Ongelijkheden

Civis Mundi Digitaal #76

door Jan de Boer

Op economisch en moreel gebied is alles net als bij de weersverwachting een kwestie van gevoel.

Geluk en voorspoed worden allereerst met die van de buren vergeleken. De ’gilets jaunes’ hebben geen boodschap aan het feit dat Frankrijk één van de meest herverdelende landen ter wereld is, zij merken daar in hun dagelijks bestaan weinig van. Toch is Europa in haar geheel de plek ter wereld waar de mensen zich het beste voelen. Dat is ten minste de constatering van het zeer serieuze ’World Happiness Report’ dat elk jaar een klassement van landen opmaakt naar hun niveau van verklaard geluk. Van de eerste tien landen van het dit klassement zijn er zeven Europese landen, met name Noord-Europese landen. De Verenigde Staten bekleden slechts de 18de plaats en Frankrijk, trouw aan haar reputatie van een terneergeslagen land, staat op de 23ste plaats net boven Mexico.

 

Ondanks deze Franse uitzondering kunnen - objectief gezien - de Europeanen tevreden met hun situatie zijn. De economische groei mag dan op dit moment minder zijn dan die in de Verenigde Staten, het resultaat ervan wordt een stuk beter verdeeld. De rijkste 20% hebben een inkomen dat vijf keer zo hoog is als dat van de armste 20% van de bevolking tegen acht keer voor de Amerikanen en elk van de 28 lidstaten van de Europese Unie besteed meer aan sociale uitgaven dan aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. Maar achter deze benijdenswaardige situatie liggen forse spanningen. De ongelijkheden worden groter net als het verschil tussen de landen met name tussen het noorden en zuiden van Europa. En dat doet de vraag rijzen of het Europese sociale model kan overleven.

 

Het onderzoekscentrum van het raadgevend bureau McKinsey Company heeft een uitgebreide studie gewijd aan de degelijkheid van dit Europese sociale model en aan de capaciteit van Europa een "inclusieve" economische groei te ontwikkelen, d.w.z. een economische groei ten gunste van een maximum aantal individuen. Het onderzoekscentrum heeft daartoe zes belangrijke en duidelijke tendensen gedefinieerd die grote risico’s met zich mee brengen voor de stabiliteit van onze Europese gemeenschappen: de veroudering van de bevolking, de digitale revolutie (kunstmatige intelligentie, automatisering...), de versterking van de mondiale competitie, migratiebewegingen, de klimaatverandering en geopolitieke risico’s. Deze tendensen beïnvloeden elkaar wederzijds en dit samenkomen zou rond het jaar 2030 catastrofale effecten kunnen hebben... of niet. In deze komende periode zal de digitale revolutie veralgemeniseerd zijn, de bevolkingen zullen een begin gemaakt hebben met hun teruggang en de temperatuur op onze planeet zal richting de twee graden meer gaan.

 

De onderzoekers hebben twee scenario’s uitgewerkt betreffende hoe de landen deze problemen gaan aanpakken. Het eerste scenario, dat van de ontkenning, maakt het handhaven van het Europese sociale model onmogelijk. Het tweede scenario impliceert een daadkrachtige politiek wat betreft de actieve bevolking (pensioenleeftijd, vrouwenarbeid, integratie van immigranten), de technologie (regelingen, opleidingen, financiering onderzoek) en het milieu (investeringen in een groene kringloop-economie). In deze positieve visie op de toekomst zou de gemiddelde economische groei in Europa 1,9% kunnen bedragen en daarmee de financiering van de door de bevolking gevraagde sociale uitgaven: gezondheidszorg, pensioenen, werkloosheid, handicaps veiligstellen.

 

Het is om het maar zachtjes te zeggen beslist niet het meest waarschijnlijke scenario, maar het heeft tenminste de verdienste van het aantonen van een min of meer begaanbare weg.