Het voor en tegen van hulp bij zelfdoding

Civis Mundi Digitaal #3

door Wim Couwenberg

Het voor en tegen van hulp bij zelfdoding

Wim Couwenberg

 

Kortgeleden is een burgerinitiatief gestart, getiteld Uit vrije wil, dat opkomt voor het recht zelf het leven te beëindigen, als men het eigen leven voltooid acht, met andere woorden, als men van oordeel is dat ontwikkelingsmogelijkheden in dit leven uitgeput zijn. Vanaf het zeventigste jaar zouden we dat recht moeten krijgen.[1] Met de toenemende verlenging van de levensduur is dat een kwestie die al enige tijd aan de orde is, vooral sinds de discussie over de bekende pil van Drion en daarop aansluitend de oprichting van de Stichting Vrijwillig Leven in 1996 en van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE).

Het gaat daarbij om wettelijke erkenning van het recht op een zelf gekozen levenseinde en op verstrekking van passende middelen daartoe. Dat is een recht dat in vroegere beschavingen, zoals die van Grieken en Romeinen, nimmer verboden is. (Voor hooggeplaatste personen die in ongenade gevallen waren, gold zo’n levenseinde zelfs als een eervolle straf.) Men wil zodoende mensen in staat stellen hun doodswens te realiseren zonder afhankelijk te zijn van de opvattingen van anderen, met name van artsen. Men denkt daarbij aan de oprichting van een of meer Steunpunt(en) Vrijwillige Levensbeëindiging, waar men advies, hulp en passende middelen kan krijgen ter realisering van een doodswens. In Zwitserland bestaat al iets soortgelijks. Daar is humanitaire hulp bij zelfdoding, mits zorgvuldig uitgevoerd, namelijk legaal.

De NVVE heeft inmiddels besloten de haalbaarheid van de oprichting van een levenskliniek te onderzoeken voor mensen met een serieuze doodswens, die nu permanent in de kou staan. Men verwijst daarbij naar chronisch-psychiatrische patiënten, dementerenden en mensen die gewoon klaar zijn met het leven. Zo vragen jaarlijks ruim 500 patiënten met chronisch-psychiatrische klachten om hulp bij zelfdoding, maar meestal zonder resultaat. Ook mensen die de ontluistering van dementie niet willen ondergaan, vragen vergeefs om euthanasie.

De vraag die in deze artikelenserie ter discussie gesteld wordt, is of het recht op vrijwillige levensbeëindiging moet worden erkend, als men meent dat de eigen ontwikkelingsmogelijkheden uitgeput zijn en verder leven geen zin meer heeft. Tot de voorstanders van juist genoemd burgerinitiatief behoren ook mensen die het bestaan van een vrije wil ontkennen, zoals hersenonderzoeker Dick Swaab. Als die vrije wil een fictie is, zoals hij meent, hoe dan dat zelfbeschikkingsrecht te funderen, waarop dat burgerinitiatief zich beroept?

 

Kritiek

Dat recht wordt nog van meerdere kanten aangevochten. Dus ook het idee van de NVVE voor het oprichten van een levenseindekliniek. "Some people are so open-minded, their brains fall out." Dit is een van de verwijten die gericht worden tegen pleitbezorgers van zo’n kliniek. Wat de eerste twee doelgroepen betreft, chronisch-psychiatrische patiënten en dementerenden, is het probleem niet, aldus de kritiek, het gebrek aan mogelijkheden om legaal een einde aan hun leven te (laten) maken, zoals de NVVE stelt, maar de verschraling van de zorg en gebrekkige sociale ondersteuning. Wat de derde doelgroep betreft -de mensen die hun leven voltooid achten- is er sprake van een mentaliteitsprobleem. Zijn we nog wel bereid de ongemakken van het leven te accepteren?[2]

            Ook de psychiater F. Koerselman[3] stelt het recht op een goede dood als mensenrecht ter discussie, althans voorzover het gaat om ondrage­lijk lijden dat losstaat van de terminale stervensfase. Dergelijk lijden is niet objectief vast te stellen. Het is volgens deze psychiater een typische uiting van de door Chr. Lasch geschetste cultuur van het narcisme als we zelf kunnen uitmaken dat we recht hebben op euthanasie of hulp bij zelfdoding vanwege een ondrage­lijk geacht lijden, t.w. ontluistering en aftakeling. Hij ziet daarin een verschuiving van onze christe­lijk-geïnspireerde schuldcultuur naar een schaamtecultuur. We schamen ons dood voor onze aftakeling als mens, voelen ons daardoor aangetast in onze eer. Koerselman trekt in dit ver­band zelfs een parallel met de wijze waarop moslims reageren op verlies van familie-eer.

            Bij aftakeling denkt men met name aan dementie. Men ziet hierin een verlies van menselijke waardigheid. Van katholieke zijde wordt dat verlies echter ontkend. Men gaat er daarbij van uit dat die waardigheid alleen in een reli­gieus perspec­tief echt te funderen valt. Zij is in dat perspectief niet reduceerbaar tot onze zichtbare gestalte en wordt ook niet aangetast door de dood.[4] Die kritiek leeft niet alleen in traditioneel-, maar ook in progressief-christelijke kringen. Men gaat daarbij uit van het beeld van een lijdende God.[5] Een progressief theologe als Dorothee Sölle acht dit beeld zelfs onontbeerlijk om het lijden zin te geven. Zij verwijt onze burgerlijk-liberale samenleving in dit verband dat we daarin steeds meer immuun gemaakt worden voor het lijden door de steeds geavanceerder middelen van de moderne geneeskunde. Christelijk leven, zo betoogt zij, betekent het kruis omar­men.[6] Dit staat wel haaks op het heersende utilitaire denken (minimaliseer lijden, optimaliseer welzijn), zoals dat laatste haaks staat op de traditioneel-christelijke levensvisie. Het lijden maakt daarin namelijk een wezenlijk onderdeel uit van Gods plan met de mens. Dat gaat terug op Augustinus (354-430), de meest invloedrijke kerkvader van de Middeleeuwen. Zelfdoding, zo meende hij, is een teken van verzet tegen tijdelijk te dragen lijden, dat bedoeld is als straf of beproeving van Godswege en verdraagbaar is in het perspectief van het ‘hemelse vaderland’. Op grond van zijn theologie werd zelfdoding in de Middeleeuwen door de Kerk verboden als zeer ernstig misdrijf. Wie dat toch deed, wachtte verbanning naar de Hel en vernederende behandeling van het stoffelijk overschot. En vanaf de zesde eeuw werd zelfs de nagedachtenis van zelfmoordenaars in de ban gedaan.[7] Het heeft tot na de Tweede Wereldoorlog geduurd alvorens westerse landen als bijvoorbeeld Nederland bereid waren zelfdoding niet langer strafbaar te stellen. In het licht hiervan betekent het burgerinitiatief, gericht op legale verankering van het recht op zelfdoding vanaf het zeventigste jaar, een nieuwe sprong in de rechtsontwikkeling.

            Een ander punt van kritiek betreft die leeftijd van zeventig jaar, waarop dit recht erkend zou moeten worden. Gelet op de toenemende vitaliteit van ouderen, zo luidt de kritiek hierop, is er geen plausibele reden om 70-plussers met een doodswens anders te behandelen dan jongeren die niet verder willen. Ouderen willen gelijkwaardig behandeld worden. Doe dat dan ook in dit geval.[8] Ook de Stichting Vrijwillig Leven is het niet eens met die leeftijdsgrens.

Loslaten, zich overgeven aan de dood blijkt het moeilijkste te zijn; voor de meeste stervenden een welhaast onmogelijke opgave, stelt Pauline de Bok in haar boek Doodsberichten (1999), waarin zij het sterven en doodgaan in al zijn details be­schrijft. Maar dit geldt dan niet voor degenen die bewust kiezen voor euthanasie of vrijwillige levensbeëindiging. Zij hebben wel de moed het leven vrijwillig los te laten.

 


 

[1] Zie in dit verband ook B. Chabot, Uitweg. Een waardig levenseinde in eigen hand, 2010.

[2] Zie M. Buijsen, Kliniek voor levenseinde geen goed idee, Trouw, 17 augustus 2010; en S. Groenewoud, Leven zolang het ons gegeven is, Trouw, 19 augustus 2010.

[3] F. Koerselman, In dodelijke omhelzing, in: H. Achterhuis e.a., Als de dood voor het leven, 1995

[4] M. Pijnenburg en V. Kirkels (red.), Dementie, schaduw als schrikbeeld, Annalen van het Thijmgenootschap 1999, afl 4

[5] Zie o.a. H. Schaeffer, Geloven in Niemandsland, 1988, pp. 58-60

[6] D. Sölle, Lijden, 1973; idem, Denken over God, 1990, p. 147

[7] Zie R.J. Middelbos, ‘Gij zult niet zelfdoden’, Geschiedenismagazine, september 2010.

[8] Zie J. Greven, De regie aan het sterrenbed verschuift, Trouw, 24 augustus 2010.