Voorgezette kruistocht tegen moderne mythologie van het verlichtingsdenken

Civis Mundi Digitaal #20

door Wim Couwenberg

Bespreking van: John Gray, De stilte van dieren. Over de vooruitgang en andere moderne mythen. Uitgeverij Ambo, Amsterdam 2013.

Voorgezette kruistocht tegen moderne mythologie van het verlichtingsdenken

Wim Couwenberg

Bespreking van: John Gray, De stilte van dieren. Over de vooruitgang en andere moderne mythen. Uitgeverij Ambo, Amsterdam 2013.

Verlichting als karikatuur

Bij deze uitgeverij verschenen als zeven eerder gepubliceerde boeken van John Gray. Dit nieuwe boek ligt geheel in de lijn van zijn voorgaande boeken. Sinds 1998 voert deze eloquente exponent van een westerse nihilistische denktraditie een ware kruistocht tegen de hypotheses en pretenties van de Verlichting en het daarop aansluitende moderne denken. Hij veegt in zijn publicaties niet alleen de hele idee van vooruitgang van de tafel, al maakt hij nog wel een voorbehoud voor de vooruitgang van wetenschap en techniek. Hij ontwaart in die zogenaamde vooruitgang zelfs de kiemen van de negatieve krachten die zo’n sterk stempel gedrukt hebben op de geschiedenis van de 20e eeuw.[1] Hij maakt daarmee van de Verlichting wel een karikatuur en stelt zodoende in feite de hele moderniteit als nieuw beschavingstype ter discussie. Hij doet dit in het voetspoor van de evolutietheorie van Darwin die als een universeel zuur alle menselijke illusies wegvreet. Daaraan ontleent Gray dan ook een mensbeeld dat er wat illusieloosheid betreft niet om liegt. De mensheid ziet hij namelijk als een roofzuchtige en gewelddadige diersoort die zich niet laat temmen noch door de verlichte waarden en normen van de democratische rechtsstaat noch door die van de internationale rechtsorde.[2] In dit illusieloze mensbeeld past uiteraard de praktijk van imperialisme, kolonialisme en racisme die jarenlang door het sociaal darwinisme als logische consequentie van het darwinisme verklaard en gerechtvaardigd is, maar nu volstrekt taboe is geworden.

Wetenschap versus wensdenken

Het grootste struikelblok om de wereld te begrijpen is onze neiging tot wensdenken, stelt Gray als overtuigd darwinist. De geschiedenis van de wetenschap is dan ook een continue strijd van het kennende (cognitieve) tegen het strevende en zinzoekende deel van het menselijke brein. De sociale- en menswetenschappen zijn geen serieuze wetenschappen zolang zij het kennende deel van het brein ondergeschikt maken aan het strevende deel ervan en daardoor gevangen blijven in verzinsels en mythologieën. Pas als zij strikt biologisch georiënteerde wetenschappen worden kunnen zij serieus genomen worden. Het sociaaldarwinisme heeft dat als sociologische theorie dan ook gedaan en in aansluiting daarop de sociobiologie. Maar van het strevende deel van het menselijke brein kan in de sociale- en menswetenschappen moeilijk geabstraheerd worden zoals elders in dit nummer (onder thema 4.1) wordt toegelicht.

Dit nieuwe boek is een consequente en eloquente voortzetting van zijn kruistocht tegen het verlichtingsdenken en alles wat daaruit is voortgekomen aan ideeën, waarden en pretenties. Gray herleidt dit alles tot moderne mythologie. Vooral de op een verlichte rationaliteitopvatting steunende vooruitgangsgedachte moet het in dit boek weer ontgelden als een geseculariseerde voortzetting van de christelijke heilsverwachting. In een recensie van dit boek in het dagblad Trouw stelt de recensent dat Gray telkens weer hetzelfde boek produceert. Dat geldt zeker voor die eerdergenoemde kruistocht. Maar de stijl van betogen wisselt wel. In het nieuwe boek wordt die kruistocht gevoerd aan de hand van een lange reeks van verhalen van bekende auteurs als Conrad, Norman Lewis, Arthur Koestler, Stefan Zweig, Joseph Roth, George Orwell, Sebastian Haffner, Herzen, Sigmund Freud en diens tegenstander Carl Jung met wiens pretenties korte metten gemaakt wordt en nog vele anderen. Gray geeft hiermee opnieuw blijk van zijn grote eruditie, maar ook van zijn uiterst kale en pessimistische levensvisie. Toch heeft hij hiermee telkens veel succes. Slecht nieuws scoort altijd weer beter dan goed nieuws.

Vooruitgang met voorbehoud

Al is de moderne vooruitgangsgedachte sterk omstreden geraakt, toch houd ik staande dat die gedachte niet helemaal kan worden afgeschreven als nieuwe mythe. Dat op belangrijke terreinen van menselijk handelen onmiskenbaar progressie valt te bespeuren, kan toch moeilijk ontkend worden. Dat is niet alleen het geval op het terrein van wetenschap, technologie en volksgezondheid, maar ook op politiek (grotere spreiding van en betere controle op machtsposities) en sociaal-economisch terrein[3]. Dat er op moreel en juridisch terrein eveneens sprake is van zekere vooruitgang, al is die zeker niet lineair, houd ik tegenover de geharnaste kritiek van Gray daarop ook staande: op moreel gebied uit die zich in algemene zin in grotere zelfbeheersing in menselijke relaties[4]; en een daling van gewelddadige criminaliteit[5]; en op het terrein van de seksualiteit in groeiende vrijheid zelf te bepalen hoe men zijn/haar seksualiteit beleven wil, dus loskoppeling van seksualiteit van huwelijk en voortplanting, en liberalisering van het familierecht met erkenning van het recht van eenieder naar eigen seksuele en morele voorkeur te bepalen of en zo ja hoe hij/zij een gezin wil stichten: heteroseksueel of homoseksueel, biologisch of kunstmatig[6]; en tenslotte op juridisch terrein in grotere rechtszekerheid en rechtseenheid en de ontwikkeling van mensenrechten.  

Ik stel dit alles wel met zeker voorbehoud. Een constante in het historisch proces die in de moderniteit ondanks aanvankelijk luidruchtig verkondigd geloof in onomkeerbare vooruitgang niet uitgeschakeld is, is de omkering van doel en middel. Ook in het moderne beschavingstype wordt macht van middel tot een positief doel (bijvoorbeeld emancipatie van onderdrukte groepen) steeds opnieuw doel-in-zichzelf (negatieve dialectiek). Ondanks alle pretenties van lineaire progressie dank zij wetenschap, technologie en rationeel bestuur kan het moderne beschavingsproject zich evenmin onttrekken aan die constante.

Er blijft zodoende steeds een grote kloof gapen tussen de pretenties van de moderniteit (in de termologie van Gray mythes) en de maatschappelijke en politieke praktijk. In Civis Mundi is dit vaak al eerder toegelicht.

In belangrijke mate kan ik ook meegaan met het politieke realisme waarvan Gray zich in dit soort zaken tot tolk maakt. Wat het westers-liberale mensenrechten beleid betreft ziet Gray daarin een voorbeeld van liberaal imperialisme, wat het in feite ook is, en relativeert hij de effectiviteit ervan. Zich soeverein achtende staten stellen hun vitale belangen altijd weer boven eerbiediging van de mensenrechten als internationale verplichting, zoals hij nuchter constateert. De staat Israël is daarvan een recent voorbeeld. Geschiedenis als leerproces heb ik eerder ook al sterk gerelativeerd.[7] Dat er ook reden is de moderne autonomie hypothese te relativeren illustreert de moderniteit zelf in haar maatschappelijke ontwikkeling. Die heeft een type mens en cultuur voortgebracht die door Ortega Y Gasset in de jaren ’30 kort samengevat is in het concept van de massamens en de massacultuur en in de sociologische literatuur nadien benoemd is als massificatieproces.[8] In plaats van de gepretendeerde autonomie keert de heteronomie van de premoderniteit, zoals belichaamd in godsdienst en kerk, zodoende terug in de moderne anonieme verpakking van markt en media[9].

Verschil tussen mens en dier

Niettemin houd ik tegenover Gray het antropocentrische mensbeeld staande waarin de mens superieur is aan alle andere dieren. Ik blijf de evolutie geheel tegen zijn naturalistische visie in opvatten als een opstijging van lagere naar hogere, meer complexe en daardoor meer bewuste en vitale levensvormen. Evolutie, aanvankelijk geheel gedetermineerd, krijgt met de menswording van het universum het karakter van een groei naar en van handelingsvrijheid en zodoende een morele dimensie. Zij wordt een bewuste evolutie. In de hiërarchische opbouw van het leven staat de mens als meest complexe soort aan de top van de evolutie. In de geest van Hobbes kan men het verschil tussen mens en dier in juridisch opzicht formuleren in deze zin dat de dierenwereld is blijven steken in de natuurtoestand (status belli), met het recht van de sterkste als resultaat, terwijl de mens zich dankzij de vermogens waarmee hij zich van het dier onderscheidt (rede en vrije wil) boven die natuurtoestand uitgewerkt heeft en een status civilis gecreëerd heeft met een rechtsorde en rechtsstaat die het recht van de sterkste zeker niet geëlimineerd, maar wel aan banden gelegd heeft.

Het grote verschil tussen mens en dier is ook dat de mens niet als andere dieren opgesloten zit in een bepaalde onveranderlijke levensvorm. Mensen kunnen derhalve tot in het oneindige blijven streven naar verbetering van zichzelf en hun levenslot. De jongste tak van dit streven is ‘human enhancement’, het streven naar verbetering van op zichzelf gezonden mensen. Een van de bijzondere leerstoelen van Civis Mundi bij de Erasmus Universiteit Rotterdam heeft daarop betrekking. Maar met de conservatieve Britse filosoof Roger Scruton verzet ik mij wel tegen het blinde geloof in vooruitgang dat zich bijvoorbeeld manifesteert in het geloof dat met technologie alle problemen op te lossen zijn waarmee de mens in zijn ontwikkelingsgang te maken krijgt, ook dus de actuele ecologische problematiek.  


[1] Zie J. Gray, False Dawn, The Delusions of Global Capitalism, 1998; idem, Straw Dogs, Thoughts on Humans and Other Animals, 2002; idem, Al Quaeda and What it Means to be Modern, 2003; idem, Heresies against Progress and Other Illusions, 2004; idem, Black mass, Apocalyptic Religion and the Death of Utopia, 2007

[2] J. Gray, Strawdogs, 2002.

[3] Denk bijvoorbeeld aan sterke stijging van productiviteit dankzij grotere efficiency en berekenbaarheid van economische processen, een meer aanvaardbare verdeling van de welvaart, groeiende keuzemogelijkheden en grotere bestaanszekerheid, al brokkelt die onder invloed van neoliberale invloeden wel weer af.

[4] Zie N. Elias, Ueber den Prozess der Zivilisation, 2 dln, 1939/1969; Elias spreekt in dit verband van een voorschrijdend civilisatieproces; een ontwikkeling van "Fremdzwang" naar "Selbstzwang" dat hand in hand gaat met de vestiging van het geweldmonopolie in handen van de moderne staat en resulteert in een meer humane onderlinge omgang.

[5] Zie P. Spierenburg, A History of Murder. Personal Violence in Europe from the Middle Ages to the Present, 2008

[6] Zie S.W. Couwenberg (red.), Seksuele revolutie ter discussie, Civis Mundi jaarboek 2005

[7] Zie Tijdsein Civis Mundi Jaarboek 2011, p. 135

[8] Zie in dit nummer (onder thema 25) nader Achtergronden neergang hoge cultuur

[9] Zie o.a. E. Wit, De autonome mens, 2007; B. Barber, De infantiele consument, 2007; en J. Dohmen, Het leven als kunstwerk, 2008 pp 15-26