Welvaart zonder groei

Civis Mundi Digitaal #134

door Erik Jansen

Bespreking van Tim Jackson, Welvaart zonder groei. Economie voor een eindige planeet. Van Arkel, 2010. Eerder verschenen als rapport Prosperity Without Growth, Sustainable Development Commission, UK, 2009, pdf.

 

Tim Jackson was één van de eersten die het thema “beyond growth” oftewel “welvaart zonder groei” heeft aangesneden. Nog voor het klimaatverdrag van Parijs uit 2015, gaf hij al een indicatie van de enorme opgave waar de westerse landen zich voor gesteld zien om de klimaatopwarming tegen te gaan, en daarbij tevens de ontwikkelingslanden een kans te geven zich te ontwikkelen tot ons welvaartsniveau. Sinds 1990 is het wereld BNP (Bruto Nationaal Product) in dollars ongeveer vier keer zo groot geworden (afhankelijk van hoe je diverse factoren zoals inflatie en koopkracht meerekent), terwijl ook de CO2-uitstoot is verviervoudigd (van 2.5 GtC naar 10 GtC). Dit ondanks de ontwikkeling van duurzame energie, energiebesparing en efficiëntere productieprocessen.

Door het ‘rebound-effect’ (besparing lokt ander energie-intensief gedrag uit) gaat de meeste efficiencywinst weer verloren. Mocht er dus al sprake zijn van een bescheiden relatieve ontkoppeling van welvaartsgroei en koolstofintensiteit, dan is er nog lang geen sprake van een echte daling van de CO2-uitstoot, een absolute ontkoppeling. Om de netto CO2-uitstoot in 2050 terug te brengen tot nul, is een afname van de koolstofintensiteit nodig, van zeg 500 gC per dollar naar 50 gC per dollar. Dat vraagt enorme ‘ecologische’ investeringen in een transitie naar duurzame energie, nieuwe productie en distributiemethoden, en een ander consumptiepatroon en leefstijl.

 

Berekening op basis van doelstellingen uit het IPCC-rapport 2007.

 

Economische groei
De eerste vraag die gesteld moet worden is waarom we vooral mikken op materiële welvaart en weinig aandacht hebben voor andere vormen van welzijn zoals minder werken, meer sociale verbondenheid, betere huisvesting, goed onderwijs, etc. Volgens Tim Jackson komt dat door het voortdurende aanbod van nieuwe apparaten en diensten die het ontevredenheidsniveau hooghoudt. Zolang niemand een smartphone had was er nog geen behoefte aan. Als een groot deel van de bevolking er wel over beschikt, dan ben je wel een stumper als je er geen hebt. Dus om gelukkig te zijn moet je wel meegaan met de nieuwste gadgets. Evenzo met Netflix en andere streaming diensten. Nu de publieke omroep alleen nog kwissen en praatprogramma’s aanbiedt, moet je je wel abonneren op een streaming dienst om nog een goede serie of film te zien. De ronkende verhalen van safari’s en vakanties op bounty eilanden doet iedereen verlangen naar vliegvakanties. Je bent wel een stumper als je hier in de regen in je tentje zit.

Het “vullen van het lege zelf” is de volmaakte spiegeling van alle vernieuwingen die het bedrijfsleven met graagte aanbiedt, en de mens is daar niet tegen opgewassen. Mocht de consument geen geld beschikbaar hebben dan kan hij dat lenen. Dat brengt meer geld in de roulatie en het resultaat is economische groei. 

De andere drijfveer is, zoals Raworth [1] en Hickel [2] ook benadrukken, de kapitaalsaccumulatie, het rusteloze zoeken naar nieuw rendement. Iedere investering in technologische innovatie of productievernieuwing brengt nieuw kapitaal in de economische kringloop, kapitaal dat wordt verschaft door banken die door het verstrekken van kredieten nieuw geld creëren. Nieuw rendement houdt de groei in stand.

Zoals uit de inleiding al bleek, zijn tegen die economische groei de investeringen in energiebesparing en duurzame energie tot nu toe nog niet opgewassen. Het exporteren van een deel van onze industriële productie naar het Verre Oosten heeft wel geleid tot minder energieverbruik in de westerse landen, maar daar staat weer de groei van energie en materiaalverbruik in China en Taiwan tegenover, dus voor de wereld als geheel is er geen sprake van een ontkoppeling. Ook de verschuiving van energie-intensieve industrie naar ‘virtuele’ diensten helpt niet, want – net als bij het goedkoper maken van arbeid in ons land ten bate van reparatie en recycling – zal de opbrengst van de ‘dienst’ uiteindelijk worden uitgekeerd als loon of dividend dat gebruikt wordt voor meer materiële consumptie.

 

Green new deal
Het rapport is geschreven midden in de grote bankcrisis van 2008. Centrale banken probeerden door bail-outs (steunpakketten) en het verlagen van de rente de banken overeind te houden en de economie weer gaande te houden. Regeringen riepen burgers op om auto’s te kopen en het geld te laten rollen.

Als alternatief voor meer consumptieve uitgaven kwam vanuit de milieubeweging de oproep tot een “Green New Deal”, een groot pakket aan overheidsuitgaven om de energietransitie kracht bij te zetten. Inmiddels zijn er in de VS en Europa grote investeringspakketten met dat doel in het leven geroepen.

Idealiter zouden deze omvangrijke overheidsinvesteringen gepaard gaan met een afname van de investeringen in commerciële doeleinden, zodat de focus verschuift van investeringen in arbeidsbesparende maatregelen van bedrijven naar investeringen in de klimaattransitie en herstel van de ecologische systemen. Investeringen in duurzame energie zullen echter niet altijd zo renderen als commerciële investeringen, want al is de zonne- en windenergie gratis, het gebruik van duurzame energie vraag een forse initiële investering in een kostbare en materiaal-intensieve infrastructuur.

Wat betekent deze verschuiving voor de werkgelegenheid en het inkomen van de bevolking? Enerzijds creëren deze publieke investeringspakketten nieuwe werkgelegenheid in de installatietechniek en in de bouw. Anderzijds neemt de stijging van de arbeidsproductiviteit af en zullen de loonstijgingen en de belastinginkomsten van de overheden achterblijven. Dit vraagt een verhoging van de belastingdruk en een sterkere inkomensnivellering via de belastingen.

Kunnen we zoveel investeren in onderwerpen die pas op de lange termijn rendabel zijn? De Canadese econoom Peter Victor heeft aan de hand van een economisch model laten zien dat een al te drastische krimp van het BNP leidt tot een explosie van de staatsschuld (die onhoudbaar wordt als het nationaal inkomen daalt), en tot een sterke groei van werkloosheid en armoede. Een zachte landing (het resilience scenario) is alleen mogelijk als het BNP op de korte termijn nog gering groeit en dan langzaam overgaat naar een nulgroei.

 

Transitie naar een duurzame economie
Op basis van deze analyse komt Jackson tot een twaalftal punten:

-        Stel emissieplafonds in (cap & trade, zoals het ETS-systeem van emissierechten)

-        Internaliseer externe kosten (lastenverschuiving van arbeid naar energie en grondstoffen)

-        Steun ecologische transitie in ontwikkelingslanden (kennistransfer)

-        Beperk investeringen in consumptieve groei

-        Versterk ecologische investeringen in de energietransitie (duurzame energie, besparing gebouwde omgeving, openbaar vervoer, elektriciteitsnetwerk)

-        Bouw private schulden af

-        Hanteer een breder welvaartsbegrip

-        Pas arbeidstijdverkorting toe om iedereen aan het werk te houden

-        Pak systeem gebonden ongelijkheid aan

-        Versterk sociaal kapitaal in de vorm van lokale initiatieven, deeleconomie

-        Ontmantel de cultuur van het consumentisme (reguleer media en reclame, fair trade, meer reparatie en recycling).

Globaal komen de beleidspunten neer op een beperking van de particuliere consumptie en een verschuiving naar overheidsinvesteringen of door de overheid te bevorderen investeringen in duurzame energie en infrastructuur. Toch wil Tim Jackson ook verder kijken. Is ons welvaartsbegrip nog wel adequaat?

 

Ander welvaartsbegrip
Als we de groeiende materiële welvaart nader bekijken dan valt op dat het lijkt alsof de toenemende welvaart eerder een verscheurend dan een helend effect heeft op de samenleving in de vorm van meer echtscheidingen, meer verslavingen, psychische problemen, verlies aan gemeenschap, en verlies aan zingeving. Waar men vroeger in armoede zijn geluk vond in de familie en het samenwonen, daar leidt welvaart tot meer individualisering, obesitas, en eenzaamheid. Daarnaast is het steeds stijgende BNP een maat die de feitelijke productie en het inkomen in geld weergeeft, maar niet verder kijkt dan de geldelijke verdienste en geen rekening houdt met het verlies van natuur en gezondheid. Al met al is het dus de vraag of we wel gelukkiger worden. Onderzoek toont aan dat als er eenmaal voldoende basis is om te wonen en te leven, het “geluksniveau” daarna niet wezenlijk meer toeneemt (Easterlin paradox).

Jackson verwijst ook naar het boek van historicus Avner Offer, The Challenge of Affluence, die laat zien dat toenemende welvaart de maatschappelijke ‘betrokkenheidsmechanismes’ ondergraaft. Sociale normen als zuinig leven en sparen, echtelijke trouw, burenhulp, zijn ontstaan in periodes van armoede en grote onzekerheid. Die onzekere periodes bevorderden de bereidheid te investeren in sociale verbanden, want de mens is zelf hopeloos kortzichtig als het gaat om de afweging van nu consumeren of sparen voor later. Het ‘sociaal contract’ is een manier om solidariteit en duurzaamheid in te bouwen in de samenleving. Daarvoor leveren we dan wat individuele vrijheden in. De groeiende welvaart ondermijnt dit contract en geeft meer ruimte aan individuele vrijheden en aan consumptie nu, in plaats van aan spaarzaamheid en solidariteit voor later. Jackson haalt ook het werk van Shalom Schwartz aan waarin “openheid voor verandering” en “zelfoverstijging” worden afgezet tegen “drang tot behoud” en “zelfverbetering”. De groeiende welvaart  stimuleert vooral de aandacht voor “verandering en zelfoverstijging”, en er is minder ruimte voor “sociale normen en waarden”.

 

Rol van de overheid
Als individuele burgers voortdurend blootgesteld worden aan consumptieprikkels en statuswedijver, en de bedrijven opereren onder marktcondities, dan zou de overheid juist moeten waken voor het algemeen belang. Maar in plaats daarvan stimuleert de overheid de economische groei om de werkgelegenheid en het algemene welvaartspeil te bevorderen. De staat is dus zelf in een diep innerlijk conflict verzeild geraakt omdat ze er enerzijds naar streeft om consumentenvrijheden die tot groei leiden aan te moedigen, maar anderzijds ook sociale verworvenheden zou moeten beschermen en ecologische grenzen verdedigen. Met andere woorden, de overheid zit zelf gevangen in het dilemma van de groei, ook al probeert ze duurzaamheid en het algemeen belang te bevorderen, en het ‘sociaal contract’ in stand te houden. De staat is par excellence het instrument om betrokkenheid met de maatschappij te realiseren.

Het besef dat familie, gemeenschap, vriendschap, gezondheid en dergelijke een wezenlijke invloed hebben op onze welvaart en dat het vermogen van het individu om deze factoren te beschermen in de moderne samenleving is uitgehold, zou toch met recht een pleidooi kunnen zijn voor een sterkere rol van de overheid. Als we eveneens beamen dat werkloosheid, onrecht en ongelijkheid hun invloed niet alleen uitoefenen op het individuele vlak maar ook op het niveau van het welzijn van het geheel, dan lijkt ook dat te pleiten voor overheidsingrijpen dat deze factoren in omvang reduceert.

Natuurlijk vraagt een dergelijke kijk op bestuur om een democratisch mandaat. Een autoritaire houding van de staat schaadt op zichzelf al het menselijk welzijn. En in moderne pluralistische samenlevingen zal het hoe dan ook niet werken. Voor welvaartsbeleid moet men actief met de burgers samenwerken, zowel om een mandaat te verwerven als om de verandering te bewerkstelligen.

 

Discussie
Tim Jackson benadrukt terecht de belangrijke rol van de overheid en het belang van grootschalige investeringen in een nieuwe energie-infrastructuur. Het is wel de vraag of kapitaalsaccumulatie nu werkelijk de belangrijkste aanjager is voor de economische groei. Veel investeringen zoals in webshops zijn gunstig voor een enkele online-ondernemer maar zijn desastreus voor een groot aantal lokale winkeliers. Tegenover de geringe winst van een enkel bedrijf staat dan een enorm verlies aan kapitaal van de kleinere winkeliers. Dus investeringen in technologie leiden niet altijd tot groei, wel tot goedkopere producten voor de consument, en daarmee voor ruimte voor ander energie-intensief gedrag. Kapitaal is zeker de smeerolie van de economie, maar het is de vraag of kapitaalsaccumulatie de belangrijkste motor is van de economie.

Een andere oorzaak voor economische groei is wat Jackson de consumptienaijver noemt, die mede wordt ingefluisterd door de reclame en media. Maar dat mensen hun auto gebruiken om een paar honderd meter verderop naar de winkel te gaan wordt niet door reclame of door naijver met de buren gestuurd, maar ingegeven door gemakzucht. Ook al weet iedereen dat het aanbod in de schappen van de supermarkt ongezond is, iedereen doet toch zelf die koek, chocolade, toetjes, zoutjes, drank, etc. in zijn winkelmandje. We weten allemaal dat vlees en zuivelproducten minder gezond en vooral milieubelastend zijn, toch rekent de supermarkt makkelijk 200 gr. per persoon voor de BBQ. Kortom, als de overheid de consument niet behoedt voor ongezond gedrag dan leven de meeste consumenten er gewoon op los. Dat is het ‘luie varken’ in ons dat niet van de bank komt.

Jackson verwijst wel even naar het werk van Robert Ayres [3], die aantoonde dat alle welvaart uiteindelijk voortkomt uit aanwending van goedkope fossiele energie. Dat leert ons twee dingen. Ten eerste dat als we de fossiele energie geheel willen uitfaseren, we genoeg duurzame energie moeten hebben om tenminste een deel van de welvaart veilig te stellen. In die zin bieden de enorme investeringspakketten van de EU en de regering Biden de nodige hoop op een snelle transitie. Ten tweede betekent minder goedkope energie automatisch een beperking van de welvaart. De keuzes waar we dan voor gesteld worden zijn nog niet eens geformuleerd. Kennelijk gaat de politiek ervan uit dat we de CO2-uitstoot naar nul kunnen reduceren in 2050 zonder beperking van de welvaart.

In het kader van die afweging valt op dat Jackson het totaal niet heeft over de landbouw en veeteelt, en de enorme verspilling van energie en transport in ons voedselsysteem. Ook de gezondheidsaspecten komen weinig aan bod. Minder gebruik van de auto en meer fietsen zou al helpen energie te besparen en de gezondheid te bevorderen. Jackson richt zijn vizier vooral op “zachte” gedragsveranderingen, die hij kort noemt, en die meer de intrinsieke waarden en zingeving moeten veiligstellen. In zijn nieuwe boek Voorbij de groei gaat hij hier nader op in (zie bespreking elders in dit nummer)

 

Noten

1. Kate Raworth, Donuteconomie, In zeven stappen naar een economie voor de 21e eeuw. Nieuw Amsterdam, 2019. Vertaling van Doughnut Economics, Seven Ways to Think Like a 21st Century Economist, Random House, 2018. Zie bespreking in CM#133.

2. Jason Hickel, Minder is meer, Epo uitgeverij, 2021. Vertaling van Less is more, How Degrowth Will Save the World, William Heinemann, Windmill Books, 2020.

3. Robert Ayres en Jeroen van den Bergh, A theory of economic growth with material/energy resources and dematerialisation: Interaction of three growth mechanisms, Ecological Economics 55, 96-118, 2005.