De literaire roman als praktische filosofie, deel 2 (slot)

Civis Mundi Digitaal #58

door Helena Bloem

Bespreking van: Jeroen Vanheste, Denkende Romans. Uitgeverij Damon, Eindhoven, 2017.

Links: Het boek Denkende Romans van Jeroen Vanheste,
Rechts: Jeroen Vanheste (1964), docent cultuurfilosofie aan de Open Universiteit

Introductie
In  deel 1 zagen we vooral een humanistisch mensbeeld in het werk van de behandelde zes schrijvers: Leo Tolstoj, Cervantes, Marcel Proust, Saul Bellow, Simon Vestdijk en Dennis Potter. (1) In dit tweede deel komen de zes overige schrijvers aan de orde. Deze laten eveneens een humanistisch mensbeeld zien, maar dan meer in het bredere perspectief van sociale en (westerse) maatschappij- en cultuurkritiek. Het gaat hierbij om Thomas Mann, T.S. Eliot, Hermann Broch, Fjodor Dostojevski, Milan Kundera en Michel Houellebecq.

Overzicht deel 1
Bij Tolstoj spelen  vooral zingevingsvragen een grote rol met aspecten als goed en kwaad, God en de goddelijke macht. Hij signaleert en bekritiseert veel, maar draagt weinig bij tot uitvoerbare oplossingen. Uiteindelijk blijft het bij hem onduidelijk hoe alles dan wèl zou moeten.
Het verhaal van Cervantes over Don Quichot en dan met name over diens liefde voor Dulcinea dient als uitgangspunt voor het thema van de geïdealiseerde, platonische liefde, dat in dit boek in het brede verband van de wereldliteratuur aan de orde komt en varieert het mensbeeld. Door het idealisme in de Recherche van Proust is dit werk een typisch voorbeeld van een Bildungsroman. De hoofdpersoon van het verhaal vindt zichzelf en zijn bestemming uiteindelijk na een lange zoektocht vol lessen in filosofisch idealisme. Dit idealisme bij Proust is verwant met de romantische idealen die een reactie waren op de Verlichting, waarin rationaliteit, rede en wetenschap hoogtij vierden. Net als de vroeg-romantici legt Proust de nadruk op een ‘vrije ontplooiing van de individuele persoonlijkheid’.
Bellows mensbeeld is uitgesproken humanistisch en daarom kun je zijn romans net als die van Proust zien als Bildungsromans. Zijn personages blijven zich voortdurend als mens ontwikkelen. Bellow heeft daarbij aandacht voor zowel de persoonlijkheid als ook voor de interactie met de eigentijdse cultuur en samenleving.
Vestdijk is de enige Nederlandse schrijver die Vanheste behandelt, vanwege het aspect van het ‘verborgen filosofisch idealisme’ over liefde en kunst. Hij ziet in Vestdijks romans belangrijke thematische parallellen met het werk van Proust, waardoor hij hem in veel opzichten als een ‘Hollandse proustiaan’ beschouwt. De humanistische visie van de mens als een verhalen vertellend en zichzelf interpreterend wezen is het thema van de bespreking van de zesdelige TV-serie The Singing Detective van de Britse televisie- en toneelschrijver Dennis Potter.

8 Het Europa van Thomas Mann
Een humanisme van de ‘homo Dei’

Links: Thomas Mann (1875-1955) ; rechts: Handschrift van Thomas Mann met de eerste bladzijde van diens muziekroman Doktor Faustus, rond 1900.

Thomas Mann (1875-1955) beschouwde het humanisme als een basisvoorwaarde voor de Europese identiteit. (2) Vanheste zegt hierover: “In zijn werk onderzoekt Mann de tegenstelling tussen het rationalisme, optimisme en vooruitgangsgeloof van het Verlichtingsdenken en het irrationalisme en pessimisme van het romantische denken. Hij pleit voor een versmelting van deze beide, een synthese van Verlichting en Romantiek waarbij een geloof in de rede, universele morele waarden en de mogelijkheid van vooruitgang hand in hand gaat met een besef van de duistere en tragische kant van de menselijke conditie. […] De beoogde synthese noemde Mann ‘een humanisme van de homo Dei’.” (3)
Vanheste stelt dat Thomas Mann als schrijver altijd een ‘janusgezicht’ heeft gehad, waarbij hij Manns werk onderverdeelt in een pessimistisch achteruit kijkend gedeelte in zowel zijn essays als romans met invloeden van Schopenhauer en Nietzsche. Een positief vooruit kijkend janusgezicht laat Mann pas vanaf de jaren twintig zien. (4) Ter illustratie hiervan bespreekt Vanheste niet alleen een aantal essays en toespraken, maar ook literaire werken en onderzoekt vervolgens welke kanten binnen de Duitse traditie Mann als positief dan wel als negatief beschouwt. (Vh 218, 219)
In de ideeën van Thomas Mann is duidelijk te zien, dat hij in de loop der jaren steeds meer de zgn. ‘Duitse innerlijkheid’ afwijst. Hieronder verstaat hij het naar binnen gericht zijn van de Duitsers op hun eigen cultuur, filosofie en politiek, dat zich op verschillende manieren uit. Hij beschouwt met name de predikingen van Martin Luther als een eerste uitingsvorm of ‘manifestatie’ van deze ‘innerlijkheid’, omdat deze vooral het dualisme tussen geestelijke en politieke vrijheid benadrukt heeft. Dit heeft volgens hem een onderworpen houding van de Duitsers ten opzichte van het vorstelijke en staatsgezag in de hand gewerkt.
De periode van de Romantiek beschouwt Thomas Mann als ‘een tweede manifestatie van de Duitse innerlijkheid’. In zijn romans zijn deze ideeën duidelijk traceerbaar, hoewel minder optimistisch en eenduidiger dan in zijn non-fictieve werk. Als voorbeelden noemt Vanheste onder andere De Buddenbrooks (1901), “een zwanenzang … van de burgerlijke cultuur van het hanzeatische patriciaat, die verdrongen werd door de cultuurloze geldzucht …”, De Toverberg (1924), “een schildering van de onmacht en ondergang van het klassieke humanisme en van de gevaren van het Duits-romantische denken”. … “In doctor Faustus (1947) onderzoekt Mann hoe het fascisme kon voortkomen uit de Duitse cultuur… De roman Lotte in Weimar (1939) … was, naast een boek over Goethe, ook en vooral een oproep aan Duitsland … door Duitsland te herinneren aan haar culturele wortels”. (Vh 220, 221)
In al zijn werken is in meerdere of mindere mate zichtbaar dat Thomas Mann worstelde met zijn toenemende weerstand tegen de aantrekkingskracht van de Romantiek. Bovendien realiseerde hij zich steeds meer “dat de romantische relativering van de rede en de verlichtingswaarden koren was op de molen van de irrationalistische filosofieën van het nationalisme, fascisme en nazisme.”
Tot de belangrijkste essays en speeches met een dergelijke strekking behoren ‘Ein Appell an die Vernunft’ (1930), ‘Achtung, Europa!’(1935), ‘The War and the Future’(1943), ‘Germany and the Germans’(1945) en ‘Goethe and Democracy’(1949). (Vh 219-224) Steeds meer neemt hij afstand van de levensfilosofie van de Romantiek. Zowel in zijn essays als in zijn romans is vanaf de jaren 20 geleidelijk aan een duidelijker omslagpunt in zijn werken te zien. Uiteindelijk schrijft hij in 1936 in zijn dagboek: ‘De Romantiek is een onzindelijke wereld. Ik wil er niet veel meer van weten’. (Vh 223-230)
Naast een veroordeling van het irrationalisme en de innerlijkheid van de Romantiek uit Mann nu ook scherpe kritiek op het oude ‘naïeve en machteloze humanisme’. Ondanks zijn kritiek gaat hij wel op zoek naar een nieuwe vorm van humanisme met een synthese “van het West-Europese rationele en het Duitse romantische denken,… van Verlichting en Romantiek.” (Vh 232-235)
“Zoals ook Goethe en Erasmus, met wie hij zich graag vergeleek, was Mann een man van het midden. In Goethe zag hij een Europese humanist die tegelijk een echte Duitser was: een synthese van het specifiek Duitse en het algemeen Europese.” (Vh 236-239)
Zowel in zijn fictie en non-fictie werken is bij Mann een zoektocht te zien naar nieuwe, humanistisch gerichte impulsen die de naoorlogse Duitse en ook de Europese cultuur en identiteit nieuw leven zouden kunnen inblazen. Dit impliceert dat zijn ideeën op het gebied van de huidige Europese politieke identiteit nog altijd actueel zijn. (240-241)

9 Hollow men in a waste land
De cultuurkrit
iek van T.S. Eliot


Links: T.S. Eliot (1888-1965) Rechts: Grammofoonplatenhoes ontworpen door Olga Lehmann voor de plaatopname van The Waste Land, voorgedragen door Robert Speaight, Argo Records

Dit hoofdstuk begint met een inleidend overzicht over wat men onder cultuurkritiek kan verstaan, een essentieel fenomeen binnen onze samenleving, zowel in het verleden als nu. Het is iets van alle tijden. Na de Eerste Wereldoorlog was de cultuurkritiek bijzonder negatief. Een belangrijke reden hiervoor is dat Europa vanaf de Slag bij Waterloo (1815) tot het begin van de twintigste eeuw een relatief grote bloei, voorspoed en vrede heeft gekend. Dit gold voor allerlei terreinen, zoals wetenschap, kunst en literatuur, filosofie en politieke democratiseringsprocessen. De Eerste Wereldoorlog bracht dit Europese zelfbeeld behoorlijk aan het wankelen. Verbijsterd vroeg men zich af hoe het mogelijk was dat in een cultuur met humanistische uitgangspunten een dergelijke grote wereldoorlog kon ontstaan. Niet alleen namen de sturende invloeden van de religie af, maar stelden diverse denkers zoals Freud, Marx en Nietzsche de denkbeelden over de menselijke autonomie en vrije wil ter discussie. Vanheste: “De democratiseringsprocessen hadden geleid tot een grotere sociale rechtvaardigheid, maar ook tot een ‘massificatie’ van de samenleving, de opkomst van de massacultuur en een zekere vervlakking”. (Vh 243-245)
In dit verband bespreekt Vanheste het gedicht The Waste Land (Het barre land) uit 1922 van T.S. Eliot (1888-1965). Dit werk geeft dit naoorlogse gevoel van ontreddering binnen Europa treffend weer, waarbij poëzie en cultuurkriek heel treffend samengaan. The Waste Land is Eliots meest complexe gedicht uit zijn eerste periode, dat hij in het eerste nummer van zijn eigen tijdschrift The Criterion publiceerde. Opvallend in dit omvangrijke gedicht van 433 regels is, dat een schijnbaar gebrek aan samenhang juist weer een nieuwe samenhang geeft. Eliot bereikt dit door vernieuwend taalgebruik waarbij hij ook breekt met ‘bestaande vormtradities.’ Vanheste onderzoekt in dit hoofdstuk de manier waarop Eliot door middel van onder meer metaforen en de wijsheid van oude graalmythen uitdrukking geeft aan zijn cultuurkritiek. Niet alleen is dit gedicht te beschouwen als een metafoor op de toenmalige tijdgeest van kort na de Eerste Wereldoorlog, maar is het ook een neerslag van Eliots eigen persoonlijke psychische worstelingen en frustraties. In de loop der tijd wordt The Waste Land op zeer verschillende manieren geïnterpreteerd. (Vh 246-249)
The Waste Land kun je niet zomaar zonder verdere voorinformatie lezen, want het is fragmentarisch van opzet en wisselt steeds van taal, stijl en ritme. Ook de gebeurtenissen variëren onophoudelijk van plaats en tijd. Vanheste bespreekt de inhoud van het gedicht met citaten uit de tekst ter illustratie. (Vh 251-259)
Eliot streefde ernaar een eenheid van de Europese cultuur uit te dragen, die vooral door het humanistische denken is gevormd. Ondanks het sombere beeld dat het gedicht schetst, laat het ook de gekoesterde hoop zien om vanuit deze woestenij toch weer een nieuwe cultuur te kunnen laten ontstaan. Vanheste: “Later in zijn leven zou Eliot in zijn denken over cultuur de nadruk steeds meer leggen op de christelijke erfenis van Europa, en minder op de Grieks-Romeinse wortels. “… Steeds meer vond Eliot dat de mens niet zonder religie kan. Zonder God kan er geen fundament zijn… Maar ook het humanisme is volgens Eliot onmisbaar. In zijn essay ‘Religion without Humanism’ (1930) stelt hij dat cultuur, religie en humanisme een ondeelbaar geheel vormen.” (Vh 260-264)
In latere jaren werd Eliot behoorlijk bekritiseerd om zijn humanistische standpunten. Vanheste vraagt zich af wat hiervan en van de kritiek op het humanisme in het algemeen de reden is. Hij zegt hierover: “Dat heeft alles te maken met [een] cultuuromslag [waarbij]… humanistische uitgangspunten van de autonome en redelijke mensen… ter discussie [werden] gesteld en samenhangend daarmee werd geleidelijk ook heel anders aangekeken tegen kunst en literatuur.” (Vh 264)
Eliots humanisme is volgens hem uit cultuurhistorisch oogpunt nog steeds interessant en inspirerend, omdat diens “cultuuropvatting, cultuurkritiek en ideeën over de Europese culturele identiteit… in veel opzichten nog verrassend actueel [zijn]… Inzicht in de humanistische traditie kan ons bijvoorbeeld helpen om onze culturele wortels en identiteit beter te begrijpen en zo onze houding te bepalen in actuele debatten zoals die over de multiculturele samenleving en de globalisering.” (Vh 265-266)
Eliots latere gedicht The Hollow Men uit 1925 vertoont veel raakvlakken met The Waste Land.
The Hollow Men kreeg meer bekendheid door de film Apocalypse now, waarin het ook gaat over een samenleving die ten onder dreigt te gaan. Toch is dit volgens Vanheste geen cultuurpessimisme. Er worden immers ook alternatieven aangereikt. Beide werken zijn volgens hem “voor alles een aansporing om stil te staan bij wat het leven de moeite waard maakt”. (Vh 266-267)

10 Slaapwandelaars in het Avondland
Hermann Broch en het verval der waarden


Links: Hermann Broch (1886-1951); rechts: Duitstalige pocketeditie van Die Schlafwandler

Net als The Waste Land van Eliot is Die Schlafwandler (De Slaapwandelaars, 1930-32) van Hermann Broch (1886-1951) een cultuurkritisch werk, omdat dit eveneens een beeld geeft van het sociale en morele verval in de periode rond de Eerste wereldoorlog.
De Slaapwandelaars bestaat uit drie op zichzelf staande delen, Pasenow of de romantiek, Esch of de anarchie en Huguenau of de zakelijkheid. Alhoewel je deze afzonderlijk kunt lezen, vormen ze samen een geheel. Brochs werk kreeg door zijn complexiteit geen breed lezerspubliek, maar wel grote erkenning binnen literaire kringen. Vanheste bespreekt in dit hoofdstuk niet alleen Brochs cultuuranalyse en -kritiek en de wijze waarop hij deze in De Slaapwandelaars vorm geeft, maar geeft ook een beknopt overzicht van diens leven en filosofische zienswijze. (5)
Binnen de filosofische wetenschappen vond Broch geen bevredigende antwoorden over de ontbinding van oude Europese waardesystemen en de zoektocht naar nieuwe waarden. Dat was voor hem een reden deze thematiek in bovengenoemde literaire trilogie aan de orde te stellen, waarmee hij een ‘werkelijke integratie van literatuur en filosofie tot stand [wil] brengen’. Daarbij wil hij verder gaan dan alleen ‘filosofische versiering’. Dat wil zeggen dat hij in De Slaapwandelaars zijn romanpersonages niet alleen een filosofische monoloog of dialoog laat houden, maar ook    verschillende stijlmiddelen inzet om deze integratie extra kracht bij te zetten. Te denken valt daarbij aan essays, brieven, gedichten, aforismen, Bijbelcitaten en krantenartikelen. (Vh 270-272)
Het proces van waardeverval in het Avondland, dat volgens Broch al in de Renaissance is begonnen, toont hij aan de hand van zijn personages in de verhalende delen van zijn roman. Bovendien geeft hij ook analyses hiervan in de beschouwende filosofische delen van de trilogie, met name in het laatste deel in het essay ‘Zerfall der Werte’ (Verval van de waarden). Dit filosofische essay is geschreven door de romanpersoon Bertrand Müller, die Brochs eigen filosofische opvattingen weergeeft. Hierna zet Vanheste Brochs ideeën over waardestelsels uiteen. Hiertoe bespreekt hij zowel de theoretische delen uit het essay Zerfall der Werte als ook de verhalende delen van de roman. (Vh 273-274) Het uiteenvallen van de wereld in afzonderlijke deelsystemen heeft verschillende gevolgen, die elk bepaalde problemen met zich mee brengen. In de drie delen van De Slaapwandelaars kan men drie aspecten onderscheiden, nl. stuurloosheid, ethische problematiek en de strijd tussen de waardesystemen. Tussen elk deel zit een tijdsspanne van 15 jaar. Deel 1 vindt plaats in 1888, deel 2 in 1903 en deel 3 speelt zich af in 1918, het jaar waarin de Eerste Wereldoorlog teneinde liep.
De romanfiguur Pasenow uit deel 1 Pasenow en de Romantiek, vlucht in het verleden door zich vast te klampen aan de symbolen van uniform, kerk, e.d. Hij probeert te ontsnappen aan de eenzaamheid van een leven zonder waardesystemen en vertrouwde hiërarchieën. Het uniform beschermt hem tegen chaos en anarchie. Tegengesteld aan hem is de stuurloze individualist, de boekhouder Esch uit deel 2 van De Slaapwandelaars, Esch of de Anarchie. De onmenselijke rationaliteit van Huguenau, de hoofdpersoon van het derde deel Huguenau of de zakelijkheid, staat symbool voor de ethische problematiek en de strijd tussen de waardesystemen. Deze wordt gepersonifieerd door de zakelijke materialist Huguenau die zonder scrupules alleen zijn eigenbelang nastreeft. In deel 1 wordt Pasenow nog redelijk rationeel neergezet, Esch in deel 2 mist elke vorm van zelfinzicht en wordt ‘gekweld door een gevoel van tekort’. Huguenau uit deel 3 is volstrekt gewetenloos en loopt ‘slaapwandelend’ rond. Deze metafoor van het slaapwandelen is een verwijzing naar de titel van de trilogie.
Als tweede metafoor gebruikt Broch in zijn werk herhaaldelijk de Apocalyps met een uiteindelijke finale en apotheose vanaf hoofdstuk 85 in deel 3. Daarin vormt een explosie in een munitiedepot letterlijk de opmaat tot allerlei apocalyptische gebeurtenissen, waaronder de moord op Esch door Huguenau. (Vh 275-285)
De metaforen van het slaapwandelen en de Apocalyps, als ook beelden uit de joodse heilsverwachting gebruikt Broch om zijn ideeën over de strijd tussen de waardesystemen kracht bij te zetten. In tegenstelling tot Dostojewski en Eliot ziet Broch het christelijke geloof niet als een fundamentele reddingsboei voor het herstel van waarden, ook al maakt hij wel in zijn werk gebruik van christelijke elementen. (6)
Vanheste zegt hierover: “Niet alleen uit het boek over Pasenow, maar ook uit zijn brieven en essays blijkt dat Broch zeker niet voor een restauratie van het christelijke geloof wilde pleiten.… “het proces van waardeverval is onomkeerbaar en daarmee is de Europese christelijk-humanistische cultuur zoals die was in zekere zin tot een einde gekomen. Wat rest is de noodzaak voor Europa om zichzelf opnieuw uit te vinden.” (Vh 286-290) 
Zeker de toepassing van verschillende stijlmiddelen, zoals bijvoorbeeld het essay Zerfall der Werte in deel 3, zet deze filosofische boodschap in De Slaapwandelaars extra kracht bij. Als roman laat dit werk bepaalde culturele fenomenen zien, waarbij het meteen datgene reflecteert wàt het laat zien. Daarom ziet Vanheste De Slaapwandelaars als een “buitengewoon interessant experiment in het versmelten van literatuur en filosofie” (Vh 290- 291)

11 Kritiek van de hoogmoedige rede
 Dostojevski als criticus van rationaliteit en vooruitgangsgeloof


Links: Fjodor Dostojevksi (1821-1881) portret door Vasili Perov, 1872; Rechts: Toneelvoorstelling door het jonge Antwerpse collectief SKaGeN van Dostojevski’s Aantekeningen uit het Ondergrondse, met in de hoofdrol Clara Van den Broek als ex-ambtenaar die vanuit zijn ’hol’ reflecteert over de wereld en de (soms belachelijke) attitudes van de mens. (zie www: http://focus.knack.be/entertainment/podium/theater-aantekeningen-uit-het-ondergrondse-skagen/article-opinion-191131.html © Birgit Stulens

Net als bij o.a. Tolstoj is ook het literaire werk van Fjodor Dostojevski (1821-1881) doorspekt met filosofische ideeën. In dit hoofdstuk bespreekt Vanheste Dostojevski’s opvattingen over mens en samenleving en onderzoekt hij welke kritiek Dostojevski hierop levert en op welke wijze hij dat doet. (6) Daarbij maakt hij gebruik van Dostojevski’s literaire werk, brieven, essays, artikelen en het Dagboek van een schrijver. Naast zijn grote belangstelling voor de filosofie heeft ook Dostojevski’s eigen zeer bewogen leven grote invloed gehad op zijn werk. Zijn vroege romans en verhalen, zoals zijn debuut Arme mensen en verhalen als De dubbelganger en Witte nachten hebben nog niet die ideeënrijkdom en het “manische en koortsachtige dat zo kenmerkend is voor de latere grote romans … dat begint met Aantekeningen uit het ondergrondse.” (Vh 293-294)
Vanwege politieke redenen maakte Dostojevski in 1849 een schijnexecutie mee met in de daaropvolgende jaren gevangenschap in Siberië. Dit was een groot keerpunt in zijn leven, dat al vol beproevingen was, zoals: zijn levenslange chronische geldzorgen, zijn gokverslaving en gezondheidsproblemen (hij leed aan epilepsie) als ook veel sterfgevallen in zijn familie in zijn vroege jeugd en het latere verlies van zijn twee kinderen uit zijn tweede huwelijk en van zijn broer. Dostojevski wordt vaak geprezen “om zijn inzicht in de psychologie van de mens, zijn vermogen om af te dalen tot op de bodem van de menselijke ziel en daar diens duistere kanten bloot te leggen… [hij]  geloofde in de kracht van ideeën en hun vermogen om menselijk gedrag aan te drijven en de menselijke persoonlijkheid te vormen.” (Vh, 295-299)
Critici menen echter dat de romanfiguren bij Dostojevski onnatuurlijk gedrag laten zien en dat veel gebeurtenissen maar al te vaak ‘te toevallig en willekeurig zijn, met een te grote hang naar sentimentaliteit’. Voorbeelden hiervan zijn De idioot en De jongeling. Door de talrijke dialogen, de relatief weinig beschrijvingen en allerlei andere technieken die meer op het toneel gebruikelijk zijn, wordt Dostojevski vaak gezien als een ‘in de wereld van de roman verdwaalde toneelschrijver’. (Vh 300-301) Veel van zijn werken lenen zich dan ook uitstekend voor toneelvertolkingen.
Volgens Vanheste kan men Dostojevski beschouwen als een christelijke humanist. Christelijk, omdat “zijn denken doortrokken is van een diepe religieuze bewogenheid van christelijke (Russisch-orthodoxe) signatuur, en humanist omdat de mens een centrale plaats inneemt in zijn denken.” Dostojevski’s romans laten allemaal een onstabiele samenleving zien, die zonder de aanwezigheid van God geen fundament heeft met samenbindende ideologieën. Zonder het bestaan van God is alles ‘volstrekt inhoudsloos en zinloos’. Als voorbeelden hiervoor bespreekt Vanheste De gebroeders Karamazov, Boze geesten, Misdaad en Straf en De jongeling. De hoofdpersonen in deze romans gaan allemaal ten onder aan een grote stuurloosheid en gebrek aan zingeving, veroorzaakt door het ‘materialistische en atheïstische wereldbeeld’ waarin zij leven. (Vh 302-308)
Volgens Dostojevski is juist het verlies van God de oorzaak voor het gebrek aan een fundament in een stuurloze en atheïstische samenleving. Hij beschouwt de Europese cultuur als stervend, omdat zij sinds de opkomst van de Verlichting door het verlies van spirituele waarden stuurloos is geworden. Hij bekritiseert de verheerlijking van wetenschap en techniek en beschrijft met vooruitziende blik gebeurtenissen van de twintigste eeuw. Voorbeelden hiervan zijn Aantekeningen uit het ondergrondse, Misdaad en straf en Boze geesten. (Vh 308-312)
Nòch de maatschappij, nòch de mens zelf is maakbaar. Waarden die Dostojevski heel belangrijk vond zijn vrijheid en persoonlijkheid, nut en eigenbelang en schoonheid. Lijden maakt de mens menselijk. Veel van Dostojevski’s romanpersonages handelen zodanig dat ze zichzelf ernstig benadelen. Dit doen ze volgens Vanheste “om hun wil en persoonlijkheid te bevestigen, …, omdat ze een mens willen zijn en geen automaat.” In dit verband wijst hij op de relaties tussen de zienswijze van Dostojevksi en die van onder andere Schopenhauer, Nietzsche en Freud. Hij stelt dat men Dostojevski’s mensbeeld als humanistisch kan zien, omdat hij elke vorm van determinisme afwijst, “vooral als het gebruikt wordt als een argument om persoonlijke verantwoordelijkheid te ontlopen”. (Vh 312-319)
Daarnaast kunnen de humanistische uitgangspunten in Dostojevski’s wereldbeeld niet bestaan “zonder de basis van het christelijke geloof dat het onmisbare fundament vormt voor [zijn] mensopvatting”. Dostojevski was zowel een christelijk humanist als een criticus van het verlichtingsdenken, met ook antisemitische en panslavistische overtuigingen, zoals vooral uit zijn non-fictie werk blijkt. (Vh 320-323) Aan het einde van dit hoofdstuk concludeert Vanheste dat Dostojevski zijn lezers vooral aan het denken zet over “de mens, de menselijke vrijheid en de heilverklaring van rede en wetenschap.”(Vh 323-325)

12 Ironie en spel als draaglijke lichtheid
Mens en cultuur volgens Milan Kundera


Links: Milan Kundera (1929) in 2011; rechts: Nederlandse editie van de ondraaglijke lichtheid van het bestaan.

In dit hoofdstuk gaat Vanheste nader in op de literatuur- en cultuuropvattingen en de daarmee samenhangende kritieken van de Tsjechisch/Franse schrijver Milan Kundera (1929) en de manier waarop hij deze in zijn romans vormgegeven heeft. Hij begint met een uiteenzetting van Kundera’s ideeën over de roman en de Europese cultuur aan de hand van onder meer diens essays ‘De kunst van de Roman’ en ‘The Tragedy of Central Europe’. Kundera bekritiseert de zelfoverschatting van de rede, wat hij ook wel ‘de hoogmoed van de rede’ noemt. Hij vindt dat de westerse mens zich steeds meer verliest in een ‘zijnsvergetelheid’, waarbij hij de essentie van het menselijk bestaan uit het oog verloren heeft. (Vh 327-328)
In zijn essays over de romankunst benadrukt Kundera dat juist de roman ‘inzicht kan bieden in het wezen van de mens en diens leefwereld’. In tegenstelling tot wetenschap of theoretische filosofie analyseert en abstraheert een romanschrijver de dingen niet, maar laat hij ze zien aan de hand van bepaalde personages in bepaalde omstandigheden. Hij vindt dat een schrijver geheel blanco zonder vooroordelen te werk moet gaan om van daaruit alles opnieuw te interpreteren. Dit getuigt volgens hem van ‘cervanteske moed’. Hiermee refereert hij aan Cervantes, die volgens hem een van de eersten was die dat deed, omdat hij Don Quichot ‘op reis stuurde en het doek scheurde’. Met het scheuren van het doek bedoelt Kundera dat je geen waarheden kopieert die al op ‘het doek van de voorinterpretatie geborduurd stonden’, maar dat je dit doek scheurt en opnieuw begint. Als voorbeelden van schrijvers die op deze wijze de wereld op een nieuwe manier interpreteerden noemt Kundera onder meer Tolstoj, Proust en Broch. (Vh 328-331)
Men kan Kundera zien als een Europees humanist omdat volgens hem het Europese denken gebouwd is op de erfenis van de Grieks-Romeinse Oudheid, het Christendom en het humanisme. De belangrijkste Europese waarden zijn daaruit voortgekomen, zoals onder meer aandacht voor het individu en vrijheid van denken. (Vh 333-334)
Volgens Kundera heeft onze cultuur een nieuwe synthese nodig van rationaliteit en levenswijsheid. Dit vereist “een herwaardering van humanistische waarden en het klassieke concept van de rede”. De roman kan een belangrijke rol spelen in het verschaffen van inzicht omtrent de essentie van ons menszijn, omdat deze een wijsheid in zich draagt, die nòch in wetenschap, nòch in de filosofie te vinden zijn. 335)
Lichtheid en zwaarte is een belangrijk thema dat in alle romans van Kundera naar voren komt, vooral in zijn meest bekende roman De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Hij beschrijft daarin een wereld waarin de mens zonder fundamenten leeft, omdat dit een wereld is zonder een transcendente God die een oordeel uitspreekt. Als humanist benadrukt hij de waarde van het individu en hecht hij veel belang aan traditie en historisch besef. (Vh 335-342) Daarbij spelen begrippen als ‘het lyrische’ en ‘kitsch’ een belangrijke rol. Een lyrische houding benadrukt het gevoel, waarbij het begrip ‘kitsch’ alles sentimentaliseert, waardoor de werkelijkheid als het ware verhuld wordt door een roze sluier. Een ander belangrijk thema bij Kundera is geheugenverlies met daaraan gekoppeld het begrip traagheid, zoals in zijn romans Het boek van de lach en de vergetelheid en De Traagheid. Daarin legt hij verbanden tussen traagheid en geheugen, snelheid en vergetelheid. (Vh 344-347)
Kundera toont in zijn romans verschillende vormen van ‘lichtheid van het bestaan’. Wanneer het erop lijkt dat alle zekerheden in het menselijk bestaan zijn weggevallen, blijken er drie alternatieve reactievormen te zijn om deze ‘lichtheid van het bestaan’ weer af te wijzen en op zoek te gaan naar ‘een nieuwe zwaarte’. Deze kun je in de eerste plaats vorm geven door liefde voor een persoon, trouw blijven aan het verleden of zoeken in een politiek ideaal. Een tweede mogelijkheid is jezelf uit de wereld terugtrekken om als kluizenaar te gaan leven. Een variant daarop is dat je je niet meer wilt committeren aan de wereld of een houding van ‘onsolidariteit’ aanneemt, omdat je ‘de kitsch van alle vormen van zwaarte (politiek, de liefde, de familie)’ doorziet. Een derde reactievorm is het leven als een spel te zien, waarvan jij zelf de regels bepaalt en op veilige, ironische afstand van alles blijft. Dit is hetzelfde wat Cervantes Don Quichot laat doen. Doordat deze een fundamentloze wereld ervaart, reageert hij daarop door als een spel in de rol van dolende ridder het onrecht in de wereld te gaan bestrijden. Ook Kundera zet zijn romanfiguren dikwijls als donquichotteske types neer, ‘die de wereld op frivole wijze te lijf gaan.’ Voor hem is de roman ‘een oproep tot spel’, waarachter toch een ernstige ondertoon verborgen ligt. (Vh 348-357)
Vanheste concludeert dat Kundera’s uiteindelijke boodschap is, dat het bestaan ‘draaglijk licht’ kan blijven als men het leven als een spel ziet en het met een ironische houding tegemoet treedt. (Vh 358-359)

13 Tussen antihumanisme en posthumanisme
Het donkere humanisme van Michel Houellebecq


Links: Michel Houellebecq (1956); Rechts: De Nederlandse vertalingen van Houellebecqs romans De wereld als markt en Strijd en Elementaire deeltjes door Martin de Haan, ontwerp omslagen door Ron van Roon

De Franse schrijver Michel Houellebecq (1956) stelt zich met zijn schrijverschap tot doel om vooral die onderwerpen uit de samenleving aan te roeren, waarover ‘niemand wil horen’. Dat betekent dat hij nogal provocerend en aanvallend schrijft. Tot zijn belangrijkste thema’s behoren onder meer consumentisme, geweld, seksualiteit, multiculturaliteit, eenzaamheid en ouderdom, waarbij hij niemand ontziet. (Vh 361)
In zijn zes romans (De wereld als markt en strijd, Elementaire deeltjes, Platform, Mogelijkheid van een eiland, De kaart en het gebied en Onderworpen), maar ook in zijn essays laat Houellebecq op nietsontziende wijze zien dat onze Westerse samenleving er nogal slecht voorstaat; het is een ‘jungle waarin alles draait om geld en seks’. Zijn romans bevatten ook essayistische delen met filosofische of wetenschappelijke verhandelingen, waarmee hij de relatie tussen literatuur en werkelijkheid wil benadrukken. (Vh 362-365)
Vanheste merkt op dat Houellebecqs naturalistische en zeer pessimistische mensbeeld geïnspireerd is door de denkwijze van Schopenhauer. Hij laat in zijn romans ‘een inktzwart beeld’ van onze westerse cultuur zien, een keiharde samenleving die door zijn individualisme uiteindelijk leidt tot ‘het recht van de sterkste, de wet van de jungle’. De oorzaak hiervan ligt volgens Houellebecq in het liberalisme, waarin de vrijheid van het individu centraal staat en dat ontspoort is tot een ‘bandeloos individualisme’ en een ‘consumptiekapitalisme’. In deze samenleving staan twee dingen centraal: geld en erotische aantrekkingskracht. Het mechanisme van de reclame is hierbij de aanjagende motor die de drang tot het bevredigen van behoeftes door consumptief leeg gedrag alleen maar verder aanwakkert. (Vh 365-378)


De Nederlandse vertalingen van Houellebecqs romans Platform, Mogelijkheid van een eiland, De kaart en het Gebied, en Onderworpen door Martin de Haan, ontwerp omslagen door Ron van Roon

Houellebecq draagt twee mogelijke remedies aan om onze verziekte westerse samenleving te ‘genezen’. De eerste is een nieuwe godsdienst. Ofschoon Houellebecq als antireligieus wordt beschouwd, kan volgens hem religie houvast bieden voor een fundamentloze cultuur. In romans als bijvoorbeeld Onderworpen speelt hij met de mogelijkheid van een nieuwe religie als oplossing voor de huidige samenlevingsproblematieken. Daarbij doet hij uitspraken als gedachtenexperimenten die met name tot doel hebben te provoceren en een debat uit te lokken. (Vh 379-381)
De tweede mogelijkheid is volgens Houellebecq een nieuwe en verbeterde mens, die verkregen kan worden met behulp van technische manipulatie en kloning. In zijn romans Elementaire deeltjes en Mogelijkheid van een eiland komt dit idee van een kunstmatig gekloonde mens ook weer als een gedachtenexperiment aan de orde. Dit doet onmiddellijk denken aan Aldous Huxleys Brave New World. Vanheste bespreekt de overeenkomsten en verschillen tussen deze boeken en gaat nader in op de inhoud ervan. (Vh 382-394)
Uiteindelijk komt hij tot de conclusie dat Houellebecqs werk nogal ambivalent is, omdat daar twee kanten aanzitten. Zijn werk getuigt van een enorme dubbelzinnigheid, omdat hij telkens van standpunt wisselt. Enerzijds wordt hij vaak “een nihilist genoemd, een anti-humanistische pessimist, anderzijds zit onder deze oppervlakte van ellende ook een dimensie van een meer humanistische visie zoals geloof in de mens en in de liefde”. Vanheste bespreekt hiervan verschillende voorbeelden en zet voorts uiteen op welke wijze deze humanistische visie van Houellebecq in zijn romans naar voren komt.
Zo laat Houellebecq in zijn roman Elementaire deeltjes en in zijn essay ‘Nader tot de ontreddering’ zien, dat de mens zich aan de westerse cultuur kan ontkomen door een eigen oase te creëren. Vanheste stelt dat Houellebecq een schrijver is die met zijn originele boeken en scherpe pen aan het denken zet. Hij concludeert dat men Houellebecq ‘niet als nihilist of antihumanist’ kan typeren, maar dat hij meer een “realistisch, pessimistisch soort humanisme [vertegenwoordigt], een humanisme dat de schaduwzijden van het bestaan onder ogen durft te zien, met name het lijden en het bewustzijn van dat lijden”. Net als Schopenhauer en Nietzsche kan Houellebecq daarom een ‘donkere humanist’ worden genoemd.” (Vh 394-403)

Slotopmerkingen
We hebben gezien dat Vanheste in Denkende Romans een soort tweedeling heeft gehanteerd. Daarbij is een onderscheid te maken tussen de zes auteurs die ik in het eerste deel van deze boekbespreking heb besproken en de zes, die ik hierboven heb behandeld. Bij de eerste zes gaat het vooral om een persoonlijk humanistisch mensbeeld, al dan niet filosofisch idealistisch. Bij de laatste zes auteurs zien we dat zij niet alleen de humanistische mens centraal stellen, maar deze in de bredere context plaatsen van hun tijdsbeeld en cultuur, al dan niet gepaard gaand met een stevige cultuurkritiek. Zo zagen we dat bijvoorbeeld Tolstoj signaleert en bekritiseert zonder uitvoerbare oplossingen aan te dragen, waardoor het uiteindelijk toch onduidelijk blijft hoe alles dan wèl zou moeten. Dit staat bijvoorbeeld in schrille tegenstelling tot Houellebecq die onder meer een nieuwe religie of (gen)technische oplossingen aandraagt om de ellende van het menselijke lot te verlichten.
Voor Thomas Mann was het humanisme een basisvoorwaarde voor de Europese identiteit. Hij vond het belangrijk humanistische ideeën nieuw leven in te blazen. Daarom zijn Manns ideeën als ‘Europees moreel kompas’ nog steeds boeiend en actueel bij de hedendaagse Europese identiteit en de daarmee samenhangende politieke ontwikkelingen.
Het gedicht The Waste Land (Het barre land) van T.S. Eliot laat een ‘synthese van poëzie en cultuurkritiek’ zien en geeft daardoor uitdrukking aan ‘het naoorlogse Europese gevoel van wanhoop en vertwijfeling.’ Eliots humanisme in relatie tot de westerse culturele traditie is nog steeds actueel en inspirerend, zowel vanuit cultuurhistorisch oogpunt als ook voor een beter begrip van onze eigen ‘culturele wortels en identiteit’ binnen de globalisering en onze Europese multiculturele samenleving.
Ook Brochs werk, met name De Slaapwandelaars, is een vorm van cultuurkritiek, omdat dit een indringend beeld geeft van het sociale en morele verval van waarden tijdens en na de Eerste wereldoorlog. De Slaapwandelaars is volgens Vanheste een ‘buitengewoon interessant experiment in het versmelten van literatuur en filosofie’. Door het toepassen van verschillende stijlvormen, zoals essays, brieven, e.d. laat dit werk niet alleen bepaalde fenomenen zien, maar reflecteert het tegelijkertijd ook weer dàt wat het laat zien.
Fjodor Dostojevski is te beschouwen als een christelijk humanist omdat zijn werk doorspekt is met filosofische ideeën, waarbij realisme samengaat met allerlei ‘filosofische, ideologische en religieuze verkenningen.’ Daarbij levert hij tevens kritiek op de moderne, rationele mens en het vooruitgangsgeloof van de Westerse samenleving. Hij zet zijn lezers aan het denken over de mens, de menselijke vrijheid en over de idealisering van rede en wetenschap.
In het hoofdstuk over Milan Kundera gaat Vanheste nader in op diens literatuur- en cultuuropvattingen en de manier waarop hij deze in zijn romans vormgeeft. Kundera bekritiseert de wetenschap en de rede, omdat hij vindt dat hierdoor de westerse mens steeds meer de essentie van het menselijk bestaan is kwijtgeraakt. Hij ziet de roman als een uitingsvorm van het humanisme, als ‘een oproep tot spel’ met als uiteindelijke boodschap, dat het bestaan ‘draaglijk licht’ kan blijven wanneer men het leven met een ironische houding tegemoet treedt. Vanheste noemt Kundera een Europees humanist omdat zijn “ideeën over de rede en over de ‘wijsheid van de roman’ nauw samenhangen met zijn opvatting over de Europese cultuur”.
Vanheste behandelt tot slot Michel Houellebecq die in zijn werk provoceert met zijn scherpe, niets ontziende waarnemingen van onze hedendaagse cultuur en daarbij niets en niemand ontziet. Daarbij laat hij overigens een behoorlijke dubbelzinnigheid zien, omdat hij telkens van standpunt wisselt. Vanheste concludeert dat Houellebecq een schrijver is die op provocerende wijze aan het denken zet. Doordat hij vooral de nadruk legt op het beklagenswaardige lot van de mens beschouwt Vanheste hem als een ‘donkere humanist’.
In zijn inleiding verantwoordt Vanheste duidelijk zijn keuze van de hierboven besproken twaalf schrijvers. Een keuze die kleurrijk geschakeerd is, zowel voor wat betreft de nationaliteiten van de auteurs als wel het feit dat het niet alleen over romans gaat, maar ook over een dichtwerk (The Waste Land van Eliot) en een televisieserie (The Singing Detective van Potter). Ook de volgorde waarin de schrijvers aan de orde komen geeft vorm en samenhang aan de opbouwende lijn van Vanhestes betoog, te vergelijken met bij elkaar passende kralen aan een kralensnoer. Haal je er echter eentje tussenuit, dan is het verband zoek en de ketting stuk. (7) Dat is de reden waarom ik in deze boekbespreking aan elke schrijver ruime aandacht heb besteed. Sla ik er eentje over, dan laat ik als het ware een kraal vallen en gaat het verband tussen al deze schrijvers verloren.
Eenduidig bij alle twaalf hierboven besproken auteurs is de nauwe relatie tussen literatuur en (humanistische) filosofie. Zo is de ene meer individueel idealistisch gericht (o.a. Vestdijk), de ander meer Europees humanistisch (o.a. Mann). Bij de een is een zoektocht te zien naar zingevingsvraagstukken (Tolstoj), bij de ander is sprake van een Bildungsroman, waarbij de hoofdpersoon na veel omzwervingen uiteindelijk zijn bestemming vindt (Proust, Bellow). Weer een ander laat een cultuurkritiek zien (Eliot, Broch), of een hoopvol optimisme met een vleugje ironie (Kundera), of heeft een somber en donker mensbeeld (Houellebecq). Maar allemaal hebben ze een ding gemeen: ze vinden dat de roman heel goed uitdrukking kan geven aan filosofische ideeën, waardoor deze kan bijdragen aan een beter inzicht in menselijke en maatschappelijke processen.
Het aardige van zijn boek is dat Vanheste bij zijn onderzoek ook parallellen trekt met de biografische achtergronden van de auteurs en hun werk en deze binnen een bredere literaire en filosofische context plaatst. Daartoe maakte hij niet alleen gebruik van de primaire bronnen, het literaire werk zelf, maar raadpleegde hij ook brieven, essays, toespraken, interviews en dagboeken, met daarnaast recente filosofische en literatuurwetenschappelijke onderzoeken. Ondanks deze indrukwekkende hoeveelheid informatie en het hoge literatuurwetenschappelijke en filosofische gehalte is Denkende Romans een heel plezierig boek om te lezen.
Er is echter in dit veelomvattende boek een ding wat ik jammer vind en enigszins mis. Het is mij opgevallen dat Vanheste geen enkele vrouwelijke schrijver nader heeft besproken. In zijn uitvoerige, inleidende eerste hoofdstuk noemt hij slechts terloops o.a. Iris Murdoch en Virginia Woolf. Hij gaat echter niet nader in op hun werk, noch vermeldt hij of deze of andere vrouwelijke schrijvers wel in meer of mindere mate een humanistische visie hebben en zo ja, op welke wijze zij filosofie en literatuur met elkaar in hun werk verbonden zouden kunnen hebben. Hij geeft ook niet aan wat überhaupt de reden is, dat hij geen vrouwelijke auteurs in zijn boek heeft opgenomen. Een feit is wel, dat door de gehele literatuurgeschiedenis heen veel minder vrouwelijke schrijvers dan mannelijke op hoog internationaal niveau zijn doorgebroken. Zowel Virginia Woolf als Simone de Beauvoir, bijvoorbeeld, hebben hierover en over de oorzaken daarvan interessante essays geschreven.(8) Bovendien is het ook de vraag in hoeverre vrouwelijke auteurs humanistisch-filosofische kenmerken in hun werken hebben, zodat ze in de context van dit boek opgenomen zouden kunnen worden. Had toch niet op de een of andere manier een vrouwelijke schrijver een passende, kleurrijke kraal aan dit kralensnoer kunnen zijn? Daarom zou het juist heel verhelderend zijn geweest als Vanheste daarover iets meer had gezegd. Nu ontkom ik niet helemaal aan de indruk dat de literaire en humanistisch-filosofische wereld echt een mannenwereld is en helaas blijft. Ik hoop van harte op een vervolg op dit prachtige, lezenswaardige boek, waarin dan wellicht enkele vrouwelijke auteurs aan bod mogen komen!
Tot slot wil ik eindigen met een citaat van Virginia Woolf uit haar essay A Room of One’s Own (Een kamer voor jezelf), waarin ook zij het belang benadrukt tussen literatuur en filosofie: “Als u mij een genoegen wilde doen … zoudt u boeken schrijven over reizen en avonturen, over wetenschap en onderzoek, over geschiedenis en biografie, natuurkunde en filosofie. Dit zal stellig de kunst van de roman ten goede komen. Want het is de gewoonte van boeken elkaar te beïnvloeden. De kunst van de roman zal er op vooruit gaan als zij schouder aan schouder staat met dichtkunst en filosofie”. (9)

Noten
1. Bloem, H.M., De literaire roman als praktische filosofie, deel 1, in: Civis Mundi 57,  
    april 2018
2. Dit hoofdstuk is eerder in een Engelstalige versie opgenomen in Essays in the 
    Philosophie of Humanism
(www.essaysinhumanism.org ).
3. Vanheste, J.,Denkende Romans, Damon 2017, p. 217-218 (bij verdere citering
    aangeduid als Vh plus paginanummers)
4 Vanheste is overigens niet de eerste die het janusgezicht bij Mann opmerkt. In zijn  
    nawoord bij de Nederlandse uitgave van De Toverberg merkt G.A. von Winter op,
    dat Thomas Mann net als een tovenaar met een janusgezicht naar twee werelden 
    kijkt, een positieve en een negatieve, waardoor zijn werk een dubbele bodem
    krijgt. Vanheste werkt deze typering van Manns Janushoofd als schrijver op een
    bijzonder boeiende manier verder uit en trekt deze door naar een breder Europees
    cultureel maatschappelijk verband. Cf: Winter, G.A von, Het beeld van de grote      
    verwarring over De Toverberg van Thomas Mann
, nawoord bij Th. Mann, De
    Toverberg
, vert. P. Hawinkels, Berlijn/Amsterdam 1982, p.933-958, citaat staat op
    p. 935.
5. Dit hoofdstuk over Broch verscheen in een eerdere versie in Civis Mundi digitaal
    nr. 8 van 9 november 2011, onder de titel Slaapwandelaars in het Avondland, de
    moderne mens volgens Herman Broch
, zie www.civismundi.nl )
6. Dit hoofdstuk is eerder in beknopte vorm verschenen in Streven 1/2009, onder de
    titel Stawrogin, Kirilov en Ivan Karamazov – Dostojewski over het atheïsme,  zie
    ook www.streventijdschrift.be )
7. Een paar aardige feiten op een rijtje: Van de 12 door Vanheste besproken
    schrijvers zijn er 2 Russen (Tolstoj, Dostojevski), 2 Amerikanen ( Bellow, T.S.
    Eliot), 3 Fransen (Proust, Houellebecq, Kundera (Tsjech wonend in Frankrijk), 2
    Duitsers (Mann, Broch), 1 Spanjaard (Cervantes), 1 Engelsman (Potter), 1
    Nederlander (Vestdijk). Drie hiervan hebben de Nobelprijs voor de literatuur
    gewonnen, te weten: Mann (1929), Eliot (1948) en Bellow (1976); 12 mannen – 0
    vrouwen.
8. Beauvoir, S. de, Vrouwen en creativiteit, lezing gehouden in Japan, 1966 in: Wij
    Vrouwen, Tricht 1984, p.100-123; Woolf, V., Een kamer voor jezelf, Amsterdam
    1996, Dit essay, met als oorspronkelijke titel A Room of One’s Own, is een
    uitgebreide en herziene versie van twee lezingen, die Virginia Woolf gehouden
    heeft voor twee vrouwencolleges aan de Universiteit van Cambridge University in
    Oktober 1928. Het heeft een feministische strekking en is vooral bedoeld vrouwen
    te stimuleren om zowel letterlijk als figuurlijk hun eigen ruimte te gaan innemen
    binnen de literaire traditie die – toen zeker nog - zeer gedomineerd werd door
    mannen. Om het schrijven van romans door vrouwen mogelijk te maken waren
    volgens haar – zeker ook gezien het kader van haar eigen tijd - twee dingen
    noodzakelijk: een eigen kamer met een slot op de deur en genoeg geld om
    zichzelf te kunnen onderhouden. Tegenwoordig is er door de veranderde tijdgeest
    op het gebied van vrouwenemancipatie al heel veel verbeterd, maar toch geeft
    Woolf hier een belangrijk uitgangspunt aan.
9. Woolf, V., idem, p. 115.

Bibliografie.
Beauvoir, S. de, Vrouwen en creativiteit, lezing gehouden in Japan, 1966 in: Wij
    Vrouwen, Tricht, 1984.
Mann Th,
De Toverberg, vert. P. Hawinkels, Berlijn/Amsterdam 1982, met nawoord door G. A. von Winter, p.933-958
Vanheste, J., Denkende Romans, Damon 2017
Woolf, V.,  Een kamer voor jezelf, Amsterdam 1996, p. 115

Helena Bloem is kunsthistorica, met als specialisatie middeleeuwse verluchte handschriften, m.n. Frankrijk rond 1500, waarbij zij zich vooral bezighield met het ontsluiten van manuscripten en archiefmateriaal betreffende de dood en begrafenis van de Franse koningin Anna van Bretagne (†1514). Zij heeft een Duitse moeder en een Nederlandse vader. Zij woonde en werkte enkele jaren in Duitsland. In die periode is haar belangstelling gewekt voor de Duitse dichtkunst. Eerder heeft zij in Civis Mundi nr 35 de nieuwe Nederlandse vertaling van Nathan de Wijze van de Duitse schrijver Lessing door Jaap van Vredendaal besproken. In Civis Mundi nr. 36 tot en met 40 heeft zij artikelen gepubliceerd over de Vroegromantische Duitse schrijver en dichter Novalis, met name over en naar aanleiding van zijn roman De Blauwe Bloem, waarbij zij e.e.a. in breder literair/kunsthistorisch perspectief plaatst. Samen met haar partner Hans Komen is zij auteur van de boeken Ziel en Geest en Gevangen door het Ego.