Wetenschap als nieuwe religie

Civis Mundi Digitaal #126

door Herman Hümmels

Bespreking van Ronald Meester, Wetenschap als nieuwe religie: Hoe corona de spirituele schaarste in de samenleving blootlegde. Ten Have, 2022.

 

Ronald Meester is hoogleraar waarschijnlijkheidsrekening aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Volgens Meester kampen we met een zingevingsvacuüm, waarbij alleen de wetenschap nog in staat wordt geacht te vertellen hoe we moeten leven. Wetenschap is onze religie geworden.

Overheid
Meester kapittelt het optreden van de overheid. Hij is “vooral geïnteresseerd […] in de vraag wat onze reactie op de pandemie ons heeft verteld over onze samenleving. […] Waar vertrouwen we op, en tot wie of wat wenden we ons in tijden van grote verwarring en onzekerheid?” (p8) Zijn kritiek concentreert zich rond het klakkeloos overnemen van de adviezen van het RIVM en het OMT. Bij veel adviezen waren vraagtekens te zetten.

Wetenschap
De scheiding tussen wetenschap en religie is onhoudbaar, “omdat denken over wetenschap in zichzelf al een levensbeschouwelijke activiteit is.” (p32) “Levensbeschouwing gaat aan wetenschap vooraf, en het is juist om die reden dat we zeer, zeer voorzichtig moeten zijn wanneer wetenschappers ons vertellen wat we moeten doen en waarom” (p33). Meester verzet zich tegen het klakkeloos volgen van wetenschappers. ‘De wetenschap’ bestaat niet, bovendien zijn wetenschappers het onderling vaak oneens.

Religie
“Religie is het omgaan met een wereld die we niet kunnen begrijpen, aan de hand van verhalen, mythes en metaforen. Religies helpen om betekenis te geven aan de wereld, in taal en beeld” (p44). Religie heeft meer te maken met vertrouwen dan met geloof (p63). Meester ziet geen reden om het verlichtingsdenken anders te zien dan het geloof in een god. “Het vertrouwen in wetenschap heeft tegenwoordig messiaanse trekjes” (p60). Beide paradigma’s, die van het verlichtingsdenken (maakbare wereld) en het Godsgeloof, hebben hun beperkingen.
Een belangrijk deel van het boek gaat over getallen, cijfers en de interpretatie ervan. De bekentenis die we eraan geven wordt vaak overschat, wat zeker het geval was in verband met de bestrijding van de pandemie. Meester laat zien hoe dit tot onjuiste en discutabele beleidsconclusies kan leiden. Hij betrekt dit op de maatregelen die in verband met de pandemie getroffen zijn en laat zien hoe wetenschap regelmatig als schaamlap gebruikt is. Met name de gebruikte modellen moeten het ontgelden.

Essentieel
Tijdens de lockdown hadden de kerken een uitzonderingspositie: de overheid kan wettelijk niet ingrijpen bij religieuze bijeenkomsten. Ook werden ‘essentiële beroepen’ van hun ‘vrijheidsberoving’ uitgesloten. Maar wat is ‘essentieel’? “Onderwijs lijkt mij essentieel, maar desondanks werden de scholen langdurig gesloten” (p147). De kerken zouden volgens Meester een nadrukkelijker rol moeten spelen in het maatschappelijke debat, zowel als het gaat om de vraag wat essentieel is als om de uitwerking ervan. De kerken mochten open blijven, maar velen deden dat niet. “Ik was daar niet blij mee […]. Omdat ik ze essentieel vond en vindt.” (p150)

Rechterlijke macht
De rechtelijke macht volgt volgens Meester te vaak de argumentatie van het overheidsbeleid. Een voorbeeld van een rechtelijke uitspraak in verband met de corona-maatregelen: “De regering mocht uitgaan van het advies van het Outbreak Management Team. Ook is het gerechtshof van mening dat het instellen van de avondklok proportioneel is en dat andere middelen redelijkerwijs niet voorhanden zijn” (p190).

Conclusie
Meester spreekt zichzelf regelmatig tegen. Hij zegt dat wetenschappers zich niet met morele vraagstukken moeten bemoeien: “daar gaat de wetenschap niet over” (p9).Als ‘waarschijnlijkheidsrekenaar’ doet hij allerlei uitspraken, en verbindt hij statistische zaken met metafysische en religieuze opvattingen met elkaar, zonder ze duidelijk als onderbouwing te gebruiken. Dat “het interessant is om te reflecteren op de relatie tussen wetenschap enerzijds en onze waarden anderzijds” (p10), is een andere kwestie. Daar gaat het boek echter hoofdzakelijk wel over. Zijn betoog is niet overtuigend in het aantonen dat wetenschap tegenwoordig de functie van religies heeft overgenomen of er gelijkenis mee heeft. Hij laat hier een kans liggen. Zijn betoog is meer pleidooi voor de waarde van spirituele zaken, voor het behoud van het christelijke geloof en het behoud van de kerken. Het aantonen van “spirituele schaarste” kan alleen op grond van onwetenschappelijke aannames.

Zijn analyses tonen overigens wel aan dat het geboden is om uitspraken van wetenschappers en instellingen als het OMT en RIVM kritisch te bekijken. Op uitspraken over de pandemie dingt Meester aantoonbaar het nodige af.