Populistische revolte in het staatsrecht

Civis Mundi Digitaal #70

door Wim Couwenberg

Bespreking van: Prof. dr. Carla Zoethout, De populistische revolte in het staatsrecht. Oratie Open Universiteit, 2018.

Er is inmiddels een nieuwe hoogleraar staatsrecht op de voorgrond getreden, die een populistische revolte in het staatsrecht aankondigt: prof. dr. Carla Zoethout. En daarmee voltrekt zich ook een feministische revolte in de wetenschappelijke staatsrechtbeoefening. Dit juridische vakgebied was tot voorkort uitsluitend een mannenaangelegenheid. Maar die mannelijke dominantie is nu door deze nieuwe hoogleraar aan de Open Universiteit voor het eerst doorbroken, en dat is in Nederland de meest opvallende revolte die een vrouwelijke zienswijze in dit tot nu toe uitgesproken mannenvak introduceert. En dat is heel welkom in dit in conservatieve geest beoefende vak. Eerder heb ik er al op gewezen hoe kritiekloos in dit vak het toenmalige koloniale stelsel is verwerkt en gevolgd. Zij start haar oratie met een opvallende aankondiging van een populistische revolte in dat staatrecht. Zij licht dat toe aan de hand van de recente ontwikkelingen in Oost-Europa, het Verenigd Koninkrijk, en zij besluit met enkele korte kanttekeningen bij recente ontwikkelingen in het Nederlandse staatsrecht, dat op zichzelf interessant is, maar niet als populistische revolte kan worden geduid.

 

Zij begint haar oratie met de vraag wat populisme betekent. Er is al veel over geschreven, maar een heldere definitie ontbreekt. De nieuwe hoogleraar baseert zich in eerste instantie op de Oxford Dictionary. Daarin wordt populisme omschreven als een politieke benadering die gericht is op de gewone burgers, die menen dat hun belangen veronachtzaamd worden door de gevestigde elite. Twee kenmerken dienen zich dus aan: populisten associëren zich met de gewone burger tegenover de elite – een tweedeling die in de wetenschappelijke literatuur breed wordt gedragen. Het populisme dat zij in Oost-Europa signaleert lijkt mij een uiting van de doorwerking van een traditioneel romantisch georiënteerd nationalisme. Er zijn daarom auteurs, zoals in die oratie wordt vermeld, die de gebeurtenissen van het afgelopen decennium in een ander licht zien, en spreken van een regeneratie van Oost-Europa. En wat het Verenigd Koninkrijk betreft, is er veeleer sprake van een teruggrijpen op het Britse imperialistische verleden, los van het Europese continent.

In haar oratie vinden we ook een aantal lessen van het populisme. Zij maakt daarbij onderscheid tussen een vruchtbare en een onvruchtbare omgang met het populisme. De onvruchtbare omgang is de meest gangbare. Dat wil zeggen dat de commentatoren graag klagen over de verwerpelijkheid van als populist gebrandmerkte leiders als Trump, Orban en Kurz, en over de domheid van het volk, dat zich door deze leiders laat verleiden. Een dergelijke omgang is onvruchtbaar, zegt zij, omdat niet alle ideeën van de populisten onjuist zijn. Sommige zijn meer algemeen en minder politiek gemotiveerd dan critici van het populisme menen. Neem als voorbeeld de kritiek op het toetsingsrecht, zoals uitgeoefend door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. De meest kritische benadering van het rechterlijke toetsingsrecht die de laatste jaren in Groot-Brittannië te horen is, heeft ook raakvlakken met de kritiek op rechterlijke toetsing vanuit de rechtstheorie. Niet alles kan worden toegeschreven aan het populisme. Sommige opvattingen veranderen in de loop van de tijd. Wat het toetsingsrecht betreft, herinner ik eraan dat het Nederlandse staatsrecht nog altijd een toetsing van de wetgeving aan de grondwet verbiedt, ervan uitgaande dat het laatste woord niet aan de rechter mag zijn, maar aan het parlement.

De nieuwe hoogleraar spreekt ook van een kleine revolte in het Nederlandse staatrecht, in die zin dat dit voorjaar de eerste lezing is afgerond van het voorstek de grondwet aan te vullen met een algemene bepaling die vooraan zal komen te staan als een soort opmaat tot de grondwet, met als formulering: “de grondwet waarborgt de grondrechten en de democratische rechtsstaat”. Maar in het ongeschreven staatsrecht gaan we daar allang vanuit. De formele grondwet kan dat bovendien niet eens zelf waarborgen.

Zij verwijst verder ook naar een nieuwe constitutionele ontwikkeling die op handen zou zijn. Ondanks publiceerde de Staatscommissie Parlementair Stelsel namelijk een tussenrapport met als voorstel het invoeren van een correctief wetgevingsreferendum. Niet voor niets publiceerde de commissie haar rapport vlak voordat de Wet Raadgevend Referendum formeel werd ingetrokken. Invoering daarvan zou inderdaad een regime change zijn. Het Nederlandse staatsrecht heeft wat de invoering van het referendum betreft een treurige geschiedenis, waarop ik elders in dit nummer nader terugkom. Ik complimenteer prof. Zoethout met haar relevante en interessante oratie, en wens haar veel succes in haar verdere ontwikkeling van haar bijdrage aan de wetenschappelijke staatsrechtbeoefening.