Nationale identiteit en Europese integratie

Civis Mundi Digitaal #15

door Dick Pels

Nationale identiteit en Europese integratie

 

Dick Pels *

Laat ik beginnen met een persoonlijk saluut aan een eigenwijze veteraan van het politieke debat in Nederland. Ik beschouw Wim Couwenberg als een van de belangrijkste (en meest ondergewaardeerde) publieke intellectuelen van de afgelopen (meer dan) halve eeuw. Ik heb veel in hem herkend als dwarse ideeënman met een sterke politieke roeping, als een tegendenker en doorbreker van bevroren denkcategoriëen en vastgeroeste partijdigheden. Een leven lang vechten tegen de bierkaai, waarvoor hij ook een prijs heeft betaald. Ik bewonder zijn intellectuele en morele onvermoeibaarheid en de scherpte en consistentie van zijn politieke oordeelskracht, gevat in altijd kraakhelder geschreven analyses.

Ik heb hem in de loop der jaren kritisch gevolgd, maar we maakten pas pas kennis na het Fortuyn-jaar 2002, in de slipstream van de discussie over mijn boek De geest van Pim (2003). Dat boek werd positief naar ook kritisch gerecipieerd in Couwenbergs De opstand der burgers. De Fortuyn-revolte en het démasqué van de oude politiek (2004), waarvan ik op mijn beurt een uitvoerige recensie schreef. Daarmee behoorden wij tot de weinige beschouwers ‘van buiten’ die het Fortuyn-populisme serieus wilden nemen, ook als democratische uitdaging aan het gevestigde politieke bestel en zijn ´onmacht tot zelfvernieuwing´. Die bespreking zou verschijnen in De Vernieuwing, het blad van het wetenschappelijk bureau van de LPF, maar dat ging voor die tijd mét de LPF ter ziele. Couwenberg werd indertijd genoemd als mogelijke ideoloog van een nieuwe fortuynistische politieke beweging. We kunnen achteraf blij zijn dat die kandidatuur niet is doorgegaan.

Daarna heb ik de eer gehad om enkele malen bij te dragen aan Civis Mundi, en Couwenberg aan Waterstof, het magazine van onze linksliberale denktank Waterland. Hij droeg ook een hoofdstuk bij aan een boekje van Waterland uit 2008 over het verleden van de Vrijzinnig-Democratische Bond en de toekomst van een nieuwe VDB, waarvoor ik o.a. in Civis Mundi een lans had gebroken. Couwenberg toonde zich sceptisch over dit vooruitzicht, hetgeen mede ons verschil in politiek perspectief tekent. Terwijl ik een progressief antwoord zocht op Fortuyn in linksliberale richting, wilde hij de links-rechts tegenstelling liever helemaal achter zich laten. Ook polemiseerden we over nationale identiteit en de toekomst van het Nederlands als cultuurtaal. In mijn boek Een zwak voor Nederland duidde ik hem kritisch aan als ‘neopatriot’, terwijl hij mij op zijn beurt genereus indeelde bij het ‘overtrokken kosmopolitisme van de linkse jaren-zestig-generatie’.

Voordat ik iets meer zeg over het probleem van de nationale identiteit in het licht van de Europese integratie, eerst nog iets over Couwenbergs stelling dat de liberale democratie, markteconomie en cultuur de eindoverwinning hebben behaald (zie ook de ondertitel van zijn laatste boek), en dat ´politieke onderscheidingen in de huidige tijd niet meer zijn dan het leggen van verschillende accenten op bepaalde waarden in de gemeenschappelijk geworden liberale beschavingstraditie´. Misschien is het waar dat we tegenwoordig allemaal liberalen zijn geworden. Maar dat inzicht helpt niet veel als we tegelijkertijd constateren dat binnen die vermeende consensus de strijd tussen links en rechts (liberalisme) weer opnieuw begint, en met dezelfde felheid en intensiteit wordt gevoerd als de ‘uitwendige’ strijd tussen de oude ideologieën.

De dialectiek van de geschiedenis houdt immers in dat de overwonnen tegenstelling de kiem vormt van een nieuwe tegenstelling, waarin de contouren van de oude actief blijven. De hekel die Couwenberg heeft aan het links-rechts onderscheid (en dat tussen progressief en conservatief, dat hij er doorgaans mee identificeert) wortelt ongetwijfeld in het feit dat het zo vaak samenvalt met een moreel onderscheid tussen goed en fout, waarbij Couwenberg inderdaad vaak ten onrechte in de foute, want rechtse en conservatieve hoek werd geplaatst. Maar het linkse superioriteitsgeloof is allang verdampt, onder andere door de opmars van de rechtse variant ervan.

Bovendien blijken die categorieën een langer leven te zijn beschoren dan Couwenberg denkt (denk aan verkiezingsuitslag van september 2012), en bezitten zij een blijvende relevantie voor de huidige en toekomstige indeling van het politieke krachtenveld. Dat blijkt wel uit Couwenbergs eigen harde kritiek op het neoliberalisme, met zijn geloof in de vrije markt als wondermiddel, als een ´problematische variant van de liberale beschavingstraditie´. Of denk aan zijn karakterisering van de PVV als een ‘reactionaire’ variant binnen de liberale traditie, vanwege de eenzijdige nadruk van die partij op nationale waarden en tradities, een nationalistische Europapolitiek, een migratie- en integratiebeleid dat wordt getekend door etnisch protectionisme en een discriminerende islamkritiek.

Inderdaad is de politieke ruimte niet ééndimensionaal, zoals zowel voor- als tegenstanders van het idee van het ‘einde van de ideologie’ veronderstellen. Zij kan beter worden gevisualiseerd als een assenkruis, waarin de horizontale ‘materialistische’ as een klassieke sociaal-economische links-rechts tegenstelling markeert, en de verticale ‘postmaterialistische’ as een culturele tegenstelling tussen progressieve en conservatieve denkbeelden, bv. tussen meer vrijzinnige vs. meer autoritaire of meer internationalistische (bv. pro-Europese) en meer nationalistische denkbeelden en opvattingen. Die culturele polarisatie blijkt ook sterk samen te hangen met een onderliggende (en in belang groeiende) sociologische tegenstelling tussen hoger en lager opgeleiden. Natuurlijk wordt de klassieke links-rechts tegenstelling van zijn exclusiviteit ontdaan en ‘verzacht’ zodra er een andere tegenstelling haaks op wordt geplaatst; maar zij wordt daardoor niet volledig geabsorbeerd. Op die manier ontstaat ook een genuanceerder beeld van het politieke ‘midden’ waar Couwenberg zich zo graag in beweegt,  of sociologisch gesproken, van de nieuwe gelaagdheid van de meritocratische middenklasse die ‘in zijn midden’ nieuwe cultuurpolitieke tegenstellingen voortbrengt.

Wat betreft het thema nationale identiteit en Europa staan we per saldo dichter bij elkaar dan we beiden eerder meenden. Mijn boek Een zwak voor Nederland (2005) - de titel zegt het al - is geen product van een linkse ‘weg-met-ons-mentaliteit’ die streeft naar de ‘zelfopheffing van Nederland’. Ik onderschrijf volmondig Couwenbergs ‘pluralistisch geleed kosmopolitisme’, waarin de nationale identiteit en de nationale traditie belangrijke schakels blijven in onze manier van denken en doen. Dat is een dynamische opvatting, waarin de nationale identiteit geen statische essentie of afgedwongen homogeniteit is, zoals populisten als Fortuyn wensen, maar een complex, veranderlijk en principieel omstreden fenomeen. Daarom ook denk ik dat de Nederlandse taal daar niet per se een ankerpunt van moet zijn, en dat een visioen van perfecte tweetaligheid nog niet zo gek is voor een toekomstig Europees Nederland.

Ik val Couwenberg dan ook graag bij: ‘de natiestaat verandert stap voor stap in een interdependent en beperkt soeverein type staat waarin nationale identiteit en loyaliteit niet verdwijnen, maar wel aan betekenis zullen inboeten’ (in mijn vertaling: een positieve verzwakking zullen ondergaan). En schaar me in dit licht graag achter zijn pleidooi voor een federaal Europa, gebaseerd op gedeelde soevereiniteit en een heldere Kompetenz-Katalog, tegenover het reactionaire euroscepticisme van links en rechts. De Europese multiculturaliteit is net als de Nederlandse een gegeven. Ik volg opnieuw Couwenberg: ‘dwars tegen alle eurosceptische tegenstromingen in wordt Europese integratie stap voor stap de gemeenschappelijke politieke lotsbestemming van Europese burgers en daarmee een cruciale politieke doelstelling in plaats van alleen een welvaartsinstrument zoals in een neoliberale optiek’.

Dit laatste wil ik graag nog enige kracht bijzetten. Het verhaal van Europa moet opnieuw worden verteld, en dat moet een Groot Verhaal zijn, dat de politieke fantasie prikkelt en nieuwe politieke passies kan wekken. Vóór Fortuyn namen liberalen als Bolkestein al afstand van verderstrekkende idealen voor een politieke unie: Europa moest zich terugtrekken op pragmatische kerntaken als het onderhoud van de gemeenschappelijke markt, de handelspolitiek en het mededingingsbeleid. Zo stelde Mark Rutte in zijn Popperlezing van september 2011 dat we afstand moesten nemen van de Europese Unie als Groot Verhaal, met name van het verhaal van duurzame vrede op een door oorlogen verscheurd continent. ‘Nooit meer oorlog’ was de zin van Europa geweest voor de oorlogsgeneratie en haar kinderen. Maar de Unie was volgens Rutte nu in een andere ontwikkelingsfase gekomen, waarbij een meer bescheiden boodschap en een meer realistische taakopvatting paste. Daarin stonden welvaart en groei centraal ‘in plaats van de ideologische grondtoon over Europa als verheven project’.

Toegegeven: de herinnering aan wat wel de ‘Europese burgeroorlogen’ is genoemd volstaat niet langer om het Project Europa verder te dragen. Maar dat betekent niet dat we moeten terugvallen op een banale kosten-batencalculatie à la Bolkestein en Rutte. Europa is meer dan een welvaarts- en groeimachine: het is ook een beschavingsideaal. Beschaving betekent: het zoveel mogelijk uitbannen van geweld, wreedheid, intimidatie en vernedering uit de samenleving. Dat het recht van de sterkste wijkt voor het recht van de zwakste. Dat angst wordt vervangen door vertrouwen. In dit opzicht is de vredesdroom van de Europese stichters geenszins uitgeput en achterhaald. Het Europese project kan worden bezield met de droom en de hoop dat een samenleving mogelijk is die zoveel mogelijk is bevrijd van politieke, economische, culturele, seksuele en psychologische angst. Dat is een grootse, visionaire politieke opdracht: te zorgen dat mensen niet meer bang zijn, voor elkaar en voor zichzelf.

Volgens de Belgische socialist Hendrik de Man bestond er geen betere psychologische formule voor het socialisme dan: ‘overwinning van de sociale angst’. Nadat de angst voor de staat was verdwenen door de vestiging van de liberale democratie, zou ook de economische angst worden weggenomen door de sociale beteugeling van het kapitalisme. De hoop van cultuursocialisten als De Man was dat in het spoor hiervan ook de culturele en psychische angst zou verminderen: de angst voor het onbekende en afwijkende, voor andersdenkenden, voor vrijzinnigheid en vrijdenkerij.

Een immense opdracht. De schuldencrisis laat zien dat Europa nog veel te weinig weerbaar is tegen het structurele geweld van de kapitalistische economie, met name tegen wat De Man al de ‘Geldmuur’ noemde: het recht van de economisch sterkste. Evenmin als de economische angst is ook de angst voor de staat nog lang niet verdwenen. Ook in Nederland is de democratie nog gebrekkig, heerst de regentencultuur en dreigen minderheden het slachtoffer te worden van de populistische tirannie van de meerderheid. Ook de angst voor de vreemdeling en voor het verlies van de nationale cultuur en identiteit is nog steeds acuut, en wordt aangewakkerd door dezelfde populisten, die de economische en politieke angst voor hun eigen doeleinden exploiteren.

Maar Europa wordt steeds effectiever als een geweldige civilisatiemacht die niet alleen (een unicum in de wereldgeschiedenis) zowel de hete als de koude oorlog op haar grondgebied heeft overwonnen, maar ook bezig is zachtere vormen van geweld te onderdrukken en te vervangen door democratische tolerantie en wederzijds respect. ‘Overwinning van de sociale angst’: die formule kan de Europese gedachte nog steeds bezielen. Het geweld in al zijn vormen verbannen uit de wereld, te beginnen in Europa. Dat is de passie, de realistische utopie waarmee Europa de wereld opnieuw kan veroveren.

 

*Dick Pels is socioloog en sociaal filosoof. Hij is voormalig hoogleraar sociologie aan de Brunel University in Londen en directeur van het Wetenschappelijk Bureau Groen Links.