Wie is Erdoğan en wat zijn politieke rol en betekenis in Turkije en het Midden-Oosten?

Civis Mundi Digitaal #51

door Wim Couwenberg

Bespreking van: Anton Kruft en Perry Pierik (red.), Erdoğan. Perceptie, reflectie, analyse. Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2017.

Er gaat geen dag voorbij of de sterke man van Turkije haalt het nieuws en dit in toenemende mate op verontrustende wijze. Onder Erdoğan is Turkije, dat jaren politiek en economisch de wind in de zeilen had, in hoogtempo geïsoleerd geraakt. Dit heeft in hoge mate rechtstreeks te maken met de ambities van de president. Erdoğan liet zonder blikken of blozen weten dat de Turkse invloedssfeer zich uitstrekt van Sarajevo tot Jeruzalem en toonde richting Europa maar ook in de eigen regio -Syrië- een zeer eigengereide politiek. Wat zijn de drijfveren van deze man, en wat kunnen we verwachten? In deze bundel staat een reeks van auteurs stil bij leven en werk van deze president. Ik kan niet op die grote verscheidenheid van auteurs met hun analyses en percepties nader ingaan, en beperk mij tot de bijdragen van Paul Cliteur en Derk Jan Eppink.

Cliteur concentreert zich op de zegeningen van het militante secularisme, de principiële scheiding van religie en staat, de religieneutrale staat dus, zoals Atatürk die in Turkije geïntroduceerd heeft na de val van het grote Ottomaanse Rijk, en met sindsdien het Turkse leger als bewaker van deze westers-liberale verworvenheid. En het is Erdoğan die, sinds hij in 2003 met zijn AK-Partij aan de macht is gekomen, bezig is die westers-liberale verworvenheid ongedaan te maken door onverdroten te koersen richting Islamitische Republiek Turkije, en daarmee Turkije consequent te islamiseren. De Europese Unie heeft hem daarbij een flink handje geholpen, zoals Derk Jan Eppink kort en bondig uiteenzet in zijn stuk: Hoe de EU de weg bereidde voor Erdoğan.

 

Leger terug in de kazerne

De belangrijkste eis van Europa voor Turks EU-lidmaatschap, die Erdoğan met volle instemming overnam en uitvoerde, was de politieke rol van het leger terug te dringen en uit te schakelen. Met het leger eenmaal terug in de kazerne kon Erdoğan onbelemmerd de islamisering van de Turkse samenleving stap voor stap doordrukken. De strijd hierover wist hij met het referendum van 16 april 2017 in zijn voordeel te beslechten. Daarmee kwam een ontwikkeling op gang, geheel in strijd met wat de EU verwachtte. De beoogde modernisering versterkte juist de roep om islamisering van onderop. Erdoğan kon daardoor de islamitische oppositie tegen de rol van het leger met zijn AK-Partij met succes mobiliseren. De beoogde democratisering luidde met het leger terug in de kazerne het einde in van de seculiere maatschappij. De mislukte staatsgreep in 2016 was de laatste stuiptrekking van het leger in zijn traditionele rol als bewaker van de seculiere staat en maatschappij. Erdoğan islamiseert nu in vlot tempo de staatsinstellingen, en zo verandert het seculiere Turkije van Atatürk doelbewust in een islamitische staat.

Het militante secularisme is een van Cliteurs dierbare issues en politieke prioriteiten. Hij maakt zich hiervoor aan de hand van Atatürk opnieuw sterk tegen Erdoğans drijven in de richting van een confessionele Turkse staat. Cliteur doet dat in deze bundel op een heel populaire wijze, in een vraaggesprek met zichzelf, waarin hij alle bedenkingen tegen militant secularisme glashelder en overtuigend bestrijdt en omverhaalt.

Het conflict tussen religieuze traditie en moderniteit dat zich nu onder Erdoğan in Turkije afspeelt met diens ijveren voor herstel van de islamitische staat, herinnert aan de godsdienstig politieke antithese die sinds eind 19e eeuw in Europa de politieke verhoudingen en strijd gaat bepalen, de tegenstelling dus tussen politiek confessionalisme/fundamentalisme en politiek secularisme/antiklerikalisme.

In Nederland heeft die strijd de geestelijke en politieke verhoudingen in de 20e eeuw in niet geringe mate bepaald. In de eerste helft van die eeuw had het traditionele christendom nog de overhand, ook in de politieke machtsverhoudingen, die toen in het teken stonden van de confessioneel-christelijke antithese van Abraham Kuyper en de confessionele partijvorming als uitvloeisel daarvan.

In de tweede helft van die eeuw, met name in de eerste twee decennia na de Tweede Wereldoorlog, raakt confessioneel-christelijke partijvorming echter in het defensief gedrongen tijdens de strijd voor of tegen de zogenaamde Doorbraak, waarin die partijvorming principieel ter discussie gesteld wordt. In mijn toenmalige prille politieke leven ben ik daar ook bij betrokken geraakt, en heb ik daarop gereageerd door de ontwikkeling van een christendemocratische Doorbraakgedachte, met deconfessionalisering van die confessioneel-christelijke partijen als inzet.[1] Dat is, na aanvankelijk nog krachtig confessioneel verzet, ten slotte uitgemond in het CDA als fusie van de inmiddels als christendemocratisch aangeduide confessionele partijen KVP, ARP en CHU, zij het nog wel met eerst nog een beleefde politieke buiging naar dat confessionele verleden, door te starten als een evangelisch-radicale partij.

Maar die beleefde buiging is een politieke schijnbeweging gebleken. Als het CDA dat hernomen confessionele uitgangspunt serieus genomen had, en tot inzet gemaakt van politieke strijd, dan had het politieke secularisme zich hier niet zo geruisloos kunnen doorzetten, al hebben we nog wel twee confessionele politieke restanten, zoals de ChristenUnie en de SGP, en in de vorige eeuw ook nog een stroming die zich presenteerde als christelijke radicalen, als afsplitsing van het CDA. En het maatschappelijke middenveld is nog doortrokken van confessionele uitgangspunten, met een grondwettelijke grondslag in het bekende onderwijsartikel.



[1] Zie S.W. Couwenberg, Pleidooi voor een christelijke Doorbraakgedachte, 1959; idem, Het Nederlandse partijstelsel in toekomstperspectief, 1960, p. 89 e.v.; idem, Doorbraak in een nieuwe fase, Te Elfder Ure, nr 5, 1961.