Het CDA als politieke fusie van ARP, CHU en KVP ter discussie

Civis Mundi Digitaal #52

door Wim Couwenberg

CDA als nieuwe protestantse partij

Al loopt de steun aan de protestantse kerk terug, dat is nog geen reden om te twijfelen aan de invloed en betekenis van het protestantisme in Nederland, oordeelt George Harinck, hoogleraar neocalvinisme aan de Amsterdamse VU en kenner van de neocalvinistische leidsman Abraham Kuyper. Want onze Nederlandse mentaliteit, individualistisch en direct, is nog altijd door en door protestants. Nederland kent nog steeds grote protestantse omroepen (denk maar aan de EO) en uitgesproken protestantse partijen, zoals de ChristenUnie, de SGP en in feite ook het CDA, aldus deze protestantse hoogleraar. De mannetjesputters van het CDA zijn namelijk allemaal protestant: Buma als fractievoorzitter van het CDA in de Tweede Kamer, dominee Ruth Peetoom als partijvoorzitter, Pieter Jan Dijkman als directeur van het wetenschappelijk instituut van het CDA, enz. Het stukje eindigt met de verklaring dat deze protestantse hoogleraar de liberale dominantie in het publieke domein opnieuw ter discussie stelt.[1] Dat herinnert mij aan de vroeger in de geest van Abraham Kuyper en diens godsdienstig-politieke antithese trots beleden overtuiging van het protestantisme als noodzakelijk tegenwicht van het liberalisme. Maar het herinnert mij ook aan mijn eigen politieke verleden tijdens de voorbereiding van het CDA.

 

Politiek verleden

Ik had mij voor het CDA als politieke overbrugging van de nog voortlevende kloof tussen Rome en de reformatie krachtig ingezet, in aansluiting op de toen opgang makende oecumenische beweging als inspiratiebron. Maar door aan een middenpositie als uitgangspunt van het CDA vast te houden, liep ik wel uit de pas van de toenmalige radicaal gezinde tijdgeest. En met de aanvaarding van het Europese humanisme als inspiratiebron van het CDA naast het christendom viel ik nog meer uit de toon, gezien de exclusief christelijke inspiratie, die bij de ideologische voorbereiding van het CDA vooral onder protestantse invloed domineerde. Opmerkelijk is wel dat Europees humanisme als inspiratiebron naast het christendom daardoor volstrekt taboe was, terwijl Belgische christendemocraten daar geen enkele moeite mee hadden. Een bekende katholieke godsdienstsocioloog als G.T.P. van Tillo zag zelfs grote verwantschap tussen christendom en humanisme als politieke inspiratiebron en was daarom voor een integratie van beide als politieke grondslag.[2]

Het was vooral de ARP die veel meer dan de KVP bleef hechten aan evangelische getuigenispolitiek.[3] Op het oprichtingscongres van het CDA als federatie van de drie christendemocratische partijen in 1975 bevestigde ARP-leider Willem Aantjes dat op saillante wijze met zijn bekende pleidooi voor de Bergrede als richtsnoer van christendemocratische politiek. Toen ik mij bij de voorbereiding van het CDA bleef verzetten tegen een exclusief evangelisch-radicale grondslag was het de toenmalige ARP-voorzitter A. Veerman die vóór een radiodiscussie daarover van mij verlangde dat ik althans naar buiten toe die grondslag onderschreef, wilde ik in het CDA op mijn plaats zijn. Ik hoefde er niet in te geloven, voegde hij eraan toe als ik het maar naar de achterban toe beleed.

Het bijbels gefundeerde christelijke idealisme, zoals beleefd door ARP en CHU, was in de KVP vreemd cultuurgoed, waar men alleen om praktisch politieke redenen een beleefde buiging voor maakte. In een zo sterk gouvernementele partij als de KVP werd idealisme überhaupt met scepsis bejegend, want als politiek naïef niet serieus genomen. In die geest drong de toenmalige KVP-voorzitter Fons van der Stee er bij mij tijdens de ideologische voorbereiding van het CDA dan ook op aan mijn verzet tegen een exclusief evangelisch-radicale oriëntatie van het CDA, zoals van protestantse zijde gestipuleerd, op te geven. Als KVP zijn wij in het CDA verreweg de grootste politieke club, en kunnen wij de koers van het beleid van die partij dus het meest naar onze hand zetten, en daar gaat het toch uiteindelijk om, zo hield hij mij voor ogen. Het was een laatste echo uit de tijd van de langdurige dominantie van de KVP in de Nederlandse politiek.

Zo zegevierde die protestants gezinde versie op het CDA ten slotte in een tijd toen radicalisme in christelijke kringen nog hoogtij vierde. Hoe anders is dat, nu dat radicalisme een islamitische strekking gekregen heeft, en in dit verband juist gepleit wordt voor deradicalisering.

Met mijn verzet tegen een exclusief christelijke grondslag en daarmee samenhangende evangelische getuigenispolitiek plaatste ik mij buiten de gewenste politieke koers. Dat betekende dan ook het einde van mijn politieke inzet voor een gemoderniseerde, want gedeconfessionaliseerde christendemocratie waarvoor ik mij jarenlang sterk gemaakt had. Die grondslagkwestie is Dick de Zeeuw als latere KVP-voorzitter in de jaren ‘70 trouwens ook noodlottig geworden. Hij relativeerde op zijn beurt te veel de reële betekenis van evangelische inspiratie voor het praktische politieke handelen en legde ook te sterk de nadruk op het open karakter van het CDA naar niet-exclusief christelijk geïnspireerden toe op een moment dat daartegen nog te veel weerstand leefde. Ook Dick de Zeeuw fini.[4]

Uiteindelijk – ironie van deze geschiedenis – is dat confessionele geharrewar op een hele pragmatische manier opgelost. Die zo gekoesterde nadruk op evangelische inspiratie en oriëntatie is namelijk toch niet het politieke bindmiddel geworden, waar het aanvankelijk allemaal om draaide, maar het politieke antwoord daarop in de vorm van de christendemocratisch geheten politieke overtuiging en het daarop gebaseerde beleid. De kernbegrippen van die overtuiging zijn nadien zo algemeen geformuleerd dat zij niet of nauwelijks een specifiek christendemocratisch karakter hebben[5]. Vandaar dat het CDA inmiddels ook een moslim-achterban gekregen heeft en Kamerleden, staten- en raadsleden met een islamitische achtergrond.

Het CDA als politieke tegenhanger van de oecumenische beweging is in de politieke praktijk een loze pretentie geworden, nu het feitelijk een protestantse partij is geworden. De christendemocratie als politieke ideologie in Europa toont in de politieke ontwikkeling ook weinig samenhang meer: in Nederland en Duitsland leeft zij voornamelijk voort als protestantse middenpartijen, en in Hongarije, Polen, Oostenrijk en Spanje als rechts-nationalistische politieke clubs. Alleen in Europees verband is de christendemocratie nog relevant als politieke machtsfactor, waardoor Juncker als Luxemburgse christendemocraat voorzitter van de Europese Commissie kon worden.

 

Politieke opstelling

Hoe opportunistisch politieke opstellingen zijn, leert de geschiedenis niet alleen van het CDA, maar ook van de PvdA. Het politieke midden was bij de start van het CDA zoals gezegd volstrekt taboe, en dat is het nog een hele tijd gebleven. Begin jaren ’90 verklaarde een prominente CDA-politicus en tevens premier als Ruud Lubbers nog dat hij gruwde van zoiets als een middenkoers.[6] Hoezeer dat ook toen nog taboe was in het CDA, bleek uit het grote omslagartikel over de C van het CDA in Elsevier van 14 april 1990. De belangrijkste ideoloog van het CDA in die jaren, A.M. Oostlander, bezwoer van zijn kant nog eens dat een authentieke CDA’er het politieke midden nooit mocht omarmen als politieke opstelling van zijn partij. Voor het CDA gaat het in de politiek primair om het realiseren van bijbels gefundeerde idealen. En daarmee is het pragmatisme van een middenpositie in zijn ogen volstrekt onverenigbaar.[7]

Sinds 2012 presenteert het CDA zich officieel als middenpartij in radicale zin. Lange tijd presenteerde de PvdA zich als een uitgesproken linkse partij, maar nu is zij op haar beurt ook opgeschoven naar het politieke midden, en wordt zij in de media, evenals het CDA, opgevoerd als klassieke middenpartij.



[1] Zie Trouw, Zoek de katholieken in het CDA. Dagblad Trouw, 16 oktober 2017.

[2] Zie G.T.P. van Tillo, Geloof en politiek, gescheiden wegen, in: S.W. Couwenberg (red.) Geloof en christendom in de jaren ’90, Civis Mundi jaarboek 1992, p71 e.v.

[3] Zie J.A. Bornewassr, Katholieke volkspartij­ 1945-1980, Band I. 1995, p. 327.

[4] Zie S.W. Couwenberg, Moderniteit als nieuw beschavingstype. Civis Mundi Jaarboek 2009, p. 20.

[5] Zie S.W. Couwenberg, a.w., p. 191.

[6] Zie R. Lubbers, Samen op weg, 1991, pp. 144-146

[7] Zie S.W. Couwenberg, a.w., p. 17.