De menswording van Paul Feyerabend

Civis Mundi Digitaal #82

door Piet Ransijn

Bespreking van: Tijdverspilling: De autobiografie van Paul Feyerabend. Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 2007 (1994)

Mijn eerdere artikelen over wetenschapsfilosoof Paul Feyerabend (1924-1994) gingen over de wetenschapsvisie van deze spraakmakende figuur. Hij werd bekend door zijn tegendraadse boek Against Method en zijn pleidooi voor Wetenschap in een vrije samenleving. Zijn prikkelende visie blijft actueel in deze tijdvan toenemende belangenverstrengeling, financiering door de industrie, de hegemonie van de wetenschappelijke wereldbeschouwing en de instrumentele rationaliteit van deskundigen, die ons denken en leven en samenleven in vergaande mate lijken te bepalen.

Feyerabend was bevriend met zijn docent Karl Popper en zijn collega’s Thomas Kuhn en Imre Lakatos en was een centrale figuur in dit groepje toonaangevende wetenschapsfilosofen. De levendige en gevoelvolle autobiografie van Feyerabend boeit meer dan de taaie intellectuele autobiografie van Popper, Unended Quest, die vooral over zijn ideeën gaat. Feyerabend is meer een verteller. Dat komt ook door zijn achtergrond op het gebied van muziek en theater.

 

Liefde was voor hem belangrijker dan wetenschap en filosofie

Het is het interessant om na te gaan wat zijn biografie toevoegt aan zijn filosofie van wetenschappelijk anarchisme. De belangrijkste toevoeging is, dat niet de filosofie maar de liefde in zijn leven de grootste betekenis heeft. “De grote filosofische en natuurkundige werken die hij schreef – dat was allemaal tijdverspilling: de titel van zijn autobiografie getuigt ook van zelfironie… Hij wil voortleven als iemand die uiteindelijk in staat was oprecht van een ander te houden… ’Ik hoop dat mijn liefde blijft bestaan’,” schrijft hij aan het eind over zijn transformatie van ‘een debatteermachine’ naar een liefdevol mens (p 11, 217).

“Ik zal er nooit in slagen om hier precies weer te geven wat ik met liefde bedoel… Dat bestaat bij de gratie van een voortdurend veranderend mengsel van zorg voor de ander en zelfverlichting. De liefde lokt mensen uit hun beperkte ‘individualiteit’, ze verbreedt hun horizon… Toch is deze liefde niet het resultaat van een bijzondere verdienste van onze kant. Ze is niet aan het verstand, noch de wil onderworpen… Deze liefde is een gift” (p 201-02). Vroeger werd hiervoor het woord ‘genade’ gebruikt. Dat betekent de naam van zijn vrouw Grazia Borrini, die in hem een bijzonder liefde deed ontwaken in het laatste decennium van zijn leven. Het toont enige overeenkomst met het leven van de positivistische (wetenschaps)filosoof en socioloog Auguste Comte, die in de laatste fase van zijn leven eveneens bezield werd door de liefde voor een vrouw, waardoor zijn filosofie en altruïstische wending nam.

    

  Dr. Grazia Borrini-Feyerabend

 

Veelzijdige interesse

Feyerabend was geen specialist of ‘vakidioot’. Hij hield van muziek, vooral opera, en theater. Hij wilde zanger worden en volgde zanglessen en een theaterstudie bij o.m. Berthold Brecht. “Wat mij betreft weegt geen enkele academische prestatie op tegen de vreugde om zo’n prachtig instrument te gebruiken” (p 109) schreef hij over zijn stem. Pas na de oorlog volgde hij een universitaire studie. Eerst geschiedenis en sociologie, omdat hij een verbinding met het echte leven nastreefde, daarna natuurkunde. Zijn eerste hoogleraar natuurkunde Thirring beschreef hij als “een scepticus die de vrede en de mensheid toegedaan was”. Die vond hij van groter belang dan natuurkunde (p 93).

Feyerabend had een brede wetenschappelijke, filosofische en culturele belangstelling. “Hij geloofde meer in de wetenschap als Bildung, waarin de onlosmakelijke eenheid tussen wetenschap en wijsbegeerte dienstbaar is aan een hoger cultureel goed waarin de persoonlijke motieven van iedereen meetellen als bouwstenen van de democratie. Hij wees op het belang van de ‘filosoof-wetenschapper’: een filosoof zonder wetenschap is blind, zoals een wetenschapper zonder filosofie doof is… zoals er ook te veel wetenschappers rondlopen die nooit stilstaan bij hun wijsgerige vooronderstellingen… Het is ook waar dat hij niets moest hebben van de wetenschap die opgevat wordt als de onpartijdige, objectieve arbiter… of als de grote aanjager achter technologische doorbraken en vernieuwingen. Zo’n visie was Feyerabend te technocratisch, te fundamentalistisch, te autoritair” (p 8, Inleiding Rein Gerritsen). Hij brengt de absolute waarheid van de wetenschap weer terug tot redelijke proporties.

Feyerabend pleit ook voor andere kennistradities en is hij tegen het monopolie van de wetenschap, dat dogmatisme met zich mee kan brengen. Hij raakte geïnteresseerd in de kerkelijke dogmatiek vanwege de overeenstemming met de wetenschappelijke dogmatiek. Kardinaal Ratzinger, de latere paus Benedictus, haalde overigens Against Method aan ter ondersteuning van zijn opvattingen in een lezing over Galileo. Aanvankelijk bood Feyerabend tegenstand tegen “alles wat riekte naar religie en voorstander was van alles wat met wetenschap te maken had… Vele jaren later zou ik meer te weten komen over de achtergrond van mensen die ik destijds zo scherp had aangevallen en begon ik hun menselijke kwaliteiten te waarderen. Monseigneur Bauer bijvoorbeeld, een toonaangevend theoloog” (p 97, 94).

 

De band met zijn ouders

“De beginhoofdstukken zijn afstandelijk, ogenschijnlijk gevoelloos geschreven, alsof het over het leven van iemand anders gaat. De opera is zo’n beetje het enige onderwerp waarover hij zich lyrisch kan uitlaten. Dat geldt niet voor het vervolg, wanneer de filosoof op stoom raakt en vrijer komt te praten over zijn zielenroerselen… Gaf Feyerabend eerst niet thuis voor zijn vader, zelfs niet toen die op zijn sterfbed lag, jaren later betuigt ‘de ondankbare zoon’ alsnog zijn liefde voor de man. De passage waarin hij vijfenveertig jaar na dato de zelfmoordbrief van zijn moeder opduikelt uit een kast en die voor het eerst bewust leest, is diep ontroerend” (p 10). “De brief is aan mijn vader gericht. Er staat geen onvertogen woord in, geen kwaadheid, geen gekte, alleen maar woorden van liefde en verlangen naar vrede. Met de brief in mijn handen geklemd, voelde ik me voor het eerst verwant aan dat vreemde, afstandelijke en ongelukkige wezen dat mijn moeder was geweest” (p 30)

In het eerste hoofdstuk ‘Familie’ laat hij schilderachtige grootouders, ooms en tantes de revue passeren. Eén van hen vergastte zich. “Ik hoor de buren op de overloop nog fluisteren, ruik de geur van het gas en zie de bewegingsloze gestalte in de slaapkamer… Ik was hierdoor niet overstuur geraakt, noch voelde ik me verbaasd. Ik nam het als gegeven aan dat de wereld een vreemd oord was waarin zich onverklaarbare gebeurtenissen voordeden” (p 25). Een vergelijkbare houding rapporteert hij bij zijn oorlogservaringen.

Hij schrijft ook dat zijn moeder net als hijzelf mooi kon zingen en hoe hij zijn moeder herhaaldelijk met al zijn kracht behoedde om uit het raam te springen. Een keer kreeg hij een voorgevoel... Ik raakte bevreesd en drong er bij mijn vader op aan naar huis toe te rennen. Daar lag mijn moeder in een hoek, bewusteloos, midden in een wolk gas” (p 28).

Feyerabend is opgegroeid in Wenen. Zijn vader was ambtenaar. “We waren een soort van vrienden, maar we stonden elkaar niet na. Daarvoor was ik veel te egocentrisch en te veel bezig met mijn eigen besognes. Ik woonde al lang en breed in Californië toen ik lucht kreeg van zijn terminale ziekte. Ik keerde niet naar huis terug en woonde ook zijn begrafenis niet bij. Jaren later begon mijn vader mij in mijn dromen te bezoeken. Ik zag hem staan in de verte, probeerde hem aan te raken, maar kon mij niet bewegen, waarop ik verdrietig en uit het veld geslagen wakker werd. ‘Praat eens met hem,’ adviseerde Martina, mijn mooie Duitse vriendin… ‘Papa’, zei ik, ‘u bent een goed mens. Ik ben u dankbaar voor al uw goede zorgen, voor uw geduld en liefde en voor alle extra inspanningen die u voor mij deed. En het spijt me dat ik zo’n zelfzuchtig zwijn was. Ik hou van u’. Terwijl ik zo aan het praten was, voelde ik dat ik van hem hield en dat altijd gedaan had. Mijn vader sprak noch bewoog, maar hij wekte de indruk naar mij te luisteren en te aanvaarden wat ik tegen hem zei. Hij vertrok en liet zich een hele tijd niet meer zien” (p 24-25).

Ook zijn moeder verscheen in dromen. “In een poging weer in slaap te vallen, mompelde ik: ‘Waarom wil je niet met mij praten?’. Ze verscheen toen ik nog wakker was. Zonder twijfel was dit mijn moeder… In perspectief bezien was het beeld vrij zwak, nauwelijks zichtbaar… maar het had een angstaanjagend effect op mij. Gedurende een minuut ofzo zweefde de verschijning aan het voeteneind van het bed, om dan te verdwijnen. Een paar maanden later… ontdekte ik de zelfmoordbrief van mijn moeder” (p 29). In het eerder besproken boek van F.W.H. Myers, Human Personality And Its Survival of Bodily Death staan meer van dit soort verschijnselen en verschijningen.

Feyerabend geeft alleen een beschrijving, geen interpretatie, “zonder ook maar één woord te wijden aan de gevoelens die dat bij hem opriep… De jonge Paul was een vroegwijs, betweterig en contactgestoord ventje, eigenlijk een irritant knaapje, dat leed aan ‘het-enige-normale-mens-in-een-krankzinnige-wereld’-syndroom… Hij zag de wereld als een geweldig spannend theaterstuk waarin voor hem een hoofdrol was weggelegd. In werkelijkheid vluchtte Feyerabend, het bangelijke jongetje, weg in de boeken en in het beeld van hemzelf als topacteur, als operavedette – een estheet met nogal kille trekjes” (Inleiding, p 10).

 

Jeugdherinneringen

Als vijfjarige wilde hij al met pensioen. Als schoolkind las hij veel. “Terwijl ik bezig was met het bouwen van zandkastelen, sloeg ik nerveus bewegende mannen gade, die met de aktetas onder de armen geklemd achter overvolle bussen aanrenden. “Ze zijn onderweg naar hun werk’, zei mijn moeder. Maar ik zag ook een wat oudere man rustig op een bankje genietend in de zon zitten. “Wat is hij aan het doen?’ vroeg ik. ‘Hij is met pensioen,’ antwoordde mijn moeder… Met pensioen gaan leek mij de meest aantrekkelijke bezigheid” (p 35).

Feyerabend sloeg een klas over. “Toen ik zestien was, genoot ik de reputatie, dat ik meer van natuurkunde afwist dan de leraren… Een scholier wiens cijfers boven het gemiddelde liggen… Gelukkig werd ik nogal vaak berispt en zelfs een keer van school getrapt. Zo’n smetvrije knaap zou niemand vertrouwen” (p 44, 45). “Mijn helden waren Peer Gynt en Faust… Filosofie kwam door een stom toeval in mijn leven… Ik zocht pakketten [boeken] uit die veel toneelstukken en novellen bevatten, maar het viel niet te vermijden dat er af ten toe een Plato, Descartes of Büchner tussen zat... Ik raakte ronduit gefascineerd door de dwingende kracht die argumenten op mensen kunnen uitoefenen” (p 49). Naast wis- en natuurkunde fascineerde opera en toneel hem nog meer.

 

 

Feyerabend als student en docent

 

Bezetting en oorlog

De aanleiding tot zijn autobiografie was de vijftigste verjaardag van de ‘Anschluss’ door Hitler die destijds met enthousiasme werd begroet. Bij de ‘Anschluss’ van Oostenrijk bij Nazi-Duitsland, werd zijn vader Nazi. “’Hier is een man aan het woord die weet hoe hij moet spreken’, zei mijn vader. ’Het is waarlijk een fenomeen – jammer genoeg ben ik een jood en is hij een antisemiet,’ verzuchtte regisseur Josef von Sternberg, het brein achter Marlene Dietrich” (p 60). De herinneringen aan zijn jaren in het Derde Rijk riepen vragen op over zijn jeugd, herkomst en vorming. “Wie waren de mensen die mij hadden opgevoed… En hoe kon het gebeuren dat ik uitgroeide tot een soort van intellectueel, zelfs een professor met een riant salaris, een reputatie als de bonte hond en een prachtige vrouw? (p 21).

“Terugkijkend stel ik bij mezelf een nogal labiele combinatie vast van tegendraadsheid en de neiging om me te conformeren. Een kritische opmerking… kon gemakkelijk tot zwijgen worden gebracht of in het tegendeel omslaan, alsof mijn oordeel en gevoel een kwetsbare wolkenmassa waren die door wat hitte in het niets vervluchtigde. Bij andere gelegenheden luisterde ik, koppig als ik was, niet naar de redelijke argumenten van de nazi’s, maar bleef ik vasthouden aan impopulaire ideeën. Deze dubbelhartigheid (die vele jaren zou overleven…) lijkt mij in verband te staan met mijn ambivalente houding jegens mensen. Ik wil dicht bij ze zijn, maar ook met rust gelaten worden” (p 63-64). “Op school verdwenen sommige [joodse] leraren… ‘Ze verhuizen’, zei mijn vader. Al deze gebeurtenissen deden vreemd en onwerkelijk aan” (p 64).

 

 

Feyerabend liep na de oorlog zijn leven lang op krukken

 

Gewond als frontsoldaat

In krijgsdienst vernam hij van de dood van zijn moeder. “Nogmaals kreeg ik het commentaar… hoe koud en afstandelijk ik me tijdens de uitvaart gedroeg” (p 69). Voor een (helden)daad van onbezonnenheid “niet als een toonbeeld van mijn dapperheid maar van mijn idiotie… kreeg ik het IJzeren Kruis… Ergens in dat jaar kreeg ik het commando over een compagnie van doorgewinterde vechtjassen. Daar stond ik dan, een toegewijde boekenwurm, zonder enige ervaring… tegenover een groep sceptische experts. Hetzelfde overkwam me opnieuw, twintig jaar later, toen ik werd geacht college te geven aan de indianen, zwarten en Hispanics die de universiteit waren binnengekomen…” (p 70-71).

Na de frontdienst gaf hij als vrijwilliger lezingen aan de officiersopleiding. Men vond hem ‘levensvreemd’. “Wat verstaan we eigenlijk onder ‘leven’,” vroeg ik… Het ware verband tussen de dingen openbaart zichzelf alleen aan de eenzame denker en niet aan de mensen die niet meer doen dan de mode volgen… Iedereen heeft zo zijn onwankelbare mening, die de wereld kleurt zoals hij het ziet. En als mensen samenkomen… dan zullen ze noodgedwongen langs elkaar heen praten, zij zullen noch zichzelf, noch hun gesprekspartners kunnen begrijpen” (p 72). Ziehier een vooruitblik van de latere wetenschapsfilosoof.

“Ik sloeg geen acht op de algemene verhalen over joden, het communisme en de bolsjewistische dreiging. Ik onderschreef deze verhalen niet, noch kwam ik ertegen in het geweer” (p 77). Pas jaren later drong de ernst van de Jodenvervolging tot hem door, toen hij omringd was door joodse vrienden.

Na de capitulatie besefte Feyerabend dat “de gruwelijke oorlog… tot de dood van miljoenen onschuldige burgers had geleid.” Maar “het probleem is dat de wijze waarop goed en kwaad verdeeld zijn, niet eenvoudig vast te stellen is, in elk geval niet door mij. Mededogen, altruïsme en liefde kunnen zelfs in het hart van het kwaad worden aangetroffen,” schrijft hij naar aanleiding van “de dramatische gebeurtenissen… en ongelooflijke opofferingen, die al snel met haat en verachting bekeken werden” (p 80).

Feyerabend en de zijnen moesten vluchten voor de Russen. “Mensen net als wij – maar dan door angst en propaganda monsterlijk gehersenspoeld”, alsof de Duitsers dat niet waren. Hij raakte gewond aan zijn rug en benen en zou zijn hele leven met krukken lopen, pijnstillers slikken en impotent zijn. Dat bleek bij zijn eerste liefdesaffaire met een verpleegster, die zich uitkleedde en “in volle glorie voor me stond… Onnodig om te zeggen dat ik niet in de positie was om te doen wat een man dan geacht wordt te doen” (p 81).

“Seks was nooit ver weg. Wanneer het zover dreigde te komen, ondernam ik meestal ontwijkende acties. Tenslotte was ik impotent… en trachtte ik bevrediging te schenken door middelen die afweken van de standaardprocedure (even aannemend dat er zo’n procedure bestaat.) Ik leek hierin te slagen, tenminste soms.” (p 107). Ook in dit opzicht wijkt Feyerabend af van ‘standaardmethoden’.

 

 

Zijn docent en collega Karl Popper

 

Studie en contacten met Popper en andere prominenten

Na zijn revalidatie hervatte hij zijn studie aan het conservatorium en schreef hij speeches en een toneelstuk. Weer bij zijn vader thuisgekomen in Wenen ging hij studeren, vooral natuurkunde. Hij nam deel aan de beroemde conferenties van Alpbach in Tirol dat “uitgroeide tot wereldcentrum van intellectuele, artistieke, economische en politieke uitwisseling” (p 94). Daar ontmoette hij Karl Popper, die hem uitnodigde voor bijeenkomsten met beroemdheden als systeemtheoreticus Bertalanffy, de theoloog Karl Rahner, de neoliberale econoom Von Hayek en anderen. Hij ontmoette ook de toneelschrijver Bertold Brecht, die hem uitnodigde zijn assistent te worden. Feyerabend weigerde, zoals hij daar later ook van af zou zien toen Popper hem dat vroeg, voor hij afstand nam van ‘de popperiaanse kerk’. “Ik vermoed dat ik een broertje dood zou hebben gehad aan het opdringerige ‘ons-kent-ons’ groepje mensen waarmee Brecht zich omringde” (p 98).

Met zijn docent Viktor Kraft richtte hij de Kraft Kreis op, de studenten pendant van de Wiener Kreis. Ze organiseerden lezingen met prominente wetenschappers en soms filosofen, zoals Wittgenstein en zijn Engelse vertaalster Elisabeth Anscombe. Krafts Allgemeine Erkenntnislehre anticipeerde op de ideeën van Popper in Logik der Forschung. Op een zomerschool in Denemarken ontmoette hij de fysicus Niels Bohr. Op de conferenties in Alpbach raakt hij bevriend met Popper, Anscombe en andere dames. Na het behalen van zijn doctorsbul in 1951 vroeg hij een beurs aan om bij Wittgenstein in Cambridge te gaan studeren. Toen deze overleed, koos hij Popper. Hij viel voor diens filosofie van het ‘falsificationisme’ dat aan de wetenschap en het rationalisme “een welhaast bovenmenselijke autoriteit” gaf. Later kwam hij erachter dat “de doctrine van het falsificationisme, wanneer we deze zonder veiligheidsnet in de praktijk brengen, de wetenschap zoals wij die kennen, volledig van de kaart veegt” (p 115-16). In de praktijk blijkt wetenschap niet volgens vaste rationele principes en procedures te geschieden.

Feyerabend vertaalde Poppers boek The Open Society and Its Enemies. Die invloed is te merken in zijn boek Science in a Free Society, waaraan eerder een artikel is gewijd. Toen hij afzag van het assistentschap van Popper, kreeg hij in 1955 een aanbevelingsbrief voor de universiteit van Bristol, waar de fysicus Schrödinger doceerde, van wie hij eveneens een aanbeveling kreeg. Daar gaf hij colleges in wetenschapsfilosofie, waarmee hij zich niet eerder had beziggehouden. Daarna over kwantummechanica. Hij trouwde er met Mary O’Neill. Ze gingen echter uiteen in 1958. In dat jaar werd hij ook uitgenodigd door de University of California in Berkeley. Na een jaar als gastdocent kreeg hij een contract. Hij raakte in de jaren 60 verzeild in studentenopstanden, discussies en anti-Vietnamdemonstraties.

 

  

Thomas Kuhn, collega aan de universiteit van Berkeley en Imre Lakatos, zijn beste vriend

 

Against Method

Eind jaren ’60 kreeg hij aanbiedingen voor docentschappen in Londen, Berlijn, Yale en Nieuw-Zeeland. In Londen raakte hij bevriend met Lakatos, een collega van Popper. Op een conferentie ontmoette hij de neuropsycholoog Carl Jung en liet zich daarna behandelen voor zijn neurofysiologische problemen en oorlogsletsel, dat vaak hevige pijn met zich meebracht. Lakatos moedigde hem aan een boek te schrijven over ‘al dat spul dat je aan je studenten wijsmaakt” (p 169), toen uitgeverij New Left Books een verzameling van zijn artikelen wilde uitgeven. Uit deze verzameling ontstond zijn meest bekende baanbrekende boek Against Method (1975), dat hem wereldfaam bezorgde, maar ook veel kritiek, waardoor hij terneergeslagen en depressief raakte. “Ik heb vaak gewenst dat ik dat kloteboek nooit geschreven had” (p178).

Door zijn betrokkenheid bij het kritisch rationalisme van Popper was Feyerabend gaan beseffen dat “abstract redeneren gevaarlijk is en… ons oordeelsvermogen kan verlammen. Het rationalisme, of het nu dogmatisch of kritisch is, vormt hierop geen uitzondering” (p 115).

Mede door contacten met zijn collega en makker Thomas Kuhn, Quine en andere filosofen was hij erachter gekomen dat “wetenschap en het gezonde verstand niet zo simpel, zelf omvattend en foutloos zijn als de critici,… mijzelf incluis, wilden aannemen. Zo bestaat er niet één soort gezond verstand … Zo is er ook niet één wijze om dingen te kennen, de wetenschap; er zijn vele manieren, en voordat die door de westerse beschaving over de kling werden gejaagd, waren ze op hun taak berekend, in de zin dat ze in dienst stonden van de mensen en zin gaven aan hun leven. De wetenschap bestaat zelf uit een bonte verzameling strijdige opvattingen met verschillende strategieën, verschillende resultaten en verschillende metafysische versierselen. Ook de wetenschap is een collage, geen systeem… Wetenschappelijke instellingen zij zeker niet ‘objectief’… Zij worden door andere tradities beïnvloed… De beslissende stromingen in de wetenschap werden geïnspireerd door wijsgerige en religieuze (of theologische) sentimenten. Een ook de materiële rijkdom die de wetenschap met zich meebracht is niet zo eenduidig” (p 173).

“De welhaast religieuze geestdrift waarmee veel schrijvers hun schrijfsels produceren is mij vreemd… Daarbij was ik gemakkelijk te overtuigen van de verdienste van bijna iedere zienswijze” (p 175). Bovendien vermeed ik het mijn ideeën op een schoolse manier te presenteren, en ik maakte gebruik van alledaagse zegswijzen en de taal van de showbusiness en pulpfiction. (Dit leidde tot nogal wat problemen met de vertalers van mijn werk.)” (p 174). Grote wetenschappers zoals Galileï schreven vroeger ook in menselijke taal over hun concrete ervaringen, niet in een verwrongen laboratoriumtaal. Het prikkelende en kritische taalgebruik van Feyerabend werd niet altijd goed begrepen.

Kritiek op zijn relativistische en pluralistische wetenschapsvisie

“De meeste critici beschuldigden mij van tegenstrijdigheden… Sommige lezers stoorden zich aan mijn stijl. Ze lazen beledigende verdachtmakingen als feitelijke beweringen en vatten grapjes op als serieus commentaar… Sommigen waren vol lof over mijn pleidooi voor een minder dogmatische benadering, anderen hekelden mij als ‘de ergste vijand van de wetenschap’ (Nature, 1987)… Ik deed ook de suggestie dat de wetenschap onderhevig moet zijn aan de controle van het publiek… De wetenschap is allesbehalve de ‘open’ en ‘vrije’ onderneming waar filosofen van dromen. Commerciële overwegingen spelen een doorslaggevende rol… Wetenschap, zo hoor je vaak, is een zelfcorrigerend mechanisme… Maar omdat de democratie ook een zelfcorrigerend mechanisme is en wetenschap deel uitmaakt van zo’n democratie, kan wetenschap worden bijgestuurd door de correcties van het grotere geheel” (p 176).

Ook zijn relativisme en pluralisme zijn er niet zo goed vanaf gekomen. “Het idee dat culturen… hun eigen maatstaven en procedures… en een intrinsieke waarde hebben… Maar culturen reageren op elkaar… Wanneer ik in aanmerking neem hoeveel culturen van elkaar leren… moet ik wel tot de vaststelling komen… dat de specifieke culturele kenmerken veranderlijke manifestaties zijn van een gedeelde menselijke natuur” (p 182). In deze tijd van mondialisering pleit hij voor “vruchtbare culturele samenwerking”. Deze visie ontstond in “de multiraciale omgeving van Berkeley [met…] veel manieren om naar de wereld te kijken.

 

 

De laatste jaren van zijn leven was Feyerabend huisman, zijn vrouw werkte

 

Huwelijk en pensioen

Door de ontmoeting met Grazia Borrini in 1983 leert hij “wat het betekent om echt van iemand te houden”. Zij studeerde aanvankelijk natuurkunde, maar wilde na een verblijf in India iets doen om menselijk lijden te verlichten. Na een graad in de gezondheidszorg begon ze een nieuwe loopbaan in de milieubeweging en ontwikkelingshulp. “Ze nam actief deel aan een project dat de naam primary environmental care droeg, waarbij milieuproblemen ‘van onderaf’ werden aangepakt… op een praktijkgerichte manier, waardoor ze altijd in direct contact bleven met de problemen zelf en met de wensen en meningen van de plaatselijke bevolking” (p 211).

Grazia bleek bij hem om de hoek te wonen en ze raakten aan de praat, gingen met elkaar eten… Ze wilde ook graag kinderen. “Ik?... Kinderen? Niet in dit leven! Mijn houding draaide langzaam bij… We trouwden in 1989 in Berkely, zodra we voelden dat we er beiden klaar voor waren om kinderen te krijgen. Vanwege mijn impotentie moest ik de hulp van een arts inroepen… Ik geloof dat we het zo’n acht keer probeerden. Toen kwam mijn prostaatklier in opstand… Ik kreeg koorts, pijnen, trillingen in mijn lijf”. De prostaat werd verwijderd en de vooruitzichten om kinderen te krijgen werden minder rooskleurig.

Door Grazia veranderde hij van een “ijzige egoïst in een vriend, een kameraad, een echtgenoot” (p 203). Het dringt tot hem door hoe afstandelijk hij was geweest ten opzichte van zijn ouders en zijn vrienden, hoewel “liefde en vriendschap een cruciale rol spelen in het leven” (p 207). Hij werd ook de beste vrienden met hun hond Spund. “Ik praatte vaak met hem over de ongewisheden des levens. Spund begreep me volkomen – de emotionele ondertoon in wat ik zei, pikte hij feilloos op. Hij nam de kleinste gemoedwisseling bij me waar,.. er was geen controle, geen onderzoek, geen decorum. Het was alsof de natuur me rechtstreeks aansprak… Niets bleef verborgen, alles lag open en bloot. Het was verbazingwekkend en opnieuw losten enkele pantserlagen van mijn karakter zich op. Hij citeert Shakespeare, Richard II:

“Nu sla ik gade hoe ik mij ga bevrijden

Ik haal dit zware gewicht van mijn hoofd

En deze onhandige scepter uit mijn hand

De trots van koninklijke gratie uit mijn hart

Met eigen tranen was ik de balsem weg

Met mijn eigen handen geef ik de kroon weg

Met mijn eigen tong verloochen ik mijn heilige staat

Met mijnen eigen adem ontsla ik mij van al mijn bindende eden

Alle pracht en praal zweer ik af”

Zo wordt hij aan het eind van zijn leven als een ‘echt mens’, die liefde voelt voor zijn medemens. Dan doet een hersentumor zich gelden. “Nu ik net de zaken een beetje op een rijtje begin te krijgen… na een levenslange strijd voor eenzaamheid, zou ik nu graag deel willen uitmaken van een familie… Op een bepaalde manier ben ik klaar met mijn leven, ondanks alle dingen die ik nog zou willen doen, maar op een of andere wijze maakt het mij verdrietig dat ik deze mooie wereld achter me moet laten, en in het bijzonder Grazia, met wie ik nog een aantal mooie jaren had willen doorbrengen… Wat ik graag zou willen dat er gebeurde: geen intellectuele onsterfelijkheid, maar het voorbestaan van liefde,” luiden de laatste zijn laatste woorden in zijn autobiografie.