Culturele bloeiperiode van de vroege Islam

Civis Mundi Digitaal #39

door Hans Komen

De blauwe moskee in Istanboel

In onze huidige tijd trekken de oorlogen in het Midden-Oosten en vooral die van de Islamitische fundamentalisten sterk onze aandacht. In dit artikel wil ik laten zien dat ook de Islam een grote culturele bloei heeft gekend, zoals elke andere godsdienst of stroming. De geschiedenis laat zien dat dergelijke bloeiperiodes vaak weer vernietigd worden door de orthodoxe of fundamentalistische stromingen uit eigen kring of van buitenaf. Om een goed inzicht te krijgen in het ontstaan van de culturele opbloei van de Islam in de 10e t/m 13e eeuw is het van belang te weten in welke bedding de Arabieren terecht kwamen toen zij het Midden-Oosten veroverden. Het is onder historici altijd een grote vraag geweest hoe het mogelijk was dat zij in zo’n korte tijd twee wereldmachten in die regio konden overwinnen. 

Pestepidemieën en de ondergang van het Oost-Romeinse en Perzische rijk

In 541 brak aan de Middellandse zeekust een hevige pestepidemie uit die binnen een jaar het gehele Oost-Romeinse rijk en het Perzische rijk teisterde en als een pandemie wordt beschouwd. Vooral de zeer vele steden in het Oost-Romeinse rijk waren een gewillige prooi voor deze ziekte omdat ze zo vervuild waren. In 543 woedde de epidemie ook in een groot deel van Italië, Spanje en Gallië (Frankrijk). Het  Westen had weliswaar niet zulke enorme steden als het Oosten, maar viel er ook aan te prooi (1, p. 250). Vooral in Mesopotamië (het huidige Irak) woedde de pest langer dan in Alexandrië of Constantinopel. Nooit eerder in de geschiedenis was een zo’n groot deel van de mensheid verenigd door een gedeelde ervaring van hetzelfde leed. Het Oost-Romeinse rijk was wat zijn bestuur betreft afhankelijk van een omvangrijke bevolking om gezond te kunnen functioneren. In essentie was het een burgerstaat en als zodanig kon het niet floreren zonder een behoorlijk aantal belastingbetalers. Sinds de pestepidemie was dat aantal drastisch en onherstelbaar geslonken (1, p. 252). Niet alleen stierven vele duizenden burgers maar ook de soldaten die de grenzen van het Oost-Romeinse rijk moesten verdedigen.

In 559 stak een leger barbaren de bevroren Donau over en belegerde Constantinopel. Generaal Flavius Belisarius (500-565) had bij zijn laatste wanhopige poging Constantinopel te verdedigen slechts een paar honderd veteranen kunnen rekruteren en had zijn overwinning grotendeels te danken aan een zooitje bij elkaar gesprokkelde boeren en een hoop bluf. In 568 vielen de Longobarden vanuit het noorden Italië ongehinderd binnen en verdreven er de Oost-Romeinen vrijwel geheel. In 592 trokken de Slavische volken van de Awaren de Donau over en stroomden de Balkan binnen. Hoe vielen die rampzalige gebeurtenissen te verklaren? In zekere zin was het antwoord daarop heel eenvoudig. De nomaden waren grotendeels immuun gebleken voor de pest omdat ze niet op vaste plaatsen leefden. Het gevolg was dat ze er keer op keer achterkwamen, of ze nu de Donau overstaken of vanuit de Alpen binnenvielen, dat ze de plaatselijke garnizoenen geheel leeg of gedecimeerd aantroffen (1, p. 255).

In 600 keerde de pest in het Midden-Oosten weer in volle hevigheid terug, De Arabieren die voorbij de grenzen van het Oost-Romeinse rijk woonden waren grotendeels gespaard gebleven voor deze pestepidemieën. De ziekte greep minder gemakkelijk om zich heen in de woestijn dan in de straten van de overvolle vervuilde steden en dorpen. Het was nu meer dan een halve eeuw geleden dat de pest zich had aangekondigd en de Arabieren gingen er nog steeds vanuit dat het een ziekte was van ‘het land van de Romeinen’ (1, p. 257).

 

Arabische nomaden

In de decennia die volgden op het uitbreken van de pest kon er in elke geval weinig twijfel bestaan dat in het grensgebied voorbij het Heilige Land zich een onmiskenbare verschuiving in de machtsbalans was opgetreden. Niet alleen in het gebied van de Vruchtbare Sikkel, maar langs de hele zuidgrens van Carthago tot in Egypte. In Carthago hadden bezorgde verslaggevers opgemerkt dat de ooit ontelbare militaire eenheden van het rijk in aantal waren afgenomen, terwijl de pestepidemie de wraakzuchtige stammen volledig met rust hadden gelaten. Als gevolg daarvan begonnen de Berbers van Noord-Afrika een reële dreiging te vormen. Ook in Arabië hadden de woestijnnomaden, die de verwoestende plaag hadden overleefd, de ellende van de Romeinen als een buitenkans opgevat. Aan het eind van de zesde eeuw hadden hele volkstammen zich gevestigd tussen Palestina en de bovenkant van de Rode zee. Sinds de komst van de pest hadden de Romeinen hun militairen grotendeels teruggetrokken. Hoewel roofzuchtige nomaden heel lastig konden zijn, was de dreiging die ze vormden nauwelijks te vergelijken met die van het Sassanidische (Perzische) koningshuis. Alle middelen die het rijk kon opbrengen werden in de garnizoenen aan die oostelijke grens met Perzië gepompt (1, p. 261). Vanaf de wachttorens bezien mochten de Perzen dan nog altijd heel indrukwekkend lijken, in werkelijkheid was de erfenis van de pestepidemieën daar ook aanwezig. 

De Perzische aanval.

In 590 kwam een nieuwe heerser van de Perzen, de Sjah Khusro II (?-628), na een hevige binnenlandse strijd op de troon. Bij besloot in 603 dat de tijd was gekomen om zijn prestige op te vijzelen. Zonder oog te hebben voor de gevolgen van de pestepidemieën in zijn eigen rijk besloot hij de Romeinen aan te vallen, die in zijn ogen te zwak waren geworden. Na een hevige aanval in 610 had de stad Edessa zijn poorten opengezet voor de Perzen. Plotseling lagen behalve Syrië ook Anatolië en Palestina onbeschermd. Sinds de tijd van Perzische koning Cyrus had geen Perzische koning zo’n kans gehad op een westelijke zegetocht. Al plunderend en moordend viel een van zijn legers Anatolië binnen en brandde in 614 Efeze plat. Een tweede legermacht stootte door richting het zuiden. In 618 waren de Perzen heer en meester in Syrië, Palestina en Egypte. De verovering van Jeruzalem was kort, maar hevig. Deze plundering kostte vijftigduizend christenen het leven (1, p. 266).

Kaart van het oostelijk deel van Oost-Roemeinse rijk tijdens de Persische aanval

De Romeinse tegenaanval

De Oost-Romeinse keizer Heraclius (575-641) in Constantinopel besloot tot een tegenaanval. De tien jaar die de Khusro II had besteed aan het behalen van buitensporige overwinningen had Heraclius besteed aan het versterken van zijn machtsbasis. In 624 kon hij eindelijk de aanval inzetten zonder bang te hoeven zijn voor een dolksteek in de rug. Hij had zijn troepenmacht verzameld die in feite de laatste verdedigingslinie van zijn rijk was. Met niet meer dan zeventigduizend man. voor die tijd een heel klein leger, kon hij zich een directe aanval op de Perzen niet permitteren. Hij trok met dit leger naar de bovenloop van de Eufraat en de Tigris en van daaruit trok hij Mesopotamië in. Hij vernielde alles wat op zijn weg kwam, terwijl de Perzische legers aan de kusten van de Middellandse zee stonden. In 627 veroverde hij de paleizen van de Perzische Sjah Khusro II. De Sjah die daar aanwezig was vluchtte en werd in 628 zelf door de Perzen vermoord. De Perzische legers werden haastig teruggetrokken. Keizer Heraclius sloot een verdrag dat de oorlog beëindigde en waarbij alle gebieden werden teruggegeven aan de Romeinen (1, p. 270).

Verdere ineenstorting van Perzië

Terwijl in Perzië door innerlijke strijd het Sassanidische koningshuis werd vernietigd stortte het rijk verder ineen. Heraclius wist dat hij hoognodig zijn eigen rijk voor eenzelfde lot moest behoeden. De enorme pestepidemieën en deze zoveelste oorlog tussen twee giganten, die door de pest al volkomen uitgeput waren, hadden het gehele Midden-Oosten in een ruïne veranderd. Zelfs in Constantinopel heerste een uitgeputte stemming. De buitenwijken waren door de Avaren in puin gelegd, de kerken waren volkomen leeggehaald om de oorlog te kunnen betalen. In de provincies wemelde het van tekenen van verwoesting, de forten die er nu zwartgeblakerd en zonder poorten bij lagen waren leeg, de velden werden onveilig gemaakt door zwermen bandieten, de geteisterde steden waren verbrand, leeggeplunderd en ontvolkt. Hele delen van het rijk lagen weg te teren.

Maar hoe zat het met de landen die niet onder het Romeinse rijk vielen? In 632 vielen barbaarse ruiters Palestina en de onderverdedigde randgebieden van de provincies aan en verdwenen weer even plotseling als ze gekomen waren (1, p. 272).

 

De Romeinse terugtocht uit Palestina en Syrie

Begin 634 werden de Romeinen opgeschrikt door berichten van een leger Saracenen (Arabieren) dat zich richting Palestina begaf. Ondanks het nijpend tekort aan manschappen trok een eenheid infanteristen in zuidelijke richting. Twintig kilometer ten oosten van Gaza werd dit legertje in een hinderlaag gelokt en vernietigd. De weg naar Jeruzalem lag opeens open voor de Saracenen zonder dat er nog soldaten waren in de stad. Daarna volgden de rampen elkaar snel op. Een tweede krijgsbende, die de oostelijke grens was overgestoken op het moment dat de eerste door de Negev woestijn trok, deed juichend mee aan de strooptocht door de reeds kaal geplunderde en lege provincie.

Het onderscheid tussen stad en platteland, na decennia van dood en verderf, vervaagde steeds verder Er graasden schapen tussen de omgevallen zuilen, het vee bracht de nacht door in leegstaande winkels en metaalgieterijen. De gemiddelde Palestijnse stad was veranderd in een spookstad. In deze leegte rukten de Saracenen op (1, p. 313).

Er is bijzonder weinig informatie bewaard gebleven, noch in het Arabisch noch in het Grieks, hoe de Arabische invasie en de strijd van de Romeinen om die te weerstaan is verlopen. Misschien is het niet eens opgeschreven, zo weinig weerstand konden de Romeinen opbrengen. Eind 636, toen het oorlogsseizoen op zijn einde liep, leek Keizer Heraclius zich te hebben neergelegd bij het onvermijdelijke. Hij liet de provincies over aan de nieuwe Saraceense grootmacht.

De Romeinse terugtocht uit Egypte

Eind 639 trok een klein legertje Arabieren, via de hoofdweg, die vanaf Gaza in zuidelijke richting liep, Egypte binnen. Deze provincie was de graanschuur van Constantinopel, het meest waardevolle van alle gebieden. Het Romeinse verval van krachten, het Arabische zelfvertrouwen en de bestudeerde neutraliteit van het overgrote deel van de autochtone bevolking zorgde er gezamenlijk voor dat in 643, na het aflopen van een elf maanden durende wapenstilstand, een volledige terugtrekking van de Romeinse troepen plaatsvond (1, p. 326). De Romeinse Keizer Heraclius was reeds in 641 overleden en zijn zoon stierf 3 maanden later. In dit machtsvacuüm trokken de Romeinen zich terug uit Egypte. De Arabieren richtten zich nu op het totaal verzwakte Perzische rijk. Een jaar later was geheel Mesopotamië veroverd en trok men de Perzische hoogvlakte binnen. Binnen tien jaar was al het verzet gebroken.

 

Het kalifaat van de Umayyaden (639-750)

De basis voor hun heerschappij werd gelegd door Muawiya, een lid van de Umayyaden-familie, toen hij in 639 stadhouder werd van Syrië. Er volgden roerige tijden omdat veel Arabische familievetes werden uitgevochten. Het machtscentrum kwam in Damascus te liggen en werd de hoofdstad van het Arabische rijk. Het territorium dat de Arabieren hadden veroverd omvatte delen van het Oost-Romeinse rijk en het gehele Perzische rijk. Omdat ze het bestuur aan de oude autoriteiten van het land overlieten, was de bestuurstaal en schrift in Damascus het Grieks, In Perzië het middel-Perzisch Pahlavi en in Egypte het Koptisch. Op deze manier erfden ze de cultuur, hun oude talen, en de miljoenen geschriften van deze drie zeer oude samenlevingen. Ook werd dit rijk een verbinding tussen de cultuur van het westen (Grieks-Romeins) en die van het oosten (Perzië-India).

In 694 werd Abd Al-Malik Ibn Marwan (646-705) gouverneur van Irak. Hij stabiliseerde de Umayyadische heerschappij en ging over tot hervorming van het bestuursapparaat en economie. Van de Romeinen hadden ze een hele grote elite van schrijvers geërfd. Het Romeinse bestuur was altijd zeer uitgebreid geweest en efficiënt en grote delen ervan functioneerden nog steeds. Maar het Romeinse gezag was ook dogmatisch christelijk en intolerant tegenover andere denkvormen en cultuuruitingen. In 698 voerde hij het Arabisch in als de nieuwe bestuurstaal en werden er nieuwe munten geslagen met Arabisch schrift. Dit bracht een grote schok onder de bevolking teweeg omdat deze voor 70% niet islamitisch was. Alle schrijvers moesten het Arabisch leren terwijl de intellectuele voertaal het Grieks was.

Deze omwenteling bracht langzaam meer eenheid in het geheel en er kwam een sterker onderscheid met de taal en cultuur van het Oost-Romeinse rijk. Deze dynastie eindigde in 750. Daarna werd deze vervangen door de dynastie van de Abbasiden. Hun hoofdstad werd Bagdad. Deze dynastie heerstte tot 1258 toen de Mongolen een einde maakten aan hun heerschappij. In deze periode ontwikkelde de Islam een ongekende opbloei van kunst, literatuur en wetenschappen. Later zou blijken dat zij de schatbewaarders waren van de oude geschriften uit de Griekse, Romeinse, Egyptische en Perzische periode. Deze opbloei zou binnen de verstarde machtsstructuren van het Oost-Romeinse en Perzische rijk niet mogelijk zijn geweest (2).

Door de overgang op de Arabisch schrijftaal kwam er een enorme kettingreactie op gang. Als eersten moesten alle wetten en andere staatpapier vertaald worden. Maar er ontstond ook een drang om alle aanwezige boeken te vertalen, niet alleen de Koran. Door de tolerantie ten op zichtte van andere geloven (maar 30% was islamitisch) ontstond er een explosie van schrijvers en geleerden die zich met vertalingen bezig gingen houden. Er ontstond een uitgebreide schrijverseconomie met de daarbij behorende leerscholen en bibliotheken. Men wilde alle bestaande boeken in de wereld vertalen. Het was voor een rijke particulier een status om een groot boeken bezit te hebben. Elke stad met een beetje betekenis wilde een bibliotheek. Ook de niet islamieten kregen de gelegenheid hun werken te vertalen in het Arabisch. De tolerantie naar de niet-islamieten was in deze periode, vergeleken met de intolerantie in het Romeinse, Perzische en de latere christelijke rijken, behoorlijk groot.

Tegen het einde van de 11e eeuw zien we dat de orthodoxe islamieten zich beginnen te weren tegen alles wat anders was dan de Koran. De Umayyaden dynastie heeft invloed van de orthodoxie en de daaruit voorvloeiende fundamentalisten steeds binnen de perken weten te houden. Tot de Mongoolse inval. Toen hebben ze op een vreselijke manier kennis genomen van een nog fundamentalistiser wereldbeeld die de Mongolen hadden (3).

De bibliotheken in het kalifaat van de Abbesiden (750-1258)

In deze tijd namen de Arabieren de Perzische voorliefde voor de letteren over. De Barmakiden (765-803), van wie de voorouders zeven eeuwen lang de Dalai-Lama’s van het oude Azië waren geweest, speelden aan het hof van de eerste Abbasiden een rol die te vergelijken is met die van de Medici aan het hof van Valois. Zij wisten bij hun koninklijke discipelen en hun omgeving een geestdrift voor wetenschap en kunst op te wekken, waardoor Bagdad het geestelijk centrum werd. Niet alleen lieten de Barmakidische viziers een groot aantal literaire en wetenschappelijke werken uit het Chinees, Sanskriet en de Perzische talen in het Arabisch overbrengen, die voorbestemd waren om de klassieken van de Islam te worden, maar bovendien spoorden zij de Arabische geleerden aan om de wetenschappelijke oogst van de westelijke beschavingen, de Syrische, Byzantijnse, Koptisch en Ethiopische, binnen te halen. De Barmakiden stichtten in Bagdad een ‘Huis de Wijsheid’, een soort Academie van Wetenschappen (4, p.148).

In de volgende eeuwen nam de belangstelling voor boeken steeds toe. In 991 stichtte een Zoroastrische vizier, Sjapoer Ibn Ardasjir, in Bagdad een vrijzinnige bibliotheek met een boekenbezit van 12.000 nog onbekende, pas uit het Chinees, Sanskriet en Grieks vertaalde werken, alsmede tal van zeldzame en autografische handschriften. Helaas ging deze waardevolle bibliotheek al in 1055 door brand verloren tijdens een rituele boekverbranding door de fanatieke aanhangers van de orthodoxe Sultan Toghroel.

 

In 1064 stichtte de Oost-Iraanse vizier Nazim al-Moelk (1018-1092) een rechtzinnige bibliotheek, de Nazimiya, met een budget van 1.540.000 goudfranken. In 1233 bouwde al-Moestansir (1029-1094), eveneens in Bagdad, een kosmopolitische, voor alle wereldbeschouwingen en voor alle in de Oriënt bekende volksgemeenschappen bestemde bibliotheek, met meer dan 200.000 boeken. De intelligentsia maakten in die tijd bijna 10% van de bevolking uit. Tussen de 10e en 13e eeuw hadden de mohammedaanse bibliotheken een ongehoord bezit aan boeken. In vrijwel alle steden waren bibliotheken en vele particulieren hadden een grote privé verzameling.

De particuliere verzameling van de Koerdische vorst van Hama in Syrië, Aboe al-Fida (1273-1331), bestond uit 70.000 boeken en er werkten dagelijks tweehonderd geleerden. De stad Merw in Oost-Iran bezat in 1229 tien openbare leeszalen, waarvan er een meer dan 12.000 kostbare boeken bezat (4, p. 149).

De bibliotheek van Maragha in Iran bezat 400.000 boeken en hier raadpleegde Ibn al-Ibri, die de Europeanen Bar-Hebraeus noemden (gest. 1286), de Chinese, Turkse, Perzische, Arabisch en Syrische werken die hij bij het schrijven van zijn verhandelingen nodig had.

De Zoroastrishe vizier Mansoer Bahram (gest. 1041) stichtte te Firoezabad in Perzië een vrijzinnige bibliotheek met meer dan 7000 werken, waaronder vele unieke afschriften. De stedelijke bibliotheek van Raj was beroemd om haar filosofische en dialectische verzameling van ca 100.000 exemplaren. Helaas werd ook deze in 1053 gezuiverd door fanatieke soennieten, waardoor het merendeel van de werken verloren ging. Evenzo verbrandden reactionaire moslims in 1059 de 10.000 manuscripten van de liberale bibliotheek in Sjapoer (Perzië). In 1254 brachten de Mongolen in Bagdad 24.000 geleerden om en gooiden alle boeken uit de bibliotheken de Tigris in (4, p. 150).

 

De vernietiging van Bagdad door de Mongolen in 1254

 

De prachtigste bibliotheek was die van Al-Aziz (975-996) in Oud-Caïro; onder haar 1.600.000 banden bevonden zich alleen al 6500 over mathematische wetenschappen en 18.000 over wijsbegeerte. Al-Hakim (996-1021) schonk Oud-Caïro een nieuwe bibliotheek met 600.000 werken. Na de val van de Fatimiden (heersers over Egypte van 969-1171) in 1171 kwamen 100.000 delen in het bezit van de secretaris van de nieuwe heerser van Egypte Saladin. De andere delen werden publiek geveild. De veiling, de grootste in de geschiedenis, nam tien jaar in beslag. Tijdens de hongersnood van 1294 ruilden de studenten de 100.000 banden van de Fadiliya-bibliotheek tegen brood.

Zelfs het verre westen werd door de culturele opleving gegrepen. In de 11e eeuw kon Andalusië bogen op 70 openbare bibliotheken. Het is ondoenlijk hier een opsomming te geven van alle beroemde bibliotheken uit deze periode, de 10e tot de 13e eeuw (4, p. 151).

Het einde

Aan de bloei van deze Islam-periode kwam een einde door de inval van de Mongolen die een eind maakten aan de heerschappij van de Abbasiden toen zij de laatste kalief vermoorden in 1258. Bagdad werd volledig vernietigd. De Mongoolse veroveraars vernielden vervolgens de irrigatiewerken die de stad en de omringende landbouwgebieden van water voorzagen, alsook veel van de schitterende architectuur en vernietigden daarmee deze beschaving. Tot op heden heeft het gebied van de Eufraat en Tigris nooit meer de vruchtbaarheid en welvaart terug verkregen die het had vóór deze verwoestende ramp. De Mongolen verafschuwden elke vorm van intellectualiteit en vernietigden vooral in Perzië, Irak en Syrië niet alleen enorm veel boeken, maar ook kunstwerken, tuinen, paleizen en irrigatiewerken.

In de eeuw die hierop volgde bleef het onrustig in het Middenoosten. Het Perzische gebied viel uiteen in kleine rijken. In 1381 viel de Turks-Mongoolse krijsheer Timoer Lenk (1336-1405) Perzië binnen. Hij was afkomstig uit het huidige Oezbekistan en was een militair genie, hij verloor geen enkele veldslag, maar was een zwak bestuurder. Zijn Tartaren voerden een constante oorlogsvoering en volgens schattingen kwamen onder zijn bewind 17 miljoen mensen om het leven.

Timoer Lenk geeft orders voor zijn oorlogscampagne tegen Georgia

Na enorme slachtpartijen was in 1384 geheel Perzië in zijn handen. In 1400 voerde Timoer een bliksemaanval uit in Anatolië (het huidige Turkije), Hij verwoestte de stad Sivas dat geregeerd werd door Ottomaanse Turken. Daarna was Aleppo aan de beurt die door de Mammelukken werd verdedigd. Op zijn tocht naar Damascus werden de volgende steden verwoest: Mama, Homs, Antiochië, Sidon, Beiroet en tenslotte Damascus. Ook de grote moskee van deze stad ging in vlammen op. In 1402 vond de slag bij Ankara plaats waar de Ottomaanse legers werden verslagen. Geheel Anatolië was in zijn handen. Toen kwam het nieuws dat zijn kleinzoon en opvolger was overleden. Hij trok zich terug naar zijn hoofdstad Samarkand. In 1405 overleed hij.

 

De veldtochten van Timoer Lenk in Anatolië

Conclusie

De chaos en vernietiging in het Midden-Oosten was enorm groot. De Arabische Islamcultuur heeft zich daar niet meer van hersteld. Het gebied werd langzaam overgenomen door de Ottomaanse Turken die zich militair heel sterk ontwikkelden. Hun rijk zou zich gaan uitstrekken van de Donau in het noorden tot aan Egypte en Marokko in het zuiden. De Turken bleven altijd militair en bestuurlijk georiënteerd. De Islamitische volkeren hebben de Turken altijd ervaren als een overheersing. De Turken hebben zich ook nooit gericht op het herstellen van de vele vernielingen. De cultuur van de Islam kreeg geen nieuwe kans om weer tot bloei te komen, deels omdat de basis hiervoor volledig was vernietigd, deels omdat de nieuwe machthebbers hierop niet waren georiënteerd.

Gezien de hierboven genoemde catastrofe is het verbazingwekkend dat nog zoveel bronnen zijn overgeleverd en hier in onze westelijke wereld, tijdens de Renaissance, bekend zijn geworden. Maar de culturele verwoestingen laten wel zien dat het fundamentalisme gemakkelijker de overhand kan krijgen als het tegenwicht van de intellectuelen is verdwenen. Het is binnen de menselijke geschiedenis weinig voorgekomen dat de orthodoxie de vrijzinnige tolerantie heeft verdragen.

De vernietigingen door de barbaren binnen deze Islamwereld zegt niets over de intellectuele en spirituele mogelijkheden van deze godsdienst. Alle bestaande grote godsdiensten hebben deze mogelijkheden, maar als er geen bedding voor is, gebeurt er niets. Elke godsdienst kent zijn hoogtepunt. De één bouwt het op, de ander breekt het af. Dit mechanisme zit in elke godsdienst. Ook de fundamentalistische christenen hebben de culturen van de Inca’s, Maya’s, Azteken en de Noord-Amerikaanse indianen zodanig uitgeroeid dat zij zich daar nooit meer van hebben hersteld. Het fundamentalisme zit overal, in elke ideologie, in elke godsdienst, in elk hedendaags land en is niet voorbehouden tot een enkele godsdienst. Momenteel is er geen grote godsdienst meer in deze wereld die een bloeiperiode doormaakt, maar ze hebben deze wel allemaal gehad.

De auteur

Hans Komen is politicoloog. Na zijn sociaalwetenschappelijke studie en onderzoek op dat terrein heeft hij zich vooral gericht op de filosofische en psychologische processen. Dit gaat verder dan het materialistische paradigma, dat momenteel zo dominant is geworden en dat de immateriële processen reduceert tot materiële processen. Met Helena Bloem schreef hij recentelijk vanuit dit perspectief het boek Gevangen door het ego. Dit is een vervolg van het eerder verschenen boek Ziel en geest.

 

Noten

  1. Holland, Tom, Het vierde beest, God, de strijd om de wereldmacht en het einde van de oudheid, Athenaeum-Polak&van Gennep, Amsterdam, 2012
  2. Hattstein, Markus en Peter Delius, Islam, kunst en architectuur, Könemann Verlagsgesellshaft mbH, Keulen, 2000
  3. Bloem en Komen schrijven in hun boek, Gevangen door het ego: ‘Fundamentalisme wil zeggen dat er sprake is van een volkomen verstard paradigma, zowel individueel als collectief. De fundamentalisten hebben een wereldbeeld dat zeer beperkt is en dogmatische zekerheden bevat die onveranderbaar zijn. Door fundamentalisme gaan in een samenleving de collectieve energieën vastzitten. Deze samenlevingen kenmerken zich door verstarring, waardoor de weerstanden om de overtuigingen te veranderen ook enorm groot zijn. Het zijn samenlevingen waarin de collectieve waarden en normen dwingend worden opgelegd. Fundamentalisme is aanwezig in alle soorten godsdiensten die er zijn, maar ook in alle ideologieën en wetenschappen die de mens heeft voortgebracht. Ook het huidige neoliberaal-economisch systeem werkt zeer verstarrend op de samenlevingen (blz. 433-434).’
  4. Mazahéri, Aly, Zo leefden de moslims in de middeleeuwen, Hollandia, Baarn, 1959