Couwenberg op zijn best

Civis Mundi Digitaal #9

door Bert Snel

Een beschouwing over S. W. Couwenberg (2011) Tijdsein. Peiling en perspectief van deze tijd. Soesterberg: uitgeverij Aspekt.

Couwenberg op zijn best

Een beschouwing over S. W. Couwenberg (2011) Tijdsein. Peiling en perspectief van deze tijd. Soesterberg: uitgeverij Aspekt.

 

Bert Snel*

 

Inleiding

Tijdsein is, als ik goed heb geteld, sinds 1968 het 26e jaarboek van Civis Mundi, het tijdschrift waarvan Couwenberg al zolang de drijvende kracht is. Een formidabele prestatie! En een felicitatie waard! Ook dit jaarboek biedt een intellectueel verantwoord inzicht in de soms ingewikkelde problemen van onze huidige maatschappij. Ook nu laat Couwenberg zijn kritische houding ten opzichte van politiek en samenleving niet varen. In het (recente) verleden werden zijn standpunten niet door iedereen in dank afgenomen. Maar meestal had hij gewoon gelijk. Zo heeft hij altijd gevonden dat de rege­ringsdeelname van de Lijst Pim Fortuyn nooit had mogen gebeuren. Hij noemde het zelfs een grandioze blunder. En als geen ander onderkende hij dat sinds Fortuyn ‘de geest uit de fles was’. Vroeger moeilijk of niet bespreekbare zaken waren dat voortaan wel. En de onmacht van het politieke establishment om een antwoord te vinden op de problematiek van de inburgering, de integratie van allochtonen en de criminaliteitsbestrijding schiep ruimte voor een populistische tegenbeweging. Deze werd aanvankelijk geleid door Fortuyn. En enkele jaren na diens dood door de ‘wat luidruchtiger’ Wilders, die evenals Fortuyn, zoals Couwenberg terloops opmerkt, (voormalig PvdA-lid) was en afkomstig uit de ‘oude’ politiek (i.c. de VVD).

Sinds mijn studententijd - ook al weer een halve eeuw geleden - en vooral nadien, heb ik steeds met veel genoegen Couwenbergs boeken en artikelen gelezen en veel van hem opgestoken. Een be­trouwbare en zeer gewaardeerde gids. In het kader van deze bespreking moet ik me tot enkele aspecten van Tijdsein beperken.

 

Moderniteit

Ook in nu valt op hoe zorgvuldig Couwenberg te werk gaat. Bijvoorbeeld bij de bespreking van het thema moderniteit. Anders dan anderen die zich ervan afmaken door een obligaat rijtje van vijf tot ne­gen kenmerken op te lepelen, weet hij in slechts een enkele alinea de kern van de moderniteit helder weer te geven (p. 19). Dat had hij al uitvoeriger gedaan in eerdere publicaties. Niet alle lezers zullen de teksten van eigen hand waarnaar hij verwijst bij de hand hebben. Hoe dan ook, daaruit blijkt dat hij consistent is blijven denken.

De reeks van veranderingsprocessen die zich in de tweede helft van de vorige eeuw heeft voltrokken, lijkt erop te duiden dat de moderniteit in liberale zin, althans in de westerse wereld, definitief wortel heeft geschoten. In plaats van de nogal statische opvatting die anderen er doorgaans op nahouden, wijst Couwenberg op de dynamiek van de geschiedenis. Hij kijkt steeds terug naar het verleden (de traditie) om van daaruit de lijnen door te trekken naar de toekomst. Op deze wijze kunnen de overeenkomsten en verschillen ten opzichte van een vroegere periode inzichtelijk worden gemaakt. Hij vergelijkt de Fortuynrevolte en de nasleep daarvan met de revolte van de jaren zestig, met als strijdbanier terug naar de basis en D66 als belangrijkste boegbeeld van die beweging. Zo wordt duidelijk dat bepaalde patronen zich steeds herhalen.

Het eigene van de huidige tijd probeert Couwenberg te peilen tegen de achtergrond van de vooraf­gaande periode, de tweede helft van de vorige eeuw. Een periode die gekenmerkt wordt door een groot aantal veranderingsprocessen. De moderne samenleving is in verscheidene opzichten anders dan de ‘premoderne culturen’. Te noemen zijn: het primaat van de mens als individu; zijn recht op zelfbeschikking (autonomie) met universele mensenrechten als juridische expressie; het primaat van gelijkheid in de zin van gelijke rechten en gelijke levenskansen; nadruk op normatieve en instrumentele rationaliteit als maatstaf van het geestelijke en maatschappelijke verkeer en bron van algemeen geldige kennis en kunde; een dynamische opvatting van de geschiedenis waarbij de blik verschuift van het verleden (de traditie) naar de toekomst en van een cyclische naar een lineaire tijd oriëntatie; de maakbaarheid van die toekomst en van menselijk geluk en de gestage verbetering van de levensvoorwaarden als levensperspectief. Samen vormen deze aspecten een nieuw beschavings­perpectief, waardoor het beschavingsproces een nieuwe geseculariseerde zin en betekenis krijgt en gaat botsen met premoderne religieuze bronnen van zingeving.

In tegenstelling tot de holistische samenlevingen van de premoderne culturen is de moderne samenleving, zoals wij die kennen, sterk gefragmenteerd in relatief autonome subsystemen als onderwijs, economie, politiek, wetenschap, kunst, maatschappelijke zorg e.d., met elk een eigen specifieke functie en instrumentele vormgeving. Couwenberg beschrijft dit in navolging van Rietdijk als het WTE-complex.[1] Daarmee wordt de onderlinge vervlechting van wetenschap, technologie en economie aangeduid. Hoewel de auteur wel degelijk aandacht schenkt aan het seculariseringsproces, blijven binnen dit geheel mijns inziens rol en functie van de religie enigszins onderbelicht. Hoe verder we immers terug gaan in de menselijke geschiedenis, hoe meer we tot de ontdekking zullen komen dat het moderne onderscheid tussen religieuze, politieke, economische, sociale, enz. aspecten ophoudt betekenis te hebben. In voorafgaande samenlevingen was de religie letterlijk overal, maar vormde geen eigen op zichzelf staande ‘sfeer’, omdat ze nu eenmaal was verweven met al het andere.[2]

In aanvulling op de door Couwenberg genoemde autonomie zou ik menen dat er in de westerse samenlevingen een gegeneraliseerde cultuur is ontstaan van authenticiteit of expressief individualisme, waarin mensen worden aangemoedigd hun eigen weg en vervulling te vinden, en ‘hun eigen ding te doen’.[3]

 

Over rationaliteit en modernisering

De begrippen normatieve en instrumentele rationaliteit doen me denken aan Habermas’ moderniseringstheorie.[4] Waarvoor hij overigens veel meer woorden nodig had om het uit te leggen. Hij onderscheidt naast de instrumentele ‘rationaliteit, die gericht is op het zo goed mogelijk beheersen ván iets of iemand anders (het subject/object-model) de communicatieve rationaliteit die gericht is op het bereiken van rationele overeenstemming (consensus) mét anderen (het subject/subject-model). Couwenberg legt veel meer de nadruk op het emancipatoire streven naar vrijheid en gelijkheid dat zich sinds de liberale revoluties van de 18e eeuw manifesteerde in een reeks van emancipatiebewegingen en -processen. Dit emancipatoire streven is uiteindelijk constitutioneel verankerd in een groeiend complex van grond- of mensenrechten als waarborg van nieuw verworven vrijheden, een steeds verfijnder complex van checks & balances in het politieke systeem als waarborg tegen machtsmisbruik en een democratische legitimatie van machtsposities. Wat niet wegneemt dat juist ook binnen dit complex van checks & balances sprake zal moeten zijn van communicatieve rationaliteit die het bereiken van rationele overeenstemming mogelijk maakt, wil het systeem niet vastlopen. Dat is vooral noodzakelijk omdat anders het gevaar dreigt dat de communicatieve rationaliteit niet uitmondt in rationele overeenstemming over het voor alle deelnemers minimaal acceptabele resultaat, maar op een met irrationaliteiten doorspekte chaos.

 

Eurocrisis

Een dergelijke chaos dreigde ook geregeld te ontstaan tijdens de moeizame onderhandelingen tussen de eurolanden over de oplossing van de eurocrisis. Uiteindelijk moest het gebruik van het ‘machtswoord’ van de machtigste deelnemers aan de onderhandelingen een ‘oplossing’ afdwingen. Weliswaar geen machtsmisbruik, maar toch gebruik van macht. Bezien vanuit de communicatieve rationaliteit, is een oplossing niet zozeer rationeel als zij ‘nuttig’ is in de praktijk, maar als zij kan rekenen op de instemming van alle betrokken discussiepartners.

 

Politieke vernieuwing

Terecht legt Couwenberg de verantwoordelijkheid voor de mislukking van de politieke vernieuwing niet bij de kiezers, maar waar die hoort: bij de politieke klasse. De blaam daarvoor treft dan ook die politieke klasse. In de dreigende mislukking van het europroject zie ik dezelfde mechanismen op­treden. Terwijl politieke leiders stelselmatig de tegengeluiden onder de bevolkingen van de betrokken landen en het ‘Europees democratisch tekort’ negeren of bagatelliseren. Dit kan ook volgens Couwenberg alleen worden opgeheven als er duidelijk wordt gekozen. Hetzij voor een intergou­vernementeel, dus confederaal Europa waarin het democratisch beginsel van de volkssoevereiniteit op nationaal niveau ligt óf voor een federaal niveau waarin de soevereiniteit gedeeld wordt tussen de organen van de federatie en de deelstaten. Zolang die principiële keuze niet is gemaakt, zal mijn inziens het management van het onverwachte in de Europese unie zwak en verdeeld blijven.

 

Over het grensgebied nationaal-internationaal

Couwenbergs beschouwingen over de veranderingsprocessen op het grensgebied van nationale en internationale ontwikkelingen zijn breed georiënteerd. Hij besteedt aandacht aan de in zijn ogen te vroeg in de sociaalwetenschappelijke moderniseringshypothese afgeschreven nationale gedachte, aan het Israëlisch-Palestijnse conflict, aan het terrorisme en aan de ecologische problematiek. De natio­nale gedachte is in de loop van de 20e eeuw ontaard door enerzijds gevoelens van angst en anderzijds door machtsdrift of geldingsdrang, met als kwalijk uitvloeisel autoritair, expansief of zelfs totalitair nationalisme (p. 154).

De auteur gaat niet mee met de gedachte dat een conflictvrije samenleving mogelijk zou zijn, als we maar leven naar de officieel beleden principes van de moderniteit. ‘Conflicten zijn inherent aan onze bestaanswijze.’ Hij verwijst daarbij naar de etnisch-culturele problematiek waarmee een groot aantal landen worstelt. Hij ziet maar twee uitwegen om het etnisch-culturele conflictpotentieel te bezweren. Een constitutioneel verankerde bescherming van het recht op culturele en politieke zelfbeschikking van volkeren die als nationale minderheid deel uitmaken van multi-etnische staten. En, als ultieme uitweg, het al of niet afgedwongen recht van afscheiding.

 

Nationale identiteit

Over de nationale identiteit maakt Couwenberg behartenswaardige opmerkingen. Deze is sinds lang een resultante van een vermenging van culturen. Hij wijst derhalve de essentialistische visie op iden­titeit af, maar ziet nationale identiteit wel als een aspect van een meervoudig identiteitsbesef dat in Europees verband op haar beurt een bijdrage levert aan de culturele pluraliteit van Europa.

 

Het kabinet Rutte en polariserende tendensen

Een onderdeel van Couwenbergs beschouwingen dat zeker aandacht verdient, is zijn visie op het kabinet Rutte. In de vorming ervan met gedoogsteun van PVV-leider Wilders ziet hij anders dan voor- en tegenstanders van Wilders en zijn partij geen keerpunt in de Nederlandse politiek, maar een nieuwe fase in de zich langzaam voltrekkende implosie van het oude politieke bestel. De in de jaren ’60 op initiatief van D66 in gang gezette politieke hervormingsbeweging is jammerlijk mislukt met als gevolg een breed gespreide politieke apathie. Na de verkiezingen in 2010 spelen zijns inziens opnieuw polariserende tendenties op, waarbij gemakshalve wordt teruggevallen op het oude links-rechts sche­ma. Deze polarisatie is niet meer van ideologische, maar van machtspolitieke, programmatische en emotionele aard. Dat laatste heeft zijns inziens te maken met sterk levende irritaties over de morele pretentie en politieke arrogantie van de ‘linkse kerk’, zoals links door zijn critici sinds de Fortuyn­revolte ‘religieus wordt aangekleed’. CDA en VVD delen deze irritaties met de PVV, die na de laatste Tweede Kamerverkiezingen uiteindelijk mede hebben geleid tot de vorming van het huidige kabinet. Dit vond plaats terwijl intellectuelen met linkse sympathieën zich nog in gemoede afvragen wat toch de boodschap is van die zo omstreden geraakte ‘linkse kerk’ en zelfs spreken van de ondragelijke lichtheid daarvan (p. 97). Couwenberg voert dit terug op wat hij treffend het narcisme van de kleine verschillen noemt. Hoe kleiner de verschillen tussen politieke partijen in het politieke speelveld worden, hoe kleiner de marges worden en daarmede ook hoe meer zij worden geaccentueerd en feller uitge­dragen om de eigen identiteit in stand te kunnen houden. Dit narcistische fenomeen is overigens ook op andere terreinen waar te nemen, bijvoorbeeld in de relaties tussen religies en tussen culturen. En niet te vergeten, denk ik, tussen politieke partijen. Tussen culturen frustreert het de onderlinge cultu­rele samenwerking, tussen religies de oecumenische toenaderingspogingen en tussen partijen kan het de politieke samenwerking frustreren met als ultieme gevolg een kabinetscrisis.

 

Over populisme

Uit de literatuur over democratiseringsprocessen blijkt ook volgens Couwenberg dat deze vergezeld gaan met populistische erupties. ‘Verzet tegen de heersende politieke elite, groot vertrouwen in het gezonde verstand van gewone mensen en de volkswil als uitgangspunt van de politiek, waren de drie meest typerende aspecten van het populisme, waarvan de Fortuynrevolte in de ogen van zijn critici een nieuwe kwalijke politiek expressie was.’

Dit populisme was met andere woorden historisch gezien geen nieuw verschijnsel. ‘(..) de politieke ontwikkeling van de moderniteit als nieuw beschavingstype is van stonde af aan gepaard gegaan met heftige polarisatieprocessen, ja het conflictmodel zit ingebakken in de moderniteit als nieuw beschavingstype’ (p 147) Couwenberg heeft wat dit betreft natuurlijk gelijk. Zo was het liberalisme een van de uitkomsten van de Franse Revolutie van 1789 en daarna de bron van nieuwe polarisatie­processen. Het socialisme kwam voort uit de klassenstrijd tegen het kapitalisme. Het christelijk con­fessionalisme (de christelijke democratie) is ontstaan als politiek-religieuze antithese van het secu­lariserende modernisme van liberale zijde. En de nieuwlinkse revolte van de roerige jaren zestig bin­nen de PvdA was een nieuwe links-liberale tegenstroming die het snel verblekende ideologische ge­zicht van deze partij van een ‘nieuwe frisse rode kleur moest voorzien’. Historisch gezien is pola­risatie als bron van verscherpte politieke controverse een duurzaam politiek fenomeen geworden.

De bestuurspartijen PvdA en CDA hebben volgens Couwenberg altijd alles in het werk gesteld om zoveel mogelijk deel uit maken van de zichtbare machtsuitoefening. In dat licht bezien, vindt hij het begrijpelijk dat het CDA onder leiding van Verhagen intense moeite heeft gedaan om na de drama­tische nederlaag van juni 2010 te kunnen deelnemen aan het nieuw rechts geheten kabinet-Rutte.

 

Ober dicta

Een aangename kant van Couwenbergs werk is, dat hij een meester is in het presenteren in essay­vorm van inzichten die prikkelen tot doordenken. Je zou kunnen zeggen dat Tijdsein bestaat uit een reeks van steeds meer toelichtende en verder verklarende zinnen. Ook wel ober dicta genoemd. Het wordt de lezer niet gemakkelijk gemaakt. Zonder historische, politieke, staatsrechtelijke en sociaal-filosofische kennis zijn de soms pittige en in scherpzinnige formuleringen neergelegde analyses van een veelvoud aan actuele thema’s niet op hun waarde te schatten. De essayistische presentatievorm van de auteur leidt ertoe dat empirische gegevens worden gebruikt als illustratie of voorbeeld, waar­bij stilzwijgend wordt verondersteld dat zij bijdragen aan het volledige beeld. Sociologen die zich ver­lustigen in statistische analyses van data die nog net kunnen aantonen of het verband tussen variabele a en variabele b statistisch significant is op .05 niveau, zullen dit boek waarschijnlijk terzijde leggen, omdat ze er niets van zullen begrijpen.

 

Niemand sparende analyses

Couwenberg schroomt niet onzichtbare politieke praktijken en wantoestanden aan de orde stellen. Zijn analyses sparen niemand. Links of rechts? Progressief of conservatief? Het maakt hem niets uit. Redeneringen die onhelder zijn, ahistorisch of gewoon klinkklare onzin worden op dezelfde ma­nier aangepakt. Vaak met prachtige en rake typeringen. En zo hoort het ook. Een voorbeeld is de constatering dat Nederland sinds de komst van het kabinet Rutte van een handelsnatie met een sterk internationaal gerichte oriëntatie verandert in een natie die sterk in zichzelf gekeerd raakt (p. 57). Een lopend proces dus. Daarop volgt een zin die in bepaalde kringen niet dankbaar in ontvangst zal wor­den genomen: ‘De opkomst en politieke weerklank van rechtspopulisme is hiervan de meest in het oog springende vertolking.’ Die zit, denk ik dan. Of, wie de schoen past trekke hem aan.

 

Geen politieke correctheid

Als verdediger van de liberaal-democratische principes van de Verlichting kan Couwenberg niet wor­den beschuldigd van de naïeve politieke correctheid die sommige commentatoren ten toon spreiden. Integendeel, als er iemand is die er niet voor terugschrikt politieke taboes aan de orde te stellen, dan is het wel collega Couwenberg. Maar hij doet dit wel op erudiete en genuanceerde wijze en met oog voor historische ontwikkelingen op langere termijn. Zijn decennialang consequent volgehouden hou­ding tegenover de ondemocratische tendensen in onze samenleving verdient bewondering. Zijn boek kan een rijke bron van inspiratie vormen voor mensen die geen genoegen nemen met de specia­listische teksten van sommige moderne gamma-wetenschappers die alles weten van een vierkante millimeter van het menselijk handelen, maar het zicht op een diepergaand perspectief definitief lij­ken te hebben verloren.

De stille generatie en het cultuurpessimisme

Net als Couwenberg behoor ik tot wat in Beckers generatietheorie de stille generatie heet (1930-1945). Als dat wordt begrepen als inertie, dan is deze kwalificatie onterecht. Of, dan zijn we kennelijk uit­zonderingen. Ook bij mij ligt het zwaartepunt van mijn tijdsbeleving in de tweede helft van de vorige eeuw. Daarmee correspondeert dat in Couwenbergs boek de ontwikkelingsfase centraal staat die na de Tweede Wereldoorlog aanbreekt. Dat hij neigt tot cultuurpessimisme blijkt uit zijn karakterisering van deze periode als een eindtijd, ‘een tijd waarin het leven van de menselijke soort op het spel staat, de techniek subject van de geschiedenis lijkt te worden en de mens als historische actor voorbijge­streefd dreigt te raken’ (flaptekst). Cultuurpessimisme is van alle tijden zou ik willen zeggen. Zonder de technologische ontwikkelingen op medisch gebied van de laatste decennia zou ik deze recensie niet hebben kunnen schrijven. De vraag of we cultuurpessimist dan wel -optimist zijn, is op zijn minst ten dele afhankelijk van de houding die we innemen tegenover de techniek. Optimisten gelo­ven dat we leven in de optimale, ofwel beste van alle bestaanbare culturen. Ik ben geneigd om Cou­wenberg niet helemaal als cultuurpessimist te beschouwen. Hij waarschuwt weliswaar voor de gevaren die een bedreiging kunnen vormen voor het westers-liberale beschavingstype met zijn am­bitie om het nieuwe algemeen menselijk model van beschaving te worden. Zoals hernieuwde vormen van modern autoritarisme die stoelen op een godsdienstige of seculiere grondslag. Het eerste mani­festeert zich in het moslimfundamentalisme en -terrorisme, het tweede in eerste instantie in nieuwe postkoloniale staten in Azië en Afrika, maar vooral in voormalige communistische landen als Rusland en China. Het moderne autoritarisme op seculiere grondslag van China baart hem zorgen omdat dit als de belangrijkste ideologische en economische rivaal van het Westen kan worden gezien. Ideo­logische bestrijding van de radicale of politieke islam, zo constateert Couwenberg in navolging van Cliteur, speelt zich alleen nog maar in de marge van de politiek af. Hij kiest uiteindelijk voor een tweevoudige strategie ten opzichte van de ‘nieuwe tegenstanders van de westers-liberale beschavingstra­ditie. Enerzijds een consequente en militante afwijzing van de politieke of radicale islam; anderzijds toenadering tot en dialoog met gematigde en vredelievende elementen en stromingen in de moslim­wereld.

 

Tenslotte

Tijdsein kan een rijke bron van inspiratie zijn voor mensen die geen genoegen nemen met de specialistische teksten van moderne gamma-wetenschappers die alles weten van een vierkante millimeter van het menselijk handelen, maar het zicht op een diepergaand perspectief definitief lijken te hebben verloren.

 

*Bert Snel is socioloog, criminoloog en gedragsdeskundige, en emeritus hoogleraar

 


[1] C.W. Rietdijk & H.J. Eysenck (1994) The Scientification of Culture. Thoughts of a Physicist on the techno-scientific Revolution and the Laws of Progress.

[2] Charles Taylor (2007) A secular Age, p. 12.

[3] Daarover Taylor, o.c. p. 299 e.v.

[4] In zijn beroemde boek Technik und Wissenschaft als ‘Ideologie (1968) brengt Habermas het ontstaan van de sociologie als aparte discipline in direct verband met de opkomst van de burgerlijke maatschappij. Veranderingsprocessen in de structuur van oude Europese samenlevingen, veroorzaakt door de opkomst van de natiestaat en een marktgereguleerde economie, beschouwt hij als ‘mogelijkheidsvoorwaarden voor het ontstaan van deze wetenschap die als belangrijkste taak heeft de koers van het kapitalistische moderniseringsproces én de anomische effecten die hiermee samengaan te analyseren.