Albert Camus: De pest en de coronacrisis
Deel 3: De kentering en de bevrijding

Civis Mundi Digitaal #95

door Piet Ransijn

 

Het keerpunt

Zoals gezegd markeerde de dood van het kind een dieptepunt en een keerpunt. De stijgende curve van pestgevallen leek stabiel te worden. “Volgens de mening van deskundigen was dit een gunstig teken. Dr. Richard bijv. vond de curve... zeer hoopvol... Hij schreef dit toe aan het nieuwe serum van Castel, waarmee inderdaad enige onverwachte, goede resultaten waren bereikt... Juist terwijl de ziekte zich in haar periode van stabiliteit bevond, bezweek dr. Richard aan de pest... De autoriteiten werden [daardoor...] weer even snel en inconsequent pessimistisch als ze eerst optimistisch waren geworden... Hoe dan ook, er was geen openbaar gebouw meer dat niet was ingericht tot ziekenhuis... Maar in het algemeen werd het niet nodig geacht nog verder strekkende maatregelen te nemen dan die welke Rieux had ingesteld.”

“Er ontstonden echter andere redenen tot ongerustheid uit het voedselgebrek, dat met de tijd toenam. Speculanten hadden daarvan al misbruik gemaakt door de noodzakelijkste levensbehoeften... tegen fabelachtige prijzen te verkopen. Arme gezinnen bevonden zich daardoor in uiterst moeilijke omstandigheden, terwijl het rijke lieden aan vrijwel niets ontbrak” (p 170-71). Het egoïsme verscherpte de onrechtvaardigheid.

Op de sportterreinen waren isolatiekampen en quarantaine-inrichtingen. “Het ergste is... dat ze vergeten worden en het weten. Hun kennissen... hebben wel andere dingen aan hun hoofd...De mensen, die hen liefhadden... denken zoveel aan de mogelijkheden om hen vrij te krijgen, dat ze niet meer denken aan hen, die bevrijd moeten worden” (p 174).

Op een goede dag gaan Rieux en Tarrou na een bezoek aan een patiënt op diens dakterras zitten met uitzicht op de zee. “Aan de glanzende hemel, schoongeveegd door de wind, schitterden zuivere sterren... Er heerste volmaakte stilte... Het is hier heerlijk, zei Rieux... Het is of de pest nooit tot hierboven is gekomen... Driemaal verscheen de lichtstraal aan de hemel” (p 176-77, de vuurtoren). Met de symboliek van het weer en de natuur, die de fasen van de pest begeleidde met weer en wind, geeft Camus te kennen dat er een keerpunt is. Ook Van Gennep wijst op de begeleidende natuurverschijnselen, waarbij de natuur de menselijke situatie weerspiegelt (p 157).

 

 

Het levensverhaal van Tarrou, die een ‘heilige zonder god’ wilde zijn

Op het dakterras vertelt Tarrou aan Rieux zijn levensverhaal. Sinds zijn vader als rechter iemand ter dood veroordeelde, bestreed hij de doodstraf en de maatschappij die daarop gebaseerd was en ging hij in de politiek. “Er is geen land in Europa, waar in ik niet heb meegevochten... Tot aan de dag dat ik een executie bijwoonde - het was in Hongarije - en toen greep dezelfde duizeling die mij als kind had overvallen, mij ook als man” (p 181). Sindsdien voelde hij zich als een pestlijder. Camus verwoordt hier de weerzin tegen de doodstrafbij zijn vader, die op hemzelf is overgegaan. Zie zijn autobiografische roman De eerste man, besproken in nr 94.

Deze ervaring voedt zijn solidariteit met de pestlijders, die ten dode zijn opgeschreven. Tarrou doet alles om hen te redden. Ook uit schaamte, omdat hij mede door zijn revolutionaire activiteiten meent te hebben bijgedragen tot de dood van duizenden. Hij heeft gezien dat iedereen de pest in zich draagt. “’De fatsoenlijke mens is degeen die bijna niemand besmet... Hier op aarde zijn gesels en slachtoffers, men moet zoveel mogelijk moet weigeren aan de kant van de gesel te staan... Er zou nog een derde categorie van mensen moeten bestaan, die van de echte geneesheren, maar het is een feit dat je die niet vaak ontmoet.”

“Kortom, zei Tarrou eenvoudig, wat mij interesseert is te ontdekken hoe iemand een heilige kan worden... Kan men een heilige zijn zonder God, dat is het enige probleem dat ik tegenwoordig ken’. Opeens straalde een sterk licht uit de richting, waar de kreten hadden geklonken... ‘Nu is het weer voorbij’, antwoordde de dokter. Tarrou mompelde dat het nooit voorbij zou zijn en er altijd weer slachtoffers zouden bestaan, omdat dit hoorde bij de orde der dingen. ‘Misschien,’ zei Rieux, maar weet je, ik voel me meer solidair met de slachtoffers dan met de heiligen. Ik geloof dat ik geen instinct heb voor heldenmoed en heiligheid’” (p  183-84).

Daarna besloten ze om samen te gaan zwemmen ter ere van hun vriendschap. Hoewel dat nog verboden was, gebruikten zij hun vergunning om op de pier te worden toegelaten. “Rieux... was vervuld van een vreemd geluk... Hij las op het kalme en ernstige gelaat van zijn vriend eenzelfde geluk, dat geen vergetelheid van node had, zelfs niet die aan de moorden... Rieux ging op zijn  rug liggen en dr..eef roerloos, met het gezicht naar de hemel vol maanlicht en sterren... Enkele minuten lang gingen zij vooruit in dezelfde cadans en met dezelfde snelheid, eenzaam, ver van de wereld, eindelijk bevrijd van de stad en de pest... en keerden ze terug... Zij voelden beiden hetzelfde in hun hart...  dat de ziekte hen even had vergeten, dat het nu voorbij was en ze opnieuw moesten beginnen... De pest vergat niemand voor lange tijd... bleef altijd voortgaan, geduldig, met kleine dalingen en stijgingen... en onze hele stad leefde zonder gedachte aan de toekomst” (p 185-86).

 

 

De wederopstanding van Josep Grand

Op een dag kwam Joseph Grand niet opdagen. Hij zwierf door de straten. Rieux en Tarrou gingen hem zoeken. Rieux ontdekte hem voor de etalage van eenzelfde soort winkelruit, als waar hij ooit zijn geliefde Jeanne ten huwelijk had gevraagd, die bij hem was weggegaan. “Rieux wist, wat de oude schreiende man op dat ogenblik dacht en hij dacht hetzelfde: dat deze wereld zonder liefde als een dode wereld was en dat er altijd een ogenblik komt, waarop men moe wordt van gevangenissen, van werken, van moedig zijn, en hunkert naar ‘het gezicht van een mens en de hartevreugde van wat tederheid... ‘O dokter, o, dokter, stamelde hij’. Rieux knikte, niet in staat tot spreken. Deze smart was ook de zijne” (p 189). En hij voelde “een mateloze toorn... tegenover het leed dat alle mensen met elkander delen.”

Grand keek verwilderd en beefde. “Rieux greep zijn hand. Die was brandend heet... Rieux moest de oude man dragen... De longen waren aangedaan... De beambte had geen familie... Hij zou hem alleen wel verplegen... De hele nacht werd Rieux vervolgd door de gedachte, dat Grand ging sterven. Maar de volgende morgen vond hij hem overeind zitten, pratende met Tarrou. De koorts was verdwenen... s’ Avonds kon Grand als gered worden beschouwd. Rieux begreep niets van deze wederopstanding” (p 189-91).

Daarna herstelt een jong meisje in delirium tegen iedere prognose in. “De volgende dagen deden zich echter nog vier van dergelijke gevallen voor... Niemand had durven hopen op deze plotselinge teruggang van de ziekte... Diep in de harten ontwaakte een hoop, die niemand nog durfde bekennen... De dodencijfers daalden!... De infectie trok zich op alle fronten terug... Er was een scheur gekomen in de dichte sluier die de stad omringde... Men kon eindelijk vrijer ademhalen... De absolute overheersing van de pest was voorbij... Desalnietemin reageerden onze medeburgers op zeer tegenstrijdige manieren. Zij vielen van het ene uiterste in het andere, van hoopvolle verwachting in diepe neerslachtigheid... In diezelfde tijd kwamen echter spontane tekenen van optimisme voor. Zo viel er een aanmerkelijk daling der prijzen te constateren” (p 191-96).

Er worden nog enkele tekenen beschreven, die erop wijzen dat het normale leven werd hervat. De stadverlichting ging ’s avonds weer aan. “Toen stortten onze medeburgers zich in vrolijke groepjes in de verlichte straten, onder een koude, heldere hemel.” Rieux, Tarrou en Rambert liepen echter ook door eenzame straatjes met gesloten blinden. “Niet bij machte de smart, die voortduurde achter deze blinden, te scheiden van de vreugde, die even verder de straten vervulde. De naderende bevrijding vertoonde een gelaat, dat lachte door de tranen heen” (p 196-97).

“Toch raakte één mens in de stad volkomen ontredderd en dat was Cottard.” Hij was een smokkelaar die nu opnieuw werd gezocht door de politie, nadat tijdens de pest rechtszaken waren opgeschort. Daarnaast gingen zijn smokkelzaken achteruit. Op een dag  schoot hij vanuit zijn huis op mensen in de straat. Hij leek gek geworden en moest door de politie worden ontzet.

 

 

De tragische dood van Tarrou en de vrouw van Rieux

Tarrou heeft dit niet meer meegemaakt. Hij werd ziek en verpleegd door Rieux en zijn moeder. Het zoveelste overlijden wordt indringend beschreven. Ditmaal was het de beste vriend van Rieux. Krampachtig schokte zijn lichaam. “Tarrou dreef langzaam weg in de orkaan. Rieux zag nog slechts een al levenloos masker, waarvan de glimlach was weggevaagd. Deze mens, die hem zo na was geweest, nu doorboord door een spies, verschroeid door onmenselijke pijnen... verzonk voor zijn ogen in de wateren van de pest en hij kon niets doen tegen deze schipbreuk. Hij moest met lege handen en een verscheurd hart aan de oever blijven staan... De nacht die volgde was er geen van strijd, maar van stilte. In deze kamer, afgesneden van de wereld, bij het dode, nu geklede lichaam, voelde Rieux een wonderbaarlijke rust zweven... De dokter wist niet of Tarrou ten laatste de vrede had gevonden, maar hij meende, althans op dit ogenblik, dat er nooit meer vrede zou bestaan voor hem zelf, zomin... als voor een moeder, beroofd van haar zoon of voor de man die zijn vriend moet begraven... Tarrou had het spel verloren, zoals hij het genoemd had. Maar hij, Rieux, wat had hij gewonnen?... Tarrou had geleefd in verscheurdheid en tegenstrijdigheid, hij had nooit hoop gekend. Had hij daarom gehunkerd naar heiligheid en de vrede gezocht in dienst der mensheid? Rieux wist het niet” (p 208-10).

De volgende morgen ontving Rieux een telegram dat zijn vrouw was overleden. Al acht dagen geleden. Hij had al dagenlang gewacht op een bericht van haar. Hij bleef er ditmaal rustig onder, hoewel het zwaar te dragen was. “Hij staarde door het venster naar een prachtige morgenstond, die boven de haven te zien was..., het geopende telegram in de hand” (p 210). Zo trof zijn moeder hem.

“Hij wist wat zijn moeder dacht en hoe zij hem liefhad... maar hij wist ook dat het niet veel betekent een mens lief te hebben, of tenminste, dat die liefde nooit sterk genoeg is om zich volkomen te uiten. Daarom zouden zijn moeder en hij elkander altijd zwijgend liefhebben. En op haar beurt zou zij sterven - of hij - zonder dat zij hun hele leven meer van hun tederheid hadden kunnen uiten. Op dezelfde wijze had hij naast Tarrou geleefd en nu was hij dood, zonder dat hun vriendschap tijd had gekregen om werkelijk doorleefd te worden” (p 209).

Vrouwen staan in het boek centraal in hun afwezigheid. Ze lijken enerzijds concrete wezens, anderzijds abstract als mythische wezens, zoals aan het eind van het vorige artikel over De eerste man is beschreven. Hetzelfde geldt voor de liefde, die zich enerzijds uit in concrete zorg. Anderzijds blijft zij een ideaal , dat niet tot volle uitdrukking komt, een verlangen dat geen volledige vervulling vindt in ons te korte leven, dat door de dood meedogenloos wordt afgebroken.

 

 

De hereniging van Rambert met zijn vrouw

De dag daarna werden er feestelijkheden georganiseerd omdat de stadpoorten weer opengingen. Geliefden kwamen terug. Volle treinen kwamen op het station aan. “Rambert had slechts even de tijd om de gestalte te zien die op hem toesnelde en toen viel zij al aan zijn borst. En haar met beide armen omvat houdende, een hoofd tegen zich aandrukkende, waarvan hij slechts de vertrouwde haren zag, liet hij zijn tranen in de vrije loop, zonder te weten of zij werden opgewekt door de vreugde van dit ogenblik of door een lang onderdrukte smart.” Het belette hem om “vast te stellen, of dit gelaat, weggedoken in de holte van zijn schouder, het gelaat was, waarvan hij zoveel had gedroomd of integendeel dat van een vreemde. Later zou hij weten of zijn vrees waarheid bevatte. Voorlopig wilde hij doen als allen om hem heen, die schenen te geloven dat de pest kan komen en gaan zonder de harten van de mensen te veranderen” (p 212-13).

Camus werd door de oorlogsjaren van zijn vrouw gescheiden en raakte enigszins vervreemd van haar. Vlak voor de bevrijding kreeg hij een liefdesrelatie met de actrice Maria Casarès, die de dragende hoofdrol speelde in zijn toneelstuk Het misverstand (Le malentandu). Hij kende de “mengeling van ongeduld en verwarring..., [waarin] hij wachtte met vrees op het ogenblik, waarin hij deze liefde en tederheid, die in de maanden van de pest tot iets abstracts waren geworden, zou moeten confronteren met een wezen van vlees en bloed, waarop dit gevoel gericht was geweest” (p 212).

 

Het bevrijdingsfeest

“Op alle pleinen werd gedanst... In kerken werden dankdiensten gehouden, maar tezelfdertijd waren  alle amusementsgelegenheden stampvol... Paartjes omhelsden elkaar zonder zich om de omringende te bekommeren. Iedereen schreeuwde of lachte... Morgen zou het gewone leven weer beginnen met al zijn beperkingen. Voorlopig mengden zich mensen van alle rangen en standen broederlijk dooréén. De gelijkheid, die de dood... nooit tot stand had kunnen brengen, werd werkelijkheid in de vreugde der bevrijding, zij het slechts voor enkele uren” (p 213-15).

 “Tussen de opeenstapeling van doden, het bellen van de ambulances, de waarschuwingen van wat men het noodlot noemt, de gestage druk van vrees en de wilde opstandigheid in hun hart had een luide stem de mensen vermaand, dat zij hun vaderland moesten terugvinden... buiten de muren van deze verstikte stad. Het lag in de geurende struiken van de heuvels, in de zee, in de vrije landen en in het volle gewicht der liefde. Daarheen was het, naar het geluk, dat zij wilden terugkeren... Rieux wist niet, welke zin verborgen was in deze ballingschap en deze wens tot hereniging... Hij dacht dat het niet belangrijk was of die dingen een zin hadden gehad of niet, doch dat het slechts belangrijk was vast te stellen hoe de hoop der mensen beantwoord wordt” (p 216).

 

 

Is er iets dat boven de mensen uitstijgt?

“Daarentegen was er voor allen, die zich hadden gericht tot iets wat boven de mens uitstijgt en waarvan zij zelf geen duidelijke voorstelling hadden, geen antwoord gekomen. Tarrou had blijkbaar de moeizame vrede bereikt, waarover hij eens had gesproken, maar slechts in de dood. Maar anderen... hadden gekregen wat zij wilden, omdat zij het enige hadden gevraagd, dat van henzelf afhing. En Rieux dacht dat het rechtvaardig was als tenminste enkele malen de beloning der vreugde wordt geschonken aan hen, die voldoende hebben aan de mens en zijn armzalige en verschrikkelijke liefde” (p 216-17). Camus lijkt hier te doelen op zichzelf en toont zich hier wars van godsgeloof. Hij gelooft in de mensen, ondanks hun zwakten en beperkingen. Hij wilde zich echter geen atheïst noemen, heeft hij gezegd, ook al geloofde hij niet in God. Wellicht omdat hij in iets anders geloofde, dat hij in zijn leven en werken probeert duidelijk te krijgen (zie Olivier Todd, p 356).

Aan het begin van het boek heeft Camus het over vage vermoedens van iets anders dan het banale bestaan, die in Oran als moderne, werelds gerichte stad niet bestaan. Daarom komen dergelijke vermoedens verder niet of nauwelijks naar voren, alleen als een godsgeloof, dat Camus afwijst. ‘Het ware vaderland’ verwijst bij de neoplatoonse filosoof Plotinos naar het alomvattende Ene. Camus heeft Plotinos diepgaand bestudeerd voor zijn doctoraalscriptie. Het Ene lijkt bij Camus overeen te komen met de natuur, die hij tegenover de mensenwereld plaatst, welke tegelijk zwijgend door de natuur wordt omvat en ermee is verbonden, zoals Camus in zijn natuurbeschrijvingen aangeeft. In zijn essays werkt hij de verbondenheid met de natuur en met de mensen verder uit. Hij distantieert zich van een abstracte persoonlijke God. Ten opzichte van de natuur, die ons omvat en boven ons uitstijgt, is die distantie niet mogelijk. Camus gelooft ook in een menselijke essentie, in ideeën en idealen en in ‘de orde der dingen’, zoals bij Griekse filosofen, met wie hij zich meer verwant voelt dan met het christelijk geloof. In volgende artikelen over Camus wordt dit verder besproken.

 

Als het boek is opgegeten door de ratten, kan de pest weer tevoorschijn komen 

Het slot

Op het eind van het boek gaat Rieux weer naar de oude patiënt toe, op wiens dakterras Tarrou zijn levensverhaal had verteld. “Deze nacht was gelijk aan die andere, toen Tarrou en hij op dit terras waren gegaan om de pest te vergeten... De lucht was onbewogen en licht... Alleen was dit de nacht der bevrijding... In de verte duidde een dieprode gloed waar de boulevards en de hel verlichte pleinen lagen. In de nu bevrijde nacht bevrijdden zich ook de verlangens, waarvan een donker gedreun tot Rieux’ oren doordrong... Cottard, Tarrou, de vrouw en anderen die Rieux bemind had en verloren, allen, dood of schuldig, waren vergeten. De oude man had gelijk, de mensen bleven altijd hetzelfde. Maar daarin lag hun kracht en hun onschuld, en daarin voelde Rieux, boven alle smart uit, zich één met hen... Men leert te midden van de grote gesels, dat in de mens toch meer bewonderenswaardigs is dan verachtelijks” (p 222).

“Luisterend naar de vreugdekreten, die uit de stad opstegen, bedacht Rieux, dat deze blijdschap nog steeds bedreigd werd. Want hij wist, wat de menigte onbekend was..., dat de bacil van de pest nooit sterft of geheel verdwijnt, dat zij tientallen jaren kan blijven sluimeren... en dat  wellicht de dag zou komen waarop, tot onheil en lering der mensen, de pest haar ratten weer zou wekken en uitzenden om te sterven in een gelukkige stad.” Zo luiden de waarschuwende laatste woorden van De pest, nadat Rieux op het terras onder de sterrenhemel, verbonden met de natuur, uiting heeft gegeven aan zijn verbondenheid en solidariteit met de mensen. Rieux had op het hooggelegen dakterras van zijn patiënt een ruime, open vogelvisie over de bevrijde stad en ook op afstand voelde hij zich verbonden met de mensen en aan alle kanten omhuld door de sterrenhemel.

 

Bijlage: algemene conclusies en generalisaties omtrent crisisgedrag

Uit het voorgaande kunnen we puntsgewijs de volgende conclusies en generalisaties afleiden voor crises in het algemeen. De corona-crisis lijkt echter de voorgaande te overtreffen in tempo en bereik en leidt mogelijk wel tot een noodzakelijke transformatie, voor een volgende crisis zich aandient.

  • Een crisis doet een beroep op onze (fundamentele) menselijkheid en kan het betere en beste in ons naar boven halen. Maar vaak ook minder goede, egocentrische eigenschappen , zoals bijv. hamstergedrag. In De pest probeert Cottard te verdienen aan de crisis.
  • Een crisis noopt ons om over (ideologische, politieke en levensbeschouwelijke) verschillen heen te stappen bij de bestrijding ervan.
  • Een crisis confronteert ons met onszelf en met onze medemensen.
  • Optimisme en pessimisme wisselen elkaar af of komen tegelijkertijd voor.
  • Het beleid en de maatregelen lopen vaak achter de feiten aan. Eerst onderschat men vaak de crisis. Daarna worden drastische maatregelen genomen. Vaak aan de late kant of te laat.
  • Religiositeit kan bij velen/sommigen toenemen, volgens het motto: ‘nood leert bidden’. Of het helpt, is de vraag. ‘Het kan geen kwaad,’ was de algemene mening in De pest. Mogelijk is er een geruststellende invloed en geeft het enig houvast, hetzij fictief of niet. Religie en religiositeit zijn ook vaak verbonden met waarden van empathie en naastenliefde.
  • Vrijwillige hulp, empathie en inzet voor de medemensen neemt vaak toe, los van religie. Mensen zijn meer op elkaar aangewezen en hebben elkaar nodig.
  • De bevolking heeft de neiging zich achter de regering te scharen, die meer bevoegdheden krijgt of neemt. Als maatregelen niet vrijwillig worden gevolgd, gaat het met dwang en sancties met een beroep op het algemeen belang. Zo nodig wordt de noodtoestand afgekondigd, zoals bij De pest.
  • Lokale gemeenschapsvormen zoals de gemeente en kleinere informele sociale verbanden zoals de familie, de buurt en de vriendenkring zijn ook meer aangewezen op hun leden om de noodzakelijke zaken te behartigen.
  • Mensen zijn echter ook vaak meer geneigd eerst hun eigen belangen na te streven en daarna het sociale belang. Hoewel beide soorten belangen voor een deel overlappen, kan eigen belang ook haaks staan op het sociale belang en is er een spanning tussen beide. Een crisis vraagt vaak offers, waartoe niet iedereen in dezelfde mate bereid is.
  • Mensen reageren vaak tegenstrijdig. Ze worden emotioneel, maar lijken ook ongevoeliger te worden na enige tijd. Er volgt bij velen een fase van berusting of zelfs apathie na meer emotionele beginfasen van beroering en opwinding. Men lijkt geleidelijk meer gewend te raken aan de ellende en schikt zich zo goed en zo kwaad als het gaat in het onvermijdelijke, maar men kan ook in opstand komen en de misstanden bestrijden, zoals bij Camus.
  • Sommigen gaan in verzet of zien het als en uitdaging om er al het mogelijke aan te doen om de ellende te beperken en zetten zich in voor hun medemensen. Ze vinden elkaar in de strijd tegen misstanden en de inzet voor anderen, zoals in De pest. Mede door dergelijke mensen wordt de cisis overwonnen of getransformeerd. Maar er zijn ook mensen die er geld aan willen verdienen.
  • Vaak is er een combinatie nodig van gezond verstand, deskundigheid en een zekere nuchterheid met een gevoel van bezieling, morele verantwoordelijkheid, bevlogenheid en inzet, zoals we zien in De pest. Een houding van: ‘het is zoals het is en we proberen er het beste van te maken’.
  • Het ziet er (met name in De pest) niet naar uit dat de meeste mensen beter worden van beproevingen, maar ze lijden er wel onder. De ‘zegeningen’ of uitdagingen van het leed (waar Pater Paneloux naar verwijst) wegen niet op tegen de ellende die ze geven.
  • De meeste mensen zijn niet erg genegen om te veranderen en pakken vaak weer zoveel mogelijk hun leven van voor de crisis op, als ze daartoe in staat zijn, niet ziek worden en in leven blijven.
  • Relaties en vriendschappen lijken vaak te verdiepen maar worden vaak ook ongewild tijdelijk of definitief verbroken, zoals we zien in De pest.
  • Hoewel de crisis niet iedereen in gelijke mate treft, worden verschillen vaak enigszins genivelleerd omdat haast iedereen eronder lijdt. Dat geldt nog meer bij de euforie van de bevrijding, maar daarna hernemen zich de oude patronen.
  • Het is beter een crisis te voorkomen dan de ellende die een crisis met zich meebrengt op de hals te halen, dat is een open deur en wijsheid achteraf.  Toch wordt de drempel van de open deur vaak niet overschreden en wacht men net zo lang tot de (volgende) crisis zich aandient. Mensen lijken vaak hardleers, hoewel ze volgens Camus meer bewonderendswaardige dan verachtelijke kwaliteiten in zich hebben.
  • Een preventieve transformatie laat vaak op zich wachten. Ook als de crisis wordt afgewend is er een tendens om veel bij het oude te laten en geen noodzakelijke, preventieve veranderingen door te voeren. Het bewustzijn wordt niet wezenlijk anders en men vervalt in kortzichtigheid en korte termijn belangen. De mensen blijven (ongeveer) hetzelfde en de beëindiging van de crisis wordt bedreigd door een volgende crisis, volgens de waarschuwing aan het einde van De pest.

 

Meer over Albert Camus, de pest en de coronacrisis:

https://www.nytimes.com/2020/03/19/opinion/sunday/coronavirus-camus-plague.html

https://www.swr.de/swr2/literatur/warum-die-pest-von-albert-camus-in-zeiten-der-corona-pandemie-neu-entdeckt-wird-100.html

https://www.dailyo.in/arts/albert-camus-the-plague-novel-george-orwell-nineteen-eighty-four/story/1/19227.html

Max Pam, ‘De pest en andere ongemakken’, Volkskrant 25 maart 2020

Louise Fresco, ‘Onze overwinningen zijn altijd tijdelijk’, NRC 23 maart 2020