De fa├žademaatschappij. Een wat overbodige analyse van een niet zo complex probleem

Civis Mundi Digitaal #28

door Joes Kuys

Bespreking van: Gerard van Tillo, De façademaatschappij: over het verschil tussen presentatie en realiteit. Uitgeverij Eburon en Edmund Husserl Stichting, 2013.

 

Voor zover ik heb kunnen nagaan is dit de eerste recensie van het in april 2013 uitgekomen boek ‘De façademaatschappij’ van godsdienstsocioloog Gerard van Tillo. Enerzijds is dit veelzeggend: het boek kent een weinig opzienbarende inhoud en richt zich bovendien op een kleine niche van intellectueel Nederland. De centrale boodschap van het boek is waakzaamheid. Let op, zegt het, want niets in deze wereld is wat het lijkt; veel communicatie tussen mensen is gericht op het uitoefenen van macht. Dit paternalisme is typerend voor het op zich sympathieke, maar achterhaalde elitaire verheffingsideaal  dat ook achter de Edmund Husserl Stichting steekt. Anderzijds heeft de inhoud van ‘De facademaatschappij’ in enkele opzichten wel degelijk potentie, zeker in de oproep tot oplichten van het masker van de wetenschappelijke objectiviteit. Was dit aspect meer uitgewerkt, dan had dit boek meer diepgang en allicht meer aandacht gekregen.

 

Belangentegenstellingen als achtergrond van ideële verschillen

Van Tillo presenteert in het eerste deel een aantal aspecten uit de maskeradematerie, ‘geschreven vanuit de dialectische sociologie, een belangrijke stroming die het verloop va de geschiedenis verklaart vanuit de botsing van belangen’ (19). Achter veel ideële verschillen gaan belangentegenstellingen schuil, is de kernboodschap van deze benadering, vandaar dat Van Tillo hier waarschijnlijk mee begint; hij geeft hier verder geen uitleg over.  Het is inderdaad interessant om bijvoorbeeld de toenemende intensiteit van de onderlinge communicatievormen in onze tijd te bezien vanuit de ruiltheorie van Marx, waarbij ‘mensen elkaar niet tegemoet treden als medemensen, maar als marktpartijen die van elkaar trachten te profiteren’.(20) De sociale media zorgen onmiskenbaar voor meer maatschappelijke samenhang, maar deze beklijft alleen, aldus Tillo, ‘wanneer het positieve imago van het maatschappelijk verkeer overeind blijft. Hiermee is echter het risico gegeven, dat het positief gedrag van mensen alleen uiterlijk geldt en als façade gebruikt wordt om de eigen belangen te behartigen’.(21) Eenieder, die enigszins bekend is met fenomenen als Facebook en Twitter, weet dat gebruikers hiervan hun uiterste best doen om zich positief te presenteren. Vriendschappen die ontstaan op Facebook zijn bijvoorbeeld  eerder uitzondering dan regel. Dit inzicht is echter weinig schokkend, eerder een simpele wijsheid, en kan dus ook zonder de dialectische sociologie en in eenvoudiger woorden worden omschreven.

 

Hoe façades te herkennen?

Deze trend zet zich helaas in het tweede deel voort. Hierin laat Van Tillo het masker van de dialectische sociologie vallen en probeert hij concreet te maken hoe je façades in het dagelijks leven kunt herkennen: hoe kleding de man maakt, dat er een leger aan communicatiestrategen achter reclames schuilt, hoe mensen mythes in stand houden om er zelf beter van te worden. Hier zijn de meeste  mensen in het huidige internettijdperk van op de hoogte, dus louter een uitleg van al deze verschijnselen vindt moeilijk een publiek. Interessanter zou zijn om in te gaan op de soms nijpende kennishiaten, waar vele mensen tegenwoordig onder lijden. Het internet leidt tot een alwetendheid, die oogkleppen creëert voor de façades, die door de generatie-Van Tillo waarschijnlijk als vooroorlogs worden bestempeld.  Het internet is een katalysator in het verspreiden van gevaarlijke complottheorieën als ‘de Iluminati’ . Het idee hiervan is dat er een kleine elite op de achtergrond aan de touwtjes van de wereldpolitiek trekt, oorlogen en economische crises laat ontstaan voor eigen gewin etc. Dat deze complottheorie een façade is van een virulent antisemitisme is de meeste aanhangers volstrekt onbekend. Vervang het woord ‘elite’  door ‘ joden’ en de complottheorie van de ‘Illuminati’ is dezelfde als de, voor de Tweede Wereldoorlog wijd verbreide ‘Protocollen van wijzen van Zion’, het ideologische fundament onder het nazisme. Interessant zou zijn om enkele van dergelijke façades  in de diepte toe te lichten: dit zou voor een groot publiek wel degelijk verheffend kunnen werken. Nu blijft het geheel teveel aan de oppervlakte hangen, wat bijvoorbeeld tot uiting komt in de taal. Deze is voor de ‘belangstellende’ soms interessant, wanneer er definities worden gegeven van veel gebruikte begrippen als ‘pragmatisme’ (‘een denkhouding waarbij men zich niet richt op de oorsprong of het wezen der dingen, maar op hun resultaten en gevolgen’(49)), maar veelal te theoretisch, te klinisch om iets wezenlijks te zeggen( ‘het proces van het bekend worden door typificerende uitdrukkingen is het eigenlijk organisatieprincipe van die ervaringen’).

Het probleem van de ‘Façademaatschappij’ is dat het een ogenschijnlijk objectieve analyse is van de spanningen tussen ‘presentatie en werkelijkheid’, terwijl het in feite negatief oordeelt over de presentaties. Dit past natuurlijk goed bij de ‘dialectische kritiek’, die probeert de onderste steen boven te krijgen. Maar naast het feit dat Van Tillo zelf de voeling met de werkelijkheid  - zijn beoogde publiek – lijkt te missen, gaat hij ook voorbij aan het feit, dat sommige mensen façades niet zo erg vinden. Gelovige katholieken bijvoorbeeld, snappen best dat zij niet echt in contact kunnen komen met een heilige door naar zijn beeld te bidden, maar zij waarderen de presentatie van het beeld wel (en zien er zeker niet louter een middel in  om macht mee uit te oefenen!). Sterker, zij geloven dat dit beeld de complexe boodschap van het Christendom representeert. Helaas kent de seculiere wereld dergelijke representaties niet: een oproep tot waakzaamheid – op zichzelf een complex christelijk begrip – voor de façades in deze werkelijkheid is daarom nagenoeg overbodig.

 

Wetenschappelijke pretentie niet alleen gebaseerd op onderzoeksresultaten

Wel kent de seculiere wereld een ver ontwikkelde wetenschap, die soms wordt aanbeden als een religie, en welke voor betrokkenen meer representeert dan de onderzoeksresultaten. Er is ook vaak een complexe boodschap achter deze verborgen, die een eigen waardensysteem representeert. Dat ‘wij ons brein zijn’ is bijvoorbeeld niet alleen gebaseerd op de onderzoeksresultaten, maar een door ‘neuro-economen gestileerd beeld van vertrouwen, het brein en sociaal handelen’. (Zie bijvoorbeeld een binnenkort verschijnend proefschrift van P. Klaassen, getiteld In Brains We Trust. How Neuroeconomists Stylize Trust, the Brain, and the Social World (Amsterdam 2014)). Van Tillo gaat aan het einde van zijn boek nog even in op dergelijke waardensystemen, die achter de façade van de wetenschappelijke objectiviteit worden opgetrokken.  Deze zijn een stuk moeilijker te doorgronden dan de façades die hij eerder uiteenzette. En het is jammer dat hij hier geen centraal thema van heeft gemaakt. Zijn pleidooi meer gebruik te maken van de semiotiek in de wetenschappelijke methode, ter ontmaskering van de persoonlijke associaties in het onderzoek (155), zou dan ook een interessante vervolgstudie kunnen opleveren, die vast en zeker meer aandacht zal trekken.

 

* Drs. Joes Kuys is historicus en bereidt een proefschrift voor over conservatisme in de Nederlandse samenleving. Daarnaast is hij schrijver van poëzie en proza. Hij debuteerde aks dichter op Civis Mundi met het dichtverhaal Elisabeth en ik: vooroorlogse liefde (mei 2013).