Nieuw samenhangend concept van eens revolutionair gedachtegoed

Civis Mundi Digitaal #26

door Wim Couwenberg

Bespreking van: Maarten van den Heuvel, Vrijheid, gelijkheid en broederschap. Oude waarden in een nieuwe tijd. Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2014.

Nieuw samenhangend concept van eens revolutionair gedachtegoed

Wim Couwenberg

 

Bespreking van: Maarten van den Heuvel, Vrijheid, gelijkheid en broederschap. Oude waarden in een nieuwe tijd. Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2014.

 

Bijdrage Franse Revolutie aan geschiedenis voltooid

De tijd van de grote beloften van de Franse Revolutie is voorbij. Dat verklaarde de prominente Franse historicus François Furet als intellectuele leider van de revisionistische interpretatie van die revolutie. De bijdrage van die revolutie aan de geschiedenis is voltooid. Haar historische werking als inspiratiebron is dus ten einde, met als politieke uitkomst de vijfde Franse republiek, tot stand gekomen nota bene op initiatief van de Franse president Charles de Gaulles als de toenmalige leider van de politieke rechterzijde van de Franse politiek, aldus deze historicus.[1] Als dat de stand van zaken in Frankrijk is, waarom dan deze uitgave als schriftelijke uitwerking van een VARA-documentaire over deze leuze van de Franse Revolutie? Dat is zeker opmerkelijk in deze post-ideologische tijd, waarin de politiek, ook in Nederland, sterk pragmatisch en technocratisch is georiënteerd. De Franse Revolutie en haar beginselen zijn in de Nederlandse politiek sinds de 19e eeuw sterk omstreden geweest, en principieel aangevochten door een confessionele tegenstroming van protestantse en katholieke staatkunde die de Nederlandse politiek jarenlang gedomineerd heeft, en ten slotte is opgegaan in het CDA. Die confessionele bestrijding is inmiddels ook een gepasseerd station geworden, al pruttelt het nog enigszins na in de Christen-Unie en de SGP.

 

Welke natuur?

De auteur erkent zelf ook dat veel van het revolutionaire gedachtegoed van weleer gemeengoed is geworden als basis van de westerse democratie. Maar tegelijk wordt er nog maar weinig nagedacht over de inhoud en betekenis van dat gedachtegoed. In die leemte wil dit boek voorzien, en dat doet de auteur ervan op verdienstelijke wijze, al laat hij wel hier en daar wat steken vallen. Zo herleidt hij in de inleiding van het boek het revolutionaire gedachtegoed tot de natuur. Maar welke natuur? Dat vergt wel enige toelichting. De RK-kerk herleidt haar seksuele moraal ook tot de natuur. Zo wordt het gebruik van voorbehoedmiddelen verboden, omdat dat tegennatuurlijk is, want het natuurlijke doel van onze voortplantingsorganen frustreert. Om die reden wordt ook homoseksualiteit afgekeurd als een tegennatuurlijk fenomeen. Ik neem aan dat de auteur een andere natuur op het oog heeft, de natuur namelijk zoals opgevat in het moderne natuurrecht, waaraan dat revolutionaire gedachtegoed is ontsproten. In feite gaat het hier om ideeën die de overgang markeren van het ancien regime in Europa naar de moderniteit als nieuw beschavingstype.

 

Verzet tegen dogma van de waardevrijheid in de Koude Oorlog gehekeld als rechtse en dus kwalijke benadering

Tegenwoordig wordt nog wel eens betoogd dat we de samenleving zoveel mogelijk waardevrij moeten benaderen, stelt de auteur voorts in de inleiding. Maar dat gaat al veel eerder terug. Tijdens de Koude Oorlog heb ik mezelf hiertegen al verzet door in de Oost-Westbetrekkingen expliciet uit te gaan van westerse waarden als ideologische grondslag bij mijn kritiek op het wereldcommunisme. Dat stuitte toen echter in bepaalde intellectuele kringen jarenlang op hardnekkig verzet. Wetenschappers van het Oost-Europa Instituut van de Universiteit van Amsterdam - na de Koude Oorlog inmiddels opgegaan in de opleiding Europese Studies - gaven daarbij de toon aan. Men zag hierin een voortzetting van de ideologische strijd tegen het communisme en derhalve een rechtse en dus kwalijke benadering. Anti-Amerikanisme gold daarentegen meer en meer als een politiek correcte houding. De socioloog M. Korzec kwalificeerde die afwijzing van iedere vorm van anticommunisme eens terecht als een uiting van intellectuele finlandisering, een kwalificatie, die door veel tijdgenoten al niet meer begrepen zal worden.[2]

Bovendien werd in het concept van westerse waarden als uitgangspunt een aantasting gezien van het principe van waardevrijheid. Van een objectieve benadering van de Oost-West betrekkingen kon daardoor geen sprake zijn. Gegeven het cultuurgebonden karakter van menselijk denken, aldus ons antwoord hierop, vereist objectiviteit juist het expliciteren van de eigen uitgangspunten en het toetsen hiervan op consistentie en realiteitswaarde. Vandaar dat westerse waarden in ons tijdschrift systematisch geconfronteerd werden met communistische waarde-opvattingen. Wat in dit verband opvalt is dat de wetenschappelijke bureaus van politieke partijen nooit met dergelijke kritiek bestookt zijn, terwijl zij hun wetenschappelijke pretenties probleemloos combineren met partijpolitieke beginselen en prioriteiten.

Het dogma van waardevrijheid stond in die dagen trouwens volop ter discussie. In de sociale en politieke wetenschappen deed zich toen namelijk een kritische tegenstroming gelden met politisering van wetenschapsbeoefening als speerpunt, daarbij mede geïnspireerd door Theodore Roszak, die in 1968 de opgang makende tegencultuur van zijn protest generatie op saillante wijze wist te vertolken in zijn boek The Making of Couterculture[3] Zij zette zich daarmee af tegen het heersende empirisme en positivisme van het wetenschappelijke establishment, dat in hun ogen bleef steken in een waardevrije analyse van de sociale en politieke werkelijkheid en zodoende niet verder kwam dan het bevestigen van een maatschappelijke en politieke status quo.

 

Seculiere drie-eenheid

Vrijheid, gelijkheid en broederschap worden in dit boek in drie delen helder onder de loep genomen en toegelicht in het licht van actuele ontwikkelingen, problemen en de intellectuele bezinning op die waarden. De keerzijde, het huidige primaat van de vrijheid onder invloed van de neoliberale euforie van de laatste decennia wordt daarbij scherp in beeld gebracht. Dat primaat resulteert in nieuwe uitingen van maatschappelijke tweedeling, waarvan inkomensongelijkheid in het tweede deel over gelijkheid de nodige aandacht krijgt. Broederschap wordt geactualiseerd als gemeenschapszin, die in deze tijd van bloeiend narcistisch individualisme nogal in de knel raakt. Tot slot wordt een lans gebroken voor een samenhangend concept van vrijheid, gelijkheid en broederschap, door die waarden op te vatten als een drie-eenheid. Dat lijkt me een mooi slot, dat prima past in een tijd waarin er groeiende behoefte is aan een meer integrerende denkwijze als tegenwicht tegen de individualisering en fragmentering van de samenleving, maar ook tegen monomane tendenties in het politieke en sociale denken.



[1] Zie B. Verheijen, Geschiedenis onder de guillotine, 2013, p. 114.

[2] M. Korzec, Oost-Europa, pacifisme en satansdenken, Transaktie, 3, 1983

[3] Zie nader Karel van Wolferen, Student Revolutionists of the Sixties, Oost-West, 12, 1970