Nederland laagland en de wet van de kleine getallen

Civis Mundi Digitaal #21

door Arie-Jan Kwak

Nederland laagland en de wet van de kleine getallen

Reactie op de vraag: Waarom zo’n zwakke theoretische traditie in Nederland?

Arie-Jan Kwak, Universiteit Leiden

Het curieuze samengaan van onze kooplieden- en dominees traditie

Nederland is een land van kooplui en dominees. De handelsbelangen maken ons pragmatisch en het calvinisme maakt ons kritisch over alles alles wat riekt naar hoogmoed en vals vertoon. We zien ze zitten op de schilderijen in onze musea: de rijke zeventiende-eeuwse kooplieden in hun zwarte pakken met witte kanten kragen. De kooplui zijn rijk, Holland en Zeeland vooral maakten een enorme economische groei mee. Maar deze kooplieden zijn tegelijkertijd relatief bescheiden in de mate waarin ze hun welvaart tonen. Deze deemoed werd hen ingeprent door de dominees:  de God van de calvinisten houdt niet van uiterlijk vertoon maar eist een diep verankerd besef van nietigheid en nederigheid. God is almachtig, alles is voorbestemd en dus danken we al het fortuin aan God en aan niets en niemand anders. Zeker niet aan onszelf. Nee zeg, wie denk je wel dat je bent?

Onze kooplieden- en domineescultuur biedt een mooi schema  - een rudimentaire theorie zo je wil - om tal van typische Nederlandse sociale en culturele fenomenen te verklaren. Het poldermodel,  het egalitarisme, het typische geheven vingertje, Nederland gidsland, de belastingmoraal, de Koningin op de fiets, de nuchterheid, de poetsdrift, zuinigheid, spaarzucht, etc. etc. Kooplui en dominees, alles past in dit schema. Volgens Wim Couwenberg biedt dit schema ook een verklaring voor de manier waarop wij Nederlanders ons tot theorie en filosofie verhouden.

Maar op het eerste gezicht lijkt er echter iets tegenstrijdigs in dit schema te zitten. Hoe zijn het calvinisme en het kapitalisme eigenlijk met elkaar te verenigen? Dat levert toch een heel merkwaardige mix op van eigenschappen; hoe verhouden deze calculerende hebzuchtige burger en deze deemoedige Bijbelvaste zeloot zich tot elkaar? Wat is dit voor tweekoppig monster?

Wisselwerking calvinisme en kapitalisme

Max Weber heeft in Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus betoogd dat er een Wahlverwandschaft bestaat tussen kapitalisme en calvinisme. Marxisten zijn geneigd om het calvinisme voor te stellen als het product van het vroeg-moderne kapitalisme, en door anderen wordt juist  betoogd dat het calvinisme niet het gevolg maar de oorzaak is van het succes van het kapitalisme in het Noord-Europa van de zestiende en zeventiende eeuw. Sociaal-culturele  geschiedenis laat zich volgens Weber echter niet gemakkelijk vatten in causale verklaringsschema’s; je kunt hooguit spreken van een vruchtbare wisselwerking tussen dergelijke sociaal-culturele fenomenen. De spaarzucht en het gebrek aan uiterlijk vertoon (op zich ook zuinig), zoals door de dominees gepredikt, stimuleerde de investeringen in innovatieve en risico-volle ondernemingen. Nederland vaarde wel bij de wijdverbreide angst voor Gods toorn over onze (zucht naar) welvaart.

Calvinisme werkte dus stimulerend voor het kapitalisme. Maar andersom was het kapitalisme ook stimulerend voor het calvinisme. Handel is ethisch immers altijd een beetje verdacht. In de handel regeert het (welbegrepen) individuele eigenbelang en dat is een reden om handelaren altijd een beetje te wantrouwen. Alles is te koop, als je maar de juiste prijs biedt. Handelaren zijn geen types van principes en dogma’s, ze maken een kosten-batenanalyse en berekenen of ze er iets aan overhouden. Dit pragmatisme maakt hen altijd enigszins onbetrouwbaar, als ze elders een betere prijs krijgen dan lopen ze door. Sterker nog, er kleeft altijd iets immoreels aan winst maken op wat andere mensen hebben gemaakt. Geld verdienen met handel in geld, wat bankiers doen, is al helemaal niet netjes. Niet voor niets verbieden sommige religies deze windhandel, die gemakkelijk op woeker uitloopt.

Het calvinisme was complementair aan het kapitalisme in die zin dat godvrezende kooplieden konden tonen dat ze niet te koop zijn als het gaat om de fundamentele Christenlijke waarden en normen die de gemeenschap binden en de enige weg zijn naar individuele zielenheil. (Al mag je daar natuurlijk nooit op rekenen.) Hoe rijker de kooplieden werden, hoe verdachter ze werden, en hoe meer behoefte ze kregen om zich als diepgelovig - en dus niet zelfzuchtig en opportunistisch - mens te afficheren. De welvaart was een Goddelijke gunst, en geen verdienste. Ze zaten dus keurig vooraan in de kerk.

Oorsprong van onze pragmatische gedoogcultuur en ons gebrek aan onze theoretische belangstelling

Wat kan nu het effect zijn van deze (meng-) cultuur op onze verhouding tot wetenschap en filosofie? Couwenberg volgt Ernst Zahn als hij stelt dat deze mentaliteit er toe leidt dat wij Nederlanders van oudsher geneigd zijn om maatschappelijke vragen, niet zozeer te zien als een uitnodiging tot een maatschappelijk debat waarin de beste, de meest redelijke argumenten de doorslag geven, maar als een botsing van religieuze dogma’s waarin de rede nauwelijks een rol speelt en we vooral moeten voorkomen dat deze botsing niet leidt tot een oorlog van allen tegen allen. Hier ligt misschien wel de oorsprong van onze pragmatische gedoogcultuur. Ga nu niet discussiëren, discussie leidt alleen maar tot schisma’s en nog meer afsplitsingen; maar ga zo faciliteren dat voor de schermen de lieve vrede heerst terwijl we achter de schermen discreet onze eigen gang kunnen gaan.

Kortom, het redelijk debat leidt niet tot het gewenste resultaat omdat we, als we voor het oog van de wereld het debat aan gaan, toch allemaal alleen maar onze principiële (calvinistische) stokpaardjes berijden en dan geen meter tot elkaar komen. Dat is een pragmatische reden om de rede te wantrouwen. Er is echter ook een principiële reden te verzinnen. Het calvinisme is niet een geloof van zelf redelijk nadenken en debatteren met je medemens over de ideale samenleving. Het is juist een geloof waarin individuen willen tonen dat ze niet aan het rekenen en redeneren zijn maar onwankelbaar bepaalde gemeenschapswaarden in ere houden. Sola scriptura; de Bijbel biedt de normen en waarden - de dogma’s - die zelfopoffering en broederschap, en daarmee een sterke gemeenschap mogelijk maken. De redebehoort daarentegen tot het domein van de handel.

In tegenstelling tot de officiële (natuurrechtelijke) Rooms-Katholieke leer, gaat het calvinisme er vanuit dat de rede niet zelfstandig tot de  geloofswaarheden van het Christendom kan komen. De rede is slechts instrumenteel,en wordt eigenlijk gelijkgesteld met het gereken op het marktplein. "For reason, in this sense, is nothing but reckoning" schrijft Thomas Hobbes in het begin van zijn Leviathan. Een op een dergelijke rede gebaseerde samenleving zou het product worden van (redelijk) onderhandelen en soubatten en dat kan nooit leiden tot een werkelijke gemeenschap. De gemeenschapszin op het martkplein is immers flinterdun, daar blijft de gemeenschap slechts zolang het strookt met het individuele eigenbelang van de daar loslopende homo economicus.

Misschien is dit een sociaal-culturele verklaring voor het gebrek aan theoretische belangstelling - ja, zelfs het relatieve wantrouwen jegens theoretische en filosofische verhandelingen - in de Noordelijke lage landen. Het is ronduit aanmatigend om te denken dat de rede veel vermag in maatschappelijke kwesties. Het is zelfs blasfemisch om de instrumentele rede van het marktplein, in staat te achten beter werk te leveren dan God heeft gedaan toen hij Zijn Wil in de Bijbel aan ons stervelingen openbaarde. Maar daar komt nog iets anders bij.

Hoe het succes van Spinoza te verklaren in een land met een aversie van theorie?

Nederland is een klein land tussen een aantal grote landen. Het brandpunt van intellectuele, wetenschappelijke activiteit heeft in de geschiedenis van Europa maar een betrekkelijk korte periode in Nederland gelegen. Vooral omdat Holland gedurende de Gouden Eeuw een vrijplaats was, en omdat deze regio een economische hoogtij meemaakte, konden kunst en wetenschap hier tot grote bloei komen. Nederlandse wetenschappers liepen voorop in de (vroege) Verlichting en de enige Nederlandse filosoof die het gebracht heeft tot het pantheon van de westerse filosofie, leefde en werkte in de Gouden eeuw in Amsterdam, Den Haag en Oegstgeest. Als we ons afvragen, zoals Wim Couwenberg in zijn column in Civis Mundi doet, waarom Nederland zo’n zwakke theoretische traditie kent, dan is het interessant om wat nader in te zoomen op deze unieke figuur. Wat verklaart het succes van Spinoza in een laaglandcultuur dat over het algemeen zo’n een aversie voor theorie en abstractie vertoont?

Het romantische beeld van Spinoza is dat van een eenzame (want geëxcommuniceerde) Joodse glazenslijper die na zijn werk in de avonduren eindeloos aan zijn briljante filosofische systeem zit te sleutelen. Tijdens zijn leven krijgt hij geen erkenning, en pas 100 jaar na zijn dood wordt langzaam duidelijk dat Spinoza een genie was die een plaats verdient in de eregalerij van de westerse filosofie. Het genie Spinoza was zijn tijd ver vooruit, en werd daarom in zijn eigen tijd niet begrepen en niet op waarde geschat. Het eenzame, miskende en profetische genie; we hebben sinds de Romantiek de neiging om grote denkers en kunstenaars zo te zien. (Dat Spinoza aan dit romantische beeld voldoet, is overigens vast wel een deel van de verklaring voor het succes van zijn oeuvre.)

Het beeld is echter vals. Spinoza had tijdens zijn leven wel degelijk al enige bekendheid verworven in wetenschappelijke en filosofische kringen. Zo heeft bijvoorbeeld Leibniz (ook een lid van het pantheon) hem uitgebreid bezocht om met hem over filosofie te discussiëren. Maar nog belangrijker, als we onderzoeken tot welke kringen Spinoza behoorde, en met wie hij persoonlijke contact had gedurende zijn leven, dan blijkt dat hij persoonlijk contact had met een aantal personen die in die tijd dicht bij het vuur zaten. Aan de ene kant maakte hij deel uit van een groep Joodse denkers die ook buiten Joodse kringen een gehoor kreeg omdat veel Christenen geïnteresseerd raakte in het Judaïsme als een rationele en dus universele religie. Aan de andere kant, en nog veel belangrijker, stond Spinoza in nauw contact met volgelingen van Descartes. Het cartesianisme was de spannendste nieuwe  filosofische positie van dat moment en in Amsterdam ontstond een brandpunt van cartesianen. Toen hij in Frankrijk zijn leven niet zeker was, heeft Descartes zelf ook nog een tijdje in Amsterdam gewoond.

Spinoza was echt geen eenzaam, geïsoleerd genie. Integendeel, Spinoza was een niet onbelangrijk knooppunt in een heel netwerk van denkers en vooral Amsterdam was de plek waar het gebeurde. Spinoza’s denken is tot stand gekomen in een bijna letterlijke dialoog tussen het Joodse intellectuele milieu dat hem vormde (en later excommuniceerde) en het cartesianisme. Gedurende de tweede helft van de achttiende eeuw werd Spinoza, postuum, een denker die de Romantische reactie op met name het Kantiaanse Verlichtingsdenken een grote impuls gaf en daarmee was zijn lot bezegeld. Sindsdien wordt Spinoza in alle boeken over de geschiedenis van de filosofie uitgebreid behandeld.

Wet van de kleine getallen

Nederlandse denkers zijn sindsdien nooit meer zo dicht bij het vuur geweest als Spinoza, mede omdat het brandpunt van filosofische activiteit zich sindsdien bevond in landen waar ze helemaal geen Nederlands konden lezen. De "wet van de kleine getallen" doet vervolgens de rest. Wetenschap, kunst en filosofie zijn apenrotsen en er is helaas maar weinig ruimte aan de top. Volgens de socioloog Randall Collins (zie The sociology of philosophies uit 1998 en Interaction ritual chains uit 2004) komt dit omdat we geneigd zijn onze aandacht te richten op een klein aantal succesvolle "namen" aan de top, en om de posities die ze innemen in het debat als gemeenschappelijk referentiekader te benutten. Het aantal namen en posities kan niet erg groot zijn omdat we dan focus verliezen, omdat onze aandacht niet teveel verdeeld kan en mag worden. De wet van de kleine getallen verklaart waarom we in intellectuele debatten allemaal voortdurend naar slechts een handvol posities en bijbehorende alfa-mannetjes (en -vrouwtjes) verwijzen. Deze posities vormen een brandpunt van aandacht en daarmee ook van cultureel kapitaal en emotionele energie, zoals Collins dat noemt.

Collins verwijst naar het opmerkelijke feit dat de mensen die het tot het pantheon hebben gebracht vaak onderdeel waren van zo’n brandpunt en dat ze elkaar in zo’n netwerkknooppunt ook persoonlijk kenden. Socrates, Plato, Aristoteles. En een nog beter voorbeeld: Kant, Fichte, Schlegel, Hegel, Schleiermacher, Schopenhauer, ze kenden elkaar allemaal persoonlijk. Fichte, Schlegel en Hegel woonden zelfs gedurende een bepaalde tijd bij elkaar in één huis!. Hier kon cultureel kapitaal volgens Collins heel snel stromen en de intense onderlinge interactie leverde een enorme emotionele energie op. In de rechtsfilosofie zien we ook iets dergelijks: de Oxfordfilosofie (ook wel ordinary language philosophy) heeft Oxford-hoogleraar H.L.A. Hart gevormd en zowel Dworkin als Raz hebben bij Hart gestudeerd en zijn in Oxford hoogleraar geworden. Dit zijn dé drie grote namen van de naoorlogse rechtsfilosofie, en ziehier de werking van de wet van de kleine getallen. O ok in Nederland zijn vele rechtstheoretici de slippendragers in de debatten die door deze drie heren werden gevoerd.

Een ander brandpunt in de naoorlogse filosofie is Parijs. Ook hier is hier wordt de regel bevestigd: de grote namen van de Franse filosofie kenden elkaar persoonlijk en tilden elkaar naar het pantheon: Sartre, Merleau-Ponty, Althusser, Lyotard, Foucault, Derrida. Allemaal met elkaar in debat over hun gedeelde referentiekader: Marx, Nietzsche, Freud en Heidegger in het bijzonder. Nederland is aan de ene kant slechts een klein cultuurgebied, Nederlands wordt buiten ons land niet of nauwelijks gelezen. Nederland ligt echter dicht genoeg bij Berlijn, Oxford en Parijs om de wervende kracht van die brandpunten te ervaren. Maar meer dan slippendragers worden Nederlanders niet omdat de afstand te groot is, en we dus structureel in de periferie blijven. De ervaring er buiten te blijven, werkt volgens Collins remmend op de emotionele energie. Sinds Amsterdam niet meer het brandpunt is, blijft het werk van Nederlanders klein bier. Dit verklaart vast voor een deel de desinteresse of zelfs aversie voor theorie in de sociale wetenschappen en humaniora: hier valt niet te scoren, we kunnen onze energie wel beter gebruiken. Collins sociologie heeft ook voorspellende waarde: voorlopig zal er in Nederland geen nieuwe Spinoza opstaan.