Karma en reïncarnatie als mogelijke verklaring van het ongelijke levenslot

Civis Mundi Digitaal #45

door Wim Couwenberg

De bijdrage van Toon van Eijk in de rubriek ‘Identiteit’ sprak mij bijzonder aan, door de excellente compositie ervan, met stukken over de lopende identiteitsproblematiek en –discussie. Wat mij daarin ook opvalt, is hoe hij terloops het toeval en het al of niet geluk hebben opvoert ter verklaring van het zo ongelijke levenslot van mensen. Wat kunnen we ertegen doen, vraagt hij zich af. In onze moderne samenleving en cultuur is er op grond van het emancipatiemotief als drijfkracht al heel wat ondernomen om meer gelijke levens- en ontwikkelingskansen te creëren. Desondanks blijven die ontwikkelingskansen heel ongelijk. Het blijft vechten tegen de bierkaai. Door globaliseringsprocessen is er inmiddels een nieuwe categorie gegroeid van voorlopers en achterblijvers.

Ondanks alle wetenschappelijke verlichting en technologische revoluties blijft de zo ongelijke levensloop van mensen, evenals trouwens het algemene geschiedverloop en de zin ervan in raadsels gehuld. Op de laatste levensvragen van het waarom en het waartoe der dingen blijft het filosofische en wetenschappelijke zoeken naar een bevredigend antwoord te kort schieten. Religies proberen in die intrigerende behoefte te voorzien. Maar onder invloed van het klassieke en het nieuwe atheïsme is dat inmiddels ook ter discussie geraakt. God is dood, verzekert dit nieuwe seculiere geloof. Nederlandse belijders ervan als Paul Cliteur en Herman Philipse vinden dat het hoog tijd wordt dat die doodverklaarde god ophoudt ons te blijven betoveren. Dat doet mij onwillekeurig denken aan de spottend ironische kreet van Woody Allen: God is dood, Nietzsche is dood, en ik voel mij ook niet zo lekker.

In katholieke geest opgegroeid met zekerheden over de laatste levensvragen, neig ik op weg naar het einde van het eenmalig veronderstelde leven, dat voor zoveel mensen zo oneerlijk uitpakt, tot een religieus agnosticisme. Er valt alleen te speculeren over mogelijke antwoorden op juist gestelde vragen. Ook in Civis Mundi is dat herhaaldelijk gedaan, onder meer door in dit verband de leer van karma en reïncarnatie ter discussie te stellen.

 

Karma en reïncarnatie: oosterse en westerse interpretaties

Nu het christelijk hiernamaalsgeloof tanende is, zijn tal van mensen geneigd een alternatief te zoeken in oosterse en westerse interpretaties van de oude leer van karma en reïncarnatie. Het is, zoals de Nijmeegse godsdienstpsycholoog J. Jansen hierop reageert, het geloof in een tweede kans. We kunnen niet meer omgaan met de eeuwigheid, dat is verveling ten top. De menselijke maat is tegenwoordig gebaseerd op afwisseling. Het idee van reïncarnatie past daar heel goed bij. Ook in het moderne postchristelijke humanisme is er tegenwoordig een stroming die de religieuze intuïtie van een postmortaal toekomstperspectief serieus neemt. Daar is het de vraag naar een onsterfelijke ziel die op grond van algemeen menselijke en academische motieven weer opgepakt wordt.[1] Een postmortaal toekomstperspectief op grond van de leer van karma en reïncarnatie leeft nog voort in esoterische stromingen als theosofie en antroposofie. Die is zoals bekend van oosterse oorsprong, en veronderstelt een alomvattend eeuwig zijn, waarin mensen via een reeks van ex- en reïncarnaties uiteindelijk opgaan (ontocratie). In Nederland is het vooral de arts/filosoof en antroposoof Hugo Verbrugh geweest die zich met grote gedrevenheid ingezet heeft om een publieke discussie en wetenschappelijk onderzoek over dat concept op gang te brengen. Hij heeft daartoe de Stichting Kairos, Karma en Reïncarnatie opgericht. In Civis Mundi is aan dit onderwerp behalve een jaarboek een speciaal nummer gewijd onder de titel ‘Is elk zijn tot niet-zijn geschapen?’ (Civis Mundi, 1, 2009).

 

Wetenschappelijke benadering

Na Ten Haeff, de eerste Nederlandse hoogleraar in de parapsychologie, zijn er nieuwe pogingen gedaan om tot een meer wetenschappelijke benadering van reïncarnatie te komen. In Nederland was het de journalist Michel Hegener die daartoe en poging gedaan heeft in zijn boek Leven op herhaling (2012), met als pretentieuze ondertitel Bewijzen voor reïncarnatie. In dat boek doet hij verslag van een onderzoek naar die bewijzen, die, zo stelt hij, inmiddels wereldwijs beschikbaar zijn. Het is gebaseerd op interviews met onderzoekers, getuigen, wetenschapsfilosofen en sceptici. Zijn hoop hiermee het doodzwijgen van dit thema in de publieke opinie te doorbreken, is vooralsnog ijdel gebleken. De bewijzen die hij aanvoert, steunen voornamelijk op de anomalieën die hij in dit boek optekent. Die zouden in zijn zienswijze bewijzen dat de geest wel degelijk onafhankelijk van het lichaam kan bestaan. Met zijn onderzoek heeft hij lijkt me, in ieder geval de mogelijkheid van reïncarnatie tot een plausibele hypothese gemaakt, met andere woorden, daarin dus niet bij voorbaat een onmogelijke gedachte te zien.

Dat is ook de zienswijze van de natuurkundige C.W. Rietdijk. Hij betoogt dat in een artikel in een van de meest geciteerde internationale tijdschriften op natuurwetenschappelijk gebied, Physics Essays. Op basis van natuurkundige argumenten stelt Rietdijk dat de veronderstelling van een postmortaal toekomstperspectief een plausibele hypothese is, daarbij wel uitgaande van een vierdimensionale wereld.

 

Perspectief op een evolutie met duurzame zin

In de inleiding op het Civis Mundi jaarboek 2014 Heeft geschiedenis zin? Komt de leer van karma en reïncarnatie in een gemoderniseerde interpretatie opnieuw kort aan de orde als een geloof dat de belofte inhoudt een adequaat antwoord te kunnen geven op de elementaire menselijke behoefte aan een aardse bedeling die uiteindelijk als rechtvaardig en zinvol kan worden ervaren. In een eenmalig leven met zoveel ongelijke levenskansen en ontwikkelingsmogelijkheden is dat immers uitgesloten. Dit gemoderniseerde geloof biedt het perspectief op een evolutie, waarin aan het menselijk bestaan met zijn vele absurditeiten en ongerechtigheden uiteindelijk toch een duurzame zin valt toe te schrijven. Al wat we doen en nalaten bepaalt in dat geloof mede ons verdere levenslot. Leven dus beleefd als een constant leerproces, ook in moreel opzicht; als zodanig een nieuw houvast waar de Britse schrijfster Kate Atkinson nog eens aan herinnerde in haar reïncarnatieroman Life after Life. Zij brengt daarin op intrigerende wijze ene reeks van levens van haar hoofdpersoon in beeld, met telkens nieuwe kansen om verkeerde keuzes en tekortkomingen in vorige levens te kunnen herstellen.

Bij nadere bezinning op de vraag of in dit geloof vanuit het diesseits een geloofwaardige verbinding te leggen valt met het jenseits, waarin eeuwenlang het christelijk hiernamaalsgeloof voorzien had, ben ik tot het inzicht gekomen dat het niet meer kan zijn dan een speculatieve mogelijkheid. Een oude vriend van mij schreef mij op het einde van zijn leven gedesillusioneerd dat het leven ineens remmend en knarsend tot stilstand komt, met een grote nulsom als uitkomst. Die vertwijfelde conclusie deel ik niet. We eindigen dit leven mijns inziens met een open vraag, zoals de toekomst in dit leven ook een open vraag is. De bekende actrice Annemarie Prins maakte op haar oude dag de balans op van haar leven. Op de cruciale vraag: ‘Ben ik geslaagd voor het examen mensch?’ luidde haar besliste antwoord: niet gelukt. Ik ben daar evenmin in geslaagd, de meeste mensen evenmin, naar mijn indruk. De enige hoop die dan rest, is de mogelijkheid van een herkansing via zoiets als reïncarnatie, waarmee ook de dood zin en betekenis krijgt.

 

Meer dan geloof?

Gaat het in de leer van karma en reïncarnatie uitsluitend om een geloof dat een nuttige functie vervult als ‘Lebenshilfe’ of ‘Kontingenz-Bewältigung’? Of gaat het om meer dan dat? Voor veel aanhangers gaat het om een innerlijk zeker weten. Voor anderen gaat het om een mogelijkheid, die plausibel lijkt en serieus genomen moet worden. Als hypothese en mogelijkheidservaring wordt reïncarnatie al enige mate operationeel gemaakt in regressietherapieën spirituele pedagogiek. Er vindt ook empirisch reïncarnatieonderzoek plaats, door het systematisch verzamelen van reïncarnatieherinneringen. Onderzoek naar bijna-doodervaringen en uittredingen (buitenlichamelijke ervaringen) biedt in dit verband eveneens informatie die wellicht relevant is.

Maar wat reïncarneert er eigenlijk? In moderne westerse interpretaties gaat men ervan uit dat we als mens deel zijn van een alomvattende goddelijke energiestroom, en daarin op andere wijze terugkeren. Want energie gaat niet verloren. De vraag wat er dan van mensen precies reïncarneert, blijft echter een punt van discussie. Is dat het menselijk bewustzijn, dat in die interpretaties van goddelijke oorsprong is, en dus niet het toevallige resultaat van de evolutie van de materie, zoals in het heersende natuurwetenschappelijke paradigma verondersteld wordt?[2] Als we terugkeren met een eigen geschiedenis en eigen levensplan en –opdracht, zoals in deze leer verondersteld wordt, hoe verhoudt zich dat dan tot de genetische achtergrond van ons bestaan?

Wat velen in de moderne leer van karma en reïncarnatie aanspreekt, is dat het menselijk bestaan daarin in een samenhangend evolutionair perspectief geplaatst wordt, dat zich over meerdere levens uitstrekt. Wat in een eenmalig levensperspectief als absurd, louter willekeur en toeval ervaren wordt, krijgt in dat perspectief zin en betekenis. Leven en dood komen daardoor in een nieuw licht te staan, evenals uiteraard het vraagstuk van zingeving. Het gaat hier om specifieke expressie van religiositeit die zoveel weerklank vindt, omdat zij direct aansluit op de individualiteit van ons religieuze bewustzijn in onze moderne cultuur. Maar zij is niet vrijblijvend. Alles wat we doen of nalaten, bepaalt mede ons verdere levenslot. Leven is een continu leerproces. Van dit inzicht gaat een disciplinerende werking uit, die vergelijkbaar is met die van het christelijke hiernamaalsgeloof, dat in het moderne denken als een vrome illusie terzijde geschoven is, zonder dat voorzien is in een gelijkwaardig substituut.



[1] Zie I. Maso, Onsterfelijkheid. Van twijfel naar zekerheid, 2007; en F. Suarez Müller, Humanisme en leven na de dood, Civis Mundi, 1, 2009.

[2] De bekende fysicus en filosoof Paul Davies ziet in zijn boek Zijn wij alleen? (1997) het bewustzijn als een karakteristiek effect van fundamentele natuurwetten, en dus niet als een toevallig ontstaan fenomeen.