Nationaal belang en internationale rechtsorde

Civis Mundi Digitaal #6

door Wim Couwenberg

Nationaal belang en internationale rechtsorde

Wim Couwenberg

 

Een natie heeft geen bestaansreden zonder een eigen nationale roeping. Daaraan ontleent zij haar innerlijke samenhang en richtingsbesef, aldus de prominente Leidse rechtsgeleerde C. van Vollenhoven[1] in een tijd toen onze neutraliteitspolitiek nog hoogtij vierde. Die roeping zocht hij in een primair ethisch gerichte politiek. Naast handelspolitieke overwegingen heeft die ethische oriëntatie inderdaad grote invloed op onze buitenlandse politiek gekregen. Dat bevordering van de internationale rechtsorde in onze grondwet als doelstelling van buitenland beleid expliciet genoemd wordt is daarvan een duidelijk teken. Nationaal belang is als motief lange tijd taboe geweest, al had onze voormalige minister van Buitenlandse Zaken J. Luns daar geen enkel probleem mee. In tegendeel. Maar die kreeg voor dat standpunt in het parlement weinig of geen steun. De laatste jaren is er echter een duidelijke kentering gaande. De VVD heeft daartoe de eerste stoot gegeven.[2] Onder minister Van Mierlo is het taboe op nationaal belang als medebepalende factor in ons buitelands beleid opgeheven. En onder zijn opvolger minister J. van Aartsen[3] is dat belang inmiddels expliciet op één lijn gesteld met specifiek ethische doelstellingen als bevordering van de internationale rechtsorde en vermindering van de armoede in ontwikkelingslanden.

In het Europese integratieproces domineerde in ons land aanvankelijk ook die traditioneel ethische oriëntatie. Die kreeg daar gestalte in een krachtig beleefd supranationaal idealisme. Maar dat heeft inmiddels plaatsgemaakt voor een meer realistische koers. Vandaar dat onze diplomaten in Brussel onbeschroomd opkomen voor specifiek Nederlandse belangen. En hoewel Nederland in de jaren ’50 zoals elders in dit nummer vermeld,[4] zijn soevereiniteit principieel gerelativeerd heeft door het primaat van algemeen verbindende bepalingen van de internationale rechtsorde  in de grondwet vast te leggen (art. 94 grondwet), verzet de Nederlandse regering zich de laatste jaren in EU-verband stug tegen de ontwikkeling naar een politieke unie, omdat dat onze soevereiniteit verder uitholt. Volgens de meeste ter zake kundige economen is die unie een voorwaarde is voor het goed functioneren van een economische en monetaire unie. En sinds het kabinet-Rutte krijgt dat verzet nog een sterker accent in lijn met het gesloten regeerakkoord waarvan de strekking kort maar treffend samengevat is als: "samen voor ons eigen". In deze trant is dat kabinet nu nog een stap verder gegaan in het zogenaamde Scheldeverdrag van 2005 heeft Nederland erin toegestemd de Hedwigepolder als natuurcompensatie voor het uitdiepen van de Westerschelde te ontpolderen. Daar is het kabinet nu van teruggekomen.

Dat Vlaanderen daar heel boos over is, wie had anders verwacht. Nederland komt hiermee ook in botsing met de Europese Commissie die het waarschijnlijk aan zijn afspraken over het overeengekomen natuurherstel zal houden. Ongehoord, een aanslag over de internationale rechtsorde, briest schepen (wethouder) van Antwerpen Marc van Peel. En terecht wordt hiermee een internationaal rechtelijke verplichting niet zomaar terzijde geschoven en ondergeschikt gemaakt aan een specifiek Nederlands belang, i.c. Zeeuws belang? Dat gaat zoals van Vlaamse zijde is gesteld Vlaanderen zo’n 250 miljoen euro extra kosten. We dreigen hiermee wel ver af te dwalen van onze zolang trots beleden ethische roeping, nog afgezien van de morele verplichtingen, die voortvloeien uit goed nabuurschap. Nederland is onze meest prioritaire partner, verklaarde de Vlaamse regering in haar strategienota Nederland van 31 oktober 2005. Maar Nederland beantwoordt die uitgestoken hand met grote terughoudendheid en trekt zich weinig aan van Vlaamse belangen als dat zo uitkomt.

 

 


[1] C. van Vollenhoven, De eendracht van het land, 1913

[2] Zie Nationaal belang. Over de bruikbaarheid van dit begrip voor liberaal buitenlands beleid, Teldersstichting, 1996

[3] Zie Tweede Kamer Handelingen, 1998-1999, nr. 33, p. 3250

[4] Zie Jaren ’50, probleemloos modern?, thema 25