Nederlandse politieke partijen en het referendum: wordt de links-rechts tegenstelling doorbroken?

Civis Mundi Digitaal #1

door Paul Lucardie

Nederlandse politieke partijen en het referendum: wordt de links-rechts tegenstelling doorbroken?

Paul Lucardie[*]

 

Invoering van een referendum heeft in de Nederlandse politiek zelden hoog op de agenda gestaan. Voor zover het echter al op die agenda voor kwam, was dat meestal op initiatief van één of meer linkse partijen. Dat lijkt logisch, omdat ‘links’ immers vanouds stond voor gelijkheid, in staatkundig, maatschappelijk en geestelijk opzicht, en ‘rechts’ daar weinig van moest hebben. Staatkundige gelijkheid betekent niet alleen kiesrecht voor alle burgers, maar ook zoveel mogelijk medezeggenschap bij de politieke besluitvorming.[1] Via een correctief referendum of een initiërend referendum (meestal ‘volksinitiatief’ genoemd) kunnen burgers meer medezeggenschap krijgen bij wetgeving. Algemeen kiesrecht was voornamelijk een wens van linkse partijen - in de 19e en vroege 20e eeuw zowel socialistische als liberale partijen. Hetzelfde gold voor het referendum, althans tot voor kort. Weliswaar zijn er altijd wel onafhankelijke geesten ter rechterzijde geweest die ook voor een referendum gepleit hebben, maar die vonden doorgaans nog minder weerklank bij hun partij dan de linkse voorstanders - ook de linkse partijen maakten zelden veel werk van het referendum.

De Sociaal-Democratische Bond (SDB) zette het referendum (‘directe wetgeving door het volk’) als eerste in haar program, kort na haar oprichting in 1882, naar het voorbeeld van de Sociaal-democratische Partij van Duitsland (SPD).[2]  Dat deed ook de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Haar voorman, Pieter Jelles Troelstra, stemde echter in 1921 tegen invoering van het referendum in de Tweede Kamer, al had hij er eerder wel voor gepleit.[3] In de jaren twintig was het vooral de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) die in de Kamer en (in mindere mate) daarbuiten voor het referendum ijverde, zonder enig succes overigens. De conservatief-liberale Vrijheidsbond (later: Liberale Staatspartij) en de confessionele partijen, die een meerderheid in de Kamer vertegenwoordigden, verzetten zich met succes tegen elke vorm van directe democratie.

Toen VDB en SDAP - met enkele progressief-christelijke groeperingen - in 1946 opgingen in de Partij van de Arbeid (PvdA), vormde het referendum vrijwel geen punt van discussie meer. Het kwam wel even ter sprake in de grondwetsdiscussie van 1946, evenals in 1953, maar werd door geen enkele partij krachtig verdedigd - ook niet door de PvdA.[4] De partijen links van de PvdA, de Communistische Partij Nederland (CPN) en sinds 1957 ook de Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP), beschouwden het referendum als een sluitstuk van een ‘burgerlijke democratie’ die zij op termijn wilden vervangen door een ‘socialistische democratie’, waardoor hun belangstelling voor dit soort hervormingen minimaal bleef.[5] De door confessionele radicalen opgerichte Politieke Partij Radicalen (PPR) stond positiever tegenover vormen van directe democratie, evenals de in 1966 opgerichte Democraten 66 (D66). Echter ook deze twee partijen namen pas in de jaren tachtig een voorstel voor invoering van het referendum in hun verkiezingsprogramma op, na de nodige interne discussies.[6] 

Inmiddels was in de samenleving en de media meer aandacht voor het referendum en andere vormen van directe democratie gekomen. In 1981 hadden voorstanders buiten de politieke partijen om een ‘Actiecomité Referendum Ja’ opgericht - waarin de hoofdredacteur van dit blad, Wim Couwenberg, een belangrijke rol speelde. De staatscommissie die onder leiding van de christen-democratische oud-premier Barend Biesheuvel in de jaren tachtig advies uitbracht over de relatie tussen kiezer en beleidsvorming, schaarde zich unaniem achter invoering van een facultatief corrigerend referendum.[7] De PvdA ging nu ook overstag. Aan de rechterzijde bleef de weerstand echter groot. De Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD), de erflater van de Vrijheidsbond/Liberale Staatspartij, had nooit veel voor een referendum gevoeld, al dachten enkele liberalen daar anders over. In de paarse coalitie met PvdA en D66 stemde zij enigszins morrend in met een voorstel voor een correctief referendum onder strenge voorwaarden - slechts met steun van minstens 600.000 kiesgerechtigden zou een wet aan de bevolking voorgelegd kunnen worden en alleen indien minstens 30% van de kiesgerechtigden tegen zouden stemmen zou de wet ingetrokken worden. Het voorstel zou uiteindelijk in 1999 in de Eerste Kamer sneuvelen, toen niet alleen de christelijke oppositiepartijen maar ook de liberale senator (en voormalig politiek leider van de VVD) Hans Wiegel tegen stemde.

Na deze tegenslag zou het referendum voorlopig van de agenda verdwijnen, maar de discussie zou daarna echter niet meer helemaal verstommen. Ook in de meeste verkiezingsprogramma’s die na 1999 verschijnen wordt het genoemd, zij het zelden op een prominente plek. Sommige partijen wisselden echter verrassend hun mening, waardoor de klassieke links-rechtstegenstelling op dit punt doorbroken lijkt te worden.

Aan de ene kant schaarde de VVD zich langzamerhand in het kamp van de voorstanders, zij het met de nodige mitsen en maren. In het in 2005 vastgestelde Liberaal manifest rekent ze af met de ‘koudwatervrees’ die sommige liberalen tegen het referendum koesterden.[8] De volksstemming zou naast de directe verkiezing van de minister-president en andere hervormingen de ‘regenteske traditie’ in Nederland kunnen doorbreken.[9] De directe democratie zou wel ondergeschikt moeten blijven aan de vertegenwoordigende democratie. In de verkiezingsprogramma’s van 2002, 2006 en 2010 vermeldde de VVD het referendum echter noch in positieve noch in negatieve zin, zodat haar standpunt in de praktijk toch nog wat mistig blijft. Bij de PvdA ziet men het omgekeerde: het referendum komt niet voor in het eveneens in 2005 vastgestelde beginselmanifest, maar wel in de verkiezingsprogramma’s van 2002, 2006 en 2010 - en wel in positieve zin. De sinds 1994 in de Tweede Kamer vertegenwoordigde Socialistische Partij (SP) behoort met D66 tot de onomwonden voorstanders van directe democratie - zowel een correctief referendum als een initiërend referendum oftewel volksinitiatief. Tot 2010 gold dat eveneens voor GroenLinks. Het partijcongres schrapte echter in dit jaar het referendum uit het verkiezingsprogramma, op voorstel van de jongerenorganisatie Dwars die maatschappelijke kwesties ‘te complex’ achtte om aan volksstemmingen te onderwerpen en alle besluitvorming liever aan de volksvertegenwoordigers over wou laten.[10] Dit soort argumenten gebruikten overigens ook  rechtse en extreem-rechtse tegenstanders van algemeen kiesrecht in de 19e respectievelijk 20e eeuw: als het volk te dom is om complexe kwesties te doorschouwen, kan het ook niet de juiste volksvertegenwoordigers kiezen maar zal bezwijken voor demagogen en volksmisleiders. Van een partij die volgens haar beginselprogram staat voor ‘het democratisch ideaal van gelijke zeggenschap voor iedereen’ en voor ‘burgerparticipatie’ waar mogelijk, is dit op zijn zachtst gezegd een merkwaardig standpunt.[11]

Het streven naar directe democratie vindt men nu wel bij de in 2006 door ex-VVDer Geert Wilders opgerichte Partij voor de Vrijheid (PVV). In haar programma’s neemt het referendum een niet onbelangrijke plaats in.[12] De PVV wordt algemeen als een rechtse partij beschouwd, vooral vanwege haar afwijzing van multiculturalisme, maar ook omdat zij zich bijzonder krachtig afzet tegen wat zij ‘de linkse elite’ noemt -  waar ze in de eerste plaats de PvdA, GroenLinks, D66 en SP, maar ook opinieleiders in pers en omroep toe lijkt te rekenen. De PVV wil dan ook graag een rechts kabinet van CDA en VVD steunen, ook al wil ze minder bezuinigen op sociale zekerheid en gezondheidszorg dan die twee partijen.[13] Het idee dat de PVV een links kabinet met PvdA, SP en GroenLinks zou gedogen - met 79 zetels zou een dergelijke combinatie een bredere basis hebben dan een rechts kabinet, dat immers met steun van de PVV slechts op 76 zetels kan rekenen - zal alle betrokkenen absurd voorkomen. 

Het lijkt niettemin overdreven om te concluderen dat het referendum nu van een links een rechts ideaal is geworden. Rechtse partijen als CDA en SGP blijven elke vorm van volksstemming afwijzen, omdat die in hun ogen tot beslissingen zou leiden zonder afweging van verschillende belangen en zonder dat iemand verantwoordelijkheid draagt, vaak onduidelijke gevolgen heeft en uiteindelijk het parlementaire stelsel zou ondermijnen. In mindere mate hoort men deze kritische geluiden ook bij de VVD en bij de ChristenUnie, al willen die uiteindelijk toch een correctief referendum invoeren. CDA en SGP vertegenwoordigen een slinkende groep kerkelijke kiezers, die vanuit een bijbels geïnspireerd conservatisme vrijwel elke staatkundige vernieuwing consequent afwijzen. In de huidige Tweede Kamer lijken de voorstanders van een referendum een ruime twee derde meerderheid te kunnen mobiliseren, als de VVD tenminste trouw blijft aan haar Liberaal Manifest - en GroenLinks terugkeert tot haar radicaal-democratische uitgangspunten. Of het de komende kabinetsperiode zover komt, valt echter te betwijfelen, gezien de lauwheid waarmee zowel linkse als rechtse voorstanders in de Nederlandse politieke partijen voor deze vorm van directe democratie hebben gestreden.

 

 

 


[*] Paul Lucardie is onderzoeker voor het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen, Rijksuniversiteit Groningen.

 


[1] Zie verder H. van Goor en A.P.M Lucardie, ‘De geschiedenis schrijdt voort. Over de duurzame betekenis van de links-rechts tegenstelling in de politiek’, Jaarboek DNPP 2008 (nog te verschijnen).

[2] Zie Bart Tromp, Het sociaal-democratisch programma. De beginselprogramma’s van SDB, SDAP en PvdA 1878-1977, Amsterdam, 2002, 64-81, 493-495.

[3] Handelingen Tweede Kamer 1921-1922, 590-591; P.J. Troelstra, De Sociaal-democratische Arbeiderspartij, Baarn, 1909, 52.

[4] H. Koning, Directe democratie in Nederland, Den Haag, 1995, 232-237.

[5] Overigens verstonden CPN en PSP niet hetzelfde onder ‘socialistische democratie’, maar dat doet voor dit artikel niet ter zake.

[6] Zie A.P.M. Lucardie, ‘Vox populis, vox diaboli? Het debat over het referendum in de Nederlandse politieke partijen’, Jaarboek 1996 DNPP, Groningen, 1997, 109-128.

[7] Koning, Directe democratie in Nederland, 235-254; Biesheuvel was van 1963 tot 1973 politiek leider van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) die in 1980 in het Christen-Democratisch Appel opging.

[8] Om de vrijheid. Liberaal manifest, Den Haag, 2005, 23.

[9] Ibidem, 11, 19, 23.

[10] Amendement 408, Congresstukken GroenLinks, on-line: www.groenlinks.nl (geraadpleegd op 27 augustus 2010)

[11] GroenLinks, Programma van Uitgangspunten, zoals gewijzigd op het Toekomstcongres, 22 november 2008, Utrecht, 2008, Uitgangspunt 12.

[12] Partij voor de Vrijheid, ‘Verkiezingspamflet’, in: H. Pellikaan e.a. (red), Verkiezing van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 22 november 2006: Verkiezingsprogramma’s, Amsterdam, 2006, 407-410; Partij voor de Vrijheid, De agenda van hoop en optimisme. Een tijd om te kiezen, Den Haag, 2010, 17-19.

[13] Op het moment dat ik dit schrijf is nog niet duidelijk of deze formatie succesvol afgerond zal worden.