Is er een samenhang tussen het heersende materialistische mens- en wereldbeeld in wetenschap en filosofie en de materialistische denk- en leefwijze zoals die tot uitdrukking komt in het heersende politiek-ideologische denken (neoliberalisme) en de heersende levensstijl? De bijdrage van Hugo Verbrugh aan deze artikelenserie is in het eerste nummer wel opgenomen, maar kon door een technische omissie niet geopend worden. Vandaar dat zijn artikel opnieuw geplaatst wordt.
In dit nummer wordt het heersende materialistische paradigma opnieuw ter discussie gesteld in een bijdrage waarin de auteur zich verbaasd afvraagt, hoe het komt dat dat paradigma in de wetenschappelijke wereld nog zo lang blijft domineren; voorts een vervolg op de serie ‘’Machtsbeginsel en Moderniteit’’ met een korte reflectie op de telkens terugkerende problematiek die zich voordoen bij de realisering van het emancipatiemotief van de moderniteit met als recente voorbeelden de anti-apartheidsstrijd in Zuid-Afrika en de Arabische Lente in de Arabische wereld. Tevens wordt in het licht gesteld dat met de ontideologisering van de politiek het machtsmotief veel naakter dan voorheen aan de oppervlakte treedt en dat met democratiseringsprocessen de onderlinge strijd om machtsposities intensiever wordt. Onder thema 26 wordt het machtsbeginsel ook aan de orde gesteld als bron van corruptie.
‘’Een aanzwellend koor van filosofen en opiniemakers verkondigt dat we behoefte hebben aan een nieuw groot verhaal na het verdwijnen van de twintigste-eeuwse ideologieën. Dit verhaal is precies wat de wetenschap vandaag in de aanbieding heeft,’’ stelt Peter Westbroek in zijn opmerkelijke boek ‘’De ontdekking van de aarde’ (p. 25). Niet alle ideologieën uit de vorige eeuw zijn echter verdwenen. Het liberalisme staat nog recht overeind. Het ligt als zegevierende westerse beschavingstraditie ten grondslag aan de politieke en maatschappelijke orde van westerse samenlevingen.
In dit nummer een korte toelichting op het liberalisme als zegevierende westerse beschavingstraditie en in aansluiting hierop de huidige positie van VVD en D66 als oorspronkelijk exclusief liberale partijen.
I. Machtsbeginsel: van natuurlijk gegeven naar politiek probleem
II. Problematiek heerschappij van het recht als liberale pretentie
III. Machtsmotief en wetenschapsbeoefening
Bespreking van: Tomás Sedlácek, De economie van goed en kwaad. De zoektocht naar economische zingeving van Gilgamesj tot Wall Street, Schiedam: Scriptum, 2012, 407 pp’s, ISBN 978 90 5594 766 9
Evenals vorige toonaangevende elites zijn het de afgelopen jaren neoliberaal geïnspireerde economische elites van ondernemers en managers geweest die tekenen van zelfoverschatting en arrogantie van de macht toonden. Dit blijkt ook uit de vanzelfsprekendheid waarmee zij geneigd waren hun economische normen en waarden aan de hele samenleving op te dringen en de leefwereld van burgers aan hun prioriteiten te onderwerpen met toenemende ondermijning van de autonomie en beroepseer van professionals als gevolg van een totale economisering van de samenleving. Dat evenals de neoliberale privatiseringsagenda die ook de staat steeds meer onderwerpt aan de wetten van de marktwerking begon de laatste jaren de nodige irritatie te wekken en verzet tegen de uitwassen van dit nieuwe "superkapitalisme". In een artikelenserie wordt daarop nader ingegaan.
Onder invloed van neoliberale globaliseringsprocessen is er een vorm van superkapitalisme ontstaan die een bedreiging vormt voor onze democratie en rechtsstaat.
De belangrijkste oorzaak van de huidige financieel-economische crisis is ongebreidelde hebzucht, die voortkomt uit een overdreven mimetische begeerte (een continue vergelijking met anderen). Dit mondt uit in een statuswedloop die de gehele maatschappij doordringt. De ontwikkeling van sterke, psychologisch gezonde persoonlijkheden door middel van technieken voor bewustzijnsontwikkeling remt de statuswedloop af, omdat men als het ware boven de mimetische begeerte uitstijgt. Een dergelijke proactieve vorm van zelfregulering (het komt uit de persoon zelf voort en is daardoor vrij en niet afgedwongen) is een welkome aanvulling op conventionele vormen van reactieve zelfregulering (die door anderen worden afgedwongen).
Neurowetenschappelijk onderzoek is volop in opmars. De effecten ervan dringen steeds meer door in andere academische disciplines. Zo is er al sprake van neuropsychologie, neurobiologie, neuroeconomie, neuroethiek, neurotheologie, enz. Neurowetenschappelijke verklaringen lijken grote levensvragen over God, de ziel, de vrije wil, de zin van ons bestaan e.d. overbodig te maken.
De vrije wil is een fictie. Het menselijk (zelf)bewustzijn stelt maar weinig voor en daarmee ook onze zelfkennis. We worden geleefd door een sterfelijke en genetisch-geprogrammeerde breinmachine. We zijn als mensen slechts toeschouwers bij ons eigen leven. Dit is wat dat hedendaagse hersenonderzoek ons leert. Hoe serieus moeten we die neurosofie nemen? Is dit niet weer een typisch voorbeeld van wetenschappelijke specialisten die de uitkomsten van hun specialistisch onderzoek zomaar een universele strekking toekennen? De neurochirurg Pierre Vinken merkt hierover het volgende op: "De emoties die wij onbewust aan het hart toekennen - liefde, betrokkenheid, bezieling, intimiteit - zijn nog dezelfde als die van eeuwen geleden. En mijn intuïtie zegt mij dat deze gevoelens van het hart van een hogere orde zijn dan de regels van het verstand. De ziel huist niet in het brein, maar in het hart. Het is dus niet verwonderlijk dat de neurobioloog Dick Swaab haar niet heeft kunnen vinden. Swaab is een ééndimensionale denker die meent de éne werkelijkheid vanuit één discipline te kunnen verklaren." In dit nummer opnieuw een bijdrage van de arts/filosoof Hugo Verbrugh waarin hij naar aanleiding van een recente publicatie nader in gaat op de psychologie van het beslissen.
De vrije wil, een fictie. Het menselijk (zelf)bewustzijn stelt maar weinig voor en daarmee ook onze zelfkennis. We worden geleefd door een sterfelijke en genetisch-geprogrammeerde breinmachine. We zijn als mensen slechts toeschouwers bij ons eigen leven. Dit is wat het hedendaagse hersenonderzoek ons leert en waarvan NRC Handelsblad kortgeleden verslag deed. Hoe serieus moeten we die neurosofie nemen? Is dit niet weer een typisch voorbeeld van wetenschappelijke specialisten die de uitkomsten van hun specialistisch onderzoek zomaar een universele strekking toekennen?
Met het verval van de religieuze, i.c. christelijke levensoriëntatie van de premoderniteit groeit onderhuids het besef van een existentiële zinledigheid die sinds Nietzsche in de filosofische en literaire literatuur aan de oppervlakte treedt en voorlopig nog beperkt blijft tot een kleine intellectuele elite. Die existentiële leegte is aanvankelijk gevuld met het moderne vooruitgangsgeloof als zingevend motief van de moderniteit. Maar in de loop van de twintigste eeuw verliest dat geloof met zijn ideologische en utopische uitwerkingen geleidelijk aan zijn ultieme zingevende kracht en verbreidt het nihilistische wereldbeeld en levensbesef zich in steeds bredere kring totdat het in het postmoderne denken tenslotte het karakter krijgt van een normaal gegeven. De vraag naar een omvattende zin van het bestaan verliest sindsdien voor veel mensen zijn eeuwenoude cruciale betekenis. In vorige jaargangen van Civis Mundi is dit thema al enige malen inzet van reflectie en discussie geweest. In Civis Mundi Digitaal wordt dit thema opnieuw opgepakt.
Bespreking van Paul van Tongeren, Het Europese nihilisme. Friedrich Nietzsche over een dreiging die niemand schijnt te deren Uitgeverij Van Tilt, Nijmegen, 2e druk, 2012.
Bespreking van: Ervin Laszlo en Kingsley L. Dennis (Red.), De verbinding tussen wetenschap en spiritualiteit - deskundigen aan het woord. Ankh-Hermes, 2012
In de bekende rapporten van de Club van Rome (1972-1974) is een eerste poging gedaan de negatieve milieueffecten van de economische groeicultus wetenschappelijk te onderbouwen met de oproep tot begrenzing van economische groei als conclusie. Dat trok even sterk de aandacht, maar heeft in eerste instantie niet het gewenste effect gehad. Door de economische crisis die spoedig daarop volgde, werd niet zozeer die economische groei, maar het gebrek eraan het grote probleem, zoals nu opnieuw sinds de financiële crisis van 2008. Ook de functionering van de verzorgingsstaat kwam in de jaren ’70 daardoor in de knel. De ecologische problematiek zoals door de Club van Rome aan de orde gesteld, raakte zodoende op het tweede plan. Met het rapport "Our Common Future" van de Brundland Commissie van 1987 als antwoord en vervolg op Meadows’ rapport Limits to Growth treedt zij echter weer meer op de voorgrond in de maatschappelijke discussie en het overheidsbeleid. Het gaat sindsdien niet alleen om aantasting van het leefmilieu en uitputting van natuurlijke hulpbronnen, maar tevens om de klimaatproblematiek.
Noopt massale armoede en werkloosheid in grote delen van de wereld tot voortgaande economische groei, tegelijk vormt dat een cruciaal onderdeel van de duurzaamheidsproblematiek zoals geformuleerd door juist genoemde Brundland-commissie. Dat heeft ertoe geleid dat aan het streven naar voortgaande economische groei een nieuwe dimensie is toegevoegd, de noodzaak tot duurzame ontwikkeling. Dat houdt kort gezegd in dat het ecologische draagvlak van de aarde daardoor niet mag worden aangetast; of in de terminologie van juistgenoemde commissie: een ontwikkeling die voorziet in de behoeften zowel van de huidige als van toekomstige generaties. In dit nummer een pleidooi voor duurzaamheidsbeleid als topprioriteit.
Aan de discussie over het al of niet bestaan van een nationale, i.c. Nederlandse identiteit is in dit tijdschrift sinds de jaren zestig intensief deelgenomen. Daarin is echter onvoldoende aandacht geschonken aan de bijzondere betekenis van het verhaal van Oranje voor een Nederlands natiebesef. In dit nummer een uitvoerige bespreking van de dissertatie van Coos Huysen over dat verhaal. De boodschap van dit boek: met de onttovering van Oranje mag de culturele waarde van dit verhaal niet teloor gaan.
Bespreking van: Coos Huijsen, Nederland en het verhaal van Oranje. Uitgeverij Balans, Amsterdam, 2012, 528 blz.
De identiteit van ons omroepbestel staat al sinds lang periodiek ter discussie. Dat gebeurde al vrij spoedig na de oorlog met pleidooien, o.a. van de VPRO, voor een nationaal omroepbestel, het bekende BBC-model. Tot de jaren ’60 was het huidige bestel echter hecht verankerd in onze sterk verzuilde samenleving en hadden omroepen daardoor een duidelijke identiteit. Maar sindsdien is er een proces van ontzuiling op gang gekomen waardoor de identiteit van onze omroepen problematisch is geworden. De identiteit van oude en levensbeschouwelijk gebonden omroepen is sterk verbleekt. En ze hebben daarbij gezelschap gekregen van nieuwe, niet-levensbeschouwelijk gebonden omroepverenigingen wier identiteit ook weinig houvast biedt. En daarnaast zijn er tevens niet-leden gebonden taakomroepen als NPS, Teleac en RVU met wel een duidelijk omlijnde identiteit. Die gaan nu samen in een fusie-omroep, de NTR geheten die zich toelegt op informatie, eductie en cultuur. Het is bedoeld als voorbeeld voor verder omroepfusies in het kader van een forse hervorming van ons omroepbestel
We leven in een crisistijd. Er is een milieu-, energie-, klimaat-, grondstoffen,- en voedselcrisis. Er is een financieel-economische crisis, ook wel vriendelijker voorgesteld als een heel complex aanpassingsproces. En er is voort een identiteitscrisis gaande: een religieus-culturele, politiek- ideologische en nationale identiteitscrisis. Die stapeling van crises is een niet geringe belasting van deze tijd, maar dat wordt ook geïnterpreteerd als een zegen, want een ideale voedingsbodem voor noodzakelijk geworden transitieprocessen. Met het oog daarop wordt op het terrein van de wereldeconomie zelfs nog een nieuwe kredietcrisis nodig geacht.
Bespreking van: Paul Krugman, End This Depression Now, 2012, New York London, W.W. Norton & Company, pp. 259
We leven in een crisistijd. Er is een milieu-, energie-, klimaat-, en voedselcrisis. Er is een financieel-economische crisis. Cultuurfilosofen spreken van een beschavingscrisis en er is ook een identiteitscrisis gaande: een religieus-culturele, politieke, maatschappelijke en nationale identiteitscrisis. In deze artikelenserie wordt die meervoudige identiteitscrisis ter discussie gesteld:
Hoe onvolmaakt democratieën in de praktijk ook functioneren, niettemin is een democratische vorm van regeren en besturen in principe de minst slechte, althans in landen die de opbouwfase van staatsvorming voorbij zijn. Wel vergt democratie periodiek onderhoud. En dat wordt door het politieke establishment graag op de lange baan geschoven. Politici van rechts en links die deel uitmaken van de gevestigde orde, zijn immers geneigd zolang mogelijk vast te houden aan vertrouwd geraakte structuren en procedures, hoe problematisch die ook geworden zijn en dus doof voor de roep om daarin verandering te brengen. De Nederlandse politiek is daarvan een treurig voorbeeld. Sinds de jaren ’60 staat dat daar al op de politieke agenda, maar vooralsnog zonder resultaat.
In dit nummer een korte notitie over het democratisch tekort van de Nederlandse politiek in samenhang met dat van de EU.
Met de ontideologisering van de politieke verhoudingen in Europa hand in hand met pragmatisme als voornaamste politieke gedragslijn raakt de ideologische component van de politiek steeds meer uit zicht.
In dit nummer ter herinnering een korte terugblik op de ideologisering van de politieke verhoudingen in Europa en de eigen weg die Amerika hierbij gegaan is; en de ideologische consensus rond de liberale beschavingstraditie (zie thema 2), die sinds het einde van de Koude Oorlog een feit is waardoor er een einde komt aan die ideologisering zoals we die sinds de Franse Revolutie van 1789 in Europa gekend hebben evenals aan het links-rechts schema als ideologisch bepaalde politieke indeling.
Voorts in dit nummer het eerste deel van een rechtsfilosofische reflectie op de intrinsieke spanning tussen het orde- en het emancipatiemotief van de moderniteit met de conclusie dat die spanning niet eenvoudig te overstijgen valt.
Bespreking van: Dirk Verhofstadt (red.), De open samenleving onder vuur. Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam 2012
Bespreking van: Pierre Rosanvallon, Democratie en tegendemocratie. Uitgeverij Boom/Internationale Spinozalens 2012, Amsterdam, 2012.
I. Democratie: heerschappij van de volkswil of democratisch gelegitimeerde eliteheerschappij?
II. Democratie als particratie
De politieke onzekerheid en instabiliteit van deze tijd is de prijs die kleeft aan de politieke onmacht van traditionele partijen om de politieke structuur en cultuur uit het verzuilingstijdperk en hun beleid aan te passen aan een aanzienlijk veranderde politieke en maatschappelijke context. Tot vernieuwing van de politieke cultuur in Nederland valt zeker ook te denken aan herwaardering van het algemeen belang en versterking van het democratisch burgerschap. Als ook bewustwording van taalmanipulatie als storende factor in politieke communicatieprocessen. In dit nummer wordt daar nader op in gegaan.
I. Democratie in gevaar door verkleining parlement?
II. Een ander en beter systeem van kabinetsformatie
III. Naar een ander en beter functionerend parlementair bestel
Aan het Erasmus MC te Rotterdam is vanwege de stichting Civis Mundi een bijzondere leerstoel ingesteld met als leeropdracht: Filosofie van de Geneeskunde en de maakbaarheid van de mens. Op 27 april jl. heeft prof. Maartje Schermer haar ambt als bijzonder hoogleraar op deze leerstoel aanvaard. In dit nummer een nadere toelichting van de vraag waarom onze stichting de instelling van deze leerstoel gesteund heeft.
Het maakbaarheidsideaal van de moderniteit is in eerste instantie toegepast op de inrichting en ontwikkeling van de samenleving. Langs die weg zijn de levensvoorwaarden van de mens aanzienlijk verbeterd. Dit maakbaarheidsstreven heeft in deze tijd echter zijn grenzen bereikt. Dat geldt vooral voor het streven naar gelijke levenskansen. Die blijven heel ongelijk. Het accent verschuift nu meer en meer naar de ontwikkelingsmogelijkheden en -problemen van de maakbare mens als nieuw speerpunt in het moderniseringsproces. Dat biedt nieuwe perspectieven voor het creëren van meer gelijke levenskansen dankzij de ontwikkeling van nieuwe technologieën als nano-, bio-, info- en cognotechnologieën en daarmee samenhangende vakgebieden. In deze artikelenserie zal dit thema nader worden uitgewerkt.
Zoals Nederland geworsteld heeft met het prijsgeven van zijn oude koloniale banden met het vooroorlogse Nederlands-Indië en zich daarna bekeerd heeft tot een principieel antikolonialisme ten opzichte van de apartheid in Zuid-Afrika als restant van Europees kolonialisme, zo worstelt het ondanks zijn nu principieel antikoloniale oriëntatie opnieuw met zijn houding in het Israëlisch-Palestijnse conflict, dat in zekere zin vergelijkbaar is met de conflictsituatie in Zuid-Afrika tijdens de apartheid. Dit conflict is het sluitstuk van het Europese dekolonisatiedrama dat op een enkele uitzondering na (Groot-Brittannië) een treurig voorbeeld is van geschiedenis als optocht van menselijke domheid en dwaasheid zoals de Amerikaanse historica Barbera Tuchman dat met veel voorbeelden uit de wereldgeschiedenis toegelicht heeft.
Zoals in Civis Digitaal (14, 2012) uiteengezet onder thema 25, heeft Nederland zwaar geworsteld met het prijsgeven van zijn oude koloniale banden met het vooroorlogse Nederlands-Indië. Daarna heeft het zich echter bekeerd tot een principieel antikolonialisme zoals blijkt uit de Nederlandse stellingname tegen de apartheid in Zuid-Afrika als overjarig restant van Europees kolonialisme. Ondanks die principieel antikoloniale oriëntatie worstelt Nederland nu opnieuw met zijn houding in het Israëlisch-Palestijnse conflict, dat in zekere zin vergelijkbaar is met de conflictsituatie in Zuid-Afrika tijdens de apartheid. Het is een conflict dat in Civis Mundi geïnterpreteerd is als het sluitstuk van het Europese dekolonisatiedrama, maar in Nederland nog niet als zodanig onderkend wordt, omdat dat dat niet past in het officiële beeld van dit conflict.
In dit nummer wordt eerst het joodse karakter van de staat Israël ter discussie gesteld. Het is voorts een staat die als laatste restant van Europees kolonialisme nog steeds niet of onvoldoende als zodanig onderkend wordt. In dit verband wordt tenslotte de vraag onder ogen gezien, hoe de zo verschillende bejegening van de staat Israël en Zuid-Afrika onder de apartheid te verklaren valt.
Bespreking van: Benny Morris, Een staat, twee staten. Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2011, 196 bladzijdes.
Dat onze samenleving door een samenspel van factoren steeds meer vergrijst is een feit dat nog overwegend in negatieve zin wordt ervaren en gewaardeerd. De nadruk ligt daarbij vooral op de financiële consequenties ervan. Die negatieve waardering uit zich ook in de maatschappelijke bejegening van het ouder worden. Als reactie op die negatieve waardering van ouderen is er een richting in het denken over vergrijzing die die tendens in meer optimistische zin interpreteert en liever spreekt van een verzilvering dan van een vergrijzing van onze samenleving. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de gezonde levensduur in komende jaren nog aanzienlijk verlengd kan worden dankzij het voorkomen of herstellen van allerlei aandoeningen die tot nu toe tot ouderdomskwalen gerekend worden.
Kortgeleden is een burgerinitiatief gestart, getiteld Uit vrije wil, dat opkomt voor het recht zelf het leven te beëindigen, als men het eigen leven voltooid acht, met andere woorden, als men van oordeel is dat ontwikkelingsmogelijkheden in dit leven uitgeput zijn. Met de toenemende verlenging van de levensduur is dat een vraag die zich steeds meer opdringt en al enige tijd aan de orde is, sinds de discussie over de bekende pil van Drion. Hoe hierover te oordelen?
De secularisering van onze moderne cultuur heeft niet alleen geleid tot vervaging en verdwijning van het traditioneel-christelijke hiernamaalsperspectief, maar ook tot verdringing van de dood als levensmysterie. De laatste tijd verandert dit laatste. Zo is er hernieuwde aandacht voor vragen rond de dood en de omgang daarmee, i.h.b. voor rituelen met betrekking tot dood en afscheid nemen. In maart van dit jaar verscheen voorts een boek onder de titel Het laatste woord. De kunst van leven met de dood met daarin een selectie van achtenveertig afleveringen uit de mooie serie in NRC handelsblad over dit thema.
Het Humanistisch Verbond verkondigt in een reclame het geloof in het leven vóór de dood. Waarom daar niet de hoop op een leven na de dood aan verbinden, gegeven het harde feit, dat er geen enkele hoop is op een leven vóór de dood, waarin gerechtigheid zal heersen. Als we niet kunnen leven zonder hoop op die gerechtigheid, zullen we moeten hopen op een of andere vorm van postmortale gerechtigheid. De filosofie van reïncarnatie lijkt de meest plausibele visie, waarin die hoop onderbouwd wordt, zoals eerder uiteengezet in het Civis Mundi jaarboek 1997, verschenen onder de titel Karma, reïncarnatie en de roep om zingeving.
In dit nummer een reflectie op de moeilijke vraag hoe de dood te duiden met daarin een confrontatie van de meest relevante interpretaties van de dood als levensmysterie in de westerse culturen.
Michiel Hegener, Leven op herhaling. Bewijzen voor reïncarnatie. Uitgeverij Ten Have, Kampen.
Enkele overwegingen naar aanleiding van het boek van Michiel Hegener ’Leven op herhaling - Bewijzen voor reïncarnatie’, Uitgeverij Ten Have, 2012, 256 blz.
De laatste jaren zien we een reveil van een vertrouwde en klassieke opvatting van filosofie, namelijk de praktisch gerichte filosofie van de levenskunst, het filosofisch doordenken van het alledaagse leven. Het is een filosofie die mogelijkheden aanreikt voor de vormgeving van het eigen leven en hulp biedt bij het nadenken over levensvragen in een cultuurtype, dat mensen met groeiende keuzemogelijkheden confronteert, waaruit zij een adequate selectie moeten maken bij de bepaling van de eigen levensweg. Een van de meest opvallende auteurs over dit thema is de laatste jaren Joep Dohmen. Hierop wordt in eerste instantie ingegaan.
Drugsproblematiek is door VVD-prominent Frits Bolkestein e.a. opnieuw ter discussie gesteld. Onder bepaalde voorwaarden moet het verbod van soft- en harddrugs worden afgeschaft, vinden zij. De CDA-ministers Ab Klink en Ernst Hirsch Ballin vinden dat een verkeerd signaal (in hun opiniebijdrage in NRC Handelsblad, 8 juni 2010), evenals VVD-prominent Frits Korthals-Altes (in Liberaal Reveil, 2, 2010), en willen derhalve de status quo in stand houden. In dit nummer niettemin een kort pleidooi voor legalisatie van softdrugs om hierover een zinnige discussie op gang te brengen.
Met slechts drie samenstellende delen - het Vlaamse, het Waalse en het Brusselse hoofdstedelijke gewest -, de afwezigheid van enigerlei juridische hiërarchie tussen het federale en deelstaatniveau, bepaalde grondwettelijk verankerde pariteitseisen: pariteit tussen Franstaligen en Vlamingen in de nationale regering, pariteit van Vlaanderen en Wallonië in de volksvertegenwoordiging en de eis van een zesvoudige meerderheid binnen elke taalgroep in elke Kamer) en nog andere politieke complicaties is het Belgische federale model bijzonder problematisch. Dat kan dan ook slechts een overgangsfiguur zijn naar wat anders en beters. Maar wat?
Al is de Benelux in economisch opzicht door de Europese integratie grotendeels achterhaald, het potentieel ervan is zeker niet uitgeput. Op de terreinen van veiligheid, grensoverschrijdende samenwerking, ruimtelijke ordening, infrastructuur, vervoer, milieu, politieke samenwerking en immigratie liggen voor de Benelux nieuwe ontplooiingsmogelijkheden. Het hernieuwde Benelux-verdrag schept daartoe de nodige voorwaarden, maar de belangstelling ervoor is tot nu toe zeer gering. Heeft de Benelux nog toekomst?
Onder dit thema publiceren we bijdragen over de politieke problematiek en toekomst van België, de relaties tussen Nederland en Vlaanderen en de Benelux problematiek.
In de Tweede Kamer is de functionering van de Benelux onlangs ter discussie gesteld, resulterend in moties, waarin een meerderheid in die Kamer blijk geeft van weinig genegenheid voor de Benelux-instellingen, zoals zij nu functioneren. Dat roept enkele indringende vragen op met in dit nummer een antwoord daarop van het Comité Nieuwe Benelux.
Al is de Benelux in economisch opzicht door de Europese integratie grotendeels achterhaald, het potentieel ervan is zeker niet uitgeput. Op de terreinen van veiligheid, grensoverschrijdende samenwerking, ruimtelijke ordening, infrastructuur, vervoer, milieu, politieke samenwerking en immigratie liggen voor de Benelux nieuwe ontplooiingsmogelijkheden. Het hernieuwde Benelux-verdrag schept daartoe de nodige voorwaarden, maar de belangstelling ervoor is tot nu toe zeer gering. Heeft de Benelux nog toekomst?
In deze tijd is er op tal van terreinen sprake van een crisis rond woord en beeld. Representeren ze nog iets? Hebben ze ons nog iets te zeggen of is het gebakken lucht? Die representatiecrisis zien we niet alleen op het terrein van de religie, de kunst en de media, maar ook op dat van de (partij)politiek. Gaat het daar nog over iets reëels of wordt met allerlei ongrijpbaar geworden clichés uit het voorbije ideologische tijdperk een politiek schimmenspel opgevoerd ter instandhouding van de status-quo? Geldt dit ook voor een begrip als progressief dat nog altijd heel courant is? In de regel wordt progressief als antipode van conservatief gesteld, al wordt dat van conservatieve zijde wel tegengesproken. In deze zin is progressief tot driemaal toe inzet geweest van politieke discussie en strijd in de Nederlandse politiek. In deze serie een kritische reflectie op de betekenis van progressiviteit als identiteitsbepalende factor.
In deze tijd is er op tal van terreinen sprake van een crisis rond woord en beeld. Representeren ze nog iets? Hebben ze ons nog iets te zeggen of is het gebakken lucht? Die representatiecrisis zien we niet alleen op het terrein van de religie, de kunst en de media, maar zeker ook op dat van de (partij)politiek. Gaat het daar nog over iets reëels of wordt met allerlei ongrijpbaar geworden clichés uit het voorbije ideologische tijdperk een politiek schimmenspel opgevoerd ter instandhouding van de status-quo?
Geldt dit ook voor een begrip als progressief dat nog altijd heel courant is? In de regel wordt progressief als antipode van conservatief gesteld, al wordt dat van conservatieve zijde wel tegengesproken. In deze zin is progressief tot driemaal toe inzet geweest van politieke discussie en strijd in de Nederlandse politiek. Sinds het einde van het ideologische tijdperk heeft deze tegenstelling ook haar oorspronkelijk ideologisch bepaalde inhoud verloren.
Uitgaande van de huidige omschrijving van progressiviteit als gericht op verandering en vernieuwing van de status quo rijst de vraag of de Britse conservatieve politica Margaret Thatcher in die zin niet zou moeten worden aangemerkt als een prominente progressieve politica? Op die vraag wordt in dit nummer kort gereageerd.
Evenals na de Tweede Kamer verkiezingen van 2006 hoorden we na de Tweede Kamer verkiezingen van 2010 weer de roep om ideologische profilering klinken. Er is opnieuw behoefte aan ideologische herbronning. Vanwaar die nostalgie naar profilering in ideologisch opzicht? Heeft dat te maken met de nawerking van ons verzuilde verleden waarin politieke partijen zich primair in ideologisch opzicht van elkaar onderscheidden? Is nostalgie in die zin niet een teken van politieke retrogressie, één van de kenmerken van deze tijd? Het heeft zeker ook te maken met het fenomeen van vertraagde aanpassing aan een veranderde politieke en maatschappelijke situatie.
Die situatie wordt zoals bekend gekenmerkt door het einde van de ideologie die al begin van de jaren ’50 is aangekondigd en die zich sinds het einde van de Koude Oorlog definitief lijkt te hebben doorgezet in ons land. Sinds 2010 is onzerzijds getracht nog enige discussie over die ideologische dimensie van de politiek op gang te brengen. Maar dat is nauwelijks gelukt. De huidige politieke klasse gaat die discussie krampachtig uit de weg. Want het is een discussie over het niets, de leegte, de politieke afgrond. Vandaar dat dit thema het best begraven kan worden. We besluiten dit thema daarom met een afrondende kritische bijdrage over het politieke niveau van de actuele politieke situatie.
Naar aanleiding van een recente publicatie wordt in dit nummer nader ingegaan op de op- en neergang van de christendemocratische beweging in Nederland.
In verband met het feit dat Fortuyn en Wilders in de publieke opinie meestal op één lijn worden gesteld als voortrekkers van herlevend populisme, wordt in dit nummer de vergelijkbaarheid van beiden aan een nadere analyse onderworpen.
Sinds lang rijst periodiek de vraag hoe het CDA te positioneren in het politieke krachtenveld. Bij de recente kabinetsformatie kwam die vraag opnieuw aan de orde. Vandaar dat we een artikelenserie openen over de vraag wat voor partij het CDA eigenlijk is.
Twee partijen in de Nederlandse politiek, die sterk ter discussie staan, zijn het CDA als belangrijkste exponent van de oude politiek uit het verzuilingstijdperk en de PVV als vooralsnog een succesvolle exponent van herlevend populisme die als zodanig een cruciale rol speelt in het dramatische politieke verval van het CDA als spil van de oude politiek. Hoe moeten we dat in de huidige politieke en maatschappelijke context beoordelen? In dit nummer een bijdrage van CDA-zijde over wederopstanding van het CDA.
Evenals tijdens de Fortuynrevolte is als reactie op de politieke stellingname van de PVV tegen de islam het discriminatieverbod opnieuw inzet van heftige discussie. Dat discriminatieverbod wordt echter sinds lang door de gevestigde politiek zelf geschonden. Dat verbod vindt nadere uitwerking in artikel 3 van de Grondwet, waarin gesteld wordt dat de gelijke toegang van alle Nederlanders tot openbare ambten gewaarborgd wordt. Die waarborg is in onze partijendemocratie al sinds lang tenietgedaan. Daartegen is veel verzet gerezen, maar dat heeft nog steeds geen effect gehad. Vandaar dat er alle reden is de discussie daarover te heropenen.
Nederland was eens niet alleen een van de zes initiatiefnemers van het streven naar Europese eenwording, maar tot in de jaren ’90 ook het land dat zich met Duitsland en België het meest sterk maakte voor versterking van het integratiegehalte van de Europese Unie (voorheen Europese Gemeenschap). Sindsdien is daar de klad in gekomen en is ons land steeds meer geneigd de intergouvernementele component van de Europese Unie te benadrukken, ten koste van de federale component. En sinds het referendum over het voorstel voor een Europese grondwet raakt Nederland in toenemende mate in de greep van een Eurosceptische tegenbeweging. Nog altijd koestert Nederland het zelfbeeld van een internationaal georiënteerd land met een sterke afkeer van nationalisme, i.h.b. van de bekende extreemrechts geheten leuze "eigen volk eerst". Maar in feite is het steeds meer geneigd tot het vooropstellen van eigen nationale belangen en de eigen nationale soevereiniteit, en komt het daarmee in de greep van een staatsnationalistische oriëntatie.
Tegenover het sindsdien dominerende Euroscepticisme klinken er wel tegengeluiden, zoals bijvoorbeeld het in 2010 gepubliceerde WRR-rapport Aan het buitenland gehecht, met daarin een pleidooi voor een strategische keuze voor een op Europa gericht overheidsbeleid als beste optie voor Nederland in het licht van de huidige wereldconstellatie; en sinds kort de publicatie van European Federalist Papers door een initiatief groep waaraan in een vorig nummer (16) al de nodige aandacht geschonken is.
Tot de richtingenstrijd in Europa behoort van stonde af aan de controverse over een federaal of een confederaal Europa; en die tussen een politiek strategische richting, die daarop een duidelijk antwoord noodzakelijk acht; en een pragmatische richting die die kwestie bewust uit de weg gaat en kiest voor een stapsgewijze voortgang van het integratieproces en zo al doende wil verkennen hoever we op die manier met die integratie kunnen komen. De pragmatische richting heeft op een bepaalde periode na de overhand gekregen.
In dit nummer een bijdrage over de toekomst en identiteit van Europa. Eerst wordt de vraag onder ogen gezien of Europese burgers via die pragmatische, dus doelonbewuste Europese politiek in feite niet op weg zijn geraakt naar een federaal Europa; en daarna de vraag of er zoiets is als een Europees cultureel identiteitsbesef. Is Europa niet meer dan een geografisch gegeven of is het een bijzondere inspirerende idee?
Direct na de Eerste Wereldoorlog vond het bekende werk van de Duitse geschiedfilosoof Oswald Spengler Untergang des Abendlandes grote weerklank onder tijdgenoten vanwege het cultuurpessimisme dat hij daarin onomwonden vertolkte. Die ondergang verwachtte hij zo rond het jaar 2000. In de jaren ’30 maakte de vermaarde Nederlandse historicus Johan Huizinga zich eveneens tolk van dat cultuurpessimisme. Het besef in een hevige, naar de ondergang nijgende cultuurcrisis te leven, is in brede lagen van de bevolking doorgedrongen, meende hij aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog in zijn toen geruchtmakende boek In de schaduwen van morgen (1939).
Na die oorlog herstelde het Avondland zich echter wonderwel. Het overwon zijn eeuwenlange onderlinge twisten door te streven naar Europese eenwording en schiep daardoor tevens de voorwaarden voor nieuwe welvaartsontwikkeling na het verlies van de koloniale welvaartsbronnen van weleer. Onder leiding van Amerika zette het zich schrap tegen de antiwesterse ambities van het wereldcommunisme en kwam het zegevierend uit die strijd met Amerika als dominerende wereldmacht. Na die overwinning presenteerde het zijn westers-liberale beschavingstype vervolgens als wereldmodel.
Maar al twee decennia na het einde van de Koude Oorlog heerst er een nieuwe crisis- en malaisestemming over een breed front, is er sprake van hernieuwde zelftwijfel en existentiële onzekerheid over de toekomst, spreken cultuurfilosofen van een nieuwe beschavingscrisis, stuit Europese eenwording op wijdverbreid Euroscepticisme, vergrijst de samenleving in snel tempo, worden allerlei tekenen van decadentie gesignaleerd en voltrekken zich grote mondiale machtsverschuivingen ten koste van de westers-liberale invloed in de wereld. Vandaar herlevend cultuurpessimisme en de vraag of de ondergang van het Avondland als leidende cultuur nakende is.
Direct na de Eerste Wereldoorlog vond het bekende werk van de Duitse geschiedfilosoof Oswald Spengler Untergang des Abendlandes grote weerklank onder tijdgenoten vanwege het cultuurpessimisme dat hij daarin onomwonden vertolkte. Die ondergang verwachtte hij zo rond het jaar 2000. In de jaren ’30 maakte de vermaarde Nederlandse historicus Johan Huizinga zich eveneens tolk van dat cultuurpessimisme. Het besef in een hevige, naar de ondergang nijgende cultuurcrisis te leven, is in brede lagen van de bevolking doorgedrongen, meende hij aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog in zijn toen geruchtmakende boek In de schaduwen van morgen (1939).
Na de oorlog herstelde het Avondland zich echter wonderwel. Het overwon zijn eeuwenlange onderlinge twisten door te streven naar Europese eenwording en schiep daardoor tevens de voorwaarden voor nieuwe welvaartsontwikkeling na het verlies van de koloniale welvaartsbronnen van weleer. Onder leiding van Amerika zette het zich schrap tegen de antiwesterse ambities van het wereldcommunisme en kwam het zegevierend uit die strijd met Amerika als dominerende wereldmacht. Na die overwinning presenteerde het zijn westers-liberale beschavingstype vervolgens als wereldmodel.
Maar al twee decennia na het einde van de Koude Oorlog heerst er een nieuwe crisis- en malaisestemming over een breed front, is er sprake van hernieuwde zelftwijfel en existentiële onzekerheid over de toekomst. In dit nummer een bijdrage over de Europese beschaving zoals die zich ontwikkelt heeft tussen vooruitgangsoptimisme en decadentie.
In het vorige nummer is al gereageerd op het toenemende gebruik van drones in de strijd tegen het terrorisme. Maar militaire strategen verwachten dat drones de komende jaren steeds meer centraal komen te staan in de Amerikaanse oorlogvoering. Voor een oorlog met echte soldaten is er eenvoudig geen draagvlak meer na de oorlogservaringen in Irak en Afghanistan. Wel valt er in de Amerikaanse Senaat groeiende onvrede te bespeuren over de geheimzinnigheid rond de oorlogen, die president Obama voert met drones als wapen. Wat opvalt, is dat de president daarbij bezig is grote bevoegdheden naar zich toe te trekken. Van militaire zijde is al de vrees geuit, dat Amerika met dit nieuwe type oorlogvoering zijn morele superioriteit verliest.
In dit nummer een uiteenzetting over de internationaal-rechtelijke aspecten hiervan door de volkenrechtsgeleerde Paul de Waart in een tekst, die hij eerder - op een conferentie over drones op 28 maart jl. aan de Radboud Universiteit Nijmegen - uitsprak.
Hoe kijken we 10 jaar later terug op de oorlog tegen het terrorisme, zoals die in 2001 van Amerikaanse zijde onder leiding van president George W. Bush geïntroduceerd is en op de wijze waarop Amerika die oorlog tot nu toe gevoerd heeft?
In zijn onlangs verschenen boek Een vorm van beschaving legt prof. Klaas van Egmond een nauw verband tussen duurzame ontwikkeling als opdracht van en voor deze tijd en de ontwikkeling van een integraal mens- en wereldbeeld. In dat boek geeft hij daaraan een fundamentele aanzet. Die aanzet verdient het om tot inzet gemaakt te worden van verdere reflectie hierop. We zullen proberen die reflectie in Civis Mundi te stimuleren in een artikelenserie.
Wat bij protesten tegen de schending van mensenrechten telkens weer opvalt, is de eenzijdige visie op mensenrechten, die in Nederland gangbaar is. Vandaar dat in dit nummer een bredere visie op mensenrechten ontvouwd wordt, die op internationaal niveau gangbaar is. Daarbij komt ook het mensenrechtenbeleid aan de orde, in het bijzonder het selectieve karakter daarvan en de vraag naar de legitimatie ervan.
De laatste tijd is er een discussie ontbrand over de relatie tussen de wetgevende en de rechtsprekende macht in relatie tot het internationale recht, in het bijzonder de internationale bescherming van mensenrechten. In dit nummer een verhelderende bijdrage over deze kwestie van de volkenrechtsgeleerde Paul de Waart.
In het voetspoor van het christelijk messianisme ontluikt sinds de liberale revoluties van de 18e eeuw in Europa en Amerika een moderne westerse zendingsdrang die het liberale project der moderniteit tot universele norm proclameert en daarvan wereldwijd kond doet. Sinds de tweede helft van de vorige eeuw groeit in de competitie met de pretenties van het door de Sovjet-Unie geleide wereldcommunisme nog meer de ambitie de moderniteit in liberale zin van een afwijking van het eertijds geldende algemeen menselijk patroon van de premoderniteit te ontwikkelen tot het nieuwe algemeen menselijke patroon van beschaving in de overtuiging dat dit beschavingsconcept het verst gevorderd is in de ontwikkeling van wat mens-zijn kan en moet betekenen, kortom van humaniteit. In die optiek wordt het toekomstbeeld van de niet-westerse wereld gezien als een weerspiegeling van dat tot universele norm verheven liberale beschavingstype. Het is een toekomstbeeld dat in het Communistisch Manifest van 1848 al is aangekondigd. Onderdeel van die ambitie rond de westers-liberale beschavingstraditie is de export van westerse democratie. Vooral Amerika heeft zich daar sinds de liberale triomf in de Koude Oorlog sterk voor gemaakt met het in de jaren negentig snel opkomende neoconservatisme als inspiratiebron, daarbij geleid door een naïef vooruitgangsoptimisme.
In dit nummer een korte notitie over de problematiek van die export.
Als een van de euvelen van de hedendaagse politiek geldt het ontbreken van het nodige politieke richtingsbesef. In Nederland signaleerde dat in de jaren ’50 al de socioloog Fred L. Polak in zijn grote werk De toekomst is verleden tijd. Hij was hier ook de initiatiefnemer van de futurologie, een nieuwe tak van wetenschap, gericht op de ontwikkeling van wetenschappelijk gefundeerd toekomstdenken; door hem nader uitgewerkt in zijn boek Prognostica (1974), dat een tijdlang sterk de aandacht trok. Het toekomstdenken dat Polak met zijn werk een krachtige impuls wilde geven is in Amerika veel meer tot ontplooiing gekomen dan in Nederland. Denktanks houden zich daar al sinds jaren intensief bezig met toekomstprognoses. Zij maken daarbij dankbaar gebruik van de door de Amerikaanse futuroloog Hermann Kahn geïntroduceerde scenario-methode en stemmen hun strategische toekomstverkenningen daarop ook af. In dit nummer een grondige analyse van de vraag waarom voorspellen in een maatschappelijke context zo problematisch is. Dat we met behulp van wiskundige technieken de maatschappelijke ontwikkeling ‘op zak’ zouden hebben, dat is een gevaarlijke wensdroom.
In de VN Raad voor de Mensenrechten botst regelmatig het westers-liberale mensbeeld, waarin de mens als individu en daarmee de klassieke grondrechten voorop staan met het collectivistische mensbeeld in de niet-westerse landen waarin juist de loyaliteit aan de groep waarvan mensen deel uitmaken overheerst en daarmee de sociale en collectieve mensenrechten. Tegenover het westers-liberale, individualistische en egocentrische beeld van de mens is er in lijn met de aristotelische filosofie van de mens als sociaal wezen sinds lang ook een meer sociaal gekleurde opvatting van de mens, waarvan het comunitarisme de hedendaagse expressie is. Daarnaast is er ook een tendens om de egocentrische opvatting van de mens waarin altruïsme nooit meer is dan een verkapte vorm van egoïsme te ontkrachten en in het voetspoor hiervan de vraag aan de orde te stellen of de groeiende globalisering van politieke, economische en culturele ontwikkelingsprocessen niet zal (moeten) leiden tot een groei van onze emphatische vermogens over de traditionele, lokale, regionale en nationale grenzen heen.
Wat deze tijd meer dan voorheen kenmerkt, is een sterk op het heden geconcentreerde tijdsbeleving (present-focussed) als kenmerk van een postmoderne tijdsbeleving waarin mensen continu met de actualiteit bezig zijn via het laatste nieuws, de mailbox, voicemail, teletekst, sms, twitter, beurskoersen en dergelijke. Dat hodiecentrisme stempelt ook de hedendaagse politiek. De historische dimensie ervan is sterk verbleekt. Vandaar een heel kort politiek geheugen. Vandaar ook dit discussiethema waarin aandacht gevraagd wordt voor die historische dimensie.
In dit nummer een drievoudige terugblik op de twintigste eeuw: was die eeuw zo’n barbaarse eeuw? Wordt de geschiedenis ervan bepaald door drie oorlogen? En de wereldbeschouwing van Hitler als het grootste historische raadsel van die eeuw.
I. Europees fascisme in historisch perspectief
II. Reveil modern autoritarisme in niet-westerse wereld
III. Modern autoritarisme in post-communistisch Rusland
IV. Modern autoritarisme in China
Deel 2: Leefbaar Nederland, Leefbaar Rotterdam, Lijst Pim Fortuyn
Amsterdam: UVP, 2012
Bespreking van: Robin te Slaa, Is Wilders een fascist?. Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2012.
Bespreking van: Maarten van Rossem, Drie oorlogen. Een kleine geschiedenis van de 20ste eeuw. Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 14de druk 2003.
Bespreking van: Werner Maser, Hitlers Mein Kampf. Geschiedenis-Fragmenten-Commentaren. Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2009.
Perry Pierik, De geopolitiek van het Derde Rijk. De geestelijke wortels van de veroveringsveldtocht naar het Oosten. Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2012.
Het corruptieonderzoek dat we in nummer 13 van Civis Mundi Digitaal als nieuw thema geïntroduceerd hebben, wordt in dit nummer voortgezet met een reactie op een thematiek die onlangs ter discussie is gesteld door het Centre for Public Values and Ethics.
Vaak wordt verwezen naar de ‘’cultuur’’ als mogelijke oorzaak voor ernstige misstanden in wetenschap en bestuur. Hierbij rijzen de volgende vragen: hoe komt het dat wetenschaps- en bestuurscultuur daartoe tenderen? Wat is er met het oog hierop mis in de cultuur van organisaties, sectoren of de hele samenleving? Hoe dat te onderzoeken? Als cultuur zo’n belangrijke factor is, hoe dat te verbeteren?
Dr. Michel van Hulten, die zorg draagt voor de operationalisering van dit thema, reageert in dit nummer daarop in een reeks van daarop toegesneden antwoorden.
Dat de digitale revolutie op het gezicht van deze tijd en van de daarin opgroeiende nieuwe generatie -de zogenaamde digital natives- een eigen stempel drukt, valt op tal van punten te illustreren. Met de toenemende ontsluiting van het potentieel van dit nieuwe medium worden steeds meer uiteenlopende effecten zichtbaar, zoals de digitalisering van informatieverwerking, sociale ontplooiing, vrijetijdsbesteding, collectie musea, gokindustrie, criminaliteit, spionage, terrorisme, oorlogvoering ed. Het internet is zelfs de kraamkamer van de hedendaagse jihad (cyber jihad), meldt de AIVD in haar laatste jaarverslag.
Reden waarom we in dit nummer die digitale revolutie als een nieuw thema introduceren met eerst een belangwekkend artikel over online-gokken en daarmee samenhangend de vraag wie de geëigende autoriteit is om op te treden tegen, vooral buitenlandse, exploitanten van goksites die kinderen of jeugdigen (mede) tot hun klantenkring rekenen. Kunnen de lidstaten van de EU dit optreden zelf af of is het noodzakelijk dat de Europese Unie dit aan zich trekt? Nu reeds tien procent van al het gokken in de Unie plaatsvindt via internet, lijkt er behoefte aan een strenger gereguleerde digitale omgeving in de interne markt. Lidstaten hebben wel enige vrijheid hun eigen regels inzake online gokken te handhaven, maar door de grensoverschrijdende kenmerken van online gokken, stijgt de behoefte aan een coördinatie ervan door de Europese Unie. Daarbij is, zo blijkt uit diverse onderzoeken, volgens deskundigen speciale aandacht nodig voor minderjarigen tot achttien jaar. En vervolgens in dit nummer een korte reflectie op de invloed van de digitale revolutie op de opgroeiende jongere generatie.
Op deze pagina staan terugkerende thema's van Civis Mundi.