De uit de hand lopende dynamiek van de moderne tijd. Deel 2: Zelfversterkende processen in de economie en kwetsbaarheden van de democratie

Civis Mundi Digitaal #89

door Piet Ransijn

 

De invloedrijke economen Keynes en Schumpeter

 

De nieuwe tijd kenmerkt zich ook door “een ongekende proliferatie van ambities en projecten… en de dynamiek van het kapitaal… die de aarde omvat… en de drang naar ‘uitdijing en beweging’… in het alomvattendste en innerlijkste implanteert.” Het is “een streven naar ‘ontgrenzing’… en uitbreiding van de machtsradius… Deze manifesteert zich in de drang symbolische en fysieke grootschalige rijken te stichten… Groot-Brittanië koloniseert landen als Canada, Australië en India; Napoleon stelt tijdelijk heel Europa onder Franse controle… Andrew Carnegie sticht zijn industrie-imperium… Ze volgen dezelfde expansieve logica… Maar wat drijft sinds het begin van de Nieuwe Tijd het ik en de industrie… en het nationale imperium dat hongerig is naar ruimte, altijd maar voorwaarts?” (p 144-45)

De gemeenschappelijke noemer van vroegere expansietheorieën is te vinden in terugkoppelingen en feedback-effecten of zelfversterkende processen, waarbij vrijgemaakte energieën worden gebruikt om nog meer energie op te wekken. Bijv. bij de accumulatie van kapitaal door winst. Individuele zelfvervolmaking en zelfversterking “slaat over op gemeenschappen, instituties en ondernemingen, en maakt de geest wakker van expansie en zelfversterking” (p 144).

We zien dit bij “de zelfversterkende tendens van economische activiteiten… De zelfversterkingssystemen van de op krediet gebaseerde en door rente aangedreven economie en de door innovatie aangedreven machinebouw, resulteerde in het tot op heden machtigste complex van halfblind voorwaarts strevende tendensen, die men nog altijd samenvat met de ongeschikte term ‘kapitalisme’, hoewel het… van meet af aan technocreditisme had moeten heten… ‘Deze ontwikkleling brengt steeds verdere ontwikkeling voort’” (p 145, met een citaat van Schumpeter).

Voor multinationale ondernemingen en natiestaten geldt: “Hoe groter ze worden, des te gemakkelijker het werd om nog groter te worden”. Het worden economische en politieke imperiums. De invloedrijke (sociaal)liberale politieke wetenschapper en econoom Joseph Schumpeter definieerde imperialisme als ‘de objectloze aanleg van een staat tot gewelddadige expansie zonder aantoonbare begrenzing’ (p 146). Volgens Sloterdijk heeft hij te weinig oog voor  de ‘teruggekoppelde zelfintensiveringen’ van de expansie.

 

 

Crisis- en ineensortingstheorieën en anticrisis-maatregelen

Als een uitbreidingstendens haar maximum bereikt zou dit volgens dialectische expansietheorieën, die samengaan met crisistheorieën, tot een crisis komen. “Uit crisistheorieën vloeien logischerwijs ondergangstheorieën voort”(p 147). De econoom Keynes noemde de stroming die aan het begrip ‘ineenstorting’ constructieve verwachtingen verbindt,  de ‘ineenstortingspartij’. Daar tegenover stelde hij een ‘anticrisistechniek’: maatregelen om een crisis af te wenden of te herstellen. “Nogsteeds komen niet-linksradicale [liberale] posities samen in de overtuiging dat het alomvattend stuklopen van… de regelmatig door crises onderbroken expansie-economie… tot elke prijs moet worden vermeden” (p 148).

De Bretton Woods Conferentie in 1944 met 730 vertegenwoordigers van 44 geallieerde naties kwam daarvoor samen om het naar de plaats genoemde verdrag over het nieuwe monetaire systeem te ondertekenen en ineenstorting te vermijden. “In Bretton Woods verzamelde het ‘kapitalisme’ zijn regenerative krachten door zichzelf te veranderen in een ‘lerend systeem’… van zelfhervorming… Tegelijkertijd moest een nieuwe hiërachische orde worden ingewijd… De hegemonie ging over van Groot-Brittanië op de Verenigde Staten… ten gunste van de dollar.”

“Het geloof in de waarde van het geld vond bescherming onder de paraplu van het geloof in macht… Het werd bevestigd door de feitelijke machtsverhoudingen… De waardevastheid van de dollar was onderbouwd door de goudreserves van de VS, die destijds meer dan de helft van de wereldvoorraad omvatten… Doordat de dollar het geloof in de waarde van geld samensmeedde met het geloof in macht en met het goudfetisjisme, was hij… niet minder dan een seculier equivalent van het religieuze concept van de onfeilbaarheid… De autoriteit van de dollar werd veiliggesteld door de wapenarsenalen van de wereldmacht en haar van goudbaren uitpuilende schatkamers” (p 151-52).

In 1971 werd het principe van de gouddekking echter vaarwel gezegd. Daarmee begon “de machtsgreep van het inflationalisme”. De goudprijs is van 1935 tot 2013 45 maal zoveel geworden, waarmee het geld eigenlijk veel minder waard is geworden. In feite zien we hier ook een onbeheersbare tendens waarbij “de ineenstortingstendens wordt omgebogen tot een door staatsschulden ondersteunde glijvlucht” (p  154). Dit komt overeen met de eerder genoemde ‘val naar voren’ en wordt ondersteund door ‘geldschepping uit het niets’ en permanente inflatie.

 

https://www.pvda.nl/nieuws/geef-jongeren-met-schulden-perspectief/

De uit de hand lopende schuldenlast

Sloterdijk noemt dit een mondiaal gokspel waarvan de uitkomst onzeker is. Er wordt gesproken van een ‘vrije val’. Maar Sloterdijk noemt dit misleiding omdat het “een politiek gewilde, misschien zelfds ingecalculeerde val” betreft (p 156). Hij neemt de term bastaardseconomie over voor de “medeplichtige samenwerking tussen regeringen, bestuurders, van de centrale banken en agentschappen van de geldaristocratie, die – waarschijnlijk zonder een masterplan te volgen – geen ander doel nastreven dan de bereikte graad van onhoudbaarheid door de overgang naar een nog hogere graad van dezelfde narigheid te ‘stabiliseren’. De bastaard is… de vicieuze cirkel die voortvloeide uit pervers-intieme relatie van een onremd staatsuitgavensysteem met een op hol geslagen bankensysteem” (p 156).

Daarbij worden “uit het niets geschapen kredieten verleend zonder te vragen naar ouderwetse criteria, zoals onderpanden en zekerheden… Een reden waarom ‘vertrouwen’ het motto moest worden van de ethiek in wereldtoestanden die op het punt staan in elkaar te klappen”. Voor economieën die op instorten staan worden naarstig vangnetten gecreëerd door ‘liquiditeitsmagie’:  door geldschepping uit het niets.

“Wat vroeger begrotingsbeleid heette werkt nu onder de naam van ‘schuldenpompinstallatie’. De economische politiek verandert in schuldendesign.” (p 156-57). Het evenwicht tussen schulden en mogelijke aflossingen is zoek. Ook hier zien we de eerder beschreven uit de hand lopende asymmetrie. Oude schulden kunnen slechts worden afbetaald door nieuwe schulden, een ‘stationaire’ toestand van beweeglijkheid die Sloterdijk als onhoudbaar beschouwt.

De meest invloerijke econoom van de vorige eeuw, Keynes, evenals zijn tegenstrever Schumpeter, was ervan overtuigd “dat de kaptalistsiche economie niet het eeuwige leven had, hoewel hij er nog een looptijd van minstens honderd jaar voor postuleerde” (p 157).  Daarna zouden “economische thema’s hun existentiële urgentie verliezen… en mensen genoeg tijd hebben voor de ‘wezenlijke dingen’ van het leven, voor waarheid, liefde en schoonheid. Alleen de komende honderd jaar blijven ze ertoe veroordeeld tribuut te geven aan de valse goden ‘gierigheid, woeker en voorzorg’… In plaats daarvan zijn de schulden gestegen tot dimensie die de gedachte aan serieuze aflossing tot een illusie maken” (p 160). Het ziet er niet naar uit dat het proces in het groot binnen afzienbare tijd noemenswaardig zal veranderen. “Ofschoon de verwijzingen naar de sociale, ecologische en psychopolitieke begrenzingen van het mondiale spel gedurig toenemen”.

Sloterdijk gaat kort in op twee belangrijke, vooroorlogse sociaal-liberale economen, Keynes en Schumpeter. Zij lijken echter in een aantal opzichten te zijn ‘ingehaald’ door het neoliberalisme van latere economen, die de laatste decennia toonaangevend zijn, vooral sinds de ontmanteling van de Sovjet Unie. Hij lijkt zo voorbij te gaan aan toonaangevende economische ontwikkelingen. Zie hierover de eerdere serie van Hans Komen over het neoliberalisme.

 

http://finalwakeupcall.info/blog/2017/11/30/creatieve-destructie/

 

Innovatie en creatieve destructie: de economische visie van Schumpeter

“In Die Theorie der wirtschaftlichten Entwicklung (1912) vestigde  Joseph Schumpeter als eerste nadrukkeijk de aandacht op de verbasterende dynamiek van het krediet… [als] de antithese van het ‘geërfd vermogen” (p 159).  Het bondgenootschap van de ‘nieuwe man’  en zijn ‘geldverschaffer’ wordt richtingbepalend. Zijn meest gelezen werk is Kapitalisme, socialisme, and democratie (1943), waarin hij zijn meest bekende concept van innovatie als creatieve destructie (van voorgaande benaderingen) introduceert. Dit komt overeen met de visie van Sloterdijk op de ontwikkelingsdynamiek.

Onder creatieve destructie of productieve vernietiging verstaat Schumpeter (p 91-95) een proces van voortdurende innovatie waarbij succesvolle toepassingen van nieuwe technieken de oude vernietigen. Innovatie ziet hij als belangrijkste bron van economische groei, die de concurrerende marktpositie en ‘marktmacht’ versterkt. We zien dit nu in de wedloop tussen het Westen en China. Omdat innovatie al gauw door imiterende concurrenten en rivalen wordt overgenomen, zoals nu door China, vervlakt dit de tijdelijke leidende monopolieposities.

Daar technische innovatie volgens Schumpeter de manier is waardoor de welvaart kan toenemen, ziet hij evenals Sloterdijk niets in maatregelen waarbij ongericht geld in de economie wordt gepompt om groei te bevorderen, zoals tegenwoordig plaatsvindt. Daarin verschilde hij van mening met andere economen. Innovatie is volgens hem belangrijker en meer bepalend dan (de ‘onzichtbare hand’ van) de marktwerking en prijsconcurrentie. De ’onzichtbare hand’ van de marktwerking wordt bijv. ten onrechte centraal gesteld in het werk van Adam Smith, die een meer genuanceerde visie had, zoals naar voren kwam in een artikel naar aanleiding van de integrale vertaling van zijn hoofdwerk De welvaart van landen, zie NRC 30 aug. 2019 ‘Het misverstand van de onzichtbare hand’.  Daarin wordt ook geschreven dat Smith economie in verband zag met de moraal, waarover hij eerder een belangrijk boek had geschreven The Theory of Moral Sentiments. Beide werken zijn te beschouwen als complementair. Bij het neoliberalisme ontbreekt deze morele component.

Sloterdijk wijst op het uit de hand lopen van de dynamiek, waarvan innovatie en ook marktwerking onderdeel is. Hij ziet minder heil in innovatie dan Schumpeter. Hij ziet het meer als dwangmatige, onstuitbare ‘val naar voren’ en heeft meer oog voor de destructieve kant van de innovatieve dynamiek. Aan de invloed van marktwerking gaat hij voorbij, hoewel dit onze tijd in vergaande mate bepaalt. In plaats van op de huidige tekortkomingen van de economie, de politiek en de democatie gaat Sloterdijk anders dan Schumpeter uitvoerig in op de manco’s van het verleden, vooral in de bijlage.  De de visie van Schumpeter geeft een belangrijke aanvulling, die meer actueel lijkt dan andere episoden uit het verleden, die Sloterdijk beschrijft.

Voor een liberale econoom staat Schumpeter welwillend tegenover de analyse van Marx, dat het kapitalisme uit de hand loopt en zal ondergaan. Hij ziet dat echter anders in termen van een soort permanente revolutie door creatieve destructie. Oude manieren van werken en oude structuren verdwijnen voortdurend om te worden vervangen worden door nieuwe. Zo zal ook het kapitalisme een keer ondergaan. Maar niet per se door een (communistische) revolutie.

Schumpeter vraagt zich af of kapitalisme kan overgaan in (democratisch) socialisme, of dit levensvatbaar is en of een combinatie of integratie mogelijk is. “Geleidelijke socialisatie binnen het kader van het kapitalisme is niet alleen mogelijk, maar zelf het meest waarschijnlijke,” concludeert hij reeds in 1938 (p 265). Hij stond daarin niet alleen. De socioloog Sorokin had een vergelijkbare visie. De opkomst van neoliberalisme na de val van de Sovjet Unie, lijkt echter de levensvatbaarheid van het kapitalisme te tonen in een tegengestelde tendens. De vraag is hoe lang dit door kan gaan. In feite gaat of ging het liberalisme in veel landen, met name in Europa, in de richting van een sociaal liberalisme, met veel staatsbemoeienis en sociale wetgeving, een mengvorm van liberalisme met een scheut socialisme. De vraag naar de levensvatbaarheid van het socialisme is nog steeds actueel. Monbiot geeft in de boekbespreking van Patricia van Bosse 88 een positief antwoord, zie nr 88.

 

Big Brother, uit de verfilming van het boek 1984 van George Orwell

https://meervrijheid.nl/?pagina=2484: op weg naar de totalitaire democratie

 

Het belang van democratie ondanks de kwetsbaarheden

De bedreiging of de kwetsbaarheden van de moderne democratie, die aan begin van de vorige eeuw bleken, vormen een ander punt waarop Sloterdijk nauwelijks ingaat, terwijl de episoden in de bijlage ook dit punt illustreren en niet alleen de ongebreidelde dynamiek van de terreur. Wat betreft Schumpeter gaat hij voornamelijk in op zijn principe van ‘creatieve destructie’. Niet op de kwetsbaarheden en beperkingen van de democratie, die ook meer relevant en actueel lijken. Vandaar deze aanvullende ’uitweiding’, die zich laat illustreren met tal van actuele politieke ontwikkelingen over populisme, ‘particratie’ en partijbelangen, autoritaire en elitaire tendensen, gebrek aan ‘democratische zelfbeheersing’, enz. Het functioneren van de democratie in onze tijd is in de zgn. kwaliteitsmedia een punt van zorg en aandacht. Daarom blijven zijn overwegingen actueel. Als liberaal econoom en politiek wetenschapper vindt Schumpeter het behoud van de democratie ook in een (meer) socialistische maatschappij van wezenlijk belang. 

Democratie definieert hij niet als regering door en voor het volk, maar met instemming van het volk de facto de meerderheid van de bevolking (p 285, 315). Kiezers volgen hun eigen belangen, niet een verondersteld ‘algemeen belang’, zoals ook Sloterdijk (p 81) schrijft: “Het eensgezinde volk bleek een hersenschim… Partijen vormen de werkelijkheid [vooral…] wanneer ze onverzoenlijk met elkaar van mening verschillen.” De ‘wil van het volk’ bestaat uit de individuele wil van vele burgers en wordt benaderd door een ‘redelijk compromis’ (Schumpeter, p 295). Zij worden onder meer beïnvloed door pressiegroepen, propaganda en politici en zijn vaak niet erg redelijk. Democratie is geen proces, waarbij de kiezers een stem geven aan het algemeen belang, en waarbij politici zich laten leiden door dit algemeen belang uit naam van de kiezers. Eigenbelang en partijbelang lijken vaak te prevaleren. Mede vanwege hun onwetendheid, oppervlakkigheid en gebrek aan interesse worden mensen  gemanipuleerd. Politici bepalen de agenda.

“Kiezers zijn vaak slechte beoordelaars van hun eigen belangen” (p 302). “Ze worden zoet gehouden door het uitzicht op economische groei, betere voorzieningen en langere vakanties” (H. van Gundsteren en G. Lock, Politieke theorieën, p 28, over het ‘democratisch elitisme’ van Schumpeter). Zijn visie wordt pluralistisch en realistisch genoemd, in onderscheid van het marxisme en het elitisme van Pareto, Mosca, Michels en in zekere zin ook C. Wright Mills in The Power Elite, aldus Ton Zwaan in Wilterdink e.a. Samenlevingen, ‘Politieke bindingen’, p 110. De inzichten van Schumpeter komen vaak overeen met die van Habermas, zie nr 74.

Schumpeter wijst evenals de socioloog Emile Durkheim op de werken van Pareto, Mind and Society en Le Bon, De psychologie der massa. De massa is vaak impulsief, onredelijk en minder verantwoordelijk. “Een dikwijls herhaalde bewering telt zwaarder dan een redelijk betoog” (p 297-99). De wijzen waarop de politieke agenda en “de ‘wil van het volk’ worden gefabriceerd zijn geheel analoog  aan de methoden waarvan de reclame zich bedient. Wij vinden dezelfde pogingen om het onderbewustzijn te benaderen… Zij doen minder een beroep op de redelijkheid” (p 305). Politici maken gebruik van ‘handigheden’ zoals ‘verzwijgingen’ en ‘telkens herhaalde beweringen’. “Effectieve berichtgeving is bijna altijd vervalst” (p 306). Alsof hij het heeft over ‘nepnieuws’. Schumpeter is overigens uitgeweken voor het nationaal-socialisme.

Schumpeter beschrijft, beïnvloed door Max Weber, een meer realistisch model waarbij democratie een mechanisme is van “concurrentie om het politieke  leiderschap [en] beslissingsmacht te verkrijgen door mideel van een concurrentiestrijd om de stemmen… Erkenning van het leiderschap is van vitaal belang” (p 311-12). Periodieke verkiezingen legitimeren regeringen en houden ze verantwoordelijk. Het beleidsprogramma is meer een zaak van de regering dan van het volk. De participerende rol van individuen is meestal zeer beperkt.

“Het democratisch beginsel betekent slechts dat de leiding van de regering in handen dient te worden gegeven van degenen die meer aanhang verwerven dan andere mededingende individuen of groepen” (p 316). Dat wil zeggen politieke partijen die concurreren om de macht en de politieke ambten of baantjes. Politiek wordt Schumpeter getypeerd als strijd en ‘handel in stemmen’. Politici worden niet geselecteerd op bekwaamheid, maar meer op tactiek (p 331-32). Tenslotte noemt hij een aantal voorwaarden:

1. Politici “van voldoende hoge kwaliteit” (p 333),

2. (grondwettelijke) beperkingen aan de politieke besluitvorming,

3. integer en bekwaam openbaar bestuur door een ambtelijk apparaat,

4.”democratische zelfbeheersing,…  een hoog genoeg intellectueel en moreel peil van kiezers en parlementen’ (p 338-39). 

Uit de historische politieke episoden in de bijlage blijkt dat aan deze voorwaarden vaak niet werd voldaan en wat er dan kan gebeuren: een afglijden in totalitaire terreur. Een goed functionerende democratie biedt daarvoor een zekere bescherming door wettelijke grenzen, het toezichthoudend karakter van het parlement en ‘democratische zelfbeheersing’. Schumpeter biedt een analyse die weinig van zijn actualiteit heeft ingeboet, als we bijv. kijken wat er in Engeland, de VS, Rusland en tal van andere democratieën gebeurt.

Een ander risico voor de moderne democratie is dat de belangenverstrengeling met de economie en industrie, waardoor de politiek kan worden meegenomen in de uit de hand lopende dynamiek van de economie. Een ander concept van Schumpeter, dat bekendheid kreeg is de term ‘ondernemersgeest’. Het sluit aan bij de prestatiegerichtheid die Sloterdijk kenmerkend vindt voor van de ‘nieuwe mens’.

 

Paralellen tussen de beschreven politieke en de economische dynamiek

Sloterdijk beschrijft de moderne economie in termen van een vrijwel onbeheersbare en asymmetrische dynamiek, die hij kenmerkend vindt voor de nieuwe tijd. Daarnaast zijn er meer paralellen van de economische dynamiek met de politieke ontwikkelingen, die in de bijlage worden besproken. Bij beide lijkt er een niets ontziende tendens tot machtsuitbreiding en –handhaving, die geweld en criminele activiteiten niet uit de weg gaat, maar incorporeert  en legitimeertdoor wettelijke beperkingen te overschrijden en wetten naar de hand te zetten.

Joris Luyendijk laat in zijn boek over banken Dit kan niet waar zijn hoe het gebrek aan verantwoordelijkheid, hebzucht en eigenbelang van de financiële elite ons voorstellingsvermogen tart. Peter Götzsche beschrijft in zijn boek Dodelijke medicijnen en georganiseerde misdaad de geïnstitutionaliseerde criminaliteit in de farmaceutische industrie (zie nr 35), evenals C.F. van der Horst in zijn boek Dodelijke leugens, zie nr 77. Marie Monique Robin en Carey Gillam doen hetzelfde wat betreft de agrochemische industrie, zie nr 77 en 88. Dit zijn enkele voorbeelden waarbij de grens van het toelaatbare en legitieme wordt overschreden in de moeilijk te stuiten dynamiek van de industrie.

De exploitatie van de mensen en de natuur door de industrie om winst te maken geeft ontoelaatbare en onherstelbare schade, waarmee ook toekomstige generaties worden opgezadeld en benadeeld. Zoals eerder toegelicht is het lastig alleen de leidinggevenden daarvoor verantwoordelijk te stellen, omdat winstbejag is ingebakken in het WTE complex van wetenschap, techniek en industrie en de samenhangende bureaucratische organisatie. De instrumentele rationaliteit van het effectief berekenen van middelen tot het doel van winst maken maakt daarbij de dienst uit, zie nr. 31 over het WTE complex. Zie ook het werk van Christopher Lasch (zie nr 87) en Marius de Geus, besproken in nr 32, als voorbeelden van literatuur die een indicatie geeft van tendenzen die de grenzen van toelaatbare schade overschrijden.

Lasch schrijft in The Revolt of the Elites and The Betrayal of Democracy hoe elites minder maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen dan vroeger vaak volgens hem het geval zou zijn geweest, toen de traditionele waarden de gemeenschap en de religie meer maatgevend leken. Toen had je echter ook ’Robber barons’ in de VS. De aandacht voor het sociale is tegenwoordig echter zeker niet geweken. Veel mensen bekommeren zich in de mondialiserende wereld niet alleen om hun eigen gemeenschap, maar ook om de ontbossing en andere problematiek elders op de wereld. Er is sprake van een individualisering op microniveau, dat een tegenhanger heeft in solidarisering op macroniveau, aldus Wilterdink, Samenlevingen (p 137) en Norbert Elias in Die Gesellschaft der Individuen. Het wij-gevoel lijkt zich vaak uit te breiden, maar er zijn ook nationalistische tegenreacties onder leiding van van populistische politici, waarop wij in het commentaar terugkomen.