Broer Jansma - Wijsgerig misverstand. Het probleem van het idealisme. Wetenschapsfilosofische opstellen van Plato tot Popper

Civis Mundi Digitaal #9

door J.M.M. de Valk

Bespreking van: Broer Jansma, Wijsgerig misverstand. Het probleem van het idealisme. Wetenschapsfilosofische opstellen van Plato tot Popper, Deventer Universitaire Pers 2010, 158 blz.

Broer Jansma, Wijsgerig misverstand. Het probleem van het idealisme. Wetenschapsfilosofische opstellen van Plato tot Popper, Deventer Universitaire Pers 2010, 158 blz.

 

Broer Jansma (1942 - 2008), filosoof en essayist, doceerde wijsbegeerte aan de Noordelijke Hogeschool te Leeuwarden. In dit boek zijn naast een verhandeling over het wijsgerig idealisme ook verschillende van zijn essays over literaire en filosofische thema’s opgenomen.

Het grootste deel van het boek is gewijd aan het kentheoretische vraagstuk of er een van ons onafhankelijke werkelijkheid bestaat. De antwoorden op deze vraag variëren van naïef realisme tot volstrekt idealisme, en leiden vaak tot scepticisme. Jansma gaat deze verschillende antwoorden na, waarbij niet alleen de bekende namen (Plata, Descartes, Hume, Berkeley, Kant) de revue passeren, maar ook Arabische filosofen en verscheidene weinig bekende middeleeuwse christelijke denkers. Zijn conclusie luidt dat er sprake is van een ‘wijsgerig misverstand’, want een realistische oplossing blijkt onhoudbaar, en een idealistische oplossing leidt onvermijdelijk tot solipsisme en scepticisme. Daarom volgt hij David Hume: laat het probleem rusten, vertrouw op onze instinctieve neiging te geloven in een onafhankelijk van ons bestaande wereld (blz. 88).

De hierna opgenomen essays zijn bewerkingen van eerder in het Hollands Maandblad opgenomen artikelen. Het zijn een kritiek op Poppers wetenschapsleer, polemische artikelen over Karel van het Reve en Nabokov, en tenslotte het verhaal van een poging om de Utopie van Thomas More in de Spaanse koloniën te verwezenlijken. Hierbij worden vele rake opmerkingen gemaakt. Mij viel vooral de volgende passage op: ‘Wetenschapsfilosofische ontdekkingen of nieuwe methoden treft men bij de wetenschapsfilosofie niet aan. Wel bij echte onderzoekers, zoals Alhazen, Felix Platter, Kepler, Galilei, Boyle, Pascal en Christiaan Huygens. Zij doen wetenschapsfilosofische uitspraken slechts terloops, in de geschriften waarin zij hun ontdekkingen uiteenzetten. Beter dan wie ook weten zij dat nieuwe experimenten en methoden niet te scheiden zijn ontdekkingen en geboren worden in de loop van werkelijk onderzoek. De wetenschapsfilosofie speelt hierbij geen rol? (blz. 134). Dit lijkt mij zeer juist, maar betekent het niet ook dat de auteur daarmee de waarde van zijn eigen ‘wetenschapsfilosofische opstellen’ relativeert? Vermoedelijke heeft hij dit bewust willen doen.

Jansma schrijft een helder Nederlands, dat meestal gemakkelijk te volgen is. Het gaat hier om een interessante bundel, waarmee de schrijver postuum geëerd wordt. Dat is ook duidelijk de bedoeling van de uitgever geweest, die dit boekje bijzonder fraai verzorgd heeft (tweekleurendruk, leeslint, uitvoerig register). Een mooie aanwinst.

J.M.M. de Valk