Problemen in de Amerikaanse democratie

Civis Mundi Digitaal #135

door Herman Hümmels

Bespreking van Michael Sandel, Het onbehagen in de democratie. Denken in tijden van crisis. Uitgeverij Ten Have, 2023.

 

De beschreven editie is een compleet herziene uitgave. Eerste uitgave 1996. Sindsdien is er veel veranderd. Met name is het onbehagen in de democratie toegenomen. Michael Sandel is hoogleraar politieke wetenschappen aan Harvard University. Sandel behoort tot de communitaristische stroming binnen de politieke filosofie. Eerder besprak ik van deze schrijver zijn boek De tirannie van de verdienste. (CM#106)

Inleiding
Sandel begint zijn boek met de constatering dat het niet goed gaat met ‘onze’ (de Amerikaanse) samenleving. De verkiezing van Trump was een symptoom van gehavende sociale verbanden en de geschonden staat van de democratie. De kloof tussen winnaars en verliezers werd steeds dieper. De schaal van het economische leven overtrof het bereik van de economische controle door de staat, er is sprake van diepgewortelde polarisatie en een groeiende kloof tussen armen en rijken. Dit is het gevolg van de huidige opvatting betreffende de rechtsbescherming van het individu en van het bedrijfsleven (‘de markt’). Macht en identiteit zijn centrale thema’s. De grootschaligheid is een probleem voor het zelfbestuur.

Vraagstelling
“Waarom is de Amerikaanse politiek zo slecht toegerust om het onbehagen dat haar overspoelt weg te nemen? Het antwoord overstijgt de politieke discussie van onze tijd en moet worden gezocht in de publieke filosofie die het debat bezielt. Met publieke filosofie bedoel ik de politieke theorie die impliciet in onze praktijk aanwezig is, de aannames over burgerschap en vrijheid die ons openbare leven inspireren. Het onvermogen van de hedendaagse Amerikaanse politiek om op overtuigende wijze te spreken over zelfbestuur en gemeenschap heeft iets te maken met de publieke filosofie vanwaaruit we leven.” (p26)

Geschiedenis
Sandel volgt in dit boek de loop van de Amerikaanse geschiedenis van het burgerschap, met name vanaf de Grote Depressie. Tegenwoordig spelen vooral de zorg om de controle te verliezen en het uiteenvallen van collectieve verbanden.
De periode die hij beschrijft, begint bij de New Deal van President Franklin D. Roosevelt en was bedoeld om hulp, herstel en hervormingen te bieden.

Politieke filosofie
In dit boek onderzoekt Sandel het theoretische kader van de hedendaagse Amerikaanse politieke filosofie. Aandacht voor die theorie kan helpen bij de diagnose van de politieke toestand. Sandels eerste aandachtspunt is de ‘politieke economie van burgerschap’. Twee zorgpunten vormen de kern van het onbehagen in de politiek: de angst om de controle te verliezen en het gevoel dat morele en collectieve verbanden uiteenvallen. Probleem is het ontbreken van een ’publieke filosofie’ over burgerschap en vrijheid die het openbare leven inspireren.

Liberale filosofie
De sinds de achttiende eeuw gehanteerde politieke filosofie is een versie van de liberale politieke filosofie (Adam Smith). Een centrale gedachte is, dat de overheid zich neutraal dient op te stellen tegenover de morele en religieuze opvattingen van haar burgers. De overheid moet niet een bepaalde opvatting over het goede leven ondersteunen. In plaats daarvan moet de overheid zich neutraal opstellen als het gaat om morele en religieuze opvattingen. De overheid moet een rechtskader bieden die de burgers in staat stelt om eigen waarden en eigen doelen te kiezen. Centraal in de liberale theorie staat het idee dat de vrijheid afhangt van de deelname aan zelfbestuur.
Er moet, volgens Sandel, onderscheid gemaakt worden tussen de hedendaagse (publieke) liberale opvattingen tussen ‘de liberalen’ en ‘de conservatieven’, en het liberalisme in historische zin: de ‘republikeinse opvatting’ en de ‘procedurele opvatting’:

  1. De republikeinse opvatting. In de oorspronkelijke liberale opvatting van vrijheid van handel en handelen met zo min mogelijk overheidsbemoeienis, is naast de output van de economie, het welbevinden van de burgers belangrijk. (Adam Smith) Nadruk werd gelegd op onderwijs en bevordering van burgerlijke deugden.
  2. De procedurele opvatting. Dit is, sinds de laatste helft van de twintigste eeuw, de gangbare opvatting. Deze opvatting wilde de nadruk op de burgerdeugd verminderen. “Hoewel ingegeven door de angst voor het verlies van burgerdeugd, was de grondwet (1787) geen poging om het morele karakter van het volk te verheffen, althans niet direct. In plaats daarvan zocht de grondwet naar institutionele instrumenten die de republikeinse bestuursvorm konden redden door haar minder afhankelijk te maken van de deugd van het volk” (p38)

Dit vraagt tegenwoordig om een nieuwe publieke filosofie, omdat deze opvattingen dwars door de partijvorming van de Liberalen en de Democraten heen lopen.

 

Republikeinse opvatting

De republikeinse opvatting benadrukt het idee van de vrije markt met zo weinig mogelijk overheidsinvloed (kleine overheid), belastingverlagingen, conservatieve sociale waarden, sterke nationale veiligheid en staatssoevereiniteit. Nadruk wordt gelegd op tolerantie, respect voor individueel recht en een open samenleving zonder grenzen. Zelf doelen kiezen, individuele ontplooiing, burgerdeugd, burgerlijke betrokkenheid en algemeen-welzijn zijn belangrijke doelen. Vrijheid vereist zelfbestuur, en dit is afhankelijk van burgerlijke deugdzaamheid.
Deze visie werd al verdedigd door Thomas Jefferson (derde president van Amerika van 1801 tot 1809). “Er dient in de geest van het volk een sterke hartstocht te leven voor het grotere goed en het algemeen belang, voor eer, macht en glorie, anders kan er geen republikeinse regering zijn, noch enige vrijheid.” (p35)
Deze oorspronkelijke opvatting van het liberalisme is veeleisender dan de huidige, vanwege de procedurele concentratie op de economie (de productie en de investeringen) en de invloed hiervan op het dagelijkse leven.

Procedurele opvatting
Alexander Hamilton; hij was een van de Founding Fathers van de Verenigde Staten en eerste Secretaris van de Schatkist onder President George Washington. Ook hij kende de overheid een vormende taak toe, maar ten gunste van de loyaliteit aan de natie. Hij was voorstander van een economisch beleid door de overheid, aangaan en aflossen van nationale schuld. Hamilton ontvouwde een plan voor de overheidsfinanciën dat leek op het Engelse systeem (inclusief de afhankelijkheid van patronage, connecties en speculaties), maar dan zonder de corruptie.
Andrew Jackson was de zevende president van de Verenigde Staten en diende van 1829 tot 1837. Hij was voorstander van een beperkte rol van de federale overheid en meer politieke participatie en macht voor de gewone man en voorstander van uitbreiding van het kiesrecht voor alle blanken om de invloed van de rijke elite te verminderen. Hij was ‘anti-establishment’. “De Jacksoniaanse Democraten gaven de voorkeur aan een laissez-faire-benadering van de overheid. Een benadering die in onze tijd is verdedigd door ’anti-overheidspolitici’ als Ronald Reagan en libertaire economen als Milton Friedman.” (p66)

Ontwikkelingen
Sandel doorloopt de Amerikaanse geschiedenis aan de hand van onderwerpen als vrije arbeid, loonarbeid, het slavernijverleden, gemeenschapsvorming, keynesiaanse revolutie en de triomf van de procedurele republiek.
“Sinds het midden van de twintigste eeuw heeft het burgerlijke of vormende aspect van onze politiek grotendeels plaatsgemaakt voor het liberalisme dat aandringt op neutraliteit ten opzichte van concurrerende opvattingen over het goede leven. Deze verschuiving werpt licht op de hachelijke situatie waarin we momenteel verkeren. Want ondanks haar aantrekkingskracht mist de liberale visie op vrijheid de burgerlijke instrumenten om zelfbestuur in stand te houden. Door dit gebrek is ze slecht uitgerust om iets te doen aan het gevoel van machteloosheid dat ons publieke leven in de greep houdt.” (p30/31)

Keynesiaanse revolutie
Vanaf de vroege jaren 1960 werd de politieke economie van burgerschap verdreven door de politieke economie van groei en verdelende rechtvaardigheid. Vanaf het begin van de New Deal (de jaren 1930) was er discussie over de vraag of de economie al dan niet gedecentraliseerd moest plaatsvinden. Decentralisatie kon plaatsvinden via anti-kartelwetgeving en andere maatregelen die gericht waren op het herstel van de concurrentie. “Een andere groep, schatplichtig aan het Nieuwe Nationalisme, probeerde de economie te rationaliseren door middel van nationale economische planning. Zij betoogden dat machtsconcentraties een onvermijdelijk kenmerk waren van de moderne economie.” (p197) Het herstel na de Grote Depressie was uiteindelijk te danken aan massale overheidsuitgaven door de Tweede Wereldoorlog; de Keynesiaanse economische theorie bood de gelegenheid voor die uitgaven (zonder te hoeven kiezen uit controversiële opvattingen over de goede samenleving). De manier om de economie uit het slop te halen was om de instrumenten van het begrotingsbeleid te gebruiken om groei te bevorderen door de consumentenvraag te stimuleren via het vergroten van de nationale koopkracht. Een fiscaal beleid waarborgde voldoende werkgelegenheid. De opkomst van de nieuwe economische theorie markeerde de ondergang van de republikeinse opvatting.

Publieke filosofie
“Kapitalisme en democratie leven al heel lang naast elkaar in een ongemakkelijke co-existentie. Het kapitalisme stelt zich ten doel productie te organiseren voor private winst. Democratie wil burgers in staat stellen om te delen in zelfbestuur. Vanaf het begin was de politieke economie van burgerschap een poging om deze twee projecten met elkaar te verzoenen. [...] De republikeinen uit de arbeidersklasse [...] beschouwden loonarbeid als tegengesteld aan vrijheid.” (p321)

Globalisering en financialisering wordt tegenwoordig benadrukt. Het nieuwe kapitalisme wordt vooral gedreven door de financiële sector.
“Het plutocratisch populisme van Trump weerspiegelde de verdeeldheid in zijn achterban – welgestelde Republikeinse kiezers die minder regelgeving en lagere belastingen wilden, en witte kiezers uit de werkende klasse, vooral mannen die geen hoger onderwijs hadden gevolgd en zich aangetrokken voelden tot zijn politiek van misnoegen.” (p361)
Het geloof in de markt staat op gespannen voet met het project van het zelfbestuur. Dit inzicht maakt herbezinning over een algemeen geaccepteerde politiek over zelfbestuur noodzakelijk.

Conclusie
Moet de staat goed voor haar burgers zijn of moeten de burgers goed zijn voor de staat? De tekst van Sandels boek is hier en daar warrig, vooral als het gaat om duidelijke definities en categoriseringen. Dit is mede het gevolg van een warrige geschiedenis. Michael Sandel legt via een gedetailleerde analyse de oorsprong van de twee politieke stromingen uit, die tegenwoordig het Amerikaanse dagelijkse leven beheersen, en tot in onze maatschappij doorwerken. Hij noemt deze twee stromingen de republikeinse en de procedurele stroming en suggereert dat deze ondergronds werkzaam zijn en niet tot uiting komen in de huidige politieke partijen. Maar Sandel spreekt zich hierover niet duidelijk uit. Hij laat de huidige controverse tussen de Republikeinse Partij en de Democratische Partij buiten beschouwing en legt geen verbinding met de door hem genoemde opvattingen.
De groeiende kloof tussen elite en de onderkant van de samenleving roept bij een deel van de bevolking onvrede en een gevoel van machteloosheid op, dat uitmondt in populisme. Dit is volgens Sandel een gevaar voor de democratie. Mensen verliezen de morele dimensie en zien de noodzaak van een gemeenschap niet meer door de overconcentratie op de individuele rechten en vrijheden.