De gemankeerde utopie van Rudolf Diesel

Civis Mundi Digitaal #73

door Jan de Boer

Aan het einde van de jaren 1870 is Rudolf Diesel, student aan de ’Technische HochSchule’ in München gefascineerd door de lessen in de Thermodynamica van zijn leraar Carl von Linde, laat de wetenschapper Jean-Baptiste Fressoz mij weten. Rudolf stelt zich ten doel een motor uit te vinden die in staat is de stoommachines met een rampzalige energie-efficiency te vervangen. In die jaren vreesde men ook voor een uitputting van de olievoorraden en Rudolf hoopte dat zijn motor zou kunnen functioneren door het verbranden van steenkoolstof en zelfs op plantaardige olie. De Franse kolonialisten, aan de macht in Parijs, waren zeer geïnteresseerd in zijn uitvinding die hun koloniale plantages met oliehoudende planten: palmolie en aardnootolie, groot voordeel op zou kunnen leveren.

Rudolf Diesel was ook een bewogen mens, was zeer geïnteresseerd in het socialisme. Geboren in 1858 in Parijs waar hij tot de Frans- Duitse oorlog van 1870 woonde, sprak hij Frans en kende de geschriften van socialistische denkers als Proudhon, werd enthousiast voor zijn model van een gedecentraliseerde economie gebaseerd op coöperaties van arbeiders. Rudolf dacht met een kleine gemakkelijk te onderhouden motor, minder duur en ingewikkeld en betrouwbaarder dan een door stoom aangedreven motor, de economie weer in evenwicht te brengen door de kleine ambachtslieden zo een kans te bieden en daarmee het platteland op te doen leven. Hij schreef: "Het is zonder twijfel beter de kleine industrie te decentraliseren en deze op het platteland te ontwikkelen dan deze te concentreren in de overbevolkte grote steden zonder frisse lucht, zonder licht en zonder ruimte. Dit kan alleen maar gerealiseerd worden met een onafhankelijke machine, makkelijk in het gebruik en onderhoud." Toen na veel moeilijkheden zijn prototype het leven zag, schreef hij trots in zijn briefwisselingen dat hij ’het sociale vraagstuk’ had opgelost.

 

Maar zoals de historicus Vaclav Smil in zijn boek ’Prime Movers of Globalization. The History and Impact of Diesel Engines and Gas Turbines’ laat zien, de dieselmotoren hebben het tegendeel bewerkstelligd van het hetgeen zijn uitvinder had gehoopt. Door een uitstekend energie-rendement (50 procent voor de grootste motoren op dieselolie tegen 30 procent voor de klassieke benzinemotoren), hun kracht en hun betrouwbaarheid werden ze de bij uitstek geschikte industriële motoren.

Terwijl het de bedoeling was dat hij de economie zou decentraliseren door goedkope energie aan de kleine producenten te leveren, is de krachtige en betrouwbare dieselmotor de aandrijfkracht geworden van materieel voor bouwwerken en mijnen, voor bulldozers en rijdende betonmolens, voor hijskranen en maaidorsers en voor de landbouwmechanisatie, kortom voor hetgeen historici nu noemen ’de grote economische sprong voorwaarts’ die in de jaren 1950 overal ter wereld plaats vond. De dieselolie werd in diezelfde tijd de belangrijkste brandstof en wellicht ook onmisbaar voor de economische globalisatie. Dieselolie stuwt de gigantische olietankers, de bulkcarriers en de containerschepen die 97 procent van de gezamenlijke tonnage voor hun

rekening nemen, voort. De zware vrachtwagens rijden overal ter wereld op dieselolie alsook de goederentreinen in de Verenigde Staten. De dieselmotor heeft zo de economische globalisatie mogelijk gemaakt en daarmee de afname van het aantal industrieën in de westerse wereld, de toename van ongelijkheden en de actuele sociale conflicten met name in Frankrijk.

 

Rudolf Diesel hoopte op een gedecentraliseerde en rechtvaardiger economie, op een industrie op het platteland en uiteindelijk hebben we met de economische globalisatie het tegenovergestelde bereikt. Rudolf Diesel hoopte op een duurzame energie en steden met frisse lucht en uiteindelijk hebben we het tegenovergestelde bereikt met een olie-piek en tienduizenden vroegtijdige doden.

Inderdaad, hoed u voor utopieën en om met Jean-Baptiste Fressoz te zeggen: hoed u vooral voor utopieën van ingenieurs!