Wat is bewustzijn? Het bewustzijnsbegrip door de eeuwen heen in filosofie en psychologie. Deel 1

Civis Mundi Digitaal #40

door Hans Komen

Inleiding

Dit artikel is de eerste van een serie van vier waarin ik een globaal overzicht geef van de wijze waarop men het begrip bewustzijn in de filosofie en psychologie definieert.

In onze huidige tijd wordt veel geschreven over de veranderingen die plaatsvinden. Velen vinden dat een bewustzijnsverandering momenteel meer dan noodzakelijk is. Maar op welke wijze kan een bewustzijnsverandering plaatsvinden, als we niet eens weten wat bewustzijn eigenlijk is? Als we hiervan geen idee hebben, dan is dit niet te realiseren. Willen we meer inzicht krijgen in de huidige problematiek van onze samenleving, dan zullen we meer inzicht moeten zien te krijgen in het bewustzijn dat in ieder mens aanwezig is.

In mijn eerdere artikel over het onderscheid tussen het iets en het niets in Civis Mundi nr. 34 besprak ik de ervaring die de neurochirurg Alexander had toen hij in een coma terecht kwam. Alexander had het uitgangspunt dat bewustzijn voortkomt uit de hersenen. Hij had, zoals velen, de overtuiging dat als de hersenen niet meer actief zijn het bewustzijn ophoudt te bestaan. Via zijn periode in coma ontdekte hij dat dit bewustzijn actief bleef ook al waren zijn hersenen volledig buiten werking.

De vraag is of het bewustzijn ook actief blijft als het lichaam sterft. Dit is een vraag die we niet kunnen beantwoorden. In mijn artikel opperde ik de hypothese dat als het bewustzijn actief blijft na het sterven dit alleen mogelijk is als onze bewustzijnstoestand in de materiële werkelijkheid overgaat in een bewustzijnstoestand in een immateriële werkelijkheid. De immateriële werkelijkheid is dan datgene waarin wij ons bevinden na ons overlijden, een energetische werkelijkheid zonder materie (1).

Deze hypothese roept een aantal vragen op.

-     Is er een onderscheid tussen energie en bewustzijn?

-     Is bewustzijn gelijk aan energie?

-     Als bewustzijn energie is, is het dan materiële of immateriële energie?

-     Wat is bewustzijn?

De verhalen van Alexander en anderen wijzen in de richting van een immaterieel bewustzijn. Toen zijn materiële brein tot stilstand kwam, bleef zijn bewustzijn actief.

Antwoorden op deze vragen zijn alleen mogelijk als we enig idee hebben wat bewustzijn is. Nu komen we op een lastig punt. Het begrip bewustzijn wordt algemeen gebruikt, maar zelden gedefinieerd. Er is weinig duidelijkheid over, omdat er geen eenduidige definitie van bestaat.

De inhoud van de andere artikelen in deze serie

Deze artikelenreeks bestaat uit vier delen, waarbij ik in dit eerste deel de kwantumtheorie in relatie tot energie behandel. Daarna laat ik zien wat filosofische stromingen over bewustzijn hebben gezegd. Hierbij bespreek ik de filosofen Plato, Descartes en het rationalisme, Spinoza, Kant, de empiristen Lock, Berkeley en Hume en de fenomenologie van Husserl.

In deel 2 bespreek ik in relatie tot het bewustzijn de levensfilosofie van de filosoof Bergson, het existentialisme van Sartre, de bewustzijnstheorie van Wilber en de ideeën van Freud en Jung.

In deel 3 komt de theorie van de filosoof Laszlo aan de orde, alsmede het morfogenetisch veld van de bioloog Sheldrake, de bewustzijnstheorie van de filosoof Chalmers, de theorie van de filosoof Nagel en die van de arts en wetenschapsfilosoof Bos.

In deel 4 behandel ik de Indiase benaderingen over het bewustzijn van Alexander Smit, Ramana Maharshi, Nisargadatta Maharaj, Maharishi Mahesh Yogi en Jiddu Krisnamurti. Ook komt daarin de islamitische benadering van Reshad Field en het paradigma van Thomas Kuhn aan de orde en eindig ik met Ockhams scheermes en conclusies.

Energie

In mijn eerdere artikel over het onderscheid tussen het iets en het niets in Civis Mundi nr. 34 heb ik de volgende hypotheses geformuleerd (2).

1. Alles in de ons bekende en onbekende wereld is energie.

2. Deze energie kan langzamer of sneller gaan dan de lichtsnelheid. De langzamere energie noemen we materiële energie en de snellere noemen we immateriële energie. Dit zijn geen twee soorten energie. Het is dezelfde energie maar de snelheid en de frequentie ervan verschilt.

De hier gebruikte begrippen materieel en immaterieel worden zo vrij exact gedefinieerd en drukken duidelijker uit wat wordt bedoeld dan de tot nu toe gehanteerde begrippen. Bijvoorbeeld begrippen als stoffelijk versus onstoffelijk, de antroposofische begrippen astraal en etherisch, en andere varianten. Uitgaande van bovenstaand onderscheid wil ik nagaan in hoeverre deze begrippen materieel en immaterieel de bestaande literatuur kunnen verhelderen.

Als eerste kijk ik naar wat de kwantumtheorie over energie heeft gezegd als onderbouwing van de door mij hierboven geformuleerde hypotheses 1 en 2. Het is niet mijn bedoeling uit te leggen wat voor ideeën de kwantumtheorie naar voren brengt over het bewustzijn. Dat valt buiten het kader van deze artikelen, die als doel hebben weer te geven wat in de filosofie en psychologie gezegd wordt over het moeilijke begrip bewustzijn.

De kwantumtheorie

De natuurkundige Pagels (1939-1988) schrijft dat in de natuurkunde vroeger een onderscheid werd gemaakt tussen materie en energie en tussen een veld en een deeltje. Dit bleek niet zo eenvoudig te zijn. Aan deze onduidelijkheid kwam door de relativiteitstheorie en de kwantumtheorie een einde. “Vroeger dachten de natuurkundigen dat de wereld was verdeeld in materie en energie. De materie zetelde in de deeltjes en de energie in velden die in een wisselwerking waren met de deeltjes, waardoor de deeltjes gingen bewegen.

Er zijn twee vormen van dualisme te onderscheiden:

1. Tussen massa en energie, die als verschillende entiteiten werden gezien. Dit dualisme werd rechtgezet door de relativiteitstheorie van Einstein (1879-1948). Hij toonde aan dat massa en energie in elkaar kunnen worden omgezet volgens de beroemde formule E=mc². Massa was een vorm van gebonden energie.

2. Het golf-deeltje-dualisme tussen veld en deeltje.

Voordat de kwantumtheorie ontstond werden het elektron en het proton opgevat als deeltjes, bijeengehouden door het elektrische veld van de wederzijdse aantrekking. Velden kwamen voort uit de deeltjes en veroorzaakten de krachten daartussen. Dit dualisme verdween met de kwantumtheorie. Velden en deeltjes werden niet langer beschouwd als verschillende, maar als complementaire entiteiten. Werner Heisenberg en Wolfgang Pauli toonden aan dat je materiële deeltjes kon opvatten als de kwantum van verschillende velden, zoals het foton het kwantum is van het elektromagnetisch veld. Bij ieder elementair deeltje hoorde een veld. Het universum werd beschouwd als een verzameling energetische velden” (3).

Deze visie leeft tot nu toe voort. Het centrale idee van de kwantumveldtheorie is dat de werkelijkheid een verzameling energetische velden is, onderworpen aan de wetten van de speciale relativiteits- en de kwantumtheorie. Al het andere kan worden afgeleid uit de kwantumdynamica van die energetische velden. De hele wereld [zowel materieel als immaterieel] kan worden gezien als een wisselwerking tussen velden van verschillende frequenties en golflengtes. Daaruit vloeien de diverse gradaties van dichtheid van de materiële en immateriële energie.

Volgens de kwantumfysici, aldus Pagels, bestaat de materiële werkelijkheid uit een transformatie en ordening van energetische kwantumvelden. De relativiteits- en kwantumtheorie beschouwen al deze velden als materiële energie. Er is een vermoeden dat er ook immateriële velden zijn en dat er een wisselwerking is tussen materiële en immateriële velden en/of tussen materie en bewustzijn. Bewustzijn wordt dan als immaterieel beschouwd. Kwantumfysici, zoals Schrödinger en Eddington, sluiten dit niet uit.

 
Heisenberg (1901-1976) en Pauli (1900-1958)

De eerder geformuleerde hypothese 1 vloeit voort uit het bovenstaande.

Hypothese 2, dat energie langzamer of sneller kan gaan dan de lichtsnelheid is in strijd met de meest gangbare interpretatie van de relativiteitstheorie. Deze stelt dat de snelheid van energie niet sneller kan gaan dan de lichtsnelheid. Dit idee is door de kwantumfysici weer losgelaten, die aan het bewustzijn een min of meer autonome, mogelijk immateriële realiteit toekennen, zoals onder meer bij Schrödinger, Wigner en Josephson (4).

  
Plato  (ca 427-347 v.Chr.), Empedokles (ca 492-432 v.Chr.) en Pythagoras (ca 572-500 v.Chr.)

Plato

Volgens de Griekse filosoof Plato heeft de onsterfelijke ziel geen begin en geen einde en is deze in wezen één met de wereldziel. Al onze kennis is een zich weer herinneren van vroegere belichamingen van de ziel. Omdat de ziel onsterfelijk en vele malen geboren is en zij alle dingen die hier en in de benedenwereld zijn heeft gezien, is er volgens hem niets wat zij niet ervaren heeft (5, d1, p.153).

Plato’s ideeënleer gaat vanzelf in zijn zielsleer over. Zijn ideeën vindt men in de Griekse mysteriën terug; zijn dualistische scheiding van lichaam en ziel, zijn gedachten over het bestaan en de voortgang hiervan, zijn beschrijvingen van hoe de oude Grieken het hiernamaals en het dodengericht zagen. Deze ideeën zagen wij ook reeds bij Pythagoras en Empedokles (6, p. 81). Het idee van een onstoffelijke en onsterfelijke ziel, die tevens bewustzijn is, bleef in de godsdiensten gehandhaafd. In de filosofie kwam daarin na 1600 langzaam een verandering.

De filosofie en psychologie na 1600

De Nederlandse neuropsycholoog Kolk schrijft in zijn boek Bewustzijn, van filosofie naar hersenwetenschap, dat hij de begrippen menselijke geest en bewustzijn als synoniem beschouwt (7, p.15). Hij gebruikt de woorden geest en bewustzijn door elkaar. Hij stelt dat het begrip geest tegelijk vertrouwd is en toch ongrijpbaar. Hij beaamt dat het een vaag begrip is. Daarom stelt hij voor om tot een duidelijke definitie van het begrip geest te komen door observatie van de geest als zodanig, dat zijn volgens hem onze hersenprocessen. In de geschiedenis van de bewustzijnspsychologie komen steeds twee opvattingen naar voren (7, p.17):

1. Het bewustzijn is passief; het doet in wezen niet veel meer dan de omgeving registreren en wordt primair gezien als een vorm van waarnemen. Andere menselijke vaardigheden, bijvoorbeeld gedachten, worden beschouwd als een afgeleide van passieve registratie.

2. Het bewustzijn is een activiteit, een vorm van handelen. Dat geldt niet alleen voor de gedachten, maar ook voor het waarnemen, dat opgevat wordt als een soort redeneerproces.

Volgens Kolk is de mens zowel in staat tot het waarnemen als tot het vormen van gedachten. Dus moet de menselijke geest niet alleen een passieve, maar ook een actieve instantie zijn. Volgens deze formulering geschiedt de waarneming door de zintuigen en worden de gedachten geformuleerd door de hersenen. Onze hersenen en de daarin aanwezige reacties zijn stoffelijk dus materieel.

Dit impliceert een materieel uitgangspunt binnen de bewustzijnspsychologie zonder dat hij dit als zodanig omschrijft. Men richt zich op de hersenprocessen en ziet de hersenen als de bron van het bewustzijn. Het wordt in het betoog van Kolk niet duidelijk of bewustzijn synoniem is aan hersenprocessen of dat de hersenen bewustzijn voortbrengen. Dat de hersenen de bron van bewustzijn zijn lijkt een vooronderstelling, een aanname die zeer algemeen is geworden.

  
Descartes (1596-1650), Leibniz (1646-1716) en Spinoza (1632-1677)

Descartes en het rationalisme

In de filosofie houdt de kennistheorie zich bezig met vragen over wat kennis is en hoe kennis tot stand komt. Algemeen kunnen we zeggen dat kennis betrekking heeft op de subject – object verhouding. De vragen omtrent kennis kunnen we op verschillende wijzen benaderen, namelijk vanuit het subject (rationalistische/idealistische benadering) of vanuit het object (realistische/empiristische benadering).

Daarnaast is het denken over kennis in het algemeen gebaseerd op een bepaald model. Het model kan uitgaan van een dualistische concept, dat wil zeggen van een scheiding tussen subject (bewustzijn) en object (wereld) of van een integraal concept, dat wil zeggen een verbinding tussen subject en object(8).

Descartes was een Franse filosoof en wiskundige die de filosofie van Aristoteles verwierp en verving door een eigen filosofisch systeem. Daarmee legde hij de basis voor de 17e eeuwse stroming van het rationalisme. Hij ging uit van een dualistisch concept. Evenals bij de filosofen van de idealistische stroming ontstond bij hem de vraag hoe wij ons bewust kunnen zijn van de materiële wereld die met ons denken overeenkomt. Volgens Descartes bestond de mens uit twee verschillende substanties, namelijk lichaam en geest. Descartes zag de geest nog als iets onstoffelijks, dus immaterieel.

Descartes stelde de hersenen niet gelijk aan de geest. De hersenen waren materie en de geest was onstoffelijk (immaterie). Descartes was de eerste westerse denker die de geest duidelijk heeft geïdentificeerd met bewustzijn en zelfbewustzijn en de geest onderscheidde van de hersenen, die werden gezien als de zetel van de intelligentie. Hij formuleerde het mind-body probleem (het dualisme) zoals het vandaag nog steeds bestaat (5, d1, p. 305).

Descartes verbond aan zijn interactionisme of relationisme, de relatie tussen lichaam en geest, twee belangrijke consequenties (7, p. 28):

1. De menselijk geest is één en ongedeeld. We voelen, zien, denken en bewegen, maar het is steeds dezelfde ‘ik’ die dit alles ondergaat en stuurt.

2. De geest is niet aan de materie gebonden.

          Het duurde bijna 200 jaar voordat dit in twijfel werd getrokken. Descartes zette een nieuwe stap in de ontwikkeling van het rationalisme. Het rationalisme is een filosofie die het bewustzijn niet ziet als een passief registreren van de omgeving, maar als een activiteit, een vorm van handelen (7, p. 50). Als men het bewustzijn zo opvat zijn er volgens Kolk twee consequenties:

1. Het ligt voor de hand dat men anders gaat denken over het ontstaan van het bewustzijn. De omgeving brengt niet vanzelf een systeem van mentale handelingen teweeg. Maar als ze niet uit de omgeving afkomstig zijn, waar komen deze handelingen dan vandaan? Rationalistische filosofen veronderstelden dat het bewustzijn deels is aangeboren.

2. Voor rationalisten is bewustzijnsactiviteit geen passieve reactie op de buitenwereld. Zij ontstaat van binnenuit. De oorzaak van deze activiteit ligt bij een instantie binnen het bewustzijn, het ‘ik’ genoemd. Dit staat los van het ontstaan van bewustzijn als zodanig, maar heeft te maken met de vraag hoe een gegeven bewustzijnsproces veroorzaakt wordt (7, p. 50).

Het rationalisme gedijde vooral in de 17e eeuw op het Europese continent, voornamelijk in Frankrijk en Duitsland, terwijl het tegengestelde empirisme, vooral populair was in Groot-Brittannië. Grote namen binnen het rationalisme zijn Descartes, Spinoza en Leibniz.

Spinoza   

De Nederlandse filosoof, wiskundige en lenzenslijper Spinoza heeft het rationalistische model uitgewerkt in zijn magnum opus, de Ethica. Hierin paste hij de methode van Descartes zorgvuldig toe en probeert hij zijn filosofische stellingen te bewijzen. In stelling 6, boek 1, schrijft hij: “Onder God versta ik een volstrekt oneindig zijnde, dat wil zeggen een substantie die uit oneindige attributen bestaat, waarvan ieder een eeuwige en oneindige essentie tot uitdrukking brengt.” In Stelling 3. boek 1: “Onder substantie versta ik iets wat in zichzelf is en door zichzelf wordt begrepen” (9).

Störig zegt hierover: “Onder substantie mag niet naar huidig spraakgebruik de materie worden verstaan. Men benadert het begrip dichter, indien men zich herinnert dat het Latijnse woord ‘substantia’ letterlijk het ‘eronder staande’ aanduidt. Spinoza bedoelt met deze term het Ene of Oneindige, dat onder en achter alle dingen staat en dat alle Zijn in zich verenigt en bevat. De substantie is eeuwig oneindig, uit zichzelf bestaande. Er is niets buiten haar. Zo opgevat is het substantiebegrip identiek met het godsbegrip, als het eigenlijk wezen van al het zijnde” (5, dl1, p. 314).

Anders geformuleerd kunnen we schrijven dat Spinoza het godsbegrip als immaterieel ziet dat alles omvat en waaruit het materiële voortkomt. Opvallend is dat Spinoza in zijn Ethica wel het woord bewustzijn gebruikt maar het nergens definieert, zoals hij wel met de andere begrippen doet. Het wordt niet duidelijk wat de relatie is tussen de geest en het bewustzijn. Daar gaat hij niet op in. Wel zegt hij dat de geest niet stoffelijk is en de stof niet geestelijk.

In stelling 3, boek 2, schrijft hij: ‘Onder een idee versta ik een voorstelling van de geest, die hij vormt omdat hij een zaak is die denkt. Ik gebruik liever het woord voorstelling dan gewaarwording, omdat het is alsof het woord gewaarwording aangeeft dat de geest door een voorwerp wordt aangedaan, terwijl het woord voorstelling een handeling van de geest tot uitdrukking brengt’ (9).

Bij Spinoza  blijft het onduidelijk wat hij onder bewustzijn zou hebben verstaan. Wat de geest betreft zegt hij duidelijk dat deze onstoffelijk is, maar in zijn beschrijvingen is de geest ook sterk gekoppeld aan de hersenprocessen. Ook het verschil tussen ziel en geest is in de Ethica niet duidelijk.

  

Kant (1724-1804), Fichte (1762-1814) en Schelling (1775-1854)

Kant  

De Duitse filosoof Kant hanteerde een rationalistische benadering en ging uit van een dualistisch concept. Hij gaat er vanuit dat kennis ontstaat vanuit de ervaringen. Echter niet vanuit de ervaringen alleen, maar kennis krijgt men door de ordening van de waarnemingen. De mens kan de wereld alleen kennen zoals de dingen aan ons verschijnen in het bewustzijn. De wereld van het ‘Ding an Sich’ kunnen we niet kennen, maar er wel over denken. Kant concentreert zich vervolgens op het proces van het denken (Vernunft, de rede of het verstand). Doordat hij de werkelijkheid (‘Ding an Sich’) als niet werkelijk kenbaar onderscheidt van de wereld der waarnemingen, draait hij de zaak om en maakt, zoals hij zelf stelde, de werkelijkheid ondergeschikt aan de mens. Met andere woorden: Niet de werkelijkheid bepaalt het resultaat van de menselijke waarneming, maar de menselijke waarneming bepaalt de werkelijkheid. Voorgangers van Kant gingen er vanuit dat er een externe werkelijkheid was. Zij gingen uit van het object. Van hieruit vroegen zij zich af hoe we deze werkelijkheid konden kennen. Kant gaat uit van het subject, de mens, die naar het object kijkt. Hij stelde dat ervaring niet alleen voldoende was om onze kennis te funderen. Elke ervaring is gebaseerd op een intellectuele structuur. En deze structuur bevat categorieën, zoals oorzaak, substantie enz. Deze categorieën zijn dus bij Kant geen eigenschappen van de werkelijkheid (zoals bij Aristoteles), maar eigenschappen van het verstand (8).

Kant stelt dat het verstand niet leeg is, maar over categorieën  beschikt die het op de waarnemingen toepast. Dat het verstand actief werkzaam is in de opbouw van wat ons in de waarneming omringt, blijkt uit het feit dat die verbanden reeds in onze ervaring aanwezig zijn. De categorieën zijn de principes waarmee wij bepaalde gestalten vormen en relaties ordenen (10). Het gebruik van categorieën veronderstelt  een (zelf)bewustzijn (8).

Kant gebruikt de termen bewustzijn en zelfbewustzijn in relatie tot de denkcategorieën. Het is niet duidelijk of hij een materieel bewustzijn bedoelt, een bewustzijn dat gebaseerd is op de hersenprocessen. Kant gebruikt ook de term ziel in onderscheid van het lichaam. De ziel wordt door hem waarschijnlijk gezien als onstoffelijk, dus immaterieel. Maar wat dan het onderscheid is tussen ziel en bewustzijn wordt niet duidelijk. Evenals Descartes legt Kant in zijn theorie de nadruk op het verstand. Het bewustzijnsbegrip speelt in zijn theorie geen een rol van betekenis

De kritiek op Kant

Kants theorie riep onmiddellijk na publicatie de vraag op hoe het toch mogelijk is dat het onmogelijk is over het Ding an sich te spreken terwijl Kant zelf in zijn boek niet anders doet. Een belangrijk deel van de filosofie na Kant is aan dit vraagstuk gewijd (11). Kants leerlingen Fichte, Schelling, Hegel en Schopenhauer beschouwen de wereld als voorstelling of idee in het bewustzijn, dat voorafgaat aan de ervaring. Dus eerst is er het idee en dan pas de ervaring. Daarom noemt Fichte deze filosofie idealisme. Het ‘Duitse idealisme’ verwijst naar een groep Duitse filosofen die een bijzondere vorm van metafysisch idealisme voorstonden, respectievelijk bekend als subjectief idealisme bij Fichte, die het object op het subject baseerde; objectief idealisme bij Schelling, in wiens identiteitsfilosofie uiteindelijk subject en object, geest en natuur, uiteindelijk identiek waren) en het absoluut idealisme bij Hegel in zijn filosofie van de absolute geest.  (12). Fichte, Schelling, Hegel en Schopenhauer gebruiken de termen denken, geest, zelfbewustzijn en bewustzijn zonder daarbij duidelijk te maken wat het verschil is in betekenis, met name of het materieel of immaterieel is.

Als reactie op Kant theorie ontstonden de volgende stromingen:

1. Idealisme: Er bestaat helemaal geen Ding an sich. De werkelijkheid bestaat niet op zichzelf, maar altijd in relatie tot een bepaalde echte of mogelijke ervaring. Dit was het standpunt van Fichte en Hegel en de dominante leer in de Europese filosofie tot de Eerste Wereldoorlog.

2. Materialisme: Het begrip Ding an sich is alleen relevant bij een tegenstelling tussen bewustzijn en materie. Aangezien er geen echt bewustzijn bestaat, maar alleen een reductionistisch te herleiden materiële oorzaak van het feit dat mensen de illusie hebben dat het wel bestaat, is het hele probleem een schijnprobleem. Ervaring is een fysiek proces, waarbij de specifieke relatie tussen het kenapparaat en de materiële objecten toegankelijk is voor wetenschappelijk onderzoek (11).

 

Hegel  (1770-1831) en Schopenhauer (1788-1860)

Het empirisme

De wens van een deel van de rationalisten om alle wetenschappen naar het wiskundige model te hervormen mislukte door een ander belangrijk nieuw element in de moderne filosofie, namelijk de opkomst van de moderne wetenschap en de wetenschappelijke methode, gebaseerd op het empirisme, dat uitgaat van zintuiglijke ervaringen als bron van kennis. Terwijl Descartes twijfelt aan de betrouwbaarheid van zijn waarnemingen, twijfelen de empiristen aan de betrouwbaarheid van de gedachten. Dit zorgde voor een grote opbloei van het empirisme, waardoor er een ware strijd ontstond tussen het rationalisme en empirisme. Belangrijke vertegenwoordigers van het empirisme waren o.a. de Engelse filosofen Locke, Berkeley en Hume (13).

John Locke

“Hij verklaarde dat wij al onze kennis door ervaring verkrijgen en door onze zintuigen - dat er niets in de geest is wat niet eerst in de zintuigen is geweest. De geest is bij de geboorte een blank vel papier. Dit alles scheen te leiden tot de ontstellende conclusie dat, daar alleen stoffelijke dingen op de zintuigen kunnen inwerken, wij niets dat stof kennen, en een materialistische filosofie moeten aanvaarden. Als gewaarwordingen de stof van het denken vormen, dan moet de stof de substantie van de geest zijn” (14).

George Berkeley

“Helemaal niet, zei Berkeley; deze analyse van de kennis door Locke bewijst veeleer dat de stof niet bestaat, behalve als een vorm van de geest… Heeft Locke ons niet gezegd dat heel onze kennis is afgeleid uit gewaarwording? Dus is heel de kennis die we van iets hebben, niets anders dan de gewaarwordingen die we ervan hebben en die ideeën die uit die gewaarwordingen zijn afgeleid. Een ‘ding’ is niets anders dan een bundel gewaarwordingen – d.w.z. geordende en geïnterpreteerde gewaarwordingen. De enige werkelijkheid die wij rechtstreeks kennen is de geest” (14).

David Hume

“We kennen de geest, zei Hume, alleen zoals wij de stof kennen door gewaarwording, hoewel in dit geval inwendige. Nooit nemen we een zodanig wezen als ‘de geest’ waar, wij nemen alleen afzonderlijke ideeën, herinneringen, gevoelens etc. waar. De geest is geen substantie, geen orgaan dat ideeën heeft, het is alleen een abstracte naam voor de reeksen ideeën; er is geen waarneembare ‘ziel’ achter de denkprocessen” (14).

“Het resultaat was dat Hume even radicaal de geest vernietigde als Berkeley de stof. Er bleef niets over en de filosofie zat te midden van de puinhopen die zij zelf gemaakt had” (14). De impasse tussen het rationalisme en empirisme werd opgeheven in het werk van Kant en zijn transcendentaal idealisme. Hoewel Kant van oorsprong rationalist was, herzag hij zijn positie toen hij in contact kwam met het werk van de empirische filosoof Hume. Hij ging echter niet zo ver het empirisme te aanvaarden. Daarom komt hij in zijn Kritik der reinen Vernunft als het ware tot een synthese van beide stromingen. Kennis komt tot stand door een combinatie van de rede en de ervaring (13).

  

Locke  (1632-1704), Berkeley (1685-1753) en  Hume (1711-1776)             

Bewustzijnsonderzoek en hersenprocessen

De opkomst van de wetenschap zorgde ervoor dat het empirisme overheersend werd. De empiristen zagen het bewustzijn als iets stoffelijks. Het idee verdwijnt dat het bewustzijn iets onstoffelijks is. Bij de empiristen wordt niet duidelijk of de materiële hersenprocessen gelijk zijn aan geest/bewustzijn of dat de hersenprocessen het bewustzijn voortbrengen. Als dit laatste juist zou zijn dan hebben we naast onze hersenprocessen ook nog zoiets als bewustzijn dat door de hersenen wordt geproduceerd.

In de wetenschap, inclusief de psychologie, is vrijwel alle bewustzijnsonderzoek na Kant, hersenonderzoek geworden en wordt geest/bewustzijn als materieel gezien. Een duidelijke definitie van wat bewustzijn nu eigenlijk is ontbreekt binnen de hersenwetenschap. Kolk lost in zijn boek de begripsverwarring tussen de woorden hersenprocessen, geest, bewustzijn en ziel niet op, maar handhaaft deze. Ook het probleem tussen het stoffelijke en onstoffelijke, tussen het materiële en immateriële komt bij hem niet aan de orde.

Twee doodlopende wegen

Het rationalisme en het empirisme, de twee wegen die gevolgd werden om de vraag te beantwoorden op welke wijze wij tot kennis komen, bleken beide dood te lopen. Ook de magistrale poging van Kant om tot een synthese hiervan te komen bracht geen oplossing omdat ook hij uitging van het onvolkomen dualistisch denkmodel. In dit denkmodel wordt het menselijk bewustzijn gescheiden en onafhankelijk van de wereld gedacht. Omdat men het zo sterk gescheiden heeft ontstaat de onoplosbare vraag hoe dat bewustzijn toch kennis van de wereld kan hebben, met andere woorden: Hoe kan ik tot zekere kennis komen van de werkelijkheid buiten mezelf? Aan het begin van de 20ste eeuw trachtte de fenomenologie dit probleem op te lossen (8).

 

Husserl (1859-1938) en  Heidegger (1889-1976)

De fenomenologie

Pragmatisme, neopositivisme, levensfilosofie zijn uiteenlopende kritische reacties op Kant. In nog grotere mate is dit het geval voor  de fenomenologie. In de 20ste eeuw wordt vooral vanuit deze hoek kritiek geuit op het rationalisme. De Duits-Oostenrijkse filosofen Husserl, de grondlegger van de fenomenologie, en Heidegger betogen dat het rationalisme de relatie tussen mens en wereld veel te intellectualistisch opvat

Evenals Husserl gaat Heidegger gaat uit van onze leefwereld, ons menselijk bestaan in de wereld Daarom wordt hij een existentie-filosoof genoemd of existentialist, evenals Karl Jaspers, Gabriël Marcel, Albert Camus en Jean-Paul Sartre. Alleen de visie van Sartre wordt besproken in deel 2, omdat bij hem evenals bij Husserl het begrip bewustzijn expliciet aan de orde komt.

Husserl stelt dat we de ervaring moeten bestuderen hoe ze in haar meest oorspronkelijke vorm tot ons komt. Hij stelt dat de fenomenologie uitgaat van de directe en intuïtieve ervaring van fenomenen (verschijnselen), en hieruit de essentiële eigenschappen van ervaringen en van wat men ervaart probeert af te leiden (5, d2, p. 228-229). 

Intentioneel gericht bewustzijn

Centraal staat de notie van intentionaliteit: het richting geven aan iets, het denken of de ervaring is altijd gericht op iets. Husserl stelde dat het mogelijk was om de twijfel van Descartes te overtroeven en door middel van de fenomenologische reductie het geloof in het Zijn van de wereld vooreerst uit te schakelen. Wat blijft er na dit over? Er blijft het zuivere bewustzijn over met zijn ‘mensen van de wereld’. Alles wat wij door middel van ons bewustzijn vernemen – zij het aanschouwelijk ervaren, voorstellend, denkend, waarderend – noemt Husserl fenomeen, en de wetenschap van dit bewustzijn heet daarom fenomenologie (5, d2, p. 229).

Husserl is het niet eens met Descartes. De eerste zekerheid is niet het denkende subject, maar de intentionele gerichtheid van het bewustzijn op de wereld. Het bewustzijn is altijd bewustzijn van iets. Het is onjuist te denken dat het bewustzijn eerst op zichzelf bestaat en daarna in contact treedt met de buitenwereld, zoals Descartes had gesteld. Integendeel: de gerichtheid op de buitenwereld (intentionaliteit) is precies het wezen van het bewustzijn. De intentionaliteit houdt in:

1. Dat het bewustzijn ‘open’ is: het is niet gericht op zichzelf (of op zijn eigen inhouden), maar op wat niet bewustzijn is, d.w.z. op het andere dan bewustzijn.

2. Het ik (ego) begrijpt zichzelf daarbij als subject enkel en alleen voor zover het zichzelf ervaart als ‘niet-het-andere-van-het-bewustzijn’.

Bewustzijnsinhouden en voorstellingen

Op die manier breekt Husserl met het moderne idee dat het bewustzijn enkel zijn bewustzijnsinhouden (voorstellingen) kent, zoals bij Descartes. Wel is het zo dat het bewustzijn een eigen ideële voorstellingswereld bevat, maar dat is niet de primaire act van het bewustzijn. Eerst is er de onmiddellijke betrokkenheid op de leefwereld en pas daarna wordt er een ideële wereld van voorstellingen geconstrueerd.

Het enige waarvan we volledig zeker zijn, is het verschijnen van fenomenen en hun verschijnen aan een subject. We zijn dus niet zeker van het bestaan van de fenomenen, zolang ze niet verschijnen. We kunnen het bestaan van de wereld en het ego niet bevestigen en weten nog minder over de manier waarop ze bestaan.

Voor Husserl is filosofie dan ook de fenomenologische beschrijving van de ervaren werkelijkheid. De meeste vroegere filosofen gingen kritiekloos uit van een op zichzelf bestaande objectieve realiteit, los en onafhankelijk van het bewustzijn. Dat is een zeer naïeve vooronderstelling, zegt Husserl, want er is toch altijd een relatie tussen mens en wereld. Het fameuze probleem van de brug wordt hiermee als een pseudo-probleem ontmaskerd. Het is een probleem dat slechts kon ontstaan in een mentaliteit die volledig doordrongen was van het objectivisme. Wat Husserl hiermee bekritiseert, is zeker niet de wetenschap, of dat de wetenschap spectaculaire resultaten kan voorleggen. Zijn kritiek is dat de wetenschap de plaats van de leefwereld als ‘de werkelijkheid’ heeft ingenomen, terwijl ze in wezen alleen een denkconstructie is om de leefwereld te objectiveren (10, p.158-163).

Transcendentaal bewustzijn

De Nederlandse filosoof en germanist Leo Fretz (1936-2003) schrijft over Husserl (15, p. 10) dat hij bewustzijnsactiviteit niet meer als een denkend ding zag, als een denkende substantie, maar veeleer als een volstrekte dynamiek. Niet alleen het Ik als psycho-fysische, maar tevens als psychische werkelijkheid is verdwenen. Wat overblijft is een zogenaamd ‘transcendentaal’ Ik, dat op geen enkele wijze meer als substantie kan worden gekarakteriseerd. De term ‘transcendentaal’ (ontleend aan Kant) heeft daarbij een totaal andere betekenis dan de term ‘transcendent’.

Het transcendentale bewustzijn, dat door Husserl het ‘transcendentale ego’ genoemd wordt, is bewustzijn dat geen spoor van materialiteit vertoont. Het heeft noch fysische, noch psychische eigenschappen. Het is ontdaan van alles wat in de ervaring (empirie) kan worden aangereikt. Het is een voor-empirisch bewustzijn. Transcendentaal betekent bij Husserl dus zoveel als voor-empirisch of onafhankelijk van de gewone ervaring. Niettemin heeft het transcendentale bewustzijn bij hem niet, zoals bij Kant, een zuiver formeel karakter. Het wordt wel degelijk ervaren, namelijk precies die van de activiteit van de zogenaamde fenomenologische reductie. In deze reductie toont het bewustzijn zich in zijn ware gedaante. In deze reductie verschijnt het bewustzijn zoals het werkelijk is (15, p. 11).

De correctie die Husserl op Descartes aanbrengt, moet worden verklaard vanuit de zogenaamde intentionaliteit van het bewustzijn. Grondbeginsel in de filosofie van Husserl is: bewustzijn bestaat slechts als bewustzijn van. Het bewustzijn is altijd intentioneel verbonden met de wereld waarop het is gericht. Vandaar dat het transcendentale bewustzijn niet tot zuivere vormelijkheid kan worden gereduceerd. Het is ook geen zuivere mogelijkheid, het is en blijft werkelijkheid. Maar deze werkelijkheid is geen inhoudelijke in die zin, dat het bewustzijn de dingen van de wereld bijvoorbeeld als beelden in zich bevat. Het bewustzijn kent geen inhouden. Het bewustzijn is een dynamische relatie tot de objecten in de wereld (15, p. 11)

Afsluiting van deel 1

Samenvattend beschrijft Husserl drie aspecten of dimensies vcan het bewustzijn:

1. het ingtentioneel gerichte werkzame bewustzijn in onze dagelijkse leefwereld

2. bewustzijnsinhouden en voorstellingen waarop het bewusztijn is gericht

3. transcendentaal bewustzijn of zuiver inhoudsloos bewustzijn dat de bewustzijnsinhouden bevat en eraan vooraf gaat

Deze driedeling is verherlderend met oog op de Indiase bewustzijnsdeskundigen in volgende artikelen. Conform de basisbegrippen en hypothesen is mijn verondersgtelling dat 1 en 2 zich afspelen in dre materiële werkelijkheid en betreft de immateriële werkelijkheid. We zullen zien of de volgende artikelen hier meer licht op werpen.

Het is duidelijk dat Husserl het bewustzijn als immaterieel ziet. Hij beschrijft wel een kenmerk van bewustzijn, namelijk intentionaliteit, het gericht zijn op iets. Maar het transcendentale bewustzijn kent geen bewustzijnsinhouden. Er ontstond kritiek op het begrip transcendentaal bewustzijn, ook wel transcendentaal ego genoemd. Naar aanleiding van Husserls eliminatie van het psycho-fysische en psychische ik en diens introductie van een transcendentaal ego ging men volgens Fretz de vraag stellen wat voor een Ik dit dan was.

De vraag kwam naar voren of dit ego van Husserl misschien niet veel anders was dan een geseculariseerde versie van het zielsconcept van christelijke huize. Dit soort vragen werden omstreeks 1900 in de filosofie en psychologie steeds dringender. Verschillende denkers zoals Nietzsche, Freud, Mach en Wittgenstein komen allen tot de overtuiging dat niet de persoonlijkheid van het bewustzijn bepalend is voor de psychische verschijnselen, maar dat een onpersoonlijk, bewust of onbewust, substraat ten grondslag ligt aan de psychische gedragingen (15, p. 12). Of dit onpersoonlijk substraat (bewustzijn) als materiële energie of als immateriële energie wordt gezien is niet altijd duidelijk.

In het volgende deel bespreek ik de levensfilosofie van Bergson, het existentialisme van Sartre, de theorie van Wilber en tot slot de ideeën van Freud en Jung in relatie tot het begrip bewustzijn.

De auteur

Hans Komen is politicoloog. Na zijn sociaalwetenschappelijke studie en onderzoek op dat terrein heeft hij zich vooral gericht op de filosofische en psychologische processen. Dit gaat verder dan het materialistische paradigma, dat momenteel zo dominant is geworden en dat de immateriële processen reduceert tot materiële processen. Met Helena Bloem schreef hij recentelijk vanuit dit perspectief het boek Gevangen door het ego. Dit is een vervolg van het eerder verschenen boek Ziel en geest.

Literatuur

Achterhuis, H., De utopie van de vrije markt, Lemniscaat, Rotterdam, 2010
Bayle, P., Over Spinoza, Damon, Budel, 2006
Bloem, H.M., H. Komen, Ziel en geest, Quist, 2008
Braeckman, H., B. Raymaekers, G. van Riel, Wijsbegeerte, 2016
Damasio, A., Het gelijk van Spinoza, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2008
Delfgaauw, B, Wat is existentialisme, Wereldvenster, Baarn, 1969
Doorman, M., Heleen Pott, Filosofen van deze tijd, Uitg. Bert Bakker, Amsterdam, 2000
Durant, W., Van Socrates tot Bergson, Boucher, Den Haag, 1940
Heerden, J. van, De zorgelijke staat van het onbewuste, proefschrift UvA, Boom, Amsterdam, 1982
Heidegger, M., Zijn en tijd, Sun, Nijmegen, 1998
Kolk, H., Bewustzijn, Van filosofie naar hersenwetenschap, 2008
Pagels, H. R., De kosmische code, Quantumfysica, 1984
Peursen C.A. van, E.J. Petersma, Metafysica, De geschiedenis van een begrip, Boom, Amsterdam, 1981
Plato, De uitgelezen Plato, Boom, Amsterdam, ca 1980
Sartre, J.P., Het Ik is een Ding, Boom, Meppel, 1988
Spinoza, B., Ethica, vertaling H. 2002
Spinoza, B., Hoofdstukken uit de politieke verhandelingen, Boom, Amsterdam, 1985
Störig, H.J., Geschiedenis van de filosofie, 1977
Tromp, H., www.filosofietuin.nl/kennis
Vloemans, A., Leven en leer der grote denkers, 1948
Zeilinger, A., Toeval. Hoe de kwantumfysica ons wereldbeeld verandert, Veen Magazines, Diemen, 2005

Noten

  1. Bloem, H.M., H. Komen, Ziel en geest, Quist, 2008
  2. Zie CM 34: Het belang van het onderscheid tussen iets en niets. nov. 2015
  3. Pagels, H. R., De kosmische code, Quantumfysica, 1984, p 224-226
  4. In Civis Mundi zijn eerder artikelen verschenen over de kwantumtheorie en bewustzijn. Zie o.a. de artikelen van P. Ransijn, Dichter bij de wetenschap, een complementaire visie, deel 1 t/m 3, CM 25, 26, 27.
  5. Störig, H.J., Geschiedenis van de filosofie, 1977
  6. Vloemans, A., Leven en leer der grote denkers, 1948
  7. Kolk, H., Bewustzijn, Van filosofie naar hersenwetenschap, 2008
  8. Tromp, H., http://www.filosofietuin.nl/Kennis/kennis.htm
  9. Spinoza, B., Ethica, vertaling H. 2002
  10. Braeckman, H., B. Raymaekers, G. van Riel, Wijsbegeerte, 2016
  11. https://nl.wikipedia.org/wiki/Ding_an_sich
  12. https://nl.wikipedia.org/wiki/idealisme
  13. https://nl.wikipedia.org/wiki/rationalisme
  14. Durant, W., Van Socrates tot Bergson, Boucher, Den Haag, 1940, p. 282
  15. Sartre, J.P., Het Ik is een Ding, Boom, Meppel, 2008