Alles is te onderzoeken

Civis Mundi Digitaal #80

door Piet Ransijn

Boekbespreking van: Paul Scheffer, Alles doet mee aan de werkelijkheid. Herman Wolf 1893-1942. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, 2013.

 

 

Herman Wolf, de grootvader van NRC-columnist Paul Scheffer, was een schrijver en cultuurfilosoof van Duits-Joodse afkomst. Als kind emigreerde hij naar Nederland. Ik leerde hem kennen via zijn boek: Ideeën en problemen in Goethe’s Faust (1922). Dit boek washet uitgangspunt voor mijn artikel over Faust, mijn favoriete dichtwerk. Later vond ik bij toeval zijn boek Nietzsche als religieuze persoonlijkheid en andere essays (1934), o.a. over (filosofisch en religieus) humanisme, parapsychologie en Duitse literatuur. Uit het volgende overzicht van zijn werken blijkt dat Wolf een veelzijdige diepdenker was met een literaire, filosofische en (para)psychologische interesse, zoals blijkt uit de vele boeken en artikelen die hij schreef.

 

Boeken van Herman Wolf

Enkele toonaangevende titels:

-          De persoonlijkheidsidee bij Meester Eckhart  (1920)

-          Persoonlijkheid en Geestesleven. Wijsgerige en Letterkundige studies (1927)

-          Onsterfelijkheid als wijsgerig probleem (1933)

-          De ziel van het Oosten en de geest van Het Westen. Beschouwingen over Chineese en Indische wijsbegeerte en hun betekenis voor het Westen (1938).

Daarnaast studies over filosofie en Duitse literatuur, waaronder nog een studie over Goethe en het geniebegrip in de 18e eeuw. Onderwerpen die mij stuk voor stuk interesseren. Verder schreef hij tientallen artikelen in o.m. het Tijdschrift voor Wijsbegeerte, De Amsterdammer (toen nog niet Groen) de door hem opgerichte tijdschriften Mensch en Kosmos, Uitzicht en het Tijdschrift voor parapsychologie (over ‘uit-treding’ en trance-mediumschap). Hij schreef vele boekbesprekingen van Duitse literatuur. Wolf was o.m. bevriend met Thomas Mann en Stefan Zweig. Enkele toonaangevende artikelen in chronologische volgorde: Het nihilisme in de Indische en de Antieke wijsbegeerte (1913); Schopenhauer’s verhouding tot romantiek en mystiek; Studies over Goethe als wijsgeer; Het Tibetaanse Dodenboek; Hiernamaalsvoorstellingen der Primitieven; Egyptische hiernamaalsvoorstellingen; Rilke’s occulte ervaringen; Droom en werkeijkheid, Schijn en Wezen; De beteekenis der buitenzintuiglijke waarneming voor de Wijsbegeerte Goethe en Swedenborg; Het wezen der inspiratie (1940) was zijn laatste artikel.

Er zijn in Nederland weinig tijdgenoten die zich met hem kunnen meten wat betreft deze interdisciplinaire en interculturele deskundigheid. Zijn veelzijdige hoogleraar Gerard Heymans bijvoorbeeld beweegt zich op het hele gebied van de filosofie en (para)psychologie, maar niet de literatuur. In het buitenland gelden de schrijvers Thomas Mann, Stefan Zweig, Hermann Hesse, de psycholoog en filosoof William James, de filosoof en econoom Henry Sidgwick en de classicus en parapsycholoog Frederick Myers als geestverwanten. Hij geeft er geen blijk van het baanbrekende werk van Myers te hebben niet gelezen, dat in eerdere nummers uitvoerig is besproken.

 

 

Uit Goethe’s wereldbeschouwing en levenswijsheid

 

Relevantie

Wat is de relevantie van deze cultuurfilosoof uit het interbellum? Wolf is een schrijver die tot de klassieken reikt en zijn tijd overstijgt. Hij behoorde tot de intellectuele elite van het interbellum. Hij zat bij de redactie van toonaangevende wijsgerige tijdschriften en was bevriend met leidende filosofen zoals Pos en Bierens de Haan. De biografie is ook een stuk cultuurgeschiedenis, omdat Scheffer zijn grootvader op een interessante wijze in de context van zijn tijd plaatst. Wolf verbindt Duitse literatuur met oosterse en westerse filosofie en parapsychologie. Door het overlijden van zijn vader en schoonvader raakte hij nog meer geïnteresseerd in leven na de dood. Over dergelijke thema’s heb ik ook diverse artikelen geschreven. Een reden temeer waarom Wolf mijn interesse wekte.

 

Overzicht

Scheffer beschrijft op meeslepende wijze als een spannend boek in vijf hoofdstukken eerst de jonge jaren van Wolf, vervolgens zijn humanistische en pessimistische wereldbeschouwing, zijn belangstelling voor leven na de dood en parapsychologie en tenslotte op zijn stellingname tegen het nationaal-socialisme. Scheffer lijkt zich het meest aangesproken te voelen bij de oorlogsjaren en wat eraan voorafging. Wat betreft oosterse filosofie, mystiek, parapsychologie en reïncarnatie stelt hij zich afstandelijk op, terwijl dat nu juist baanbrekende gebieden zijn waar Wolf ook zijn nek uitstak. Er is een blijvende onderstroom van belangstelling voor dergelijke onderwerpen gebleven.

 

Verwantschap

Scheffer vertelt aan het begin hoe hij als kind geïntrigeerd raakte door zijn allang overleden grootvader, wiens kamer en bibliotheek intact gebleven waren in het huis van zijn Oma. Hij voelde een “zielsverwantschap… en schok van herkenning… Toch begreep ik niet zoveel van zijn karakter en gedachtenwereld… Zijn ideaal is de mens die vanuit zijn eigen middelpunt alles naar zich toetrekt wat bijdraagt aan zijn verdieping en zich niet laat leiden door alles wat er om hem heen gebeurt. Dat is een nogal hooggestemd peidooi voor autonomie, waarbij het er uiteindelijk om gaat op basis van eigen intuïtie een weg te vinden… Het gaat bij hem… om de zoektocht naar een synthese.” (p 18-19).

Wolf wilde zich zoals Goethe van binnenuit ontwikkelen. Hij wilde trouw blijven aan zichzelf en heeft daarbij “mensen tegen de haren ingestreken. “‘Er was iets in zijn gedrag, als student reeds, waardoor hij onbedoeld leermeesters kwetste, die later over zijn hogere sociale mogelijkheden zouden hebben te beslissen’. Herman Wolf leek me geen handige man en alleen al daarom een dierbare man”. Dit verklaart wellicht waarom Wolf het niet verder heeft geschopt dan leraar Duits en onafhankelijk schrijver. Zijn werken lijken mij nog steeds actueel. Ik werd als student al getroffen door zijn boek over Faust en nu door zijn biografie. Met andere boeken van hem ben ik bezig.

Wolf reikte naar iets eeuwigs in de ziel, waarin hij bleef geloven, ondanks dat de oorlogstijd hem niet meezat en het tegendeel liet zien van de synthese die hij nastreefde namelijk: “conflict, desintegratie, ontworteling en ontheemding” (p 88). Tegenwoordig klinkt een dergelijk geloof misschien als zweverige onwetenschappelijke ketterij. Wolf was een ruimdenkende, geïnspireerde geest, die evenals Goethe, Schopenhauer en Nietzsche en anderen intuïtie en ratio, geest en leven wil verenigen.

 

De brochure van het boek

 

De titel geeft zijn werkelijkheidsopvatting en wereldbeeld weer

Voor Wolf “is de werkelijkheid opgebouwd uit polaire tegenstellingen… lichaam en ziel, geest en materie… verstand en gevoel, goed en kwaad.., het heilige en het profane… rationalteit en irrationaliteit. Hij illustreert deze polariteit aan de hand van de Faustfiguur. ‘Alles doet mee aan de werkelijkheid’ is één van zijn motto’s, om niet te zeggen Wolfs levensmotto… Alles is een onderzoek waard en niets mag bij voorbaar worden uitgesloten. Wolf houdt zich bezig met een waaier van onderwerpen… Zijn leergierigheid strekt zich ook uit tot de parapsychologie… Wim Tenhaeff is een goede vriend… Samen bezoeken ze Carl Jung. ‘Het lijkt thans steeds meer dat het oude en en alom verbreide geloof van een persoonlijk voortbestaan na de dood niet van alle grond is ontbloot, zoals de rationalisten en materialisten denken’. Het is een werkhypothese en wie haar op voorhand verwerpt maakt zich volgens een ongebruikelijk felle Heman Wolf schuldig aan onwetenschappelijk dogmatisme.”

“Zowel Jung als Wolf is ervan overtuigd dat het Oosten veel te betekenen heeft voor het Westen… Zo treft zijn dochter Ina, net terug van school, op een dag twee yogi’s aan, die met gekruiste benen in een ledendoek op het paarse bakje in de studeerkamer zitten” (p 83-85). Een andere dag nodigt hij een homofiele kennis met zijn vriend uit. “Het laat zien dat Wolf niet erg is geïnteresseerd in de conventies van zijn tijd… Hij heeft een open houding tegenover alles wat niet aan de norm voldoet… Uit alles blijkt dat Wolf en zijn generatie veel avontuurlijker zijn dan de veelbezongen generatie van ’68.” (p 85-86). Maar ook blijkt er een zekere verwantschap, met name wat betreft de spirituele belangstelling.

Wolf geloofde als idealistisch humanist in “de ‘potentiële eenheid’ van het menselijke”, niet in Bloed, Ras, Volk, Kerk en Partij. Hij was een wereldburger maar vraagt zich af of “samenlevingen er in moreel opzicht beter op zijn geworden… Of is de vooruitgong vooral materieel van aard?” Net als Schopenhauer neigt hij naar pessimisme. Eigenlijk zoekt hij een synthese die daaraan voorbijgaat. “De Humanist is pessimist noch optimist, hij is idealist, hetgeen betekent, dat hij tot die mensen behoort, die blijven streven naar het onbereikbare, voor wie de weg meer is dan het doel” (p 21).

“De idealistische filosofie is geen strikt wetenschappelijke onderneming, maar vooral een levenskunst: uiteindelijk draait het om de beantwoording van de vraag: ‘Hoe moet ik leven om een leven in vrede, rust, innerlijke vrijheid en onafhankelijkheid te kunnen leiden?’” (p 89).

 

Herman Wolf was in de eerste plaats een humanist en steeds een zoeker. Hij schreef over Goethe, Schopenhauer, Nietzsche, parapsychologie, Oosterse godsdiensten. Alles deed inderdaad mee aan zijn werkelijkheid. Maar zijn werkelijkheid werd duchtig door mekaar geschud door de machtsovername van Hitler in 1933. Hij was een enorme bewonderaar van de Duitse cultuur en was hartsgrondig tegen provincialisme. De opkomst en groei van het nazisme was voor hem dan ook iets afschuwelijks. http://www.janantoon.be/paul-scheffer-en-zijn-grootvader. Published in: A Common Reader biografie · FOCUS · Nederlandse literatuur 27 April 2014 |  by Janantoon 

 

Jonge jaren

Wolf behoorde tot de generatie die rond 1914 volwassen werd in een kritieke tijd van omwentelingen, getekend door een verwoestende oorlog. Zij hadden het gevoel dat zich een nieuw tijdperk aandiende, maar ook “het gevoel dat het vooruitgangsgeloof heeft gefaald”. Zijn vader was een Joodse hoedenmaker die in 1899 naar Amsterdam emigreerde toen Herman Wolf 6 jaar was. Herman had een uitgesproken literaire en filosofische interesse en had weinig met het vak van zijn vader. Hij is enig kind. Na de HBS, waar hij een middelmatige leerling was, gaat hij in 1911 letterkunde en filosofie studeren in Bonn, na 1913 in Amsterdam. “De Duitse cultuur is zijn vaderland..., al woont hij vanaf zijn vroege jeugd in Nederland” (p 41).

 

Schopenhauer en Eckhart

Als 20-jarige houdt hij een voordracht op het congres van de Schopenhauer Gesellschaft in Frankfurt. “Schopenhaur stoot… de rede van zijn voetstuk… Wolf noemt hem een realiteitspessimist. Hij voelt zich aangetrokken tot de eigenzinnigheid van Schopenhauer… De momenten van zelfkennis noemt Schopenhauer ‘het betere bewustzijn’, een onthechte manier van kijken die veel verwantschap heeft met de mystiek en de Indische wijsheid… het moment waarop we tot belangeloze comtemplatie in staat zijn” (p 45, 46).

Naast de filosofie van Schopenhauer verdiept hij zich in de mystiek van Meister Eckart en de Indische filosofie. “Voor Eckhart staat voorop dat de mens in zichzelf moet zoeken naar wat onverganklijk is… Wat Wolf aantrekt in Eckharts leer is de beklemtoning van het individuele bewustzijn: hier staat de mens fier en vrij voor zijn God [1].

Het denken van Wolf beweegt zich in de volgende ontboezeming “op de rand van Zijn en niet-Zijn: de wegdoezeling in een wijd verschiet, met zelfovergave en extase, hoog-opgedreven persoonlijkheidsbewustzijn, dat zich in een enkele seconde één en spiegel voelt van het Absolute en aan de andere kant: de smart… dat al die ogenblikken van dat gelouterde hoge zelfbewustzijn, die eerst het werkelijk essentiële leken, thans in de grauwe nevel als onwezenlijk zijn verdwenen en de ‘waarheid’ schrijnend opdoemt… in vertwijfeling… De kunstenaar moet echter de eenheid van beide polen nooit uit het oog verliezen. Dat is zijn taak: het Leven als hoogste synthese van tegendelen in al zijn volheid te weerspiegelen,” zo geeft Wolf een synthetisch grondthema in zijn visie weer (p 49).

 

Reacties op de Eerste Wereldoorlog: euforie en afkeer

Scheffer plaatst het melancholische levensgevoel van Wolf in de context van zijn tijd. “Europa maakt in de tweede helft van de 19e eeuw een gouden tijdperk van wetenschappelijke en culturele vooruitgang door… en grensoverschrijdende handel en cultuur”. Sommigen menen “dat daardoor de eeuwige vrede binnen handbereik is gekomen. Het gebruik van geweld zal achterhaald zijn wanneer mensen [door een steeds verder uitdijende communicatie] alles van elkaar weten en door handel afhankelijk van elkaar zijn geworden. En dan toch een alles verzengende oorlog. In weerwil van de technologische beschaving is de barbarij niet uitgebannen… Juist door de wetenschap is het aantal doden op de slagvelden niet meer te overzien. De desillusie kon na de lange jaren van vooruitgang niet groter zijn” (p 51). En dit terwijl “geen van de grote mogendheden oorlog wilde”. Daarentegen worden velen, waaronder vele intellectuelen “meegesleept in de euforie van het moment” waarop de oorlog uitbreekt.

Zoals Hitler schreef in Mein Kampf: “ten prooi aan een overweldigende geestdrift… om de hemel uit de diepte van mijn hart te danken, dat mij het geluk was toebedeeld in deze tijd te mogen leven” (p 50). Hitler was zeker niet de enige met dergelijke roesachtige emoties, die sterk contrasteren met Wolfs afkeer van de oorlog, die hij ontliep omdat zijn ouders op tijd waren geëmigreerd [2].

In 1915, in de oorlog, gaat Wolf een jaar in Groningen psychologie en filosofie studeren bij Gerard Heymans, de eerste voorzitter van de vereniging voor parapsychologie. Hij rondt zijn studie af in Leiden in 1921, waar hij ook zal promoveren. Tegelijkertijd schrijft hij zijn eerste studies en correspondeert hij o.m. met Thomas Mann en de socioloog Georg Simmel over de oorlog. Anders dan zij ziet hij de oorlog niet als “botsing van beschavingen tussen Frankrijk en Duitsland” (p 65). Maar als een meer algemeen probleem van materiële vorderingen versus geestelijke armoede: “de technische vooruitgang is uitgelopen op een morele ondergang” (p 66).

Het gebrek aan morele en geestelijke ontwikkeling signaleert hij als een fundamenteel probleem, waarvan de consequenties desastreuzer kunnen uitpakken als de technische mogelijkheden toenemen, die constructief en destructief gebruikt kunnen worden. “Zijn voornaamste bezwaar richt zich tegen de eenzijdigheid van de verlichting en het rationalisme” (p 87).

 

 

Loopbaan

Herman Wolf trouwt vlak na de Eerste Wereldoorlog met een onderwijzersdochter en krijgt kinderen. “Wolf is een tamelijk milde vader… erg in beslag genomen door zijn werk, maar de zondagochtend is voor het gezin… Samen met de kinderen erop uit” (p 73). In 1917 wordt hij leraar Duits aan een Hogere Burgerschool (HBS). In 1925 krijgt hij een volle baan aan de Openbare Handelsschool (OHS) te Amsterdam.

“Een van zijn oud-leerlingen herinnert zich dat hij het hele universum overhoop haalde… Van de filosofische implicaties van de moderne natuurkunde tot de parapsychologie, van de Faust tot het Tibetaans Dodenboek… En dat allemaal samengehouden door een humanisme dat verdraagzaamheid vooropstelde” (p 75). Daarnaast schrijft hij twaalf boeken en tientallen artikelen. Hij was enige tijd medewerker Duitse literatuur van De Gids op verzoek van A. Roland Holst en met instemming van Marsman. J.C. Bloem geeft een positieve bespreking van zijn Studies over hedendaagsche Duitse letterkunde. In 1936 zou hij zijn eigen meer wijsgerige tijdschrift Mensch en Kosmos beginnen.

 

Gelijkgestemde geesten 

Wolf zoekt gelijkgestemde idealistische, humanitaire denkende geesten. In 1924 richt hij samen met o.a. historicus Jan Romein ‘het wijsgerig-wetenschappelijke genootschap’ Unitas Multiplex op om mensen uit verschillende disciplines bijeen te brengen. Hij raakt bevriend met de historicus Jacues Presser en de filosoof Hendrik Pos, die volgens Presser die ideale voorzitter was. Volgens Pos was de rode draad ‘de grenzen van de rationaliteit’ en het overgaan van “objectieve, voor ieder aanvaardbare stellingen in het subjectieve… en het ontdekken en mogelijk verplaatsen van die grens. Rationaliteit en irrationaliteit – en natuurlijk de mogelijkheden van een vergelijk – dat is de grote kwestie… Altijd op zoek naar de laatste vragen voorbij de zintuiglijke waarneming” (p 92, 97). Pos noemt dit een ‘metafysische behoefte’.

“Een van Wolfs bijdragen is getiteld ‘Het wezen der inspiratie’ (1939)… Langs de weg der introspectie wordt iets medegedeeld over ‘ingevingen’… Bijna alle geniale scheppende geesten hebben het gevoel dat hun inspiratie niet uit het bewuste ‘ik’ voortkomt, maar uit het onbewuste, als een soort ‘inblazingen’… De zoektocht naar de betekenis van de intuïtie staat centraal in de dissertatie van Wolf” (p 93, 94). Deze gaat over ‘het geniebegrip in de Duitse estetiek’.

 

Kosmopolitisme en contact met Thomas Mann

Wolf correspondeert met o.a. Stefan Zweig, Hermann Hesse en Thomas Mann en bespreekt hun boeken. Mann heeft waarschijnlijk bij hem gelogeerd toen hij in 1922 in Amsterdam een lezing gaf over Goethe en Tolstoj.

Het humanistische kosmopolitisme van Wolf is meer filosofisch dan literair en berust op “een geloof in de hogere verwantschap van alle menselijke handelingen en geestesuitingen. Dat geloof omschrijft hij als supranationaal. Het berust namelijk op een intuïtie, die die grenzen van het verstand te boven gaat… openheid tegenover uiteenlopende culturen… De humanist heeft een veel moeilijker bestaan dan de volgeling van één bepaalde klasse, sekte of partij. De humanist zal in voortdurend conflict leven met zijn medemensen, die verdraagzaamheid en rechtvaardigheid nu eenmaal niet als hoogste idealen kunnen en willen erkennen” (p 106). [3]

Wolf voelt zich verwant met het kosmopolitisme van Goethe en Nietzsche. Zijn studie over Faust wordt welwillend besproken door de schrijvers Adama van Scheltema en Martinus Nijhoff. “’Er bestaat geen vaderlandslievende kunst en wetenschap. Beide behoren, zoals al het hoge en goede, aan de hele wereld en ze kunnen slechts vooruitgeholpen worden door een algemene, vrije wederzijdse beïnvloeding’… De mens… beseft dat hij burger is van het geestelijk rijk… waaraan wij niet kunnen nalaten te geloven” (p 113-14, met een citaat van Goethe).

 

Tegen het nationaal-socialisme

“Met de machtsoverdracht aan Hitler op 30 jan. 1933 neemt de geschiedenis een wending die ook het leven van herman Wolf ingrijpend zal raken… Misschien wordt op deze dag niet zozeer de geschiedenis geschreven van een individuele wil, maar vooral die van een collectieve zwakte, niet… het verhaal van een gestoorde persoonlijkheid, maar van een getraumatiseerde samenleving” (p 117-18).

Wolf is betrokken bij een bruinboek over de misdaden van het Hitler-regime bij een uitgeverij die wordt gefinancierd door door een communistische organisatie, waar de redacteuren geen banden mee hebben. Toch komt het comité, waarvan Wolf secretaris is, op de lijst van communistische mantelorganisaties. Wolfs motivatie is niet politiek, maar komt voort uit zijn inzet voor mensenrechten. Anders dan Thomas Mann in Betrachtungen eines Unpolitischen van en Bekenntniss zum Sozialismus “is Wolf altijd de werkelijk onpolitieke geest geweest” (p 158).

In 1936 is hij betrokken bij het ‘Comité van waakzaamheid van anti-nationaal-socialistische intellectuelen’ dat tussen de duizend en tweeduizend leden zal tellen. Onder hen vele prominente schrijvers en intellectuelen zoals Ter Braak, Du Perron, Vestdijk, H. Roland Holst, Anton van Duinkerken, Jan Tinbergen en Jan Romein. Zijn vriend Hendrik Pos wordt voorzitter.

 

Spirituele interesse in onsterfelijkheid en reïncarnatie

Wolf combineert parapsychologie, spiritualiteit en het hiernamaals met maatschappelijk engagement. “Telkens keren de eeuwige vragen van leven en dood bij Wolf terug. De dood is een mysterie”. Zijn studie Onsterfelijkheid als wijsgerig probleem (1933) beschrijft dit thema in de geschiedenis van de filosofie. Hij gaat ook in op de oosterse filosofie, waarbij reïncarnatie gemeengoed is. “Voor hem is reïncarnatie een voorwaarde om te kunnen geloven in de vervolmaking van de mens, want menselijkheid tijden dit leven waarborgt een wedergeboorte in een hogere vorm. Het is de enige manier om het martelende probleem van de ongelijkheid… op te lossen en te geloven in een universele rechtvaardigheid. Ook Goethe… geloofde niet dat de persoonlijkheid ten onder ging met haar stoffelijk omhulsel. Wolf zei het op zijn manier: ‘Iedere mens is de maker van zijn eigen geluk en de schepper van zijn eigen hiernamaals’” (p 140).

“Het boek is opgedragen aan zijn schoonvader… die kort daarvoor is overleden, en in wie hij als jongeling een tweede vader heeft gevonden… Zijn vader pleegt zelfmoord op 26 juni 1934 – de dag van zijn eerste huwelijk… Hij is daarvoor enige tijd in een kliniek behandeld voor een depressie… Die wanhoopsdaad heeft alles te maken met de crisisjaren… Wolf gelooft zeer in de mogelijkheid om via een medium in contact te komen met de overledenen. In het Tijdschrift voor Parapsychologie beschrijft Herman Wolf een seance in Londen met een bekend medium, Mrs Eileen Garrett… in 1934, twee maanden na de zelfmoord van zijn vader… Herman probeert in contact te komen met de overledene… Wolf besluit zijn bevindingen nader te toetsen bij Garrett in Londen… ‘Opeens hoorde ik het medium duidelijk mijn voornaam zeggen: “Herman”. Dan komen de verder mededelingen over ‘W.S.’ [Wolf, Simon]: ‘Er volgt een nauwkeurige beschrijving van de grote financiële moeilijkheden… Verder wordt gezegd dat de overledene tweemaal gehuwd is geweest (juist), dat hij voor zijn sterven geheel “uit zijn verband” was geraakt… (juist… een soort verstandsverbijstering)… Daarna volgen nog een aantal juiste mededelingen. Uit dit alles kunnen we afleiden [dat…] Herman over het graf heen contact zoekt met de overledene.” (p 138, 140, 142-44).

Wolf vindt troost in een passage van Lessing: “Waarom zou elke afzonderlijke mens niet meer dan eens op deze aarde aanwezig zijn geweest? Is deze hypothese zo belachelijk omdat zij de oudste is? Waarom zou ik hier op aarde niet terugkeren nom nieuwe kennis op te doen en nieuwe vaardigheden te verkrijgen?... Is niet de hele eeuwigheid voor mij?” (p 146). Wolf gaat uitvoerig in op de visie Lessing en vele anderen in zijn studie Onsterfelijkheid als wijsgerig probleem.

 

Parapsychologie

In 1937 richt Wolf het tijdschrift Mensch en Kosmos op. “En hij raakt [meer] betrokken bij de parapsychologie, die zijn vriend Wim Tenhaeff tot een academische discipline probeert om te bouwen…[en] er zijn levenbswerk van maakt. ‘There is more than meets the eye’… We moeten openstaan voor de gehele ervaring en dus ook voor niet-zintuiglijke waarnemingen. Inderdaad: alles doet mee aan de werkelijkheid… Tenhaeff wordt na de oorlog in 1952 hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht, waar hij psychologie heeft gestudeerd.”

“Rond 1900 domineert een psychologie zonder ziel, dat wil zeggen een natuurwetenschappelijke benadering waarin de mens… een anoniem kruispunt is van fysische, chemische en biologische processen. Als reactie daarop ontstaat een meer ‘verstehende’ psychologie… De psychologie moet iets zeggen over de oude vragen naar het verband tussen lichaam en ziel. Ook het voortbestaan van de ziel na de dood en alle paranormale verschijnselen die daarmee verband houden, zijn de moeite waard om onderzocht te worden… Voorlopig moet het oordeel worden opgeschort, tot langdurig en nauewgezet onderzoek uitsluitsel kan geven… De houding is neutraal… Het gaat om een hypothese… De ontwikkeling heeft haar beginpunt in de oprichting van de Society for Psychical Research (SPR) in 1882. Ook in die dagen moest met critici en sceptici worden afgerekend, blijkt uit de woorden van de eerste voorzitter, de bekende Engelse filosoof Henry Sidgwick… ‘De wetenschappelijke ongelovigheid heeft zo lang kunnen groeien dat wij haar alleen kunnen doden door haar levend te begraven onder een stapel feiten’, In 1920 wordt een Nederlandse zusterorganisatie opgericht: de bekende Groningse psycholoog Gerard Heymans treedt op als eerste voorzitter” (p 166-68). Zie ook mijn eerdere artikelen over F.W.H. Myers, medegrondlegger van de SPR, die onderzoek heeft gerapporteerd met diverse mediums en enkele van hen heeft ontmaskerd.

Wolf is vooral geinteresseerd in mediumonderzoek en uittredingsverschijnselen, zoals hem is medegedeeld door een amanuensis van zijn school, die zichzelf zag liggen op de operatietafel. Dergelijke ervaringen komen vaker voor en worden o.m. door Wolf beschreven in een artikel als één van de ‘Twee occulte problemen’ in de essaybundel Nietzsche als religieuze persoonlijkheid en  in R Croockal, The Interpretation of Cosmic and Mystical Experiences.

“Tenhaeff.., ziet in telepathie de kern van zijn parapsychologische verkenningen. Hij benadrukt dat paranomale verschijnselen in wezen normale verschijnslen zijn, waaraan vermogens van algemeen menselijk aard ten grondslag liggen… die zich niet bij iedereen in gelijke mate openbaren.”

“Wat zochten en vonden Wolf en Tenhaeff in de parapsychologie? Wees onder meer de telepathie – het vermogen om door te dringen tot het bewustzijn van de ander – niet onmiskenbaar op het bestaan van een bovenpersoonlijk bewustzijn? Het gaf een geheel andere kleuring aan wat vroeger als werd omschreven als de mystieke eenheidservaring en maakte het mogelijk om de humanistische gedachte te verbinden met psychologische inzichten… Ik en Gij zijn in wezen dezelfde.”

“Heel hun zoektocht loopt uit op een nieuwe wetenschappelijke en maatschappelijke samenhang,.. naar een overstijging van het strikt materialistische gezichtspunt:.. dat de stof een verschijningsvorm van de geest is en dat de geest een verschijningsvorm van de stof is. Daaruit spreekt ook een religieuze behoefte, maar dan in geseculariseerde vorm… De SPR in Engeland was allerminst een randverschijnsel. Eerder hoorde het bij de culturele bovenlaag om in zulke verschijnselen geïnteresseerd te zijn” (p 172). Genoemd worden filosofen als William James en Henri Bergson, schrijvers als Tennyson en Ruskin, natuurkundigen als Lord Rayleigh en William Barrett en politici als de voormalige premiers Gladstone en Balfour als leden van de SPR.

 

Wetenschap en het ondoorgrondelijke

De Britse filosoof John Gray legt (in The Immortalizing Community) uit dat wetenschap en occultisme niet als tegenstelling werden ervaren… Wetenschappelijk empirisme is vaak genoeg hand in hand gegaan met een belangstelling voor het magische… Het mysterie betekent dat mensen omringd worden door het ondoorgrondelijke. Er is veel wat niet vatbaar is voor een redelijke verklaring, aldus Gray… In de wetenschap, die had geleid tot de ontovering van de wereld, werd tegelijk het tegengif gezocht… Alles doet mee aan de werkelijkheid,.. alles was vatbaar voor onderzoek” (p 169-173). Wolf vindt dat dogmatisch materialisme, dat de hypothese van een postmortaal voortbestaan bij voorbaar verwerpt, haaks staat op een open wetenschappelijke houding. Zijn ondogmatische benadering komt overeen met die van wetenschapsfilosofen als Popper, Kuhn en Feyerabend, zie mijn betreffende serie over wetenschapsfilosofie.

Bij de hypothese van het persoonlijk voortbestaan na de dood speelt een moreel motief mee. “Zonder het geloof in onsterfelijkheid zou het eigenbelang zonder enige beperking heersen. Een overwinning van het wetenschappelijk materialisme zou betekenen dat mensen verstikt zijn in een goddeloos en immoreel universum. In de woorden van Sidgwick: ‘Waarom zou iemand zijn verlangens temperen als de persoonlijkhied niet na de dood zou voortbestaan?’” (p 173-74). Wat is de zin van de moraal en moreel juist handelen als het beperkt is tot één leven?

 

Mens en Kosmos

De grondgedachte van het tijdschrift Mensch en Kosmos, opgericht in 1937 en later omgedoopt tot Uitzicht, is dat ons bestaan deel uitmaakt van een kosmisch geheel. Bij gebrek aan afstemming op dit geheel “bedreigen de delen het geheel”. We zien verbrokkeling en desintergratie die de moderne cultuur en samenleving bedreigt (p 175). Te denken valt aan de geïndividualisereerde massamensen in De opstand der horden van Ortega y Gasset, “in die jaren de meest invloedrijke tijddiagnose” (p 130).

Bij gebrek aan (een) god zoekt Wolf “een allesdoorstralend principe [na] de ineenstorting van het hemelse gewelf… ‘De mens zonder inzicht is als een verdoolde in deze uithoek van het universum aan zichzelf is overgelaten, zonder te weten wie hem daar heeft neergezet, wat hij er komt doen en wat er van hem zal worden’,” met de woorden van Pascal (p 176). Op zoek naar synthese van tegengestelde krachten wendt Wolf de blik naar het Oosten en naar “mystiek, spiritualisme, theosofie en aanverwante stromingen” (p 177). Hij schrijft en publiceert onder meer over Goethe en Swedenborg, ‘Rilke’s occulte ervaringen’, het Tibetaanse dodenboek, de Okkulte Erlebnisse en deelname aan spiritistische seances van Thomas Mann en het boek van Walter Schubart over Dostojewski en Nietzsche als profeten van de kenterende tijd.

 

De ziel van het Oosten

Zijn laatste boek De Ziel van het Oosten en de geest van het Westen: Beschouwingen over Chinese en Indische wijsbegeerte en hun betekenis voor het Westen is een aparte bespreking waard, gezien de toenemende belangstelling voor het Oosten en het verschuiven van de macht en invloedsfeer, die reeds in de tijd van Wolf gaande was.

Krishnamurti gaf toen lezingen in Ommen. Hij brak met de theosofie van Annie Besant en sprak zich evenals Wolf uit tegen (religieus) dogmatisme. Via Schopenhauer had Wolf al kennisgenomen van de Indiase filosofie van de Oepanishaden. “De zelfgenoegzaamheid van een oppervlakkige beschaving heeft een tegenwicht nodig.” De vermeende wereldverzaking roept echter reserve op bij o.a. Huizinga en Max Weber en wordt door moderne meer wereldgerichte Indiase filosofen anders geïnterpreteerd.

Paul Scheffer vindt dat uit het boek van zijn grootvader “weinig distantie spreekt… en geen eigen afweging” (p 188). Recensent Siegfried van Praag wijst op het onpersonalistische wereldbeeld in onderscheid met het westerse gebruik van het ‘ik’ en de persoonlijkheid. Dit komt voort uit de notie van het ‘transcendente bewustzijn’ voorbij het ik-bewustzijn. Daarover hebben Patricia van Bosse, Toon van Eijk en Hans Komen eerder geschreven. Dit ruimere bewustzijnsperspectief biedt ongekende mogelijkheden, die een complemente bieden voor de westerse technische en instrumentele rationaliteit, die enige bijsturing behoeft.

 

Vergeefse poging tot synthese

Wolf schrijft ook in het in 1936 opgerichte tijdschrijft Synthese, een begrip dat bij hem centraal staat. Intuïtie omvat meer dan het onderscheidende verstand het vermogen van de rede tot synthese en wordt door Wolf gezien als “hoogste niveau van ons geestelijk leven… en heilzame correctie op het verstandsdenken… De rede verbindt op intuïtieve wijze afzonderlijke gegevens tot een hogere samenhang en streeft naar volledigheid” (p 191). Von Weizsäcker sprak van “het vermogen om het geheel waar te nemen.” (Zie mijn artikel over substantiële rationaliteit in nr 79).

Wolf zoekt een nieuwe samenhang in een wereld van verwarring die dreigt te desintegreren aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. “De synthese die Wolf en velen van zijn generatie voor ogen staat komt niet tot stand… De verbrokkeling van de samenleving staat haaks op zo’n verlangen naar het opgaan in een groter geheel […en] dreigt hoe langer hoe meer te mechaniseren. Zijn humanisme wordt verdrongen door het nationaal-socialisme en fascisme.

 

 

 

De Tweede Wereldoorlog en het overlijden van Herman Wolf

Wolf is al gauw op de hoogte van de Jodenvervolging vanwege vluchtende familieleden. Hij wordt 1 maart 1941 ontslagen als leraar vanwege zijn Joodse achtergrond. Zijn redacteurschap van het Algemeen Tijdschrift voor Wijsbegeerte en Psychologie wordt hem ontzegd. Scheffer beschrijft “de passiviteit en meegaandheid van de elites [die] wordt weerspiegeld in het dagelijks leven” (p 227).. Deze “bovengemiddelde meegaandheid”, waarbij joden onder de ogen van de bevolking werden gedeporteerd is vrij algemeen in weerwil van het verzet van een kleine minderheid. Dit verandert de eerdere beeldvorming van Scheffer. Het moedige verzet was geen gemeengoed en steekt schril af tegen de algemeen “passief gedrag en actieve steun aan de bezetter,” zoals Koningin Beatrix het in de troonrede van 1995 (p 226).

Schokkend is het verhaal van een overlevend familielid Fritz Joseph over zijn gruwelijke tocht door de concentratiekampen. Eind 1941 wordt Wolf ziek. Hij sprak van ‘Flucht in die Krankheit’, met een term van Freud en heeft last van zwaarmoedigheid. Op 25 mei 1942 overlijdt hij “aan de gevolgen van een gezwel in zijn hersenen” [4]. Een schrale troost is dat de deportatie en vergassing die zijn collega’s ten deel is gevallen hem bespaard is gebleven. Zijn vrouw hertrouwt niet en houdt zijn studeerkamer in ere, zodat de jonge Paul Scheffer later kennismaakt met het heiligdom van zijn opmerkelijke grootvader.

 

Nagedachtenis

Zijn vriend Hendrik Pos spreekt over een “onvoltooid gebleven leven… een tragisch mens, wiens goedheid hem behoedde voor wrangheid”. “En toch heeft Herman Wolf in 49 jaar veel voortgebracht en meegemaakt. Eigenlijk twee werkzame levens… En dan hebben we het nog niet over de mysticus en parapsycholoog die hij ook was” (p 251).

Scheffer gelooft niet in reïncarnatie maar ziet veel gelijkenissen met het leven van zijn grootvader. Reïncarnatie is daarvoor geen voor de hand liggende verklaring, maar veeleer overerving, genetisch en door opvoeding en milieu.

Voor zover mij bekend is er niettemin ook een ‘wereld van verschil’ tussen het politiek getinte werk van Scheffer en dat van zijn apolitieke meer spiritueel geïnteresseerde, veelzijdige en diepdenkende grootvader. Scheffer wordt vooral aangesproken door “de zoektocht naar een open samenleving die voorbij een specifieke cultuur wil reiken en tegelijk het waardevolle van verschillende culturen een plaats weet te geven als een vraag van mijn tijd”.

Scheffer voelt zich ook aangesproken door het onvoorwaardelijke humanisme van Wolf, dat rechtvaardigheid en verdraagzaamheid als hoogste idealen wil erkennen. “Menselijkheid was de kern van zijn wezen,” schrijft zijn opgepakte vriend Herman Pos in zijn condeolancebrief vanuit een gijzelaarskamp, waarmee Scheffer de biografie eindigt. “De tijd zal komen, dat wij hem ook openlijk zullen herdenken, dat we in het volle licht kunnen zetten wat nu alleen maar gefluisterd kan worden… Hij is heengegaan terwijl het nog nacht is, al begint het stilaan te dagen.”

Tot slot enkele toepasselijke dichtregels die van toepassing zijn op een groot man (p 17):

“Herman Wolf hield ervan om poëzie voor te dragen… Een van de mooiste stukjes van het door Goethe geïnspreerd gedicht van Henry Longfellow ‘A Psalm of Life’ vond hij:

Lives of great men all remind us

We can makes our lives sublime

And, departing, leave behind us

Footprints on the sands of time.”

 

Noten

  1. Erich Fromm illustreert in Gij zult zijn als goden (p 49) de eigenzinnige, individualistische mystiek en het vrijheidsstreven van Eckhart met het volgende gedicht van hem:
    Dat ik een mens ben
    heb ik gemeen met alle mensen
    dat ik zie en hoor en eet en drink
    deel ik met alle dieren
    Maar dat ik ik ben is exclusief van mij
    behoort aan mij
    aan niemand anders
    aan geen ander mens
    noch aan een engel, noch aan God
    behalve in zover ik met hem één ben
  2. Over de werking van collectief bewustzijn. Socioloog Norbert Elias verbaasde zich over de euforie waarmee soldaten naar het front gingen toen hij werd gemobiliseerd, zie zijn autobiografische Geschiedenis van Norbert Elias. Emile Durkheim probeert dergelijke gevoelens te verklaren vanuit de werking van het collectieve bewustzijn. “De grote bewegingen van enthousiasme, verontwaardiging en medelijden in een menigte komen niet voort uit één van de individuele bewustzijnden’. Zij komen tot ieder van ons en voeren ons mee ondanks onszelf… Een groep van individuen… kan verzameld in een menigte tot gruweldaden gedreven worden… Een identiek kracht drijft hen in dezelfde richtin. Ieder wordt meegenomen door allen” (The Rules of Sociological Method, p 4, 8, 13, 101, 103 113,  en P Ransijn en N Schulte, Bewustzijn als Bewapening, p 116, 117 over de werking vabn collectief bewustzijn).
    Gustave LeBon, auteur van De psychologie der massa schrijft dat het individu in een psychologische massa gemakkelijk zijn persoonlijk belang opoffert aan het algemene belang of het nationale belang door een groter suggestibiliteit. “De grovere en eenvoudige gevoelsaandoeningen hebben de meeste kans om zich over een menigte te verbreiden. Hoe sterker de gemeenschappelijkheden zijn, hoe opvallender de kenmerken van een massa-ziel tot uitdrukking komen”. Maar ook positieve gevoelens kunnen door de werking van het collectief worden versterkt, zoals we soms zien bij collectieve acties bij rampen, waarbij mensen worden bewogen door mededogen (Freud, Het ik en de psychologie der massa, Ransijn en Schulte, p 118, 119).
  3. Volgens Wolf slaagt Thomas Mann er niet in “het leven zonder meer volledig te aanvaarden en de volledige menselijkheid zuiver te ervaren. Toch moet men hem dankbaar zijn… dat hij deze liefde en deze menselijkheid heeft beleden,” aldus de slotzin van bespreking van Der Zauberberg in De Gids en later in de essaybundel Nietzsche als religieuze persoonlijkheid (p 167).
  4. Wolf laat zich ook behandelen door een alternatieven genezer. Zijn vrouw respecteert zijn “recht om te worden behandeld op een manier die overeenstemt met zijn eigen ideeën”, hoewel ze zelf nogal sceptisch is en het meer ziet als geestelijke bijstand (p 246).
  5. Zie Piet Ransijn en Nico Schulte, Bewustzijn als bewapening: Vrede en ontwapening door groei van collectief bewustzijn, hfst 15 over dit boek van Sorokin.