Amerikaans buitenlandse politiek en de Jacksoniaanse revolutie

Civis Mundi Digitaal #45

door Alexander Dake

Stel een Amerikaanse president keurt een wet goed om minderheden binnen Amerikaans grondgebied gedwongen te verhuizen en stel dat diezelfde president een bevriende natie, die weigert schulden aan de VS af te lossen, vervolgens bedreigt met handelssancties en militaire actie, dan zou je je vandaag de dag kunnen voortstellen dat dit een toekomstig scenario met President Trump beschrijft. In dit geval gaat het echter om historische gebeurtenissen onder leiding van de eerste populistische president van de VS, Andrew Jackson, president van 1829 tot 1837.  Als 13-jarige koerier speelde Jackson een rol in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog  (1775-1783) tegen Groot Brittanië, daarna was hij jurist en senator, maar hij werd een Amerikaanse volksheld door zijn rol als generaal in de Oorlog van 1812 tegen Groot Brittanië. In 1828 richtte hij de huidige Democratische partij op en werd vervolgens president. In 1830 ondertekende Jackson een wet die Indianen uit het zuidoosten van de VS dwong te verhuizen naar het westen van het land, naar de huidige staat Oklahoma. In een toespraak aan het Amerikaanse Congres in 1834 dreigde Jackson Frankrijk, dat schuldenaar was van de VS, met sancties. Nadat de Amerikanen zelfs militaire voorbereidingen troffen, eindigde dit conflict uiteindelijk met Franse betaling.

 

Buitenlands beleid en de Council on Foreign Relations

Historisch gezien is Jackson een van de meest controversiële presidenten: oorlogsheld, geliefd bij de gewone Amerikaan, tegenstander van de gevestigde orde, maar ook controversieel zoals uit bovenstaande voorbeelden blijkt. Nu bijna tweehonderd jaar later is Jackson’s filosofie weer teruggekeerd in de Amerikaanse politiek, stelt Walter Russell Mead, hoogleraar internationale betrekkingen en een zwaargewicht binnen de Amerikaanse diplomatieke orde.  Afgelopen maand nam Mead deel aan een door de denktank Council on Foreign Relations georganiseerde paneldiscussie met als thema Trump en het Amerikaanse buitenlandse beleid.  Deze Council on Foreign Relations, tegenhanger van het Nederlandse Instituut Clingendael,  is een pur sang vertegenwoordiger van het traditionele East Coast establishment waar de Amerikaanse diplomatieke, financiele, politieke en journalistieke elite bijeen komt. De leden zijn (oud-)ministers van buitenlandse zaken, zoals Madeleine Albright en Henry Kissinger en andere top diplomaten, bankiers zoals Jamie Dimon van JP Morgan en de voormalige voorzitter van de Federal Reserve Alan Greenspan, miljardairs zoals George Soros, John Paulson en tot voor kort David Rockefeller, politici waaronder senator John McCaine en de voormalige vice-president Dick Cheney en vooraanstaande journalisten zoals Thomas Friedman van de New York Times en Fareed Zakaria van CNN.  Dit gezelschap en hun voorgangers hebben het Amerikaanse buitenlandse beleid de afgelopen decennia bepaald en beinvloed, maar het is ook een gezelschap gekenmerkt door een gemeenschappelijk belang waarbij de politieke partijachtergrond secundair lijkt.

 

Mead, verwijzend naar zijn artikel “The Jacksonian Revolt, American Populism and the Liberal Order”in de april editie van Foreign Affairs (het tijdschrift van de Council on Foreign Relations), stelde dat het Amerikaanse buitenlandse beleid sinds de Tweede Wereldoorlog inderdaad gestoeld is op een gemeenschappelijk belang, namelijk een stabiele internationale orde met de VS in het middelpunt. De verschillende invloeden op deze consensus kwamen niet zozeer van de politieke partijen, maar van de politieke fijnproevers in de Council on Foreign Relations. Deze filosofische invloeden waren met name de zogenoemde Hamiltoniaanse invloed die zich meer richt op economische factoren en de Wilsoniaanse invloed die meer belang hecht aan waarden, zoals democratie en mensenrechten. Ondanks deze nuanceverschillen, was tot nog toe de internationale liberale orde het fundament van het Amerikaanse buitenlandse beleid, ongeachte welke partij aan de macht is. Met het aantreden van Trump is er nu voor het eerst in 70 jaar een president die maling heeft aan de consensus op buitenlands beleid en is daarentegen geinspireerd door het Jacksoniaanse nationalisme.

 

Jacksoniaans nationalisme

Het gaat de Jacksonianen allereerst om de veiligheid en het economisch welbevinden van de Amerikaanse burger.

Buitenlandse politiek speelt nauwelijks een rol voor Jacksonianen, tenzij een vijand Amerika de oorlog verklaart. Maar de vijand kan ook binnenlands zijn in de vorm van de gevestigde orde en immigranten. Mead benadrukte dat deze laatste sociaal-culturele factoren belangrijker zijn dan de economische factoren die steeds door polticologen als de verklaring van het toegenomen populisme wordt gegeven. Lagere lonen, banenverlies, toegenomen drugsgebruik en zelfmoord onder oudere blanke mannen zijn van belang, maar het gevoel dat de elite de grotendeels blanke middenklasse en blanke armeren in de steek heeft gelaten, heeft deze groepen het vertrouwen in de politiek maar ook in hun eigen toekomst doen verliezen. Zelfs Mead, een typische vertegenwoordiger van de gevestigde orde, moet erkennen dat deze groepen een punt hebben. Gedurende het afgelopen decennium hebben de politieke, media en academische elites ogenschijnlijk alles gedaan om het allerlei “minderheden” naar de zin te maken van de zwarte tot de latino bevolking, van vrouwen tot lgbt’s en Moslim Amerikanen.  Door de alomheersende politieke correctheid konden de blanke groepen zich niet uiten zonder van bekrompenheid of racisme beschuldigd te worden. Hun frustratie met deze situatie heeft hen in de handen gedreven van Trump, de enige politicus die hun onvrede heeft aangevoeld en zegt er iets aan te willen doen. Duidelijk is dat hij een “America first” beleid aanhangt, onduidelijk is nog hoe dit zich zal uiten in buitenlands beleid.

 

Na afloop van de paneldiscussie werd door verscheidene vragenstellers getwijfeld aan de houdbaarheid van Mead’s theorie van Trump. Een vragensteller vond dat Trump als onbetrouwbare zakenman zonder politieke filosofie, niet opeens een strategische aanhanger van Jackson zou kunnen zijn, laat staan een beleid daarop zou kunnen baseren. De panelleden vonden echter allen dat het na de ervaringen van afgelopen anderhalf jaar onverstandig zou zijn om Trump te onderschatten. Ik zou daaraan kunnen toevoegen dat de uiteenzetting van Mead zeer gedegen is en dat er in het Amerikaanse achterland duidelijk een Jacksoniaanse revolutie gaande is op basis van economische achteruitgang en angst voor de toekomst. Trump is nu een vaandrager voor deze gevoelens en wellicht loopt hij vast, maar dat zal niet het einde van deze revolutie inhouden. In elk geval steekt Trump zijn respect voor Jackson niet onder stoelen of banken. Nadat hij eerder een portret van Jackson in het Oval Office heeft opgehangen, legde hij vorige maand een krans bij het graf van Andrew Jackson in Tennessee. De laatste president die dat ook gedaan heeft was Ronald Reagan, de uiterst populaire president die het einde van de Koude Oorlog inluidde. Jacksoniaans of niet, wie weet wat Trump nog zal doen op buitenlands gebied.

 

 

 (© 2017, Mr A.M. Dake is de uitgever van Cosimo, een uitgeverij van boeken die informeren en inspireren, gevestigd in New York en Den Haag)