De website van Civis Mundi is vernieuwd. Werkt de nieuwe site voor u niet goed? Bezoek dan de oude site via oud.civismundi.nl en stuur ons een email: webmaster@civismundi.nl.

’Nieuwe esoterie’ en het zogenoemde ’postmortaal levensperspectief’

Civis Mundi Digitaal #7

door Hugo Verbrugh

’Nieuwe esoterie’ en het zogenoemde

’postmortaal levensperspectief’

 

Een tekst over leven en dood hier en nu en hierna1

 

Hugo Verbrugh*

 

Komt ’hierna’ nog ’iets’ en zo ja wat?

Rare vraag! Ja, ’iets’ komt er natuurlijk wel. Bijna alles blijft zoals het was. Het leven gaat gewoon door. Alleen voor de mensen die de persoon die er nu niet meer is gekend hebben, gaat het, in meer of mindere mate en voor kortere of langere tijd niet meer ’gewoon’ door.

Alleen voor de gestorvene zelf is het zeker in hoge mate ongewoon. Voor hem is er na de dood van zijn lichaam misschien inderdaad helemaal niets meer.

 

Maar zó is de vraag natuurlijk niet bedoeld. Blijft na de dood van het lichaam iets over van de persoon die in dat lichaam ’huisde’? Dáár gaat het om. Blijf, om het goed dichtbij te brengen, ik, of blijft althans iets van mij bestaan?

 

Dat bedoelt ook Wim Couwenberg met de vragen die hij in zijn inleiding aan de orde stelt. Nu in algemene termen: steekt er enige realiteit in wat wel wordt aangeduid als het ’postmortaal levensperspectief’ of is het allemaal puur verzinsel? En om het toch weer dichtbij te brengen: hoe komt het, zoals Couwenberg in zijn inleiding stelt, dat zoveel mensen, naarmate ze ouder worden, eerder minder goed dan beter overweg lijken te kunnen met de hierna-vraag.

 

Het zijn actuele vragen. In onderstaand stukje tekst ga ik een eindweegs op die vragen in.

 

1. "Habent sua fata texturae"

 

In zijn inleiding brengt Couwenberg het begrip karma ter sprake. Dat speelt ook in mijn leven en denken een grote rol.

            Maar niet alleen mensen hebben hun karma, ook teksten hebben dat. In de titel van mijn stukje heb ik dat gesteld. Mijn stelling ’Teksten hebben hun lot’ is een variant op de bekende one-liner van Terentianus ’pro captu lectoris habent sua fata libelli’. Vrij vertaald: ’Al naar gelang de hebbelijkheden van de lezer hebben boekjes hun eigen karma’.

           

Linguistic turn

Terentianus is bijna 2000 jaar oud. Tegenwoordig doen we minder met boeken [of, in de terminologie van Terentianus, met ’boekjes’, libelli]. Zwart op wit op papier gedrukte teksten die in boekvorm verspreid worden zijn out. Cyberspace is nu the place to be. Naarmate je daar meer en intenser leeft en denkt en werkt, ga je vanzelf anders schrijven.

            Zodoende ga je merken dat intussen de taal alleen maar belangrijker wordt. In het kielzog van de analytische filosofie is in de tweede helft van de vorige eeuw het begrip linguistic turn populair geworden, de ’talige kentering’.

            Vrij geïnterpreteerd: over wat je niet onder woorden kunt brengen kun je ook niet denken, maar het is een determinant van het mens-zijn dat je dat toch blijf proberen want het taal-vermogen is het kenmerk bij uitstek dat de mens van het dier onderscheidt. Alleen de mens spreekt en schrijft en communiceert met woorden. Hij brengt woorden in een samenhang, in een weefsel; het Latijnse woord voor weefsel is textura en daar komt ons woord tekst vandaan. ’Tekst’ is een mooie algemene term voor een verzameling woorden waarmee iemand een tekst ’weeft’ waarmee de lezer nog alle kanten op kan. ’Weven’, woorden in een samenhang brengen zodat een ’textura’ ontstaat, is een archetype. Sprookjesfiguren en mythische personen weten daarvan mee te praten.

 

In zijn inleiding in dit nummer biedt Couwenberg ons een woordenweefsel aan met een aantal vragen over ouder worden en sterven met een bijbehorende uitnodiging om met, al is het maar tentatief, antwoorden op die vragen te komen.

            Couwenberg is mij zowel persoonlijk als professioneel-filosofisch [wat is trouwens het verschil?] dierbaar. Zijn uitnodiging confronteert mij met niet alleen een inspannings- maar ook een resultaat-verplichting. Bovendien: op onze leeftijd moet je aan je toekomst gaan denken. Aan die wijze aanbeveling herinnert Couwenberg mij met zijn uitnodiging. En stiekem voel ik me ook wel een beetje vereerd met die uitnodiging. In elk geval ga ik met vreugde aan het werk. Dat is het goede nieuws.

 

Penelope2

Het slechte nieuws is dat het niet werkt. Het lukt niet. Of beter gezegd: het lukt elke dag opnieuw, maar het schiet niet op. Elke nacht word ik bezocht door Penelope, de trouwe gade van Odysseus die twintig jaar wacht op haar verloren gewaande echtgenoot. Kordaat rafelt ze in mijn droom mijn hele woordenweefsel van de vorige dag uiteen. ’Lees maar niet wat hier staat,’ schrijft ze op het briefje dat ze neerlegt bij het armzalige hoopje woorden dat ze achterlaat voor als ik weer wakker zal zijn. ’Er staat niet wat er staat’.

            Mijn enige troost is dat ik niet de enige ben die daaraan lijdt. Er gaat een soort mega-langs-elkaar-heen-praten door de wereld. ’Endemische conceptuele vervreemding’ noem ik het.

 

Penelope is een mythe. Zij is een persoon in mijn dromen en ze houdt mij niet een dwingend logisch betoog voor, maar een beeld. Ik mag doen wat ik wil met haar en met het beeld dat ze me voorhoudt.

            Ik kies er voor om met haar in gesprek te gaan. Ik wil haar ter verantwoording roepen voor wat ze met mijn woordenweefsel doet. Ik open het gesprek en vertel haar dat de taal steeds meer een deel van mijn leven wordt. Ik vertel haar ook wat ik terloops hierboven al opmerkte: op onze leeftijd ga je vanzelf terugkijken. Als ik dat doe, ontwaar ik allerlei wederwaardigs, vertel ik haar ook.

 

’Er zij licht’

De esoterie leert dat de aarde in vier fasen is geschapen: de vuur-, de lucht-, de water- en de aarde-fase (over de vraag wat er vóór de eerste fase was, kan pas zinvol gedacht worden nadat alles algemeen bekend zal zijn wat vanaf die fase gebeurd is).

            De taal heeft zich ontwikkeld in een soortgelijke opeenvolging van fasen. In de vuur-fase bewerkstelligt louter het uitspreken van het woord datgene wat het woord uitspreekt. Dat is in dramatische bewoordingen verteld in Genesis 1:3. God sprak: ’daar zij licht en daar werd licht’. God hoefde maar te zeggen dat er licht moest komen en er wás licht.

            Als mensen over dit vermogen zouden beschikken, zou geen leven op aarde mogelijk zijn. Iemand zou maar stiekem hoeven denken ‘ik verdoem je’ en de ander zou meteen weg zijn. Maar resten van die vuur-fase leven nog in de mens. Ouders geven hun kinderen een naam. Zodoende dragen ze daadwerkelijk bij aan het ’fatum’ van het kind. Een ander verhaal over woorden die daadwerkelijk effect claimen gaat over rituelen zoals transsubstantiatie of exorcisme. Weer een ander verhaal is de alledaagse ervaring dat de woorden in de innerlijke monoloog die iedereen af en toe met zich zelf voert over zijn gedachten en gevoelens effect kunnen hebben op lijfelijke gewaarwordingen.

            Maar dat zijn allemaal marginalia. Vergeleken bij de kracht die Het Woord, de ’Logos’, had toen het nog ’bij God’ was, is ons taalvermogen wat dit betreft in hoge mate ‘afgeblust’. In de normale sociale omgang hebben woorden net zo veel of zo weinig zeggingskracht als wij hen toekennen.

            Die ’afblussing’ gebeurde, historisch bezien, in de lucht-fase. Taal werd het gesproken woord. Toen God riep ’Adam, waar zijt ge,’ werden zijn woorden door de lucht naar Adam gevoerd. Daardoor kon Adam die woorden horen. Toen kon de geschiedenis van de mens beginnen.

            Het taalvermogen koelde verder af. In de water-fase kreeg de taal een vaste bedding waarin het woord geschreven kon worden. Toen begon de geschiedenis van de mens zoals wij die nu kunnen reconstrueren.

 

Logos

Ik doe even een stapje terug. Een andere bijbeltekst begint met: ’In den beginne was het woord en het woord was bij God’. Met de advantages of hindsight, onze wijsheid achteraf, kunnen we deze aanhef duiden als de transcendente anticipatie op de linguistic turn. De mens werd geschapen als het ’talig wezen’, het wezen waarvan de essentie wordt bepaald door zijn vermogen om te spreken en gehoord te worden door niet alleen zijn medemensen maar ook door hogere hiërarchieën. Maar dat veranderde toen de moderne tijd, onze tijd, begon. Eind 15e eeuw ging men woorden in het aarde-element weergeven. Letters werden zwart op wit gedrukt. Woorden werden gefixeerd. Alles stolde, werd vast. Het levende denken verlamde. Kennis werd onbewegelijk, hard, dood. Kennisverwerving werd opgevat als een mechanisch proces [tegenwoordig: een informatietechnisch proces]. De zogenoemde ’anamnesis’ [= herinnering aan wat je vóór je geboorte onbewust wist], die Plato in zijn dialoog de Meno beschrijft, raakte in vergetelheid. Kennis als herinnering aan de schepping die de mens als microkosmos meegekregen had ’verdampte’, de notie van een hier-voormaals werd onbespreekbaar, ’hierna’ werd een spookverhaal: zie wat Couwenberg in zijn inleiding schrijft: ’... een achterlijk fenomeen’.

            De persoonlijke ‘imprint’ die elke geschreven tekst vóór de boekdrukkunst had, verwaterde. Teksten gaan nu in onbepaald grote oplagen, met of zonder vermelding van naam of namen van auteur(s) door de wereld. Het is niet meer te achterhalen wat men uitricht als men zijn woorden in gedrukte vorm verspreidt.

            Intussen begint ook dat verleden tijd te worden. Er is een vijfde fase van de taal gekomen: die van het idioom van internet en cyberspace. Dat is de taal van de bloggende burgerjournalisten, de weblogs en andere producten van de ’blogo-sfeer’, van het twitteren and all that. Hier ontmoeten verleden en toekomst van de taal elkaar. De mens als ’talig wezen’ gaat een nieuwe fase in zijn evolutie in. Dat is pas goed een ander verhaal.

 

Hiertussenmaals

Kortom, er is nog - nee, er is weer nieuw leven in de taal! Met recht en reden heeft Couwenberg zich een mens van deze tijd betoond door Civis Mundi naar cyberspace over te hevelen. Hier is de actie! Hier kun je woorden zoeken voor het nog onverwoordbare nieuwe. En het aardige is dat oud en nieuw elkaar wederzijds aanvullen en verrijken. Zelfs in stoere reguliere oude media kun je over dat echt nieuwe soms schrijven. Ik citeer:

            ’Een blog bijhouden past prima bij de geest van deze tijd. Je bent helemaal vrij, er is geen redactie die je bijdragen keurt en selecteert, er is hoegenaamd geen censuur. Nadenken over wat in je opkomt gaat vloeiend over in woorden geven aan wat je bedacht hebt,en vandaar in opschrijven en opsturen van die woorden. Tijd en ruimte spelen hoegenaamd geen rol bij deze communicatie in cyberspace. Blogwerk is een manifestatie van de directe samenhang tussen waarnemen en bewegen, tussen denken en doen, die onlangs door de cognitieve neurowetenschappen ontdekt is.

            Deze onmiddellijke samenhang van denken en handelen anticipeert op wat ons te wachten staat in het bestaan hierna. Volgens de theorie van de reïncarnatie verblijven we dan eerst enige tijd in een louteringsfase waarin we doormaken wat we tijdens ons leven anderen aangedaan hebben. De gedachten en gevoelens die daardoor bij ons opkomen delen we onmiddellijk mee aan de anderen die we in onze gedachten hebben. Denken en voelen en communiceren wat je denkt en voelt, is in dit zogeheten ’hiertussenmaals’ één proces. Veel bloggers voelen dit meer of minder onbewust wel aan. Het denkbeeld van de reïncarnatie is populairder dan in de oude media ter sprake komt.’3

 

In bovenstaand citaat vat ik samen in welke stemming ik deze tekst schrijf. De inhoud van wat ik wil zeggen, mijn beeld van het probleem dat Couwenberg ons aanbiedt,  wordt goed weergegeven door een cartoon met bijschrift van de Franse tekenaar Jean Jacques Sempé (1932). In een groot, grauw somber einde-herfst landschap lopen twee deftige oudere heren. Aan de spaarzame bijna kale bomen die hoog boven hen uit rijzen hangen de laatste blaadjes te verpieteren. Die documenteren dat het einde van het seizoen nabij is. Het regent natuurlijk ook een beetje. ’Weet je’, zegt de ene heer tegen de andere, ’ze zeggen dat je na je dood je hele leven aan je voorbij ziet trekken En weet je, dat is het moment waarvoor ik bang ben.’

 

In de volgende hoofdstukken vul ik dit beeld nader in met een woordenweefsel. 

 

2. De parabel van Oersted

 

Als oud en nieuw elkaar ontmoeten treden soms dramatische gebeurtenissen op.  Soms leidt zo een gebeurtenis via via tot grote vooruitgang. Omstreeks 1820 experimenteerde de Deense natuurkundige Oersted aan een onderwerp dat toen sterk in de belangstelling stond: de relatie tussen elektriciteit en magnetisme. Met de wijsheid van nu weten we dat hij toen een grote ontdekking deed. Wij kennen het uit de alledaagse ervaring aan de dynamo op onze fiets. Mechanische energie die binnenkomt via het draaiende fietswiel, wordt omgezet in elektrische energie. Doordat een elektrische geleider door een magnetisch veld beweegt, wordt elektrische spanning opgewekt door die geleider, en omdat de kring gesloten is, gaat in die kring stroom vloeien.

            Dat weten wij nu. Oersted wist dat nog niet. Hij zocht het, maar wist niet precies wat hij zocht. Een legende verhaalt dat hij, wanhopig geworden omdat zijn proefjes alsmaar geen resultaat gaven, in een boze bui de hele bedrading van zijn proef-opstelling losrukte omdat hij het hélemaal gehad had met zijn onderzoek. En toen zag hij opeens een kleine uitslag van het naaldje van zijn stroommetertje. Dat was het dus: er moest beweging zijn!

            ’Se non è vero, è ben trovato’, zeggen we. Als het misschien niet echt historisch-feitelijk helemaal zo gebeurd is als ik het hier samenvat, is het in elk geval zó mooi gevonden, dat we het willen doorvertellen. Om dat dóór vertellen gaat het. Er moet beweging in zitten, anders gebeurt er niks.

 

Magnetisme en beweging is een oud verhaal. De magneet zelf is een levenloos, statisch ding. Maar hij ’straalt’ wel een soort kracht ’uit’, als een soort ’echo’ of ’reflectie’ van het aardmagnetisch veld.

            Al vanaf de eerste tijd dat de mens ging nadenken over de schepping is dat min of meer bekend. Van oudsher is de magneet met zijn twee polen een beeld voor de schepping. Alles speelt zich af tussen twee polen. Licht en duisternis is een bekende tweeheid, de Chinezen spreken van Yin en Yang, de Griekse filosoof Herakleitos zag alles als een strijd tussen tegengestelde principes.

 

In het dagelijks leven is er de opeenvolging van dag en nacht en van de wisselingen van de jaargetijden. Nog dichterbij, onafgebroken voelbaar in de lichamelijkheid, gaan ademhaling en hartslag op en neer. Voor het bewustzijn onmerkbaar flitsen in het zenuwstelsel onophoudelijk positieve en negatieve elektrische ladingen over de zenuwdraden en zenuwcellen heen en weer.

 

De magneet is een beeld voor die oer-polariteit zoals die zich voordoet in de levenloze materie. Ter illustratie doen we even een gedachtenexperiment, en doen alsof we Uri Geller zijn. Breek een magneet in twee stukjes. Dan houd je niet een noordpool in je ene hand en een zuidpool in je andere hand, maar heb je in elke hand twee nieuwe magneten die allebei een noord- en een zuidpool hebben. En zo voort - tot op het niveau van het ijzer-atoom.

             Maar behalve voor zover jij door jouw eigen activiteit die magneet in alsmaar kleinere stukjes breekt, gebeurt er niks. Om er beweging in te brengen moet er van buiten af energie worden toegevoerd. Dat leert ook het voorbeeld van de dynamo. 

 

Fenomenen die alleen begrepen kunnen worden door een levend denken, fenomenen waarin de denkende mens innerlijk méébeweegt met het fenomeen dat hij wil begrijpen, heten in het Duits ’Zeitgestalt’. Onder het begrip ’Zeitgestalt’ wordt alles verstaan dat alleen bestaat voor zover het zich in de tijd manifesteert en tijdens deze manifestatie ook voortdurend verandert. Beelden kunnen statisch zijn, bijvoorbeeld schilderijen of foto’s, en ze kunnen bewegend zijn, bij voorbeeld televisie, maar geluid is altijd een ’Zeitgestalt’. Klassieke ’Zeitgestalten’ zijn muziek en dans of spel. Een partituur, een orkest dat zit te wachten tot de dirigent komt, een grammofoonplaat, een choreografie, een bord met schaakstukken of een voetbalveld waar de spelers van een nationaal elftal naar het volkslied luisteren, zijn niet muziek, dans of spel. Pas zodra de feitelijke actie van de muziek, de dans, het spel zich afspeelt, is er daadwerkelijk sprake van muziek, dans en spel. Onmiddellijke ervaring voor ieder mens is het Zeitgestalt-karakter van de ademhaling, het hart, de spijsvertering.

            Niet onmiddellijk evident voor het moderne denken, maar onmiskenbaar en een voorwaarde om antwoorden te vinden op de vragen van Couwenberg waar je iets aan hebt, waar je iets mee kunt doen, is het inzicht dat die vragen en dus hun antwoorden ook ’Zeitgestalten’ zijn. Helemaal zeker ervan of Couwenberg zelf dat begrijpt, ben ik niet. Maar tussen de regels van zijn inleiding dóór proef ik een nieuw soort élan.

 

Perifere identiteit

Maar voordat ik verder ga eerst een vraag aan mezelf. Wie ben ik om Wim Couwenberg zo te kapittelen? Mijn aanbeveling aan hem is een akelige variant van een jij-bak. ’Kijk naar jezelf,’ zeg ik tegen mezelf - wat heb jij klaar gekregen in al die jaren dat je met dit soort vragen aan het tobben bent?

            De ’hierna’-vraag houdt mij al bijna een halve eeuw bezig. Een van de mogelijke antwoorden is reïncarnatie. Het mooie van dat antwoord is dat er ooit zekerheid over zal komen. Als er enige realiteit in reïncarnatie steekt, zullen ooit bewuste herinneringen aan vorige levens opduiken. Zonder zulke herinneringen, is reïncarnatie niks.

            Probleem is alleen dat reïncarnatie niet kan. Reïncarnatie betekent dat ik eerder geleefd heb en na mijn dood nog eens zal terugkomen. Maar ik kan alleen bestaan dankzij mijn lichaam en dat is eenmalig. Reïncarnatie is continuïteit van het ik-bewustzijn door meerdere achtereenvolgende levens heen. Hoe kan die bestaan wanneer het lichaam als verbindende schakel er niet meer is? Materiaal voor een antwoord op die vraag vind ik in recente ontwikkelingen in de cognitieve neurowetenschappen, in de filosofie en in de antroposofie. Reïncarnatie wordt gezien als een volgende fase in de evolutie van de mens. De kenvermogens van de mens evolueren mee; de menselijke kennis verandert. Cognitie biedt nieuwe inzichten in de relatie tussen lichamelijkheid en identiteit, waardoor reïncarnatie een realistische optie wordt. Langs die weg is vooruitgang in het ’hierna’- probleem mogelijk in de zin waarin de wetenschap vooruitgang boekt.

            Kernthema is het concept van de ’perifere identiteit’. Mijn dood is alleen de dood van mijn eigen individuele lichaam. Ik leef voort in het bewustzijn van alle mensen die weet van mij hebben gehad. Hoe het dan verder gaat, weet ik weliswaar ook niet, maar dit concept van mijn perifere identiteit zou een goed startpunt kunnen zijn om reïncarnatie rationeel aan te vatten. Maar tot nu toe zou het dat alleen kunnen zijn. Voor zover ik kan nagaan, ben ik de enige die het begrijpt en serieus neemt.

            Toch houd ik vol dat reïncarnatie het verdient een plaats te krijgen op de agenda van het publieke debat. Deze tekst is zijdelings óók een beetje bedoeld als een nieuwe poging daartoe.

 

Nulpunt

Die nieuwe poging moet beginnen bij een nieuw nulpunt. Er is namelijk niet alleen geen enkele vooruitgang in het ’hierna’-probleem of de reïncarnatie - léés de inleiding van Wim Couwenberg - er zit zelfs geen enkele beweging in. Sterker nog: op de manier waarop twee vijandige legers zich in loopgraven hebben ingegraven staan de agnostici (’wij kunnen niets weten over een eventueel hierna’) en de traditioneel gelovigen (’onze dierbare overledene is nu in de hemel’) tegenover elkaar. In beide kampen scharrelen grotere of kleine contingenten onduidelijke bondgenoten rond; af en toe roepen die wat losse flarden verzinsels in het rond waar met recht en reden alleen een enkele nitwit zijn oren naar laat hangen. Geen wonder dat de beheerders van de agenda van het publieke debat daar niet veel mee kunnen.

 

Het voordeel van die onduidelijke situatie is dat ik voor een echt nieuw verhaal lekker ver terug durf te beginnen - omstreeks het begin der tijden, om precies te zijn. Wat er toen gebeurde, is nauwkeurig geprotocolleerd - maar in die nauwkeurigheid zitten vanaf de eerste woorden van de eerste tekst hierover wel enkele lapsus waardoor wij al eeuwen lang op een verkeerd been gezet zijn.

 

3. ’In den beginne schiep God ... ’- néé, dus

 

 ’In den beginne schiep God hemel en aarde’, begint de tekst over het begin van alles - althans in de geijkte vertaling. Maar die vertaling is onjuist. ’In den beginne schiep God hemel en aarde,’ klopt niet. In het Hebreeuws staat: ’In het begin scheidden de goden [meervoud!] hemel en aarde’. En zo is het gegaan. De Bijbel liegt niet.

            Met die scheiding begon destijds alles voor zover wij er iets van kunnen weten en begrijpen. Sindsdien zijn wij hier beneden in de concrete fysieke ruimte met ons materiële lichaam, en is God c.q. zijn de goden oftewel de ’hogere hiërarchieën’ daarboven in de abstracte niet fysieke ’niet ruimte’ [ook wel genoemd ’anti-ruimte’ of ’tegen-ruimte’; de aanhalingstekens worden onmisbaar want taal is een onversneden aardse verworvenheid en ieder woord over die niet-aardse ’dimensie’ is eigenlijk van zich zelf al een leugen of op z’n minst een onwaarheid].

 

Dat vertelt althans de mythe, en zoals elke mythe heeft het scheppingsverhaal een geheime boodschap met tijdloze waarheid.

            Als we in de tijd die we op aarde doorbrengen maar braaf genoeg leven, mogen we na afloop terug naar die hemel, is die boodschap, kort samengevat. De vraag is nu of we die boodschap serieus kunnen nemen. Dat spreekt niet meer zo vanzelf als vroeger. Met name veel professionele exegeten geven zich veel moeite om ons uit te leggen dat al die verhalen alleen maar ’mooie verhalen’, in de dubbele betekenis van dat woord, zijn - louter verzinsels, quasi-poëtische moderne inkledingen van raadselachtige overleveringen uit vroeger tijden, die we alleen nog steeds doorvertellen omdat ze bepaalde emotionele behoeften bevredigen. Voor wie daar aardigheid in heeft, is dat genoeg om erin te geloven, en daar is niks mis mee, maar het moet niet gekker worden, aldus de gangbare mening onder theologen. Couwenberg en ik zijn het hartelijk eens in onze mix van verbazing en verontwaardiging over deze manier van doen.

 

God-gelijk

Steun voor onze alternatieve uitleg van die mythe volgens Genesis vinden we in het vervolg. Enige tijd na de gebeurtenis die ik in de vorige alinea samenvatte was de mens op het toneel verschenen. Die leefde in zalige onwetendheid in het aardse paradijs. Maar toen werd alles opeens anders. Eva werd door de slang aangesproken en verleid om te proeven van de verboden vruchten van de boom der kennis. Daarmee begon de mens daadwerkelijk aan zijn opdracht op aarde.

 

Zo als het in de vorige zin staat, kan het natuurlijk niet letterlijk gebeurd zijn. Slangen spreken niet. Er was toen trouwens nog helemaal geen taal. Maar wie de tekst leest zoals hij bedoeld is, vindt in de beelden tijdloze waarheid over de mens. ’Gij zult worden gelijk de goden, kennende goed en kwaad,’ voorspelt de slang. De mens gaat beseffen dat hij sterfelijk is, raakt verstrikt in goed en kwaad, in het man-vrouw-verschil, in de seks en de manier waarop nieuwe mensen op aarde komen - kortom, alles zoals we dat nu kennen, begint dan.

 

Door alle tijden en door alles zoals we dat nu kennen heen blijft de herinnering aan het paradijs levend. Flarden van die herinnering gaan vloeiend over in een verlangen dat terug te vinden - en bij voorkeur niet pas hierna maar ook al iets ervan tijdens dit leven. In wat de Europese traditie zal worden ontstaan zogeheten mysteriediensten. Op allerlei manieren bewerkstelligen mensen in groepsverband bijzondere bewustzijnstoestanden en bleven zij bijzondere wezens. Sommige mensen zijn daar beter in dan andere en gaan zich beschouwen als ingewijden en gaan mooi complementair door de anderen beschouwd worden als begiftigd met bijzondere kennis; de scheiding der geesten in priesters en profanen ontstaat. De esoterische traditie ontstaat [mag men spreken van ’de’ esoterische traditie, of moet dat altijd in het meervoud?];  ingewijden beheren de ’hogere kennis’ die verborgen (’occult’) blijft voor de simpele gelovigen zoals Couwenberg de categorie medemensen aanduidt die ik hier bedoel. Uiteraard gaat het vooral over wat na de dood gebeurt en dat thema was en is en blijft controversieel. In de loop van de geschiedenis hebben verschillende motieven gespeeld waarom dat thema controversieel was; in de eeuwen dat de Kerk oppermachtig was lag die controverse besloten in de dogmatiek, tegenwoordig is het de zogeheten Skeptische Kerk [mooie term van skepticus Marcel Hulspas] die het agnosticisme predikt tegenover het oude geloof; een ander alternatief dan geloof is er niet, zie het eerste hoofdstuk.

 

Een klein stukje uitvergroting van de geschiedenis is instructief. Naarmate de authentieke herinnering aan de hemel en het paradijs verdampte, werden in heftige debatten over de ware aard van het geloof en over de bijbehorende kerk dogma’s gedecreteerd waarin de ware leer verankerd werd. In verschillende concilies tussen 300 en 900 ging het onder meer over de ware inhoud die het ware geloof moest hebben. Via via zijn allerlei resten van die debatten tot vandaag de dag terug te vinden.

            Eén strijdpunt was de triniteit God-Vader, Zoon, Heilige Geest. Er bleek diepgaand verschil van opvatting of Jezus het zelfde wezen was of  van gelijksoortige aard als de God de Vader. In het ene geval zou hij ‘homo-ousios’ zijn, in het andere ‘homoio-ousios’. Van dat probleem liggen tegenwoordig weinig mensen wakker, maar pas op.

Tussen de twee woorden ’homo-ousios’ en ‘homoio-ousios’ is eigenlijk maar één letter verschil, de letter ‘i’, die in het Grieks de ‘iota’ heet. Wie terloops de gangbare uitdrukking ‘ik snap er geen iota’ gebruikt, roept tussen de regels door wel mooi de herinnering op aan de eeuwenlange filosofische strijd over de ware aard van Jezus met alles wat daarbij hoort.

            ’Twee of drie’ hield de gemoederen ook ernstig bezig in verband met de mens. Was die twee- of drieledig? Op het vierde Concilie van Constantinopel, in 869 - 870, viel de beslissing. De ’trichotomie’, de leer van de drieledigheid van de mens naar lichaam, ziel en geest, is een ketterse zienswijze en werd tot dwaalleer verklaard. Er werd vastgesteld dat de mens uit twee delen bestaat, lichaam en ziel. Als compromis kreeg de ziel wel enige geestelijke eigenschappen, maar zoals dat zo vaak gaat met compromissen: dat detail werd gaandeweg vergeten, en geleidelijk verdween de ziel uit de wetenschap, uit de theologie, uit de filosofie en ten slotte uit de leefwereld.

 

’Saikie’

In de leegte die de ziel heeft achtergelaten ontkiemen allerlei ideeën en begrippen om toch nog iets van de ware, drieledige aard van de mens te vatten. In 1818 kwam het woord ’psychosomatiek’ op, omstreeks 1900 maakte Sigmund Freud furore met zijn methode van de ’vrije associatie’. Als hij een specifieke relatie ontwikkelde met mensen met psychosomatische klachten en die mensen vrijuit liet praten, kwam er van alles boven dat door hem geduid kon worden als onbewuste herinneringen aan psychotrauma’s uit het verleden. Vrij te kunnen spreken over die trauma’s in een gegarandeerd veilige en beschutte relatie met een maximaal empathisch meegaande therapeut kon zelfs ’kathartisch’ [= (ziele)reinigend] werken; de klachten verdwenen vaak.

            Het woord ’psyche’ staat tegenwoordig ongeveer voor wat vroeger ’ziel’ heette; de steeds zwaardere nadruk die het Amerikaanse denken krijgt in de psychologie, maakt dat je dat woord, aldus psychiater / filosoof Jan H. Van den Berg, schepper van de metabletica, zou moeten uitspreken als ’saikie’. Dat niemand begrijpt wat je dan bedoelt, pas naadloos in het verhaal.

            De afgrond die nu gaapt tussen lichaam en geest is catastrofaal. ’Ik’ zelf ben letterlijk nergens tussen deze twee abstracte entiteiten. Om daar iets aan te doen heb ik in verschillende blogberichten in het Volkskrantblog de afgelopen jaren het begrip ’Persoonlijke BinnenWereld’ (PBW) voorgesteld als aanduiding van mijn persoonlijke variant van wat Husserl in 1929 als de ’leefwereld’ (Lebenswelt) in de filosofie heeft geïntroduceerd.

 

4. Top down en bottom up

 

Het omslagpunt tussen de oudheid en de moderne tijd ligt omstreeks 1500 - 1600. Amerika en de boekdrukkunst doen hun intrede in de leefwereld van de laat-Middeleeuwers, de aarde blijkt echt rond te zijn. Erasmus Roterodamus wordt de bekendste Europese burger van zijn tijd door de manier waarop hij het nieuwe medium, de nieuwe boekdrukkunst, gebruikt om zijn tijdgenoten over de geest van de nieuwe tijd journalistiek voor te lichten.

 

De roos en haar naam

In de filosofie vindt een omslag plaats waarvan de gevolgen tot van-daag tot in de kleinste hoeken nagalmen. De conceptuele vervreemding die nu door de wereld gaat, begint zich te manifesteren.

            Een klassiek moment uit die begintijd is in 1594 opgetekend door Shakespeare. Het is de droevige gedachte die Juliet Capulet uitspreekt als ze zich realiseert dat zij en haar geliefde, Romeo Montague, alleen omdat ze verschillende namen dragen elkaar niet mogen kennen, niet mogen trouwen. ’Nou en?’, vraagt Juliet. ’Wat zou dat nou?’ Haar vraag is retorisch bedoeld. ’Het doet er niets toe,’ is haar eigen antwoord. Namen zijn onbelangrijk, meent ze. ’That which we call a rose, by any other name would smell as sweet’, concludeert ze. Hoe je de bloem die wij nu ’roos’ noemen ook zou noemen, hij zou precies even zoet ruiken.

            Heeft Juliet gelijk? Ja en nee. Haar vraag gaat over taal en werkelijk-heid, over de relatie tussen de woorden en de dingen. Wij kennen en begrijpen de dingen die we zien, wij benoemen wat wij weten en begrijpen met woorden. Hoe komen wij aan die woorden?

            Twee antwoorden strijden om de gunst ’het’ goede te zijn. Het ene gaat ’top-down’, het andere ’bottom up’.

 

Microkosmos

Het ene antwoord leert dat de relatie tussen de woorden en de dingen reëel is. De woorden die we gebruiken zijn niet willekeurig. We krijgen bij onze geboorte ’ingeboren’ algemene kennis mee van de werkelijkheid. Naarmate we ouder worden herkennen we in de begrippen en woorden die we van onze opvoeders krijgen de werkelijkheid. Dank zij die herkenning kunnen we ’afdalen’ naar de concrete tastbare werkelijkheid. De relatie tussen de woorden en de dingen is in de schepping geven; het is een reële relatie. Onze kennis en begrip omtrent de werkelijkheid maken zelf daadwerkelijk deel uit van de werkelijkheid. Wat wij weten geeft rechtstreeks authentiek  inzicht in de werkelijkheid zoals ze is.

            Dat antwoord staat bekend als het filosofisch realisme. In deze visie is de taal nog verbonden met oorsprong van de mens. De mens draagt een beeld van de schepping in zich. Dat is een klassiek motief in de filosofie. De mens is een ’microkosmos’, een replica in miniatuur van de schepping. In de woorden die hem in zijn eerste levens-jaren geleerd worden, herkent hij wat hij in zich draagt. In zijn begrips-vorming  ’daalt’ hij als ’t ware ’af’ van de algemene begrippen die hij in zich heeft naar de afzonderlijke dingen met hun bijbehorende namen: top-down.

 

Tabula rasa

Het andere antwoord staat daar recht tegenover. Niks aangeboren kennis, niks microkosmos - dat is allemaal verzinsel. We komen met een totaal leeg bewustzijn, als een ’tabula rasa’, een onbeschreven blad, ter wereld. Alleen omdat wij gaandeweg onderkennen dat onze opvoeders en andere mensen om ons heen allerlei klanken uitspreken als ze dit-of-dat object aanduiden, gaan we de relatie begrijpen tussen die klank en dit-of-dat, en zodoende leren wij woorden. Via die woorden komen we op concrete begrippen van de afzonderlijke dingen en via deze concrete begrippen ’stijgen’ we op naar de algemene begrippen, en leren we wat, bijvoorbeeld, woorden als ’woord’ of ’taal’ of ’tekst’ betekenen: bottom up. Maar al die begrippen zijn allemaal alleen eigen bedenksel van de mensen. Onze kennis en begrip zijn alleen constructies, willekeurige namen die wij geven aan wat wij waarnemen en bedenken. Alle kennis komt alléén van buiten, van de zintuigen.

            Dat antwoord heet ’nominalisme’, afgeleid van het Latijnse ’nomen’ = naam. De mens weet van huis uit niets, leert dit nominalisme. Alles op aarde is nieuw voor hem. Niets komt van binnen uit. De mens moet via de zintuigen alles van buiten af leren.

 

Universaliënstrijd

Tegen het einde van de Middeleeuwen werd een grote ’geestesstrijd’ gevoerd tussen realisten en nominalisten: de ’universaliënstrijd’, van ’universalia’ = algemene begrippen. Met het begin van de moderne tijd, omstreeks 1600, eindigde die strijd met een overwinning van het nominalisme. De verzuchting van Juliet Capulet documenteert dit: ’Tis but thy name that is my enemy’. Sindsdien wordt van ouder op kind en van leermeester op leerling door-gegeven dat onze kennis wisselvallig is, dat ons begrip van twijfelachtig allooi is, dat de woorden waarmee wij onze kennis benoemen willekeurig zijn. In ieder regulier wetenschapsmens is deze overtuiging tegenwoordig zó sterk tweede natuur dat het vrijwel ondoenlijk is om hem uit te leggen dat dit nominalisme maar één versie van het verhaal over de universalia is.

            Dit nominalisme is een eenzijdige visie, maar deze eenzijdigheid had één, onschatbaar voordeel. Op basis van dit filosofisch keiharde idee kon de vrijheid het normatieve sleutel-idee van de moderne westerse cultuur worden. Alleen blijkt nu langzamerhand dat dit monopolie van het nominalisme ook een nadeel te heeft. De overtuiging inzake de willekeurigheid van alle menselijke kennis en begrip beheerst nu ongeveer vier eeuwen het toneel. Alles kan, niets is meer van zich zelf uit echt werkelijk. We kunnen met de werkelijkheid doen wat we willen. Dat geeft steeds meer problemen. Dat is een van de redenen  van de actuele existentiële ellende die Couwenberg in zijn inleiding samenvat.

 

Moderniteit

De actuele existentiële ellende die Couwenberg in zijn inleiding trefzeker samenvat is een determinant van de moderniteit. ’Moderniteit’ is een typisch modern woord. Het past naadloos in de nominalistische denktrant. Iedereen is vrij om ervan te maken wat hij wil. Het Latijnse woord waar het van afgeleid is, laat ook alles open. ’Onlangs, recent, ongeveer zo als het nu is, zoals het nu gaat’ geeft het woordenboek voor ’modo’.

            Dat klinkt nogal rommelig. Het aardige is dat de eerste man van de moderne filosofie, René Descartes, juist een exact denkend mens was. ’Idées claires et distinctes’ - heldere en duidelijke ideeën - daar ging het hem om. Na grondig zelfonderzoek in zijn PBW concludeert hij dat hij niets zeker weet behalve één ding: zolang hij denkt, is hij. Alleen dááraan kan hij niet twijfelen.

            Twee centrale thema’s van de moderniteit komen van Descartes: zijn ’cogito’ en het dualisme van lichaam en geest. In allebei leven ernstige misverstanden. Over het dualisme en de daardoor bewerkstelligde catastrofe ging de vorige alinea. Ik maak tot slot een paar opmerkingen over het ’cogito’.

 

’Ik denk, dus ben ik’, stelde Descartes: ’cogito, ergo sum’. Dit werd het wachtwoord van de moderne filosofie. Omstreeks 1600 sprak het niet meer vanzelf dat de mens bestaat dank zij het feit dat hij denkt. Descartes moest het hardop zeggen om het voor zich zelf waar te maken. Daarbij realiseerde hij zich net zo min als een vis zich bewust is dat hij in water zwemt, dat hij dit ’ik ben’ baseerde op het nieuwe nominalisme. Zoals hij het tegen zich zelf zei, was het voor hem en zijn tijdgenoten en voor alle Europeanen in de volgende drie eeuwen voldoende. Het was voor onze voorouders en is nog steeds voor de meesten van ons de onbetwijfelbare basis voor de realiteit van het ’ik ben’.

 

Sum ergo cogito

’Cogito, ergo sum’ wordt meestal vertaald als ’Ik denk, dus ik ben’. Dat lijkt ’clair et distincte’, en inderdaad meent iedereen dat het ’helder en duidelijk’ is.

            De werkelijkheid is ingewikkelder. Het probleem is, dat het omgekeerde, ’sum ergo cogito’, oftewel ’ik ben, dus ik denk’, ook waar is.

            Met deze mededeling komt een determinant, een wezenskenmerk van de mens in het verhaal. ’Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is,’ zegt het spreekwoord. Evenzo denkt de mens zoals hij naar lichaam ziel en geest geschapen is. ’Gebekt zijn, vogeltje, zingen’ zijn samen een geheel. Bij de mens is het net zo maar tegelijk ingewikkelder omdat de mens vrij is.

            De clou van deze uitleg is dat ’cogito’ iets anders is dan wat wij nu ’denken’ noemen. In het denk(!)raam van het filosofisch realisme zoals dit in de universaliënstrijd inzet van de strijd was, betekent ’cogito’ iets als ’ik heb in mijn persoonlijke binnenwereld toegang tot kennis over alles wat er te weten is. Ik ben als mens een "microkosmos". Ik draag in mijn PBW een virtuele replica van de schepping als geheel met mij mee. Ik kan, omdat ik een mens ben, alles weten, zoals de slang in het begin der tijden in het paradijs aan Eva voorspelde. Ook het antwoord op de vraag of er enig persoonlijk leven na de dood is, kan ik, doordat ik "cogito", in mijzelf vinden, althans voor zover ik als ’mens-uit-één-stuk’ leef. Mijn cogito is mijn leven als zelfbewust mens’.

 

Om de draagwijdte van dit ’sum ergo cogito’ te doorgronden en, vooral, om deze zijnswijze in de praktijk waar te maken is een nieuwe esoterie , een nieuw filosofisch realisme, nodig. Antroposofie is de beste ’candidaat’ die ik ken voor dit nieuwe filosofisch realisme. Ze is realisme omdat ze de mens als microkosmos ziet zodat de kennis van de mens over de wereld de kennende mens daadwerkelijk verbindt met de wereld. Ze is nieuw en pragmatisch effectief omdat ze de vrijheid als normatief sleutel-idee van de moderne westerse cultuur als leidmotief heeft en een analyse geeft van de waarde en de beperkingen van de moderne wetenschap.

 

* dr Hugo Verbrugh is arts/filosoof en antroposoof

 

 


1Enkele passages in deze tekst staan ook in Hugo S. Verbrugh, FILOSOFIE EN LICHAMELIJKHEID - Cognitie, herkenning, diagnose. Een tentatieve tekst over complementaire geneeskunde en parapsychologie met speciale aandacht voor de bijdrage die de theorie van de zogenoemde ’wezensleden’ volgens het mensbeeld van de antroposofie kan geven aan de autonomie van de mens jegens zijn lichaam in gezondheid en ziekte, opgesteld ter gelegenheid van de Dag van de Paranormaal Therapeut, 3 september 2011, Het Johan Borgman Fonds.

2   Zie Hugo Verbrugh ’Reïncarnatie? Essay over de veranderende aard van de kennis ’, Uitgeverij Ad. Donker,

     Rotterdam, 2010, ISBN 9789061006442 NUR 743, blz. 11 en verder.

3 Hugo Verbrugh, NRC Handelsblad 6 december 2008