Afscheid van het kapitalisme: een update van de analyse van de Club van Rome

Civis Mundi Digitaal #28

door Cock Hazeu

Bespreking van: Egbert Tellegen, Afscheid van het kapitalisme. Over de aarde en onze economische orde. Amsterdam University Press, Amsterdam, 2014.

Afscheid van het kapitalisme: een update van de analyse van de Club van Rome

C.A. Hazeu

 

Bespreking van: Egbert Tellegen, Afscheid van het kapitalisme. Over de aarde en onze economische orde. Amsterdam University Press, Amsterdam, 2014.

 

Inhoud

De van-huis-uit-socioloog Egbert Tellegen is één van de eerste leerstoelhouders in de milieukunde geweest. November 2013 nam hij definitief afscheid van de universiteit, na een universitaire loopbaan van vijftig jaar! Maar Tellegen werkt gewoon door, nu als vrijwillig medewerker van de Vereniging Milieudefensie. Daar heeft hij als eerste ‘product’ het boekje Afscheid van het kapitalisme geschreven. In tien korte hoofdstukken bouwt hij zijn betoog op over de schadelijkheid van de kapitalistische economische orde voor het milieu. In hoofdstuk 1 kritiseert hij het “geperverteerde” duurzaamheidsbegrip, dat wèl de bestaande economische orde bestendigd heeft, maar de verslechtering van het milieu op wereldschaal niet tot stilstand heeft kunnen brengen. Vervolgens behandelt hij de typerende kenmerken van de planeet aarde, met tabellen die de enorme bevolkingsgroei van afgelopen eeuwen illustreren, het sterk toegenomen grondstoffengebruik en de afnemende biodiversiteit.

Hoofdstuk 3 handelt over de ontwikkeling van het moderne milieubegrip: de vervuiling van water, lucht en bodem, verdwijning van planten- en dierensoorten, en het op termijn uitputten van natuurlijke hulpbronnen. Die ‘moderne’ bezorgdheid om het milieu is opgekomen sinds Rachel Carson’s Silent Spring (1962, over de effecten van pesticidegebruik in de landbouw) en het Rapport van de Club van Rome (1972). Maar Tellegen behandelt ook de verre voorgangers van de milieubeweging, te beginnen bij Robert Malthus die twee eeuwen geleden al de nefaste gevolgen vooruitrekende van een rekenkundig voortgaande bevolkingsgroei.

Hoofdstuk 4 neemt de huidige stand van zaken op, en die stemt somber. “Een nachtmerrie”, concludeert Tellegen.

Daarna behandelt de auteur de hoofdoorzaak van de milieuproblematiek: onze kapitalistische productiewijze, die steeds aanzet tot ‘meer’ en ‘groei’. Hij begint zijn betoog uiteen te zetten aan de hand van Adam Smith en Karl Marx. Daarna volgen auteurs zoals Mishan, die de aandacht vroeg voor de negatieve externe effecten van economische groei, en Fred Hirsch die de materiële betekenisloosheid van veel economische goederen inzichtelijk heeft gemaakt. Verder bekritiseert Tellegen – volledig terecht – de verschrompeling van het curriculum van de tegenwoordige economiestudie, waarin geen plaats meer is voor vakken als ‘economische geschiedenis’ en ‘geschiedenis van het economisch denken’. Economie wordt, met andere woorden, tegenwoordig volledig beoefend als systeemwetenschap, in het bijzonder als semi-natuurwetenschap. Tellegen kritiseert het onderliggende paradigma hiervan dat het kapitalisme in beginsel geen grenzen kent en ongebreideld zou kunnen doorgroeien.

Zulke fundamentele kritiek vraagt om een alternatief perspectief. “Genoeg is genoeg”, volstaat niet. Hoofdstuk 6 gaat dan ook over het hoe nu verder. Een veelgebruikte alternatieve maatstaf voor (nationaal) inkomen om te beoordelen of we het ‘goed’ doen, is de ecologische voetafdruk: alle milieugebruik uitgedrukt in benodigd landoppervlakte. Daarover is Tellegen ambivalent: hij heeft methodologische kritiek, maar vindt het toch een waardevolle bijdrage. Verder bepleit de auteur een ‘bescheiden economie’, in plaats van de juist voortgaande commercialisering, ook van natuur en milieu.

In Hoofdstuk 7 (‘Beperking van de macht van kapitaal en arbeid’) bepleit Tellegen om het product van onze toenemende productiviteit niet in meer geld te laten uitbetalen, maar in meer vrije tijd. Verder houdt hij een pleidooi  om de bescherming van milieu- en natuurwaarden ook in de grondwet vast te leggen. Eerlijk gezegd, denk ik – nota bene jurist zijnde – dat we dààr niet veel van moeten verwachten.

Het volgende hoofdstuk gaat over hoe ondernemers meer verantwoordelijkheid zouden kunnen dragen: ondernemers zouden ecologische professionals moeten zijn, vergelijkbaar met medische professionals, die niet in de eerste plaats aan hun inkomen (mogen) denken, maar aan de optimale zorg die ze aan een patiënt hebben te verlenen. Tellegen noemt een aantal kleinschalige initiatieven van zulk nieuw ondernemerschap, o.a. in coöperatievorm en als sociale onderneming. Verder bepleit hij een meer circulaire economie en gebruik van biologische grondstoffen. Al bij al wordt dit hoofdstukje gekenmerkt door veel wensdenken, maar een socioloog als Tellegen ziet in kleine initiatieven en veranderingen graag the seeds of change.

In het volgende hoofdstukje gaat Tellegen dan ook voluit voor afschaffing van onze kapitalistische economie en zijn onderliggende aanname van onbegrensde mogelijkheden. Die mogelijkheden zijn echter wèl begrensd; we moeten daarom niet langer kwantitatieve vooruitgang nastreven, maar een kwalitatieve vooruitgang. De auteur getuigt hier ook van een uitgesproken vooruitgangsgeloof en betoont zich een oprechte leerling van Norbert Elias die de geschiedenis als een voortgaand beschavingsproces neerzette.

 

Beoordeling

Tellegen’s boek is te lezen als een update van de analyse van de Club van Rome, meer dan veertig jaar na dato. Geschreven door iemand die die hele periode heeft meegedaan aan het milieudebat. Daardoor is het boek ook een sterk persoonlijke getuigenis is, die uitmondt in “een richtinggevend ideaal”. Zelf ben ik als middelbare scholier ook ‘aangeraakt’ door het rapport van de Club van Rome. Ik voel dan ook in veel van zijn redeneringen met de auteur mee. Dat indiceert ook het lastige van een boek als dit: wie al overtuigd was door de boodschap van de Club van Rome, zal zich gesteund weten in die overtuiging. Maar het richtinggevende ideaal, de ‘oplossingen’, en de transitie naar een andere economie, zijn pover en fragiel – in de alledaagse praktijk, maar eigenlijk ook in dit boek. Vermoedelijk te fragiel om ook ‘andersdenkenden’ over de streep trekken.

Tegenwoordig zien we steeds meer voorbeelden van maatregelen en beleid – Energieakkoord, windmolenvelden, biobased economy, elektrisch autorijden, etc. – waar in het algemeen met (heel veel) door burgers opgebrachte belastingmiddelen burgers en met name bedrijfsleven aan de slag gaan om tegelijk hun portemonnee en ‘het milieu’ te dienen. Profit en planet gaan dan mooi samen onder de vlag van ‘duurzaamheid’. Ik ben daar uiterst sceptisch over en denk dat het behouden van milieu, natuur, grondstoffen in veel gevallen om keuzes vraagt. De ‘win-win’ die in het duurzaamheidsconcept besloten ligt, is in veel gevallen te mooi om waar te zijn. Ik onderschrijf daarom graag de kritische kanttekeningen die Tellegen plaatst bij dat duurzaamheidsconcept (waar hij nog een aparte Bijlage aan wijdt, die deels van semantische aard is: Tellegen zou ‘duurzaamheid’ willen vervangen door ‘zorgvuldigheid’). Dat het duurzaamheidsbegrip een allemansvriend is die scherpe keuzes voor het milieu niet dichterbij brengt, heb ik zelf ook al eens betoogd: vgl. Hazeu 2003, en zie ook WRR 2002, met name hoofdstuk 2.

 

Aangehaalde literatuur:

- Hazeu, C.A. (2003), Van milieubeleid naar duurzaamheidsbeleid; winst voor het milieu?, Bestuurswetenschappen, jrg. 58, nr. 5, pp. 427-432

- Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2002), Duurzame ontwikkeling. Bestuurlijke voorwaarden voor een mobiliserend beleid, Rapporten aan de regering no. 62, Den Haag: Sdu uitgevers