Ethische filosofie in de 20e eeuw
Deel 3A: Inleiding en de existentiefilosofie van Kierkegaard

Civis Mundi Digitaal #118

door Piet Ransijn

Zoals de filosofie van de 20e eeuw is ook de existentiefilosofie een kleurrijk geheel

https://godenenmensen.com/2014/08/03/god-kan-niet-al-te-nadrukkelijk-blijk-geven-van-zijn-existentie/ 

Relevantie

In de diversiteit van filosofieën die de 20e eeuw kenmerkte, kwam de existentiefilosofie naar voren als een van de meeste prominente filosofieën, met name rond de tweede wereldoorlog tot eind jaren ’60. Het wordt een filosofie van vrijheid, authenticiteit en persoonlijke verantwoordelijkheid genoemd, naar haar centrale waarden. Een existentialistische ethiek behoeft echter verdere uitwerking en kenmerkt zich door het ontbreken van systematiek. Het lijkt op een moderne deugd- en plichtethiek, met vrijheid als uiteindelijke waarde en authentieke individualiteit als primaire deugd, het tegendeel van volgzaamheid.

De existentiefilosofie is vooral gericht op ons concrete persoonlijke en subjectieve bestaan in de wereld en de massamaatschappij. Zij biedt pleidooi voor individualiteit en authenticiteit en voor persoonlijke keuzen in vrijheid en verantwoordelijkheid in een wereld die onder toenemende druk staat van totalitaire tendensen en grootschalige systemen en organisaties. Rond de tweede wereldoorlog bestonden deze tendensen uit het communisme en het fascisme. Tegenwoordig dringt zich een nationalistisch populisme op in naam van vrijheid, naast de vrijheid van markt, die door het neoliberalisme wordt gepropageerd. Sinds de coronacrisis versterkt zich het overheidsingrijpen en staan burgerlijke vrijheden onder druk. Een combinatie van beslissende invloed van medische experts, farmaceutische technologie en totalitair aandoende politiek bedreigt onze vrije keuze, die kenmerkend is voor de menselijke existentie.

De existentiefilosofie benadrukt naast vrijheid en solidariteit ook de onzekerheid, openheid en ambiguïteit van het concrete menselijk bestaan, waarin we voortdurend voor keuzen staan. Niet alleen de eigen vrijheid, maar ook die van anderen, met name van onderdrukte anderen. Ons leven beweegt zich tussen feitelijkheid en transcendentie: het reiken voorbij de gegeven situatie, die keuzemogelijkheden biedt tussen authentieke zelfrealisatie en zelfmisleiding, slavernij en conformisme. Daardoor blijft zij relevant volgens Thomas R Flynn (Existentialism: A Very Short Introduction, preface, p 65,66,73,74,106,107. Hij verwijst o.m. naar Jean-Paul Sartre, Existentialisme is humanisme; Notebooks for an Ethics; Simonede Beauvoir, Ethics of Ambiguity; Karl Jaspers, The Future of Mankind; Martin Heidegger, Letter on Humanism en de essays van Camus).

De existentiefilosofie “verdedigt individuele vrijheid, verantwoordelijkheid en authenticiteit te midden van diverse vormen van determinisme, conformisme, zelfmisleiding, technologisme en dergelijke, die zo prominent zijn in onze tijd... Zij pleit voor... de rijkdom van interpretatie als fundamenteel aspect van het menselijk bestaan als een complement voor oorzakelijke verklaringen van de wetenschap tegenover de dominantie van abstracte structurele analyse en vóór de verantwoordelijkheid die resoneert met onze concrete morele ervaring, met respect voor de rol van structuren in onze sociale relaties.” Het zijn trends en persoonlijke behoeften die in deze tijd sterk naar voren komen. Daarom is een nadere beschouwing van de existentiefilosofievan belang. De ‘filosofie van de vrijheid’ van Karl Jaspers, die in vorig nummer 117 is besproken, bood al een voorproefje.

Met individuele vrijheid wordt “bevordering van de concrete beslissingsmogelijkheden bedoeld, die creatieve vrijheid... dient niet te worden opgeofferd aan een of andere ‘hogere’ waarde” (p47). Zo zien we nu hoe vrijheid wordt opgeofferd aan de bestrijding van de pandemie en een beroep wordt gedaan op solidariteit en verantwoordelijkheid, maar ook volgzaamheid en conformisme. Dat is iets anders dan verbondenheid in vrijheid, zoals o.m. door Jaspers wordt beschreven. 

Inleiding: persoonlijke kennismaking met een toen heersende modieuze trend

Toen ik een jaar of 14 was hoorde ik voor het eerst van deze filosofie bij het vak godsdienst, dat evenzeer over atheïsme ging. De filosofie intrigeerde mij, maar ik was het er meteen al niet mee eens dat het leven absurd was, hoewel het wel een eenzame kant heeft en moeilijke grenssituaties kent. Ik voelde mij vaak verbonden met de natuur die ik in diepste wezen als goddelijk ervoer. Daarom spraken natuurmensen als Nietzsche en Camus mij meer aan dan stadsmensen als Sartre. In 1965 verscheen Existentialisme van William Barrett, een interessant boek, evenals de werken van Camus, De mens in opstand en De pest, die me meer raakten dan het absurdisme van De vreemdeling en de Mythe van Sysiphus. Zijn filosofische lyrische essays heb ik pas later ontdekt. De herontdekking van Camus inspireerde mij tot een artikelenserie over hem in CM 90 en 93 e.v. Hij raakte het hart.

Het existentialisme van Sartre kreeg grote bekendheid en daarmee de existentiefilosofie in ruimere zin. Daarom ook hier aandacht voor zijn filosofie. “De ingrijpendste cultuurfactor van ’50 blijft de filosofie van het existentialisme,” schreef Marinus Schroevers (De twintigse eeuw: Een cultuurgeschiedenis van het Westen Deel 3, p117). De invloed van het existentialisme begon al veel eerder. Het werd het de schaduwcultuur van de jaren ’50, die doorwerkte in kunst en literatuur en “in allerlei takken van wetenschap drong de existentialistische vraagstelling zich op” (p78).

Zowel nihilisme als materialisme en socialisme of marxisme kwamen in het existentialisme tot uiting.

Existentialisme is de naam die Sartre gaf aan zijn filosofie. Deze term werd door Camus afgewezen. Zijn visie week in diverse opzichten af van die van Sartre (zie CM 93,97,98). Camus noemde zijn visie aanvankelijk absurdisme, maar heeft zich later gedistantiëerd van ‘ismen’.

Karl Jaspers noemde zijn filosofie existentiefilosofie, een meer veelzijdige filosofie dan het existentialisme van Sartre. De publicaties van Jaspers hebben een grote, transculturele reikwijdte. Bij Heidegger was de “existentiële analyse” slechts een onderdeel van zijn veelomvattende filosofie.

Als vertegenwoordigers van de existentiefilosofie beschouwt men verder Kierkegaard, Gabriël Marcel, Simone de Beauvoir en Maurice Merleau-Ponty. In ruimere zin ook Nietzsche, de Russen Tolstoi, Dostojewski, Leo Sjestov, Nicolai Berdjadev en de Spanjaarden Miguel de Unamuno en José Ortega y Gasset. Vele anderen hebben er verwantschap mee, onder hen schrijvers als Rilke en Kafka. Het was een brede stroming, die vooral ook in de literatuur tot uiting kwam. Dit artikel beperkt zich tot Kiekegaard, Jaspers, Heidegger, Sartre en Camus, die al uitvoerig aan de orde kwam in een eerdere artikelenserie. 

Kierkegaard en zijn voormalige verloofde Regina Olsen, die een onuitwisbare indruk op zijn leven en werk had 

Sören Kierkegaard (1813-1855): op onderzoek naar de juiste existentiële keuzen

Kierkegaard was de jongste van zeven kinderen. Zijn dominante vader was 69 jaar ouder en mogelijk nog meer melancholisch dan zijn jongste zoon. Zijn oudere broer werd Luthers bisschop. Zijn moeder was een eenvoudige vrouw. Christelijke vroomheid werd hem van kindbeen af ingeprent. Tijdens zijn theologiestudie had hij een docent, die een adept was van de vrijzinnige Duitse theoloog Schleiermacher. Deze maakte hem duidelijk dat “de geest zich moet losmaken van de letter, zoals de eewige inhoud zich bevrijdt van haar historisch gewaad” (Mathilde Grimault, Kierkegaard: Leven en werk, p24.).

Na zijn verbroken verloving wordt hij zich bewust van zijn levensmissie: “hij zal de ‘enkeling’ zijn in dienst van het christendom” (p51). Wat hem was ingeprent verbond zich met zijn diep-religieuze inborst, die dieper ging dan de liefde voor zijn verloofde en esthetische verleidingen, welke hij tentoonspreidde in zijn literaire en filosofsiche werken. Hij werd een eenling vanwege zijn gekromde kleine gestalte gekoppeld met een sardonische intelligentie, die met iedereen de spot dreef. Hij werd zelf ook vaak gepest.

Kierkegaard is te beschouwen als een existentieel psychologisch filosoof, te vergelijken met de romanschrijvers Tolstoi en Dostojevski. Hij doorvorst allerlei psychische toestanden en innerlijke dilemma’s, zoals blijkt uit boeken als Ofwel... ofwel, Het begrip angst, Vrees en beven, Stadia op de levensweg, Daden van liefde, Denken en zijn, De ziekte tot de dood, Over de Vertwijfeling. Hij schreef onder diverse pseudoniemen, waarachter verschillende kanten van zijn gecompliceerde persoonlijkheid schuil gingen. Kierkegaard wordt beschouwd als de eerste existentie-filosoof. Ooit ben ik begonnen in Over de vertwijfeling. Het schoot niet op en sprak mij niet aan. Hij deed wel erg moeilijk. De genoemde romanschrijvers waren beter te volgen, evenals zijn collega’s Camus en Jaspers. Heidegger en Sartre vond ik (nog) moeilijker te volgen.

Kierkegaard gaat uit van ons feitelijke bestaan en hoe dat voelt met al zijn ongerijmdheden en tegenstrijdigheden. “Kierkegaard wantrouwt het abstracte en algemene, dat bij zijn tijdgenoot Hegel prominent aanwezig is, en richt zich op de concrete existentie met de “praktische problemen die een mens telkens op zijn levenspad ontmoet... ‘Moet ik, deze bepaalde mens, in deze bepaalde positie, dit of dat doen?’” (H J Störig, Geschiedenis van de filosofie , p315-16). Het concrete, direct beleefde individuele bestaan staat centraal, dat verbonden is met anderen.

 

 

Kierkegaard was zelf verwikkeld in de kwestie of hij wel of niet zou trouwen met zijn verloofde Regina Olsen. Het is er niet van gekomen. Hij heeft zijn verloving verbroken, hetgeen hij zijn leven lang betreurde. “Het werd een menselijk drama, waarvan de zin uiteindelijk van religieuze en filosofische aard is” (Barrett, p 160-61). Het stelde hem in staat een baanbrekend filosoof en theoloog te zijn. Het leek hem dat hij zijn verloofde niet gelukkig kon maken als echtgenoot en dat hij niet geschikt was voor huwelijk en gezin, mede vanwege zijn zwaarmoedige neigingen en zijn literaire, wijsgerige en religieuze aspiraties, die zij niet begreep. Ze verschilden tezeer in aanleg, karakter en levenshouding.

“Mijn melancholie maakt het mij onmogelijk om een vertrouweling te hebben, en toch... zou het huwelijk van mij eisen dat zij mijn vertrouweling zou moeten worden. Maar zij zou dat nooit zijn geweest... want wij begrijpen elkaar niet... De vrede en de rust in godsdienstige zin is mij meer waard dan welk jong meisje ook en daarom zou zij mij in niets kunnen helpen” (Grimault, p140,143, uit Stadia op de levensweg: Schuldig of onschuldig?).

Regina bleef echter een grote rol spelen in zijn belevingswereld en geschriften. In het jaar waarin hij stierf ontmoette hij haar ‘toevallig’ op straat, voordat zij met haar man naar het buitenland vertrok, alsof zij definitief afscheid van hem wilde nemen.

Een andere keuze waarvoor hij stond was de invulling van zijn christen-zijn: wel of niet predikant worden? Hij vond echter zijn taak in “het opwerpen van moeilijkheden voor het gemakzuchtige bewustzijn van een tijd die zelfvoldaan leefde in de overtuiging van zijn stoffelijke vooruitgang en intellectuele verlichting” (p162). Het christen-zijn was voornamelijk verworden tot uiterlijk vertoon en rituele plichtplegingen: “naar de kerk gaan, de voorgeschreven ethische regels volgen, de schrift reciteren enzovoorts – heeft niets te maken met religieus leven als er geen persoonlijke en directe confrontatie met het goddelijke bij hoort”. Onder dit laatste verstond hij o.m. de ontmoeting met de “‘eeuwigheid’ in zijn innerlijk” en vooral met de existentie en het voorbeeld van Christus, de mensgeworden God, “het eeuwige in de tijd” (Philip Stokes, Filosofie: 100 essentiële denkers, p145; Grote Spectrum encyclopedie, Kierkegaard). Evenals Nietzsche was een deel van zijn werk een aanval op het gevestigde christendom en de kerk en in ruimere zin op de cultuur van zijn tijd, waarin de individuele persoon in de verdrukking kwam. 

Het esthetische, ethische en religieuze niveau

Het esthetische leven is gewijd aan eigen interesse en plezier. “De estheticus is de mens die, onverschillig voor goed of kwaad, in het genot zijn levensdoel vindt... zo is hij altijd op zoek naar ‘interessante situaties’” (Grimault, p65). “De estheticus verwacht geluk van buitenaf. Hij leeft niet van binnenuit, neemt geen fundamentele beslissingen. Zijn geluk kan zinnelijk zijn (erotisch) of ook geestelijk, maar steeds zonder verantwoordelijkheid. Aan de grens doemen verveling en vertwijfeling op. En angst, hij kan het geluk of genot verliezen”.

Het ethische... moet gekozen worden. De keuze is niet tussen goed en kwaad, maar voor een kiezend leven voor zichzelf. De ethische mens leeft van binnenuit, verantwoordelijk tegenover zichzelf en anderen” (Grote Spectrum Encyclopedie). In het ethische leven maakt een persoon een authentieke keuze die een bepaalde richting geeft aan zijn leven. Het nastreven van ethische waarden en normen overstijgt nu de eigen onmiddellijke behoeften en verlangens. Algemene principes, waarden en normen kunnen daarbij een rol spelen. Hij leeft en maakt echter een keuze vanuit zijn subjectieve waarheid, niet vanuit een objectieve waarheid of ethische wet of recept. “Het zou niet zo gek zijn te beweren dat zij [de ethiek] moet worden ontdekt door de enkeling in de verdieping van zijn eigen innerlijk leven en zijn verhouding tot God” (Grimault, p172, uit Onwetenschappelijk naschrift deel 2 hfst 1 ‘Subjectief worden’). Zo gaat het ethische stadium over in het religieuze.

De religieuze mens leeft in directe relatie met het eeuwige, transcendente vanuit zijn diepste existentie, “het eeuwige in onszelf” en de overgave aan de existentie van Christus als een levend voorbeeld, waarbij de rede de existentie dient. “Zijn heil zal pas dagen als hij de Ene wil kennen, bij wie vergeleken alles wat deze eindige wereld biedt, slechts schijn is.” Bij Kierkegaard is dat “de bedoeling van de Voorzienigheid... de overgave aan God... ‘God over alles laten beschikken’ en ‘gevormd worden voor de eeuwigheid’... Het is God die het willen en het werken geeft, die de wasdom en voltooiing schenkt, waartoe uw eigen krachtsinspanning niet in staat is” (Grimault, p99-100,134,178-79 uit Het evangelie van het lijden).

Deze onnavolgbare en irrationele sprong in het geloof, is door Albert Camus van de nodige kritiek voorzien. In De mythe van Sisyphus heeft hij het over een ‘filosofische zelfmoord’, de rede wordt als het ware de nek omgedraaid. Als geloof niet door rede en ethiek binnen redelijke banen wordt geleid, kan het aanleiding geven tot fanatisme, onethisch gedrag en blinde volgzaamheid.

Albert Schweitzer was een voorbeeld van een religieuze mens, die het voorbeeld van Jezus volgde. Tolstoi en enkele romanfiguren van Dostojewski, zoals Aljosha Karamazov, hebben dit ideaal nagestreefd. Wittgenstein volgde het voorbeeld van Tolstoi. Nietzsche was ook een religueuze persoonlijkheid volgens Karl Jaspers (Nietzsche und das Christentum) en Herman Wolf (Nietzsche als religieuze persoonlijkheid). Dat gold ook voor Teilhard de Chardin (zie CM 98-101). 

Denken en existentie

Het bestaan, de existentie gaat vooraf aan het denken, dat daarvan de uitdrukking is. “Het bestaan kan niet van de rede worden afgeleid.” Eerder het omgekeerde (Barrett, p 156,166).

Het is niet mogelijk het bestaan intellectueel te begrijpen. Het dient geleefd te worden. Kierkegaards filosofie was een aanval op het abstracte denken van Hegel en ieder systeem dat het bestaan probeert te bevatten. Ook het christendom was voor hem een systeem.

“Wanneer het bestaan niet in een begrip uitgedrukt kan worden, dan komt dit... omdat het te ondoordringbaar, te concreet en te rijk is. Ik ben; en dit feit dat ik besta is zo’n onweerstaanbare en omvattende werkelijkheid dat het niet schriel in een van mijn verstandelijke begrippen weergegeven kan worden, ofschoon het duidelijk het allerbelangrijkste feit is, bij het ontbreken waarvan al mijn begrippen leeg zouden zijn... Ik vind het bestaan niet in de spiegel van mijn geest weerkaatst, ik ontmoet het in het leven; het is mijn leven, een onzichtbare stroom, die om al mijn verstandelijke spiegels heenstroomt.” Zo had hij de ontmoeting met zijn eigen existentie zelf ervaren.

“Hij ervaart zijn bestaan als iets achter de spiegels van het denken. Hij ontmoet het ik dat hij is, niet in de abstractie van het denken, maar in de concrete betrokkenheid en de hartstochtelijkheid van de keuze” (Barrett, p167-68). Kierkegaard koos voor een alleenstaand vrijgezellenleven en zijn roeping als filosoof. Hij volgde de weg en “de wet van zijn eigen wezen” en nam zijn christen-zijn serieus tegen de verdrukking en vervlakking in. Zijn ex-verloofde was de enige erfgenaam van zijn baanbrekende nalatenschap, waarvan de portée en diepgang pas een eeuw later breder doordrong, toen de existentiefilosofie bekendheid kreeg. Op zijn grafsteen wilde hij alleen de woorden Het Individu.