De kosmische Christus bij Novalis: een selectie uit zijn Geistliche Lieder / Geestelijke liederen opnieuw vertaald

Civis Mundi Digitaal #37

door Piet Ransijn

  

Rembrandt, Portret van Jezus

De kosmische Christus bij Novalis: selectie uit zijn Geistliche Lieder / Geestelijke liederen

Opnieuw vertaald door Piet Ransijn ter gelegenheid van Pasen en Pinksteren

Inleiding

De eerste gedichten van Novalis die ik las, raakten mij diep. Hoewel het een verouderd genre lijkt dat niet meer van deze tijd is, was het bij mij liefde op het eerste gezicht. Nader bekeken en aandachtig gelezen behoren deze gedichten tot het mooiste dat ik heb gelezen. Ondanks de “hooggestemde, om niet te zeggen soms hysterische toon die niet elke lezer verdraagt,” aldus een recensent over de door hem geprezen roman van Novalis in de Volkskrant (15 sept 2006).

Ik las toen de Geestelijke Liederen Xll en Xl, in Goldene Worte Deutscher Dichter: het Marialied Ich sehe dich in tausend Bildern, het gedicht Es gibt so bange Zeiten en de vierde hymne aan de nacht. Achter deze woorden is zowel een diep verlangen als een diepe vervulling voelbaar in een opmerkelijk contrast van vreugde en verdriet, waar Novalis is doorheen gegaan en aan voorbij lijkt te gaan. Het ontstijgen aan diep menselijke tragiek herkent hij bij Jezus en Maria. En niet alleen bij hen, zo blijkt in zijn andere werken. Daar noemt hij ook zijn overleden geliefde Sophie.

Schrijfster Mieke Mosmuller, vertaalster van De leerlingen te Saïs van Novalis, besproken in Civis Mundi nr 35, werd eveneens geraakt door Novalis: “De herkenning berust op eigen geestelijk beleven… Zoals met de liefde. Wanneer je die ene mens tegenkomt aan wie… je trouw zult zijn, herken je die mens min of meer op slag. Het is een herkennen, een in het bewustzijn oplichten van een diep onbewust weten. Zo heb ik ‘tegenover’ het werk van  Novalis gestaan. In de beleving ervan groeide het besef het woord te lezen van iemand met wie je diep verbonden bent, omdat je in alle bescheidenheid leeft met dezelfde opgave. Dat is herkennen, dat is liefde. Dat gaat oneindig veel verder dan zeggen:…’Wat is Novalis een fantastische schrijver!’ De beleving van zijn werk gaat door merg en been, doet je op je grondvesten schudden, werkt als een gouden wegwijzer. Het is het werk van iemand die Christus zo goed kent als een mens hem kan kennen,” schijft Mosmuller in De heilige graal, p 90. 91.

Als wij zijn werk op ons in laten werken, kunnen wij ons bewust worden van wat wel het Christusbewustzijn wordt genoemd of de kosmische Christus, als innerlijke werkelijkheid, die onbewust aanwezig is.  De Geestelijke Liederen van Novalis zijn meer dan alleen christelijk. Zij geven een kosmisch bewustzijn weer, een verlicht bewustzijn, dat ook in andere culturen herkenbaar is. Novalis heeft een ruime opvatting van het christendom als ”het levensbeginsel, de vreugde van iedere religie’ en ‘de geschiktheid van al het aardse om brood en wijn van het eeuwige leven te zijn,” zoals hij schrijft aan het eind van De christenheid of Europa, zie Civis Mundi nr 36.

Novalis is geboeid door de Indiase religie en poëzie. In het eerste lied schrijft hij: “India bloeit zelfs in het Noorden door de Geliefde blij in het licht”. “In dit gedicht verwijst Novalis naar een synthese van het christendom met de religie van India – of meer fundamenteel naar de wezenlijke eenheid van alle religies. Hij beschouwt hier ook India in de zin van Indiase poëzie… zinspelen op de poëtische transfiguratie van de Christusfiguur,” aldus A L Willson in zijn boek over India in de Duitse Romantiek (1).

Uit wat Novalis schrijft in De christenheid of Europa kunnen we afleiden, dat de Europese (politieke) eenheid een rammelend karakter blijft hebben met veel verbaal en herhaaldelijk fysiek geweld als er geen meer verlicht bewustzijn daagt, waarin we beter in staat zijn tot geven en nemen in een verenigend beleven. Hij wijst op de politieke relevantie van religie en poëzie, met name de christenheid en het liefdevolle Christusbewustzijn in de geschriften die zijn besproken in Civis Mundi nr 36.

In de Christusfiguur gaat over in Maria en hult zich niet alleen een persoon, maar ook een innerlijke transcendente werkelijkheid, waarmee Novalis voeling (b)lijkt te hebben. In andere geschriften heeft hij Jezus behalve met Maria ook verbonden met zijn overleden geliefde Sophie, die verenigd werd met Sophia en Maria, die weer overgaat in de godin Isis. Novalis is niet zo christelijk als het lijkt. Hij was een panentheïst. Dat is een pantheïst die ruimte laat voor een persoonlijke God, naast het alomvattende Al. Daarvan treffen we ook de sporen aan in onderstaande gedichten. De volgende strofen uit lied X, die lijken af te wijken van de meeste andere, zijn in dit opzicht tekenend en onthullend: 

Hij is de ster, hij is de zon

Hij is de eeuwige levensboom

Vanuit struiken, stenen, zeeën, licht

glanst zijn jeugdig aangezicht

 

In alle dingen toont zich zijn jeugdig elan

warme liefde die ons nooit verlaten kan

Hij neigt zich naar een ieder onbewust

zodat hij oneindig dicht aan ieders hart rust

 

Adrian Alberto Herrera, Jezus van Nazareth

Louteringsproces

De persoon van Christus, tot wie hij zich richt, en later ook Maria, lijkt voor hem een innerlijke realiteit. Hij voelt zich daarmee zo intiem verbonden, dat hij erin over lijkt te gaan. Zo lijkt hij afstand te nemen en  wordt hij bevrijd van een breed scala van angstige en droeve gevoelens. Hij is daar kennelijk doorheen  gegaan in een louteringsproces, dat  hij heeft hij doorgemaakt bij het rouwproces na de dood van zijn geliefde verloofde Sophie en zijn lievelingsbroer Erasmus in het voorjaar van 1797. Dit heeft hij beschreven in zijn dagboeken en in de derde hymne aan de nacht, zie Civis Mundi nr 35.

Aanvankelijk wilde Novalis haar achterna en ook sterven, zoals we weleens bij bejaarde echtparen zien die niet lang na elkaar overlijden. Niet door suïcide, maar door de wens om te sterven.

Toen Novalis zich herstelde na het rouwproces, hoefde hij niet meer te sterven. Hij voelde een transcendent en bovenzinnelijk aandoende aanwezigheid van Sophie, die overging in Christus en Maria, zoals hij in zijn gedichten en dagboeken beschrijft. In de Geestelijke Liederen lijkt Sophie verdwenen en te hebben plaatsgemaakt voor Christus, in wie zij lijkt opgegaan. Vier jaar na de dood van Sophie is hij gestorven aan tuberculose, nadat hij enkele weergaloze literaire hoogtepunten van de Romantiek heeft nagelaten in deze korte tijd.

Zijn ervaringen na het overlijden van Sophie worden door O’Brien vrij nuchter en weinig mystiek, meer psychologisch geanalyseerd. Hij geeft toe dat mede door deze ervaringen, hoe we ze ook interpreteren, Novalis een groot en origineel dichter is geworden. Een mystiek dichter volgens Van der Leeuw,  Aalders en anderen (2). Wat betekent dat?

 

Kosmisch bewustzijn en Godsbewustzijn

Aan het eind van mijn boekbespreking van De leerlingen van Saïs van Novalis in nr 35 wordt verondersteld dat Novalis ervaringen beschrijft van kosmisch bewustzijn. Dat wil zeggen dat hij een kosmisch transcendente bewustzijn min of meer blijvend ervaart of daar vertrouwd mee is. Maharishi Mahesh Yogi onderscheidt diverse stadia van hoger bewustzijn (3). Na kosmisch bewustzijn komt Godsbewustzijn en daarna eenheidsbewustzijn, waarbij het transcendente bewustzijn niet alleen innerlijk wordt ervaren als innerlijke aanwezigheid, maar overal in alle dingen, ook in de buitenwereld. Godsbewustzijn is in zijn visie een overgangsfase, waarin het transcendente bewustzijn wordt ervaren als goddelijk persoon, bij hem Christus of Maria bij Novalis. Het ik-bewustzijn valt niet geheel samen met deze persoon, maar verenigt zich ermee in devotie en toegewijde liefde. Eerst wordt God als persoon bemind, als Jezus, Maria of een andere persoon, daarna in alles en iedereen.

Walter Stace (4) onderscheidt ‘introvertive mysticism’ van  ‘extrovertive mysticism’ op een wijze die overeenstemming vertoont met het onderscheid van Maharishi in het meer introverte kosmische bewustzijn en het meer extraverte eenheidsbewustzijn. Stace laat echter de extraverte fase vooraf gaan aan de introverte fase. Dit wijst erop dat deze fasen niet zo eenvoudig na elkaar zijn te plaatsen, zoals bij Maharishi, maar veeleer door elkaar en naast elkaar worden ervaren door talloze ‘verlichten’. Uit case studies blijkt dat ieder individueel proces van groei naar verlichting weer anders is en dat een volgorde van fasen niet eenduidig bij iedere verlichte wordt aangetroffen. Zo heeft Novalis ook zijn eigen ontwikkelingsproces, waarin verlichtingservaringen herkenbaar lijken.

Conform eerdere veronderstelling luidt de veronderstelling dat Novalis in de geestelijke liederen het proces van mystieke eenwording in Godsbewustzijn zou kunnen beschrijven. Vergelijkend onderzoek bij onder meer R M Bucke, W T Stace, Craig Pearson en vele anderen, gaat dit bestek te buiten (5).

Er zit dus meer in deze liederen dan het lijkt. Het is geen aftands volkomen verouderd genre uit een voorbije tijd waarin religie nog bezielde en de toon aangaf. De poëzie van mystieke dichters trotseert de tijd, zoals de Perzische islamitische dichter Jalal ad-din Rumi, die ‘razend’ populair is in de VS (6) en de Indiase  dichters Kabir en de Nobelprijswinnaar Rabindranath Tagore, die door Frederik van Eeden zijn  vertaald, en vele andere grote dichters zoals, Dante, Shakespeare, Goethe, Wordsworth en Blake. Zo reikt ook de poëzie van Novalis naar de eeuwigheid in onvergankelijke schoonheid, die tevens de ‘couleur locale’ draagt van zijn tijd en zijn christelijke opvoeding bij de Hernhutters. Ondanks zijn Rooms-katholieke sympathieën, die blijken in De christenheid of Europa, had Novalis geen animo om zich te bekeren tot het katholieke geloof, zoals later zijn vrienden Friedrich Schlegel en Ludwig Tieck. Hij verdiepte zich wel in de mystiek van onder meer Jacob Böhme en Spinoza.

 

Novalis was geen ‘zwever’

Novalis was een technisch en wetenschappelijk onderlegd mijningenieur, die naast zijn werk veel schreef. Hij was geen ‘zwever’. Hij zal meestal van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat hebben gewerkt en gestudeerd, behalve in genoemde rouwperiode. Anders zou hij toen hij stierf op 28 jarige leeftijd in 1801 geen vijf delen met Verzamelde Werken geschreven kunnen hebben. Deze werken bestaan vooral  uit wetenschappelijke en filosofische aantekeningen, niet uit literaire werken. Zijn gedichten vormen een klein gedeelte, maar zijn wel het meest bekend.

Novalis was veel meer dan een dichter, zoals hij ook meer was dan een christen. Hij was een veelzijdig genie en een innemend mens. Zo wordt hij beschreven door zijn eerste biograaf, mentor en collega jurist Kreisambtman Coelestin August Just en door zijn vrienden. Collega en biograaf Ludwig Tieck typeert hem zo: “Hij sprak levendig en luid, met grote gebaren. Ik heb hem nooit moe gezien… Verveling kende hij niet. Ook in bedrukkende, middelmatige gezelschappen ontdekte hij iemand die hem nieuwe kennis meedeelde, hoe eenvoudig ook. Door zijn vriendelijkheid en openheid was hij alom geliefd” (7).

De taal waarin hij schrijft is voor velen niet meer van deze tijd.  Maar de gevoelens van toewijding die hij beschrijft blijken van alle tijden te zijn. Ook van deze tijd waarin internet oppermachtig is en als ander een soort kosmisch bewustzijn God verdrongen lijkt te hebben. De zinnebeelden van Jezus als redder en bevrijder en Maria als een soort moedergodin zijn van alle tijden (8). De website Badgap of Buddha at the Gaspump van Rick Archer laat zien dat dergelijke geestelijke ervaringen ook kunnen optreden bij mensen zonder enige religieuze achtergrond, bij wie een dieper of hoger bewustzijn doorbreekt, zoals dat bij Novalis het geval leek te zijn.

 

Universele betekenis van het christendom

Bij Novalis komt een universele inhoud van het christendom tot leven, zoals ook bij grote mystici en heiligen, volgens de beschrijving van genoemde auteurs. Het christendom lijkt niet te hebben afgedaan, zoals bijvoorbeeld Nietzsche te kennen lijkt te geven, net zomin als andere religies. Het dient een herinterpretatie te ondergaan, een ‘Umwertung’ of herwaardering (9) van de waarden-volle inhoud, die onder meer door Novalis wordt beschreven. Daarbij is het belangrijk door de woorden en de symboliek heen te kunnen kijken en voelen, zodat de innerlijke en universele werkelijkheid voelbaar wordt, die Novalis beschrijft in zijn geestelijke liederen en andere werken, die eerder zijn besproken.

De beeldentaal van Novalis hoeven we niet letterlijk te nemen, maar als allegorische voorstelling van een innerlijk gebeuren, zoals bij sprookjes en mythen. Novalis wordt beschouwd als een grondlegger van het symbolisme voor die term er was, avant la lettre, waarbij symbolen verwijzen naar een niet-zintuiglijke wereld. Het symbool geeft een onzichtbare werkelijkheid weer (2).

Zo kunnen we ook de christelijke symboliek in deze geestelijke liederen beschouwen. Novalis vertelt in de culturele context van het christendom op zijn manier het verhaal van geestelijke bevrijding en verlichting vanuit een niet-zintuiglijke kosmische werkelijkheid die in hem ontwaakt. De universele inhoud van het christendom, ontdoet het niet van een specifieke betekenis waarin het christendom zich onderscheidt van andere religies. De liederen passen niet in christelijke dogmatiek, schrijft Schulz (7b, p 131). Novalis benadrukt het universele in specifiek christelijke termen, zonder zich daartoe te beperken.

Hij wilde het christendom hervormen tot een bezielde religie met behoud van de christelijke symboliek, met zijn geestelijke liederen als een begin. Symboliek heeft bij Novalis een werkelijkheidskarakter en (her)schept de werkelijkheid. Symboliek en werkelijkheid gaan in elkaar over, zoals poëzie, religie en magie. In andere werken gebruikt Novalis symbolen uit andere hem bekende culturen. Hij had een interculturele mondiale visie met oog voor het universele, archetypische, zoals later de dieptepsychologie van Jung.

 

Datering en ontstaan

De Geestelijke liederen zijn voor het merendeel geschreven in de tweede helft van 1799, de laatste vijf in 1800. Dus voor en na zijn Hymnen aan de nacht en De christenheid of Europa, na De leerlingen te Saïs uit 1798 en voor en na zijn roman Heinrich von Ofterdingen, waarmee hij eind 1799 begon. Deze werken zijn eerder toegelicht. In de laatste vijf liederen is de invloed van de mysticus Jacob Böhme merkbaar. die hij in 1800 bestudeerde. Verder is de invloed van de visie van onder meer zijn vriend en collega schrijver Friedrich Schlegel en de theoloog Schleiermacher merkbaar, maar vooral van de piëtistische Hernnhüters, via zijn vader. De liederen zijn opgenomen in kerkelijke zangbundels, sommige tot voor kort. Er is een anekdote dat zijn vader vraagt wie de dichter is van het prachtige lied dat hij heeft gezongen. “Diep geroerd verneemt hij het antwoord: ‘Uw zoon’,” aldus Schulz (1b, p 645).

 

Goethe en Novalis

Novalis begon zijn Geestelijke Liederen na de tweede ontmoeting met Goethe in juli 1799. Hij heeft ze bij tijd en wijlen tussen de bedrijven door geschreven gedurende ongeveer een jaar. Er zijn geen aanwijzingen van een directe invloed van Goethe, zoals bij zijn roman en zijn verhaal De leerlingen te Saïs, waarbij Goethe model gestaan zou hebben voor de leermeesters. Met de gebroeders Schlegel had Goethe meer contact dan met Novalis. Aan zijn bevriende leraar Schiller schrijft Novalis dat Goethe bij de eerste ontmoeting eind maart 1798 “niet in de gewenste stemming was”. Goethe had zijn verloofde Sophie von Kühn in 1797 bezocht op haar ziekbed uit medemenselijkheid. Penelope Fitzgerald beschrijft dit  aandoenlijk in haar biografische roman De blauwe bloem, zie ook Schulz (7b, p 90, 73, 59).

Goethe had het te druk met zijn eigen beroemdheid, die mogelijk niet vrij was van enige zelfgenoegzaamheid, om het aanstormende talent van de Romantiek veel aandacht te kunnen geven, hoewel hij daarvan zelf de voorloper was. De gedichten van Novalis zijn verwant met de latere gedichten van Goethe, de Spätlyriek  en West-Östliches Divan, zoals Selige Sehnsucht, Eins und Alles, Vermächtnis en de Mariënbader elegie, zie mijn artikel over Faust in Civis Mundi nr 34. Novalis wilde in zijn roman Goethe overtreffen. Evenals zijn roman zijn de Geestelijke liederen van  Novalis meer romantisch en intiem, lyrisch en gevoelvol, uitgesproken religieus en mystiek. Friedrich Schlegel noemt deze poëzie “het goddelijkste dat hij tot dusver heeft voortgebracht… met niets anders overeenstemmend dan de meest intieme en diepste vroege gedichten van Goethe” (7b, p 124).

We hebben het hier over de grootste dichters en  “de grootste gedichten uit de wereldliteratuur,” volgens de Persoonlijke voorkeur van J C Bloem (p 118,121). Als hij langer had geleefd, was hij Goethe (verder) voorbij gestreefd. Eigenlijk zijn het moeilijk vergelijkbare grootheden waarin zich een veranderende tijdgeest uitdrukt met een eigen persoonlijke zeggingskracht. Ook filosofisch en wetenschappelijk bezien kon Novalis zich met Goethe meten, die hij als zijn leermeester beschouwde, evenals Fichte en Schiller. Als student had hij zijn geliefde leraar Schiller op zijn ziekbed verzorgd. Maar Schiller en Goethe overleefden hem in ruime mate.

 

Bezielde romantische lyriek

De vroege Romantiek breekt bij Novalis in volle glorie weergaloos door en vindt zijn “zuiverste en diepste expressie… in diep doorvoelde, ritmisch prachtig bezielde taal. Zwaarmoedig en dromerig, maar ook in “enkele volmaakte levensblije verzen… Steeds leidde bij Novalis een ‘geheimzinnige weg naar binnen’.., persoonlijk verbonden met mystieke diepzinnigheid, geniale intuïtie en een dichterlijk-visionaire kracht die alles tot magische ervaring herschept… ‘Wij dromen van reizen door het heelal: is het heelal soms niet in ons?’… De blauwe bloem is bij hem het zinnebeeld van het oneindig heimwee naar de geheimrijke, alles verenigende en doorstralende oergrond,” aldus literatuurhistoricus Fritz Martini (10).

 

I.

Was wär ich ohne dich gewesen?
Was würd ich ohne dich nicht sein?
Zu Furcht und Ängsten auserlesen
Ständ ich in weiter Welt allein.

Nichts wüßt ich sicher, was ich liebte,
Die Zukunft wär ein dunkler Schlund;
Und wenn mein Herz sich tief betrübte,
Wem tät ich meine Sorge kund?

Einsam verzehrt von Lieb und Sehnen,
Erschien mir nächtlich jeder Tag;
Ich folgte nur mit heißen Tränen
Dem wilden Lauf des Lebens nach.

Ich fände Unruh im Getümmel,
Und hoffnungslosen Gram zu Haus.
Wer hielte ohne Freund im Himmel
Wer hielte da auf Erden aus?

Hat Christus sich mir kund gegeben,
Und bin ich seiner erst gewiß,
Wie schnell verzehrt ein lichtes Leben
Die bodenlose Finsternis.

Mit ihm bin ich erst Mensch geworden;
Das Schicksal wird verklärt durch ihn,
Und Indien muß selbst im Norden
Um den Geliebten fröhlich blühen.

Das Leben wird zur Liebesstunde,
Die ganze Welt sprücht Lieb und Lust.
Ein heilend Kraut wächst jeder Wunde,
Und frei und voll klopft jede Brust.

Für alle seine tausend Gaben
Bleib ich sein demutvolles Kind,
Gewiß ihn unter uns zu haben,
Wenn zwei auch nur versammelt sind.

O! geht hinaus auf allen Wegen,
Und holt die Irrenden herein,
Streckt jedem eure Hand entgegen,
Und ladet froh sie zu uns ein.

Der Himmel ist bei uns auf Erden,
Im Glauben schauen wir ihn an;
Die Eines Glaubens mit uns werden,
Auch denen ist er aufgetan.

Ein alter, schwerer Wahn von Sünde
War fest an unser Herz gebannt;
Wir irrten in der Nacht wie Blinde,
Von Reu und Lust zugleich entbrannt.

Ein jedes Werk schien uns Verbrechen,
Der Mensch ein Götterfeind zu sein,
Und schien der Himmel uns zu sprechen,
So sprach er nur von Tod und Pein.

Das Herz, des Lebens reiche Quelle,
Ein böses Wesen wohnte drin;
Und wards in unserm Geiste helle,
So war nur Unruh der Gewinn.

Ein eisern Band hielt an der Erde
Die bebenden Gefangnen fest;
Furcht vor des Todes Richterschwerte
Verschlang der Hoffnung Überrest.

Da kam ein Heiland, ein Befreier,
Ein Menschensohn, voll Lieb und Macht,
Und hat ein allbelebend Feuer
In unserm Innern angefacht.

Nun sahn wir erst den Himmel offen,
Als unser altes Vaterland,
Wir konnten glauben nun und hoffen,
Und fühlten uns mit Gott verwandt.

Seitdem verschwand bei uns die Sünde
Und fröhlich wurde jeder Schritt;
Man gab zum schönsten Angebinde
Den Kindern diesen Glauben mit;

Durch ihn geheiligt zog das Leben
Vorüber, wie ein selger Traum,
Und, ewger Lieb und Lust ergeben,
Bemerkte man den Abschied kaum.

(…)

Wat zou ik zonder jou geweest zijn?
Wat zou ik zonder jou geworden zijn?
Ten prooi aan angst en vrees
stond ik in deze wereld heel alleen

Niets was mij meer vertrouwd
De toekomst was een diep ravijn
Mijn hart was nog in diepe rouw
Bij wie kon ik mijn zorgen kwijt?

Eenzaam en verteerd door liefde en verlangen
trok ik somber door de donkere dagen
Het leven in zijn wilde gangen
volgde ik alleen met hete tranen

Ik had last van onrust in een wild gewemel
En hopeloos bedroefd zat ik in huis
Wie houdt het zonder vrienden in de hemel
wie houdt het zo op aarde uit?

Toen ik van Christus had vernomen
ben ik hem zeer nabij gekomen
De bodemloze duisternis werd snel verlicht
opgeheven door een stralend levend licht

Door hem ben ik pas mens geworden
Mijn lot werd ook door hem verlicht
En India bloeit zelfs in het Noorden
door de Geliefde blij in het licht

Het hele leven werd een tijd van liefde
De wereld spreekt van vreugde en van liefde
Er is een helend kruid voor iedere smart
en vrij en vol klopt ieder hart

Door al zijn gaven en zijn goed
blijf ik een kind vol deemoed
Als wij tezamen zullen komen
zal hij zeker bij ons wonen

O, ga vooruit op alle wegen
en kom de dwalenden daar tegen
Strek je handen naar hen uit
Nodig hen blijmoedig uit

De hemel is op aarde ons nabij gekomen
We zien het door erin te geloven
Dat geldt voor al degenen
die dit met ons delen

Een oude zware donkere waan
van zonde verhardde ons donkere bestaan
Als een blinde doolden wij toen door de nacht
die tegelijk naar berouw en vreugde smacht

Dergelijk doen en laten leek een misdaad
waardoor de mens Gods vijand zou zijn
En de hemel leek ons toen een weldaad
Zo sprak men toen van dood en pijn

Het hart, de rijke bron van leven
werd bewoond door een boosaardig wezen
En werd onze geest door vuur verlicht
dan leidde dat alleen tot onrust

Gevangenen werden toen bevend
met ijzeren band aan de aarde geketend
Vrees voor het oordeel na de dood
was wat er overbleef van hoop

Een redder, een bevrijder kwam
Een mensenzoon vol liefde en vol kracht
Hij heeft een aldoordringende vlam
in ons innerlijk tot leven gebracht

Toen ging voor ons de hemel open
ons vertrouwde oude vaderland
Wij konden slechts geloven en hopen
en voelden ons ook met God verwant

Sindsdien verdween bij ons de zonde
Blijmoedig werd toen iedere stap op aarde
werden er kostbare geloofswaarden
aan ieder mensenkind geschonken

Daardoor geheiligd begaf het leven
zich als in een zalige droom door de tijd
Er werd vreugde en liefde gegeven
Men merkte haast niet meer het afscheid
(…)

Rembrandt

II.

Fern im Osten wird es helle,
Graue Zeiten werden jung;
Aus der lichten Farbenquelle
Einen langen tiefen Trunk!
Alter Sehnsucht heilige Gewährung,
Süße Lieb in göttlicher Verklärung!
 
Endlich kommt zur Erde nieder
Aller Himmel selges Kind,
Schaffend im Gesang weht wieder
Um die Erde Lebenswind,
Weht zu neuen ewig lichten Flammen
Längst verstiebte Funken hier zusammen.
 
Überall entspringt aus Grüften
Neues Leben, neues Blut;
Ewgen Frieden uns zu stiften,
Taucht er in die Lebensflut;
Steht mit vollen Händen in der Mitte,
Liebevoll gewärtig jeder Bitte
(…)
Unser ist sie nun geworden,
Gottheit, die uns oft erschreckt,
Hat im Süden und im Norden
Himmelskeime rasch geweckt,
Und so laßt im vollen Gottes-Garten,
Treu uns jede Knosp und Blüte warten.

Ver in het Oosten komt de morgenstond
Grauwe oude tijden worden jong
Met een lange diepe teug
uit de bron van licht en kleur
wordt een oud verlangen naar genade
lieflijk zoet in goddelijke extase
 
Eindelijk daalt een zalig kind
uit de hemel op de aarde neer
Overal op aarde waait nu weer
een leven scheppende zingende wind
Uiteengestoven vonken verenigen
zich weer sinds lange tijd geleden
 
Overal ontspringt uit diepe groeven
nieuw leven en nieuw bloed
Om eeuwig vrede te stichten
duikt het in de levensvloed
Komt met volle handen in ons midden
liefdevol en open voor ieder verzoek
(…)
De godheid is nu één van ons geworden
Vaak deed hij ons vroeger huiveren
Hij heeft in het Zuiden en het Noorden
hemelse kiemen doen ontspruiten
Zo wacht ons in de tuin van God
trouwhartig iedere kiemende knop

 
 

III.

Wer einsam sitzt in seiner Kammer,
Und schwere, bittre Tränen weint,
Wem nur gefärbt von Not und Jammer
Die Nachbarschaft umher erscheint;
 
Wer in das Bild vergangner Zeiten
Wie tief in einen Abgrund sieht,
In welchen ihn von allen Seiten,
Ein süßes Weh hinunter zieht;
 
Es ist, als lägen Wunderschätze
Da unten für ihn aufgehäuft,
Nach deren Schloß in wilder Hetze
Mit atemloser Brust er greift.
 
Die Zukunft liegt in öder Dürre
Entsetzlich lang und bang vor ihm,
Er schweift umher, allein und irre,
Und sucht sich selbst mit Ungestüm.
 
Ich fall ihm weinend in die Arme:
Auch mir war einst, wie dir, zumut,
Doch ich genas von meinem Harme,
Und weiß nun, wo man ewig ruht.
(…)
Was du verlorst, hat er gefunden;
Du triffst bei ihm, was du geliebt:
Und ewig bleibt mit dir verbunden,
Was seine Hand dir wiedergibt.

Wie eenzaam op een kamer woont
en droevig bittere tranen schreit
en slechts getergd door zorg en nood
om hem heen in de omgeving kijkt
 
Wie herinneringen van voorbije tijden
als een beeld in een ravijn bekijkt
in een diepte waar van alle zijden
zich een zoete weemoed naar hem neigt
 
Het is alsof er wonderbare schatten
daar beneden voor hem wachten
die hij ademloos, jagend en jachtend
als een luchtkasteel probeert te vatten
 
Een lege en dorre toekomst ligt in het verschiet
weerzinwekkend lang en angstig vol verdriet
Eenzaam en gekweld dwaalt hij in het rond
Onstuimig zoekt hij in zichzelf naar vaste grond
 
Ik val hem in de armen door verdriet gekweld
Ook ik werd ooit getroffen door gemis
Maar ik ben van mijn leed hersteld
en weet nu waar mijn vrede is
(…)
Wat jij verloor, heeft hij gevonden
Je krijgt van hem wat jij verlangt
Eeuwig blijft met jou verbonden
wat je uit zijn hand ontvangt

VI.

(…)
Wenn ich ihn nur habe,
Hab ich auch die Welt;
Selig, wie ein Himmelsknabe,
Der der Jungfrau Schleier hält.
Hingesenkt im Schauen
Kann mir vor dem Irdischen nicht grauen.
 
Wo ich ihn nur habe,
Ist mein Vaterland;
Und es fällt mir jede Gabe,
Wie ein Erbteil in die Hand:
Längst vermißte Brüder
Find ich nun in seinen Jüngern wieder.

(…)
Als hij maar bij mij is
is er in mijn wereld geen gemis
Zalig als een hemelse jongeman
die de sluier van de jonkvrouw vat
diep verzonken in aanschouwen
kan mij dan het aardse niet benauwen
 
Waar ik maar bij hem kan zijn
daar is dan mijn vaderland
Elke gave die ik daar geschonken krijg
valt mij als een erfdeel in de hand
Broeders die ik lang gemist heb
vind ik terug als leerlingen van hem


VII.

Tot, was kann, was soll das heißen?
O! so sagt mir doch ihr Weisen,
Sagt mir diese Deutung an.
Er ist stumm, und alle schweigen,
Keiner kann auf Erden zeigen,
Wo mein Herz ihn finden kann.
 
Nirgend kann ich hier auf Erden
Jemals wieder glücklich werden,
Alles ist ein düstrer Traum.
Ich bin auch mit ihm verschieden,
Läg ich doch mit ihm in Frieden
Schon im unterirdischen Raum.
(…)
Wenn sie seine Liebe wüßten,
Alle Menschen würden Christen,
Ließen alles andre stehn;
Liebten alle nur den Einen,
Würden alle mit mir weinen
Und in bitterm Weh vergehn.

Dood, wat is de zin daarvan?
O, zeg mij toch de zin ervan
Zeg mij dan je zin op eigen wijze
Maar hij hult zich sprakeloos in zwijgen
Niemand krijgt van hem een hint
waar mijn hart Hem vindt
 
Op deze wereld kan ik nergens
ooit gelukkig worden, nergens
Alles is een donkere droom
Alles is mij vreemd en ongewoon
Lag ik maar met hem in vrede
onder in de aarde diep beneden
(…)
Als zij van zijn liefde wisten
werden alle mensen christen
Zij lieten al het andere dan staan
Zij gaven enkel om de Ene
Allen zouden met mij wenen
en in bittere smart vergaan
 

 

VIII.

Ich weiß nicht, was ich suchen könnte,
Wär jenes liebe Wesen mein,
Wenn er mich seine Freude nennte,
Und bei mir wär, als wär ich sein.
 
So Viele gehn umher und suchen
Mit wild verzerrtem Angesicht,
Sie heißen immer sich die Klugen,
Und kennen diesen Schatz doch nicht.
 
Der Eine denkt, er hat’s ergriffen,
Und was er hat, ist nichts als Gold;
Der will die ganze Welt umschiffen,
Nichts als ein Name wird sein Sold.
 
Der läuft nach einem Siegerkranze
Und Der nach einem Lorbeerzweig,
Und so wird von verschiednem Glanze
Getäuscht ein jeder, keiner reich.
(…)
Du gibst mir meine Lieben wieder,
Du bleibst in Ewigkeit mir treu,
Anbetend sinkt der Himmel nieder,
Und dennoch wohnest du mir bei.

Ik weet niet waar ik zoeken moet
Alsof ik hem in wezen als mijzelf ken
Als hij mij liefdevol zijn vreugde noemt
dan is het of ik al bij hem ben
 
Bij zovelen die langs vele wegen zoeken
met gezichten strak en wild vertrokken
blijft de schat aan hun gezicht onttrokken
terwijl zij zich op hun verstand beroepen
 
Eén van hen denkt dan dat hij het vat
Het is maar klatergoud wat hij dan had
Hij streeft naar wereldwijde faam
Maar wat hij krijgt is slechts een naam
 
De een zoekt naar een zegekrans
de ander naar een lauwerkrans
Door steeds een andere glans bedrogen
vergaart zo toch niemand een vermogen
(…)
Jij geeft mijn  liefde weer aan mij
Jij blijft eeuwig trouw aan mij
Ik vraag de hemel zich naar mij te neigen
Want daar ben jij mij toch zo eigen

 

IX.

Ich sag es jedem, daß er lebt
Und auferstanden ist,
Daß er in unsrer Mitte schwebt
Und ewig bei uns ist.
 
Ich sag es jedem, jeder sagt
Es seinen Freunden gleich,
Daß bald an allen Orten tagt
Das neue Himmelreich.
 
Jetzt scheint die Welt dem neuen Sinn
Erst wie ein Vaterland;
Ein neues Leben nimmt man hin
Entzückt aus seiner Hand.
 
Hinunter in das tiefe Meer
Versank des Todes Graun,
Und jeder kann nun leicht und hehr
In seine Zukunft schaun.
 
Der dunkle Weg, den er betrat,
Geht in den Himmel aus,
Und wer nur hört auf seinen Rat,
Kommt auch in Vaters Haus.
 
Nun weint auch keiner mehr allhie,
Wenn Eins die Augen schließt,
Vom Wiedersehn, spät oder früh,
Wird dieser Schmerz versüßt.
(…)
Er lebt, und wird nun bei uns sein,
Wenn alles uns verläßt!
Und so soll dieser Tag uns sein
Ein Weltverjüngungs-Fest.

Ik zeg een ieder dat hij leeft
en dat hij opgestaan is
dat hij in ons midden zweeft
en eeuwig bij ons is
 
Ik zeg het iedereen, een ieder praat
erover met al zijn vrienden tegelijk
dat nu het nieuwe hemelrijk
op alle plaatsen dagen gaat
 
De wereld schijnt nu vol met nieuwe zin
zoals ooit ons oude vaderland
Ons leven krijgt een nieuw begin
betoverd door zijn hand
 
Verzonken in de diepte van de zee
is de dodelijke huivering geweken
Een ieder zit het nu weer mee
en ziet een grootse toekomst in zijn leven
 
De donkere weg die hij begaat
komt in de hemel uit
Wie luistert naar zijn raad
komt in zijn Vaders huis
 
Nu huilt hier niemand meer
Bij wie ooit de moede ogen dicht doet
wordt door het weerzien als weleer
de smart verzacht en zoet
(…)
Hij leeft en zal bij ons zijn
als alles ons verlaat
Zo zal ons deze dag zijn:
een wereld in verjongde staat

X.

Wo bleibst du Trost der ganzen Welt?
Herberg ist dir schon längst bestellt.
Verlangend sieht ein jedes dich,
Und öffnet deinem Segen sich.
(…)
In kühlen Strömen send ihn her,
In Feuerflammen lodre er,
In Luft und Öl, in Klang und Tau
Durchdring er unsrer Erde Bau.
(…)
Die Erde regt sich, grünt und lebt,
Des Geistes voll ein jedes strebt
Den Heiland lieblich zu empfahn
Und beut die vollen Brüst ihm an.
(...)
Die Augen sehn den Heiland wohl,
Und doch sind sie des Heilands voll,
Von Blumen wird sein Haupt geschmückt,
Aus denen er selbst holdselig blickt.
 
Er ist der Stern, er ist die Sonn,
Er ist des ewgen Lebens Bronn,
Aus Kraut und Stein und Meer und Licht
Schimmert sein kindlich Angesicht.
 
In allen Dingen sein kindlich Tun.
Seine heiße Liebe wird nimmer ruhn,
Er schmiegt sich seiner unbewußt
Unendlich fest an jede Brust.
 
Ein Gott für uns, ein Kind für sich
Liebt er uns all herzinniglich,
Wird unsre Speis und unser Trank,
Treusinn ist ihm der liebste Dank.
(…)

Waar blijft jij die de hele wereld troost?
Die hier sinds lang een onderkomen koos
Die een ieder met jouw zegening verrijkt
die vol verlangen naar jou uitkijkt
(…)
Laat hem door koele stromen gaan
Door vlammend vuur volgt hij zijn baan
In lucht en etherolie, klank en damp en dauw
doordringt hij overal ons aards gebouw
(…)
De aarde roert zich, groeit en leeft
vervuld van geest en ieder streeft
er liefdevol naar om de redder te ontvangen
en neigt zijn hart naar hem in diep verlangen
(…)
Helder zien de ogen de bevrijder
terwijl zij naar de redder kijken
Door bloemen wordt zijn hoofd gesierd
van waaruit het leven lieflijk wordt bestiert
 
Hij is de ster, hij is de zon
Hij is de eeuwige levensboom
Vanuit struiken, stenen, zeeën, licht
glanst zijn jeugdig aangezicht
 
In alle dingen toont zich zijn jeugdig elan
warme liefde die ons nooit verlaten kan
Hij neigt zich naar een ieder onbewust
zodat hij oneindig dicht aan ieders hart rust
 
Voor ons een God en voor zichzelf een kind
dat met heel zijn hart ons diep bemint
wordt hij ons tot spijs en drank
met onze trouw als meest geliefde dank
(…)

 
Rembrand , Geboorte van Jezus en portret

XI.

Es gibt so bange Zeiten,
Es gibt so trüben Mut,
Wo alles sich von weiten
Gespenstisch zeigen tut.
 
Es schleichen wilde Schrecken
So ängstlich leise her,
Und tiefe Nächte decken
Die Seele zentnerschwer.
 
Die sichern Stützen schwanken,
Kein Halt der Zuversicht;
Der Wirbel der Gedanken
Gehorcht dem Willen nicht.
 
Der Wahnsinn naht und locket
Unwiderstehlich hin.
Der Puls des Lebens stocket,
Und stumpf ist jeder Sinn.
 
Wer hat das Kreuz erhoben
Zum Schutz für jedes Herz?
Wer wohnt im Himmel droben,
Und hilft in Angst und Schmerz?
 
Geh zu dem Wunderstamme,
Gib stiller Sehnsucht Raum,
Aus ihm geht eine Flamme
Und zehrt den schweren Traum.
 
Ein Engel zieht dich wieder
Gerettet auf den Strand,
Und schaust voll Freuden nieder
In das gelobte Land.

Er zijn nu bange uren
bedrukt door een droef gemoed
Wij moeten het verduren
hoe spookachtig het ook aandoet
 
Wilde verschrikkingen bekruipen
ons vreeswekkend hier en daar
Een diepe nachtelijke huiver
bedrukt de ziel loodzwaar
 
De vaste steunpilaren wijken
Niemand kan vertrouwen schenken
De wervelingen van het denken
willen zich niet naar ons neigen
 
De waanzin nadert en lokt
onweerstaanbaar binnenin
De puls van onze levensader stokt
verstoken van iedere zin
 
Wie heeft het kruis omhoog geheven
ter bescherming van een ieders hart?
Wie woont er bovenin de hemel
en helpt bij angst en smart?
 
Ga  naar de wonderbare stam
Geef ruimte aan een stil verlangen
Van daaruit gaat een vlam
en die verteert de droom van angst
 
Een engel toont zich weer
Gered op het strand
kijkt hij vol vreugde neer
naar het beloofde land


                 

XII. Marialied

Ich sehe dich in tausend Bildern,
Maria, lieblich ausgedrückt,
Doch keins von allen kann dich schildern,
Wie meine Seele dich erblickt.
 
Ich weiß nur, daß der Welt Getümmel
Seitdem mir wie ein Traum verweht,
Und ein unnennbar süßer Himmel
Mir ewig im Gemüte steht.

Ik zie jou in duizend beelden
Maria, lieflijk uitgebeeld
Maar geen van alle kan verbeelden
hoe mijn ziel zich jou verbeeldt
 
Ik weet alleen dat al het wereldse gewemel
sindsdien aan mij voorbij gaat
en een onnoembaar zoete hemel
mij eeuwig in mijn ziel te wachten staat


XIII. Marialied

Wer einmal, Mutter, dich erblickt,
Wird vom Verderben nie bestrickt,
Trennung von dir muß ihn betrüben,
Ewig wird er dich brünstig lieben
Und deiner Huld Erinnerung
Bleibt fortan seines Geistes höchster Schwung.
 
Ich mein es herzlich gut mit dir,
Was mir gebracht, siehst du in mir.
Laß, süße Mutter, dich erweichen,
Einmal gib mir ein frohes Zeichen.
Mein ganzes Dasein ruht in dir,
Nur einen Augenblick sei du bei mir.
 
Oft, wenn ich träumte, sah ich dich
So schön, so herzensinniglich,
Der kleine Gott auf deinen Armen
Wollt des Gespielen sich erbarmen;
Du aber hobst den hehren Blick
Und gingst in tiefe Wolkenpracht zurück;
(…)
Du weißt, geliebte Königin,
Wie ich so ganz dein eigen bin.
Hab ich nicht schon seit langen Jahren
Im stillen deine Huld erfahren?
Als ich kaum meiner noch bewußt,
Sog ich schon Milch aus deiner selgen Brust.
 
Unzähligmal standst du bei mir,
Mit Kindeslust sah ich nach dir,
Dein Kindlein gab mir seine Hände,
Daß es dereinst mich wieder fände;
Du lächeltest voll Zärtlichkeit
Und küßtest mich, o himmelsüße Zeit!
(…)
Darf nur ein Kind dein Antlitz schaun,
Und deinem Beistand fest vertraun,
So löse doch des Alters Binde,
Und mache mich zu deinem Kinde:
Die Kindeslieb und Kindestreu
Wohnt mir von jener goldnen Zeit noch bei.

Wie eenmaal, Moeder, naar jou blikt
wordt niet meer door verderf gestrikt
Van jou scheiden zou hem zeer bedroeven
Eeuwig wil hij passievol bij jou vertoeven
En de herinnering aan jouw genade
brengt hem dan permanent in alle staten
 
Ik meen het goed met jou
Jij ziet al mijn gebreken
Laat u vertederen, o lieve zoete Vrouw
Geef mij eens opgewekt een teken
Mijn hele leven rust in jou
Ik verlang zo naar een ogenblik bij jou
 
Vaak zag ik jou in dromen weer
Zo hartroerend mooi en teer
Met de kleine Jezus in je armen
wilde jij je over je makkers erbarmen
Maar jij verhief aanbiddelijk je gezicht
en keerde in de wolken terug in het licht
(…)
Je weet, geliefde koningin
hoe diep ik jou bemin
Heb ik vanaf mijn eerste jaren
in stilte niet jouw gunst ervaren?
Toen ik bijna onbewust
melk zoog uit jouw borst
 
Ontelbaar malen stond ik al bij jou
Met kinderlijke vreugde zag ik jou
Jouw kind heeft mij zijn hand gereikt
waardoor hij mij weer teder heeft bereikt
Jij glimlachte mij toe vol tederheid
en kuste mij:  dat was een hemelse tijd!
(…)
Laat nu dit kind jouw aangezicht aanschouwen
en in jouw bijstand vast op jou vertrouwen
Zo verlos ik mij van wat mij bindt
en maak ik mij zo tot jouw kind
Kinderliefde, kindertrouw bleef altijd
nog mij bij sinds die oude gouden tijd

XIV.

Wenn in bangen trüben Stunden
Unser Herz beinah verzagt,
Wenn von Krankheit überwunden
Angst in unserm Innern nagt;
 
Wir der Treugeliebten denken,
Wie sie Gram und Kummer drückt,
Wolken unsern Blick beschränken,
Die kein Hoffnungsstrahl durchblickt:
 
O! dann neigt sich Gott herüber,
Seine Liebe kommt uns nah,
Sehnen wir uns dann hinüber
Steht sein Engel vor uns da,
 
Bringt den Kelch des frischen Lebens,
Lispelt Mut und Trost uns zu;
Und wir beten nicht vergebens
Auch für die Geliebten Ruh.

Als in bange droeve uren
ons hart het zwaar krijgt te verduren
als door ziekte haast verslagen
angst en vrees ons innerlijk belagen
 
Als zorg en aandacht naar geliefden gaan
bij wie kommer en verdriet toeslaan
Als dichte wolken onze blik beperken
waar geen straal van hoop zich door kan werken
 
O, dan neigt zich God naar ons
en zijn liefde komt tot ons
waar ons verlangen naar uitgaat
en waar zijn engel voor ons staat
 
Waar de kelk van het nieuwe leven
moed en troost aan ons kan geven
daar vragen wij niet tevergeefs
dat u de geliefden vrede geeft

 

 

 Rembrandt, Christus en de Emmausgangers, 1648

 

Verantwoording

Er is gestreefd naar een zo letterlijk mogelijke en wenselijke vertaling in gangbaar Nederlands. Vermeden is dat het overkomt als vertaald Duits, door de nodige dichterlijke vrijheid te nemen in een vertaling als een nieuw gedicht. Het betreft een meer dan christelijk werk. Verouderde en weinig eigentijdse beladen woorden zoals heiland zijn vermeden door meer neutrale termen als redder en bevrijder te gebruiken.

Om te voorkomen dat thema’s zich te vaak herhalen, is een selectie gemaakt. Er zijn een aantal gedichten en strofen weggelaten, om het gehalte aan ‘kommer en kwel’ enigszins binnen de perken te houden. Dat geldt ook voor specifieke christelijke  thematiek, waarin door deze selectie ruimschoots is voorzien. De keuze is naar persoonlijke voorkeur.

Sporadisch is gebruik gemaakt van de vertaling van Novalis’ Geestelijke Liederen uit 1945 door Hendrik Theissen,  die is uitgegeven door Zwets en Zeitlinger te Amsterdam en de vertaling van twee geestelijke liederen door P C Boutens uit 1915 in Uren met Novalis: lied V en Xll, het Marialied. Deze vertalingen zijn echter weinig bruikbaar vanwege het zeer verouderde Nederlands en de zeer vrije vertaling. De vertaling is gebaseerd op G Schulz, Novalis Werke Studienausgabe. Zijn indeling is gevolgd en niet die van de Gutenberg editie op internet, waar bovenstaande Duitse tekst aan ontleend is. De indeling van de laatste liederen varieert in verschillende uitgaven van Novalis’werken.

De gedichten zijn vertaald op Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Paaszaterdag en met Pasen voltooid als passende dagen. De sterfdag van Novalis, 25 maart (1801) viel dit jaar op Goede Vrijdag.
 
Noten

1    A L Willson, A Mythical Image: The Ideal of India in German Romanticism, p 54 in G. Schulz, Novalis Werke, p 646 over de Geistliche Lieder

2    a. O’Brien, W. A., Signs of Revolution, Novalis, Duke University Press Durham & London 1995 hfst 2, gaat hier uitvoerig op in bij zijn poging tot ontmythologisering van Novalis. In  plaats van kosmisch bewustzijn heeft hij het over ‘hallucinatory wish-psychosis’ (p 62), wat betreft het zien van of de ontmoeting met Sophie bij haar graf. Hij heeft echter ook oog voor de zinnebeeldige betekenis, sublimering en ‘transfiguratie’ van Sophie tot Sophia, Xstus en de Heilige Maagd na de rouwverwerking en voor de psychische verandering of transformatie en ongekende scheppingskracht van literaire hoogtepunten.        b. G van der Leeuw, Novalis, Baarn 1943; W J Aalders, Groote mystieken, Baarn, 1913.

3    Zie Vernon Katz, Conversations with Maharishi, voor een overzicht hiervan, en Anthony  Campbell, The Seven States of Consciousness. Maharishi onderscheidt in De wetenschap van het Zijn en de kunst van het leven, p 259-266, het onpersoonlijke aspect van God en het persoonlijke aspect van God. Zie ook Craig Pearson, The Supreme Awakening: Experiences of Enlightenment Throughout Time, over vele schrijvers, dichters, filosofen, heiligen, mystici en wetenschappers zoals Einstein.

4    W T Stace, The Teachings of the Mystics en Philosophy and Mysticism

5    Richard Maurice Bucke. Cosmic Consciousness / Kosmisch bewustzijn. Deze Canadese psychiater beschrijft een bewustzijnstoestand waarbij men zich blijvend bewust is van de verenigende kosmische grond van het eigen menselijk bestaan en van de wereld in een soort eenheidservaring. De term kosmisch bewustzijn komt ook elders voor, onder meer in India en wordt verlichting genoemd. De beschrijving van Maharishi Mahesh Yogi, komt overeen met die van Bucke, die niet alleen zijn eigen ervaringen beschrijft, maar van diverse historische en eigentijdse personen, zoals bij Pearson.

6    Zie De Volkskrant 1 feb 1915, ‘Het beste tegengif is de Islam zelf.’ Een reportage over het Soefisme

7    Opgenomen in Hermann Hesse, Novalis: Dokumente seines Lebens und Sterbens, p 39-82. Zie ook Schulz, G., Novalis mit Selbstzeugnisse und Bilddokumenten, Hamburg, Rowohlt 1989.p 125

8    Joseph Campbell, De held met de duizend gezichten en Mythen en bewustzijn; Carl Gustav Jung, De mens en zijn symbolen en Archetypen. Rotterdam, Lemniscaat, 1966 en 2006.

9    F Nietzsche, Herwaardering van alle waarden / Umwertung aller Werte. Meppel, Boom, 1997. Zie ook Karl Jaspers, Nietzsche und das Christentum / Leonardo en Nietzsche

10  Fritz Martini, Duitse Letterkunde, p 346-48.