet meer dan een geografisch gegeven of is het een bijzondere inspirerende idee?
In het vorige nummer is al gereageerd op het toenemende gebruik van drones in de strijd tegen het terrorisme. Maar militaire strategen verwachten dat drones de komende jaren steeds meer centraal komen te staan in de Amerikaanse oorlogvoering. Voor een oorlog met echte soldaten is er eenvoudig geen draagvlak meer na de oorlogservaringen in Irak en Afghanistan. Wel valt er in de Amerikaanse Senaat groeiende onvrede te bespeuren over de geheimzinnigheid rond de oorlogen, die president Obama voert met drones als wapen. Wat opvalt, is dat de president daarbij bezig is grote bevoegdheden naar zich toe te trekken. Van militaire zijde is al de vrees geuit, dat Amerika met dit nieuwe type oorlogvoering zijn morele superioriteit verliest.
In dit nummer een uiteenzetting over de internationaal-rechtelijke aspecten hiervan door de volkenrechtsgeleerde Paul de Waart in een tekst, die hij eerder - op een conferentie over drones op 28 maart jl. aan de Radboud Universiteit Nijmegen - uitsprak.
Wat bij protesten tegen de schending van mensenrechten telkens weer opvalt, is de eenzijdige visie op mensenrechten, die in Nederland gangbaar is. Vandaar dat in dit nummer een bredere visie op mensenrechten ontvouwd wordt, die op internationaal niveau gangbaar is. Daarbij komt ook het mensenrechtenbeleid aan de orde, in het bijzonder het selectieve karakter daarvan en de vraag naar de legitimatie ervan.
In het voetspoor van het christelijk messianisme ontluikt sinds de liberale revoluties van de 18e eeuw in Europa en Amerika een moderne westerse zendingsdrang die het liberale project der moderniteit tot universele norm proclameert en daarvan wereldwijd kond doet. Sinds de tweede helft van de vorige eeuw groeit in de competitie met de pretenties van het door de Sovjet-Unie geleide wereldcommunisme nog meer de ambitie de moderniteit in liberale zin van een afwijking van het eertijds geldende algemeen menselijk patroon van de premoderniteit te ontwikkelen tot het nieuwe algemeen menselijke patroon van beschaving in de overtuiging dat dit beschavingsconcept het verst gevorderd is in de ontwikkeling van wat mens-zijn kan en moet betekenen, kortom van humaniteit. In die optiek wordt het toekomstbeeld van de niet-westerse wereld gezien als een weerspiegeling van dat tot universele norm verheven liberale beschavingstype. Het is een toekomstbeeld dat in het Communistisch Manifest van 1848 al is aangekondigd. Onderdeel van die ambitie rond de westers-liberale beschavingstraditie is de export van westerse democratie. Vooral Amerika heeft zich daar sinds de liberale triomf in de Koude Oorlog sterk voor gemaakt met het in de jaren negentig snel opkomende neoconservatisme als inspiratiebron, daarbij geleid door een naïef vooruitgangsoptimisme.
In dit nummer een korte notitie over de problematiek van die export.
Wat deze tijd meer dan voorheen kenmerkt, is een sterk op het heden geconcentreerde tijdsbeleving (present-focussed) als kenmerk van een postmoderne tijdsbeleving waarin mensen continu met de actualiteit bezig zijn via het laatste nieuws, de mailbox, voicemail, teletekst, sms, twitter, beurskoersen en dergelijke. Dat hodiecentrisme stempelt ook de hedendaagse politiek. De historische dimensie ervan is sterk verbleekt. Vandaar een heel kort politiek geheugen. Vandaar ook dit discussiethema waarin aandacht gevraagd wordt voor die historische dimensie.
In dit nummer een drievoudige terugblik op de twintigste eeuw: was die eeuw zo’n barbaarse eeuw? Wordt de geschiedenis ervan bepaald door drie oorlogen? En de wereldbeschouwing van Hitler als het grootste historische raadsel van die eeuw.
Bespreking van: Maarten van Rossem, Drie oorlogen. Een kleine geschiedenis van de 20ste eeuw. Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 14de druk 2003.
Bespreking van: Werner Maser, Hitlers Mein Kampf. Geschiedenis-Fragmenten-Commentaren. Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2009.
Perry Pierik, De geopolitiek van het Derde Rijk. De geestelijke wortels van de veroveringsveldtocht naar het Oosten. Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2012.
Het corruptieonderzoek dat we in nummer 13 van Civis Mundi Digitaal als nieuw thema geïntroduceerd hebben, wordt in dit nummer voortgezet met een reactie op een thematiek die onlangs ter discussie is gesteld door het Centre for Public Values and Ethics.
Vaak wordt verwezen naar de ‘’cultuur’’ als mogelijke oorzaak voor ernstige misstanden in wetenschap en bestuur. Hierbij rijzen de volgende vragen: hoe komt het dat wetenschaps- en bestuurscultuur daartoe tenderen? Wat is er met het oog hierop mis in de cultuur van organisaties, sectoren of de hele samenleving? Hoe dat te onderzoeken? Als cultuur zo’n belangrijke factor is, hoe dat te verbeteren?
Dr. Michel van Hulten, die zorg draagt voor de operationalisering van dit thema, reageert in dit nummer daarop in een reeks van daarop toegesneden antwoorden.
Dat de digitale revolutie op het gezicht van deze tijd en van de daarin opgroeiende nieuwe generatie -de zogenaamde digital natives- een eigen stempel drukt, valt op tal van punten te illustreren. Met de toenemende ontsluiting van het potentieel van dit nieuwe medium worden steeds meer uiteenlopende effecten zichtbaar, zoals de digitalisering van informatieverwerking, sociale ontplooiing, vrijetijdsbesteding, collectie musea, gokindustrie, criminaliteit, spionage, terrorisme, oorlogvoering ed. Het internet is zelfs de kraamkamer van de hedendaagse jihad (cyber jihad), meldt de AIVD in haar laatste jaarverslag.
Reden waarom we in dit nummer die digitale revolutie als een nieuw thema introduceren met eerst een belangwekkend artikel over online-gokken en daarmee samenhangend de vraag wie de geëigende autoriteit is om op te treden tegen, vooral buitenlandse, exploitanten van goksites die kinderen of jeugdigen (mede) tot hun klantenkring rekenen. Kunnen de lidstaten van de EU dit optreden zelf af of is het noodzakelijk dat de Europese Unie dit aan zich trekt? Nu reeds tien procent van al het gokken in de Unie plaatsvindt via internet, lijkt er behoefte aan een strenger gereguleerde digitale omgeving in de interne markt. Lidstaten hebben wel enige vrijheid hun eigen regels inzake online gokken te handhaven, maar door de grensoverschrijdende kenmerken van online gokken, stijgt de behoefte aan een coördinatie ervan door de Europese Unie. Daarbij is, zo blijkt uit diverse onderzoeken, volgens deskundigen speciale aandacht nodig voor minderjarigen tot achttien jaar. En vervolgens in dit nummer een korte reflectie op de invloed van de digitale revolutie op de opgroeiende jongere generatie.
Vooral sinds de rebellie van Fortuyn staat de islam ter discussie evenals diens waarschuwing tegen de islamisering van onze cultuur. Cruciaal in dat debat is de vraag of de islam en democratie samen kunnen gaan. Op dit discussieforum wordt die vraag ter discussie gesteld met als uitgaanspunt de bijdrage van de antropoloog dr. Hans Fennema, die die vraag in positieve zin beantwoordt.
Bespreking van: Stephan van Erp en Harm Goris (red.), De Theologie gevierendeeld. Vier spanningsvelden voor de theologiebeoefening in Nederland (Valkhof Pers, Nijmegen 2013)
Bespreking van: Marc De Kesel, Auschwitz mon amour. Uitgeverij Boom, Amsterdam.
Bespreking van: Hans Dütting. Cees Nooteboom een profiel. Uitgeverij Aspekt, Soestenberg 2012
Bespreking van: Margreet den Buurman, Thomas Mann. Schrijverschap tegen de vergankelijkheid. Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2010.
We publiceren hier een dichtverhaal over de - trouwe - liefde tussen ‘Elisabeth’, het meisje van vijftien dat in 1939 naar het Zandvoortse strand fietst, en ‘ik’: een jongeman die worstelt met zichzelf. Het bezingt een andere liefde dan we in deze tijd gewend zijn. Het is een poëzie die veelal rijmend en verhalend is. De dichter is erin geslaagd een eenheid van vorm en inhoud te realiseren.
Uitgever:
Stichting Civis Mundi
Akkerwindestraat 23
3051 LA Rotterdam
T: 010-4182580
E: couwenberg@ese.eur.nl
Directeur/Hoofdredacteur: Prof. dr. Wim Couwenberg
Redactie: Eva & Irene Eijkelenboom, Prof. dr. Bert Snel
Civis Mundi digitaal wordt gratis aangeboden.
Aanmelden is mogelijk via de website: http://www.civismundi.nl.
Hier een overzicht van oude nummers van Civis Mundi digitaal.