Algemene informatie Civis Mundi

Civis Mundi Digitaal #48

Achtergrond

Sinds begin 1962 heeft Civis Mundi (aanvankelijk Oost-West), gefungeerd als een centrum ter bevordering van een wetenschappelijk verantwoorde bezinning op de grondslagen, inrichting en functionering van de moderne samenleving en cultuur: in jaren ’60 toegespitst op de Oost-West problematiek; en sinds de jaren ’70 verruimd tot bevordering van de actieve participatie van burgers aan het wereld-gebeuren door verstrekking van samenhangende informatie en oriëntatie over de processen en krachten die de ontwikkeling van dat wereld-gebeuren bepalen en in lijn hiermee tevens ter stimulering van de bewustzijnsontwikkeling in het kader van de versnelde ontwikkeling van de moderniteit sinds de jaren ‘60. Sinds eind jaren ’80 is het tenslotte gepresenteerd als een kritische reflectie op politieke filosofie en cultuur. Daarbij is gebruik gemaakt van een eigen tijdschrift en daarmee verbonden activiteiten (symposia, radio-discussies, lezingen, cursussen, e.d.). Na bijna een halve eeuw is besloten over te stappen op een nieuwe koers. Civis Mundi gaat sindsdien verder als een onafhankelijk instituut en een gedigitaliseerd tijdschrift met tweeërlei doel:

kritische reflectie op achtergrond, problematiek en perspectief van de moderniteit als westerse creatie, bron van politiek-filosofische inspiratie en exponent van universele ambitie;

en bevordering van interdependent, interdisciplinair, contextueel en coherent denken als antwoord op de fragmenterende en desintegrerende krachten en tendenties in de moderne samenleving en cultuur. Coherent denken wordt bovendien ondermijnd door de snelle opmars van internet met als gevolg een neiging kennis zonder meer gelijk te stellen met losse informatie. Civis Mundi specialiseert zich kortom in een interdisciplinaire aanpak van ontwikkelingen, problemen en perspectieven van de moderniteit en een kritische toetsing van gevestigde structuren, opvattingen en vooroordelen daarover. Tot voorkort is door Civis Mundi ook meegewerkt aan de organisatie en uitvoering van een lezingencycli en cursussen in HOVO-verband, met name op de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Universiteit van Tilburg. Spoedig na de oprichting zijn voorts regelmatig jaarboeken gepubliceerd. Voor een overzicht van eerder verschenen jaarboeken en themanummers zie onder de rubriek: eerder verschenen publicaties.

Bijzondere leerstoelen

Een nieuwe activiteit is het entameren van bijzondere leerstoelen als bijdrage tot de filosofische en wetenschappelijke bezinning op de ontwikkelingsmogelijkheiden, - problemen, en -perspectieven van de moderniteit zoals die zich in liberale zin heeft doorgezet. De filosofische bezinning daarop is reeds verankerd in de Civis Mundi Leerstoel: ‘Filosofie van cultuur, politiek en religie’ in de Faculteit Wijsbegeerte van de EUR. Op deze leerstoel is in 2009 prof. dr. Marli Huijer benoemd. Op 22 september 2009 aanvaardde zij haar ambt met een inaugurele rede, getiteld: Waarom de kerkklok ’s nachts slaat. Oude ritmes in een hoogtechnologische samenleving. Uitgave Stichting Civis Mundi.

Sinds 11 juli 2011 is daar een tweede bijzondere leerstoel aan toegevoegd, toen is namelijk dr Maartje Schermer benoemd als eerste hoogleraar op de nieuwe bijzondere leerstoel Filosofie van de Geneeskunde en de maakbaarheid van de mens, die door Civis Mundi is ingesteld aan het ErasmusMC te Rotterdam.

Introductie Civis Mundi als digitaal tijdschrift

Reflexieve terugblik: ideële achtergrond, positiebepaling en maatschappelijke rol Civis Mundi

Linkse achtergrond nieuw conformistisch denkklimaat sinds de jaren ‘60

Bij het 40-jarig bestaan werd dit tijdschrift gekarakteriseerd als 40 jaar afwijken.[1] Hiermee werd een saillant kenmerk ervan in het licht gesteld. Het is een kenmerk dat in een conformistisch denkklimaat uiteraard niet zo goed valt. Ondanks een lange traditie van geestelijke vrijheid is Nederland evenmin vrij van conformistische reacties op afwijkende denkbeelden zoals ook buitenlandse auteurs over Nederland opvalt. Eric de Kuyper[2], een Belgische schrijver, valt meestal niet zozeer het individualisme van Nederlanders op, maar veeleer hun conformisme. In dezelfde trant laat zich ook de Portugese schrijver José Rentes de Carvalho uit.[3] Dit is ook wel te verklaren in verband met onze consensustraditie, sterk gekoesterd als die wordt om de boel bij elkaar te houden.

Sinds de jaren ’60 was het wel opmerkelijk dat die conformismedrang vooral uitging van wat de laatste jaren aangeduid is als de linkse kerk en het politiek correcte denken dat daar als norm van goed gedrag gecultiveerd en bewaakt werd. Opmerkelijk, omdat links denken wortelt in een lange traditie van non-conformisme. Die traditie is zelf de vrucht van de westerse liberale traditie van vrijheid van onderzoek en van meningsuiting waaraan we o.a. een speciaal nummer gewijd hebben.[4] En daarvan hebben we van stonde af aan gebruik gemaakt door vrijelijk van heersende opvattingen af te wijken. Een van de uitgangspunten van Civis Mundi is van stonde af aan geweest open te staan voor nieuwe gezichtspunten, ruimte te bieden voor dissidente standpunten die elders niet of moeilijk aan bod konden komen en politiek gevoelige en omstreden onderwerpen aan de orde te stellen. Men loopt daarbij het risico met verdachtmakingen en kwalijke etiketten bestookt te worden. Dat is dan ook de prijs geweest die we daarvoor hebben moeten betalen.

Sinds de jaren ’60 werd de publieke opinie steeds meer bepaald door links geheten opvattingen van de rebellerende jaren ’60 generatie. Die eigende zich het oordeel toe over wat politiek wel of niet correct was. Tijdens de verzuiling stond regulering van het taalgebruik in dienst van de belangen en doelstellingen van de verschillende zuilen. De ontzuiling sinds de jaren ’60 leek meer ruimte te scheppen voor een vrij en dus niet langer sterk gemanipuleerd geestelijk verkeer. Maar spoedig is het nadien jarenlang politiek links geweest die de publieke opinie op zijn beurt naar zijn hand gezet heeft en placht uit te maken in welke termen het publieke debat gevoerd mocht worden en wat al of niet als politiek correct gold. In plaats van de vroegere confessioneel geïnspireerde taboes ontstonden nieuwe, nu linkse taboes die ten doel hadden de openbare discussie in bepaalde door linkse criteria bepaalde banen te leiden. Wie het waagde daarvan af te wijken in kwesties als migratie-, integratie- en veiligheidsbeleid, zoals bijvoorbeeld dit tijdschrift, werd met stigmatiserende kwalificaties als extreemrechts, racistisch en zelfs fascistisch om de oren geslagen. Een inhoudelijke discussie werd zodoende bewust uit de weg gegaan.

Onder invloed van de Verlichtingstraditie gold conformisme en moralisme lange tijd als een typisch rechtse neiging evenals het weren van ongewenst geachte feiten en opinies uit de publieke discussie. Maar waar links gedachtegoed de overhand krijgt, zien we die neiging niet minder onder linkse elites. Dat staat kennelijk los van de vraag of men links of rechts is. Zo kreeg de discussie over de allochtonenproblematiek en de anti-apartheidstrijd evenals die over plaatsing van kernraketten in de jaren tachtig onder linkse regie al gauw eveneens een sterk moralistische inslag met de vraag: wie in deze kwestie goed en wie fout was als belangrijkste inzet. En wie door de heersende linkse opinie fout bevonden werd, wachtte politieke excommunicatie in een of andere vorm.

Sinds de jaren ‘90 groeide wel enig verzet tegen die links gerichte taalmanipulatie en de morele arrogantie en politieke intolerantie die ermee gepaard gingen. In zijn boek Correct (1997) verbaast de socioloog H. Vuijsje zich erover hoe het mogelijk is geweest dat die linkse taboes in zo brede intellectuele en wetenschappelijke kringen braaf in acht genomen werden. Maar zo vreemd is dat niet in het licht van onze consensustraditie en de neiging tot conformisme als uitvloeisel daarvan.

Afwijkingen

Westers waardenbesef als grondslag

Dit tijdschrift is begin jaren ’60 gestart en is daarbij expliciet uitgegaan van westerse waarden zoals vertolkt in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 als grondslag en inspiratiebron van het redactionele beleid. Tot de laatste jaargang zijn mensenrechten een van de toonzettende thema’s geweest. De explicitering van die grondslag gebeurde in de context van een nog sterk verzuilde denkklimaat waarin scherp gelet werd op de ideële achtergrond van een nieuw tijdschrift. Door dit uitgangspunt te kiezen werd opvallend afgeweken van het heersende verzuilde denkpatroon. Dat wekte dan ook spoedig argwaan met een aantal kritische reacties als gevolg. Van wetenschappelijke zijde werd onze pretentie van objectiviteit aangevochten omdat dat waardenvrijheid als uitgangspunt zou veronderstellen. Die kritiek is echter zelf spoedig omstreden geraakt. De waardenvrijheid, zoals gestipuleerd door de heersende positivistische wetenschapsbeoefening, aldus de aanhangers van de in de jaren ’60 en ’70 toonaangevende kritische maatschappijtheorie van de Frankfurter Schule, degradeert wetenschapsbeoefening tot louter instrument ten dienste van de heersende machten en daarmee van de bestaande orde in een moderne samenleving waarin wetenschap en techniek inmiddels nieuwe en steeds belangrijker machtsmiddelen worden van die heersende machten. De Duitse filosoof J. Habermas verweet het positivisme niet zozeer haar rationaliteitpretentie, maar haar gehalveerde rationaliteitopvatting. Het is een problematiek waarop Civis Mundi in de jaren ’70 uitvoerig ingehaakt heeft mede ter rechtvaardiging van zijn uitgangspunten.[5]

Het bleef echter niet alleen bij het ter discussie stellen van onze objectiviteitpretentie, ook werd het bestaan van westerse waarden ontkend, gezien het pluralistische karakter van de westerse cultuur of wel omdat wat als westerse waarden gepresenteerd werd in feite algemeen menselijke waarden zijn. Met westerse waarden bedoelden we de kernwaarden van de moderniteit zoals die zich sinds de liberale revoluties van de 18e eeuw ontwikkeld hebben, met name de principes van een vrije samenleving, van de rechtsstaat, de democratie en van solidariteit, in eerste instantie in nationaal, maar sinds de vorige eeuw ook steeds meer in internationaal verband. Met de liberale revoluties van de 18e eeuw, eerst in Amerika (1776) en daarna in Europa (1789) is het Westen de bakermat van die waarden geweest. De Europese idee van de menselijke waardigheid werd gepresenteerd als de ideële bron waaraan zij ontsprongen zijn evenals het idee van de mensenrechten als de juridische operationalisering ervan. Met de geleidelijke westerse expansie en zendingsdrang zijn die waarden evenals de mensenrechten als juridische exponent ervan in principe algemeen menselijke waarden geworden, al stuiten zij in de niet-westerse wereld nog op heel wat verspreid verzet. Het islamitisch-fundamentalisme en -terrorisme is sinds het einde van de Koude Oorlog de meest strijdbare vertolking daarvan geworden. Binnen de westerse cultuur als eerste exponent van de moderniteit is de idee van de menselijke waardigheid overigens in de kern aangetast door het materialistische en mechanistische mens- en wereldbeeld van de moderne positivistische wetenschapsbeoefening. Een politieke discussie daarover wordt naar het lijkt bewust uit de weg gegaan.

Afwijkende waardering Koude Oorlog

Het is ook op grond van dit waardenbesef dat we het Oost-West conflict niet alleen als een machtspolitiek conflict (tussen twee nieuwe supermachten na de teloorgang van de Europese hegemonie in de wereld), maar ook als een ideologische strijd opvatten. Dat was een strijd waaraan in het redactionele beleid vooral in de jaren ’60 een prominente plaats toegekend is. Dat stuitte wel op vooral links geïnspireerd verzet vanwege de détentepolitiek. Op instigatie van de Sovjetpropaganda voor het concept van een vreedzame co-existentie tussen Oost en West vond die politiek in westerse kringen meer en meer weerklank. Dat duidde op een zekere kentering in de Oost-West betrekkingen. Daarop is in Civis Mundi in positieve zin gereageerd, maar wel met handhaving van de ideologische dimensie en confrontatie in het Oost-West conflict. Aan die confrontatie werd in het Sovjet concept van vreedzame co-existentie ook onverkort vastgehouden. Dat had tot gevolg dat de in westerse kringen ontwikkelde convergentietheorie, het naar elkaar toegroeien van het socialistische en het kapitalistische maatschappijtype, van communistische zijde resoluut werd afgewezen.

In de links georiënteerde publieke opinie werd dit conflict steeds meer in negatieve zin beoordeeld als een stagnatie in de internationale betrekkingen (verlamming van de VN). Het stimuleerde bovendien de bewapeningswedloop. Dat laatste is juist, het eerste niet. In dit conflict culmineert de strijd over de grote ideologische vragen die sinds de liberale revoluties van de 18e eeuw inzet geworden waren van politieke en maatschappelijke strijd, eerst in nationaal en in de 20e eeuw ook in internationaal verband. In de Koude Oorlog bereikte die strijd op internationaal niveau een beslissend stadium. In de Sovjet-Russische visie was dat conflict de internationale dimensie van de maatschappelijke klassenstrijd. Het is een conflict geweest waaraan ook belangrijke positieve effecten te danken zijn zoals een revitalisering van de liberale democratie en economie die beide in de jaren ’30 in de versukkeling geraakt waren en aan de communistische uitdaging een nieuw elan ontleend hebben; een versnelde dekolonialisering van de internationale betrekkingen; de ontwikkeling van de Atlantische alliantie die veiligheidsbeleid en defensie-inspanningen van een nationale tot een internationale, i.c. Atlantische verantwoordelijkheid gemaakt heeft; en in technologisch opzicht de ontwikkeling van ruimtevaart en internet. En de Europese integratie ontleende aan dit conflict mede een belangrijke stimulans, al is dat meestal vergeten, zoals het economische succes van die integratie ook grote indruk gemaakt heeft op bewoners achter het ijzeren gordijn en zodoende mede bijgedragen heeft tot de val van het communistische bewind aldaar.

Behalve aan deze belangrijke effecten van de Koude Oorlog is uiteraard ook de nodige aandacht geschonken aan de problematiek van de bewapeningswedloop. Daarvoor is zelfs een speciale rubriek gecreëerd, Polemologische Vraagstukken geheten. Bij de invulling van die rubriek is vaak samengewerkt met het toenmalige Polemologische Instituut onder leiding van prof. B.V.A. Röling, ook bij het organiseren van conferenties en radiodiscussies daarover. In de eerste helft van de jaren ’80 spitste de discussie over de bewapeningswedloop zich toe op het besluit tot plaatsing van kruisraketten als onderhandelingsobject in de wapenbeheersingsbesprekingen van die jaren. Van linkse zijde evenals door de toenmalige vredesbeweging werd daartegen fel geageerd. Het militaire aspect van de Koude Oorlog kreeg in die jaren even massale aandacht. In Civis Mundi is dat besluit verdedigd op grond van het nucleaire afschrikkingsevenwicht dat uiteindelijk de wereldvrede met opmerkelijk succes gediend heeft.[6] Het vertrouwen in de werking van dit afschrikkingsevenwicht was voor ons ook reden om het gevaar van een Sovjet-Russische militaire invasie sterk te relativeren. Toen in de eerste Golfoorlog volgend op de invasie van Irak in Koeweit van Amerikaanse zijde de modernste wapensystemen in de strijd geworpen werden, was het opvallend dat het protest tegen dit soort wapens plotsklaps verstomde, hoewel kruisraketten toen niet alleen dienden als waarschuwing aan de vijand zoals in de jaren ‘80, maar onvervaard ingezet werden.

Zo langdurig als de Tweede Wereldoorlog blijft nawerken in het collectieve geheugen van dit land, ja zelfs ijkpunt en toetssteen geworden is van politiek correct denken en doen, zo snel is de herinnering aan de Koude Oorlog op de achtergrond geraakt. In tegenstelling tot de Tweede Wereldoorlog is de Koude Oorlog hier als onderzoeksobject geen volwaardige wetenschappelijke activiteit geworden. In andere landen, vooral in de VS en Engeland, is dat wel het geval. Er zijn inmiddels ook meerdere internationale tijdschriften met de Koude Oorlog als centraal thema.[7] Waarom er in Nederland zo weinig oog en belangstelling is voor de bijzondere historische betekenis van de Koude Oorlog in tegenstelling tot de Tweede Wereldoorlog is een vraag die in het Civis Mundi Jaarboek 2007, getiteld: Van Koude Oorlog naar oorlog tegen terrorisme expliciet aan de orde gesteld is (pp10-13). Terwijl de overwinning op het fascisme en nazisme jaarlijks gevierd wordt en de ontwikkeling van het naoorlogse politieke denken sterk beïnvloed heeft, is aan de overwinning van het wereldcommunisme veel minder belang gehecht, ja die overwinning werd zelfs onmiddellijk inzet van politieke controverse.

Anti-apartheidsstrijd  en Israëlisch-Palestijns conflict

Begin jaren ’80 is de nieuwe, etnisch gekleurde variant van de Nederlandse multiculturele samenleving en traditie en de daarmee samenhangende problematiek als een der eersten door Civis Mundi aan de orde gesteld.[8] De redactionele belangstellig voor de multi-etnische problematiek strekte zich spoedig tevens uit tot die in Zuid-Afrika. Die was daar nog veel nijpender en neteliger en de wijze waarop die daar was aangepakt was inmiddels een grote internationale steen des aanstoots geworden. Die problematiek intrigeerde daarom in wetenschappelijk opzicht nog veel meer. Op kleinere schaal, maar in sterk verhevigde mate worstelde dat land met fundamentele staatkundige en constitutionele vraagstukken, waarmee de moderniteit in de tweede helft van de vorige eeuw zowel op nationaal als internationaal niveau te maken kreeg als gevolg van versnelde dekolonisatieprocessen en allerlei nog bestaande vormen van intern kolonialisme die niet langer pasten in het moderne denken over de politieke en sociale orde.[9] Aan die problematiek is in Civis Mundi dan ook de nodige aandacht gewijd.[10]

In de nationale en internationale anti-apartheidsstrijd is in Civis Mundi een afwijkend standpunt ingenomen. Polarisatie, ongenuanceerd zwart-wit denken, isolering van de vijand e.d. wat in de Koude Oorlog van linkse zijde jarenlang fel gekritiseerd was, bleken in de anti-apartheidsstrijd ineens hoogste wijsheid te zijn. Wie, zoals Civis Mundi, in die strijd een meer genuanceerde opstelling koos en een zo volledig mogelijke isolering van Zuid-Afrika onder de apartheid, inclusief alle culturele (universitaire, literaire e.a.) contacten, ter discussie stelde en daartegenover een redelijk alternatief ontwikkelde[11], werd onmiddellijk genadeloos neergesabeld en beschuldigd van heulen met de apartheid. Pleidooien in Civis Mundi voor een constitutioneel hervormingsproces via onderhandelingen[12] werden in dezelfde geest bestreden en gebrandmerkt. Maar dankzij die in de anti-apartheidsstrijd zo omstreden weg is in Zuid-Afrika tenslotte een nieuwe constitutionele bedeling tot stand kunnen komen.

Dit was, zo leek het, de laatste fase in het naoorlogse dekolonisatieproces. Maar in het Israëlisch - Palestijnse conflict worden we nog steeds geconfronteerd met een ijselijk lang voortslepend dekolonisatieproces. Dit conflict is wel gekarakteriseerd als de laatste koloniale oorlog.[13] Het herinnert namelijk aan het Europees kolonialisme waarvan ontstaan en ontwikkeling van de staat Israël als een westerse enclave in een niet-westerse regio een laatste restant is. Door zijn etnisch-nationalistische en koloniale trekken, zoals een exclusief Joods karakter, discriminatie van Arabieren in Israël, kolonisatie en territoriale expansie via een consequent doorgevoerde nederzettingenpolitiek, ernstige belemmering van de bewegingsvrijheid van Palestijnen, enz., - een ontwikkeling waartegen de Joodse filosofen Martin Buber en Hannah Arendt nadrukkelijk gewaarschuwd hebben - toont de staat Israël onmiskenbaar verwantschap met het interne kolonialisme van het apartheidsbewind in Zuid-Afrika en deelt het daarmee een racistische oriëntatie. In afwijking van de heersende opinie in Nederland die te dien aanzien consequent wegkijkt van die pijnlijke realiteit - in zekere zin vergelijkbaar met het wegkijken tijdens de oorlog bij het wegvoeren van Joden naar Duitse concentratiekampen - is die realiteit in Civis Mundi herhaaldelijk onder de aandacht gebracht.[14]

Die nieuwe uiting van wat eerder als apartheid in Zuid-Afrika bestreden is wordt nu stilzwijgend geaccepteerd, nu Israël in het geding is. Voor de morele verontwaardiging over de apartheid in Zuid-Afrika die in de jaren ’80 hoog opliep, is er nu nauwelijks een voedingsbodem. Dat is wel verklaarbaar. Wat de staat Israël betreft, ontbreekt die vanwege de holocaust waaraan die staat zijn ontstaan dankt en waarin het eeuwenlange christelijk geïnspireerde antisemitisme in Europa in de 20e eeuw culmineert. De Palestijnen zijn het slachtoffer geworden van een Europese rekening die met de stichting van de staat Israël vereffend moest worden tegenover het eeuwenlang in Europa vernederde Joodse volk. Daardoor zijn de Palestijnen in een positie gebracht die zij op hun beurt als een ernstige vernedering ervaren. De staat Israël kan zich die politiek van vernedering veroorloven vanwege de schande van de holocaust. Dankzij die schande is Israël een staat geworden die zich weinig hoeft aan te trekken van internationaal recht en universeel geldende mensenrechten. Inzake de apartheid in Zuid-Afrika was er voor die morele verontwaardiging wel een voedingsbodem, omdat Nederlanders daarin het eigen koloniale en apartheidsverleden in verhevigde mate weerspiegeld zagen. De moreel gedreven anti-apartheidsstrijd was een nadrukkelijke afrekening hiermee.

Mislukte re-ideologisering van binnenlandse politiek

Terwijl de links gerichte publieke opinie sinds de jaren ’60 zoals gezegd steeds meer geneigd was de ideologische confrontatie in het Oost-West conflict te verdoezelen en te vervangen door een ideologie-vrije dialoog - voor de beoogde communistische gesprekspartners een contradictio interminis -, trad in de binnenlandse politiek tegelijk een streven op de voorgrond naar een re-ideologisering van de politieke verhoudingen om op die manier de oude politieke constellatie uit het ideologische tijdperk nieuw ideologisch leven in te blazen. Sociaaldemocraten deden dat met behulp van een polarisatiestrategie; christendemocraten door een radicalisering van de officieel beleden christelijke of evangelische inspiratie.

De politieke ontwikkeling is echter een heel andere kant opgegaan. Instrumenteel machtsdenken hand in hand met politiek specialisme, maatschappelijke pressies, toenemende invloed van de media en dergelijke bepalen in feite steeds meer het politieke beleid. Al laat de oude partijpolitiek de verbleekte ideologische vlaggen van weleer nog vrolijk wapperen in beginselprogramma’s die qua waardenoriëntatie nauwelijks nog een specifiek eigen kleur vertonen, kiezers trekken zich daar niets meer van aan. De kloof tussen politiek en burgers die is gegroeid als uitvloeisel van ontzuiling, ontideologisering en maatschappelijke individualisering is de prijs die de oude partijpolitiek betaald heeft voor haar onmacht zich op adequate wijze daaraan aan te passen. Daardoor is haar positie als intermediair tussen politiek en burgers sterk verzwakt. En daarmee ook haar maatschappelijke verankering.

Dat heeft die partijpolitiek vooralsnog kunnen compenseren door de partijfinanciering grotendeels op de staatskas af te wentelen en door haar greep op het openbaar bestuur te versterken en wel in zodanige mate dat zij de exclusieve toegangspoort geworden is tot de belangrijkste functies in dat bestuur. En die benoemingsmacht benut zij om de eigen achterban aan zich te binden, nu de ideologische banden van weleer weinig houvast meer bieden. Dat heeft wel tot gevolg dat de overgrote meerderheid van de bevolking (slechts 2 á 3 procent is lid van een politieke partij) uitgesloten is van publieke (bestuurs)functies. Een tendens die in Civis Mundi herhaaldelijk ter discussie gesteld is.[15]

Ter rechtvaardiging wordt wel aangevoerd dat lidmaatschap van een politieke partij burgerplicht is. Maar er is een aantal beroepen waar politieke onafhankelijkheid verondersteld wordt en waar een dergelijk lidmaatschap dus niet voor de hand ligt, zoals het beroep van wetenschappers, rechters, publicisten en journalisten van onafhankelijke bladen en media. Afgezien hiervan zijn er tal van burgers die zich allang moeilijk kunnen inpassen in onze verouderde politieke verhoudingen waarin bij verkiezingen nog altijd geen duidelijke politieke keuze te maken valt, hoewel dat al sinds de jaren ’60 aan de orde gesteld is, bijvoorbeeld door coalitievorming voor de verkiezingen via stembusakkoorden.[16] Dat verklaart ten dele ook het politieke succes van eerst de Fortuynrevolte en nu dat van Wilders.

Ideologische consensus als grondslag van nieuwe politiek

Tegenover de politieke onmacht van de oude politiek is in Civis Mundi sinds de jaren ’60 een politiek alternatief ontwikkeld met als vertrekpunt de ideologische consensus die in de tweede helft van de 20e eeuw dankzij convergentieprocessen van ideologische en sociologische aard is gegroeid[17] en die in de Koude Oorlog openlijk beleden is in de vorm van de eerder genoemde westerse waarden. Ook van Nederlandse zijde zijn die waarden in Atlantisch verband[18] beleden en bevestigd evenals in Europees verband als inspiratiebron van de Europese eenwording.[19] In aansluiting op die ideologische consensus is in Civis Mundi het publieke belang van een nieuwe politieke constellatie aan de orde gesteld die beter aangepast is aan sterk veranderende politieke en maatschappelijke verhoudingen.[20] In die geest heeft Civis Mundi ook de Fortuyn-revolte in 2002 beoordeeld en aangegrepen als een nieuwe mogelijkheid om het sterk verouderde politieke bestel op een nieuw democratisch spoor te zetten.[21]

Dat dat vooralsnog niet gelukt is heeft te maken met uiterst taaie tradities die deel uitmaken van onze historisch gegroeide nationale identiteit waarvan de realiteit nog altijd ter discussie staat, zoals bijvoorbeeld een intens gekoesterde diversiteitscultus, in onze grondwet belichaamd in een strikt evenredig kiesstelsel; een diepgewortelde regententraditie als krachtige rem op een directe verkiezing van de belangrijkste gezagsdragers en op de introductie van directe vormen van democratie; een collegiale bestuurstraditie die zich verzet tegen een grotere politieke rol van de minister-president, burgemeesters, enz.

Tegenover de onmacht tot politieke en bestuurlijke vernieuwingen steekt schril de innovatiemanie af in het onderwijs. Sinds de jaren ’60 heeft daar een progressieve vernieuwingsdrang jarenlang vrij spel gehad, culminerend in het idee van het studiehuis, dat wil zeggen de stille revolutie van ‘leren leren’ waarop in Civis Mundi met adequate kritiek gereageerd is[22] evenals op de reductie van universiteiten tot beroepsopleidingen en toeleverancier van de BV kenniseconomie.[23]

Als belangrijkste criterium van politieke indeling geldt sinds de Franse revolutie het links-rechts schema. Het polariserende karakter daarvan is in Civis Mundi sinds de jaren ’60 principieel ter discussie gesteld. Tegelijk is politieke ruimte en erkenning opgeëist voor het politieke midden als politieke opstelling en wel op basis van het polair-dialectische werkelijkheidsbesef dat de redactionele koers van stonde af aan mede bepaald heeft. In linkse en sinds de jaren ’60 ook in christendemocratische kring rustte op die opstelling een hardnekkig taboe. Inmiddels is dat taboe verdwenen en wordt het politieke midden door PvdA en CDA nu omarmd en verdedigd tegen nieuwe uitingen van politiek radicalisme. Maar erkennen dat men met het taboeiseren van het politieke midden fout zat, dat is kennelijk teveel gevraagd.

Machtsstreven gaat in Nederland in de regel zwaar gesluierd door het leven. Het presenteert zich bij voorkeur als invloed of bereidheid tot het nemen van verantwoordelijkheid. In afwijking hiervan is het machtsmotief in Civis Mundi onverhuld aan de orde gesteld en toegelicht als belangrijkste historische drijfkracht en bron van conflict.[24] Tegelijk is de ontwikkeling van de democratische rechtsstaat gepresenteerd als voornaamste constitutionele verworvenheid van de moderniteit, waarin naar plaats en tijd met wisselend succes getracht wordt machtsprocessen en het daarin besloten conflictpotentieel in redelijk verantwoorde juridische banen te leiden. De constitutionele ontwikkelingsproblematiek ervan is tevens in kaart gebracht en geanalyseerd evenals de problematiek van het herlevende politieke terrorisme in de jaren ’70 en na de Koude Oorlog als bedreiging van die democratie.[25]

Nationale identiteit, nationalisme en holisme

Tot de jaren ’60 ontleenden de meeste mensen hun identiteit primair aan de zuil waarin ze waren opgegroeid. Als reactie op de ontzuiling die sindsdien op gang komt heeft Civis Mundi het idee en het belang van een nationale i.c. Nederlandse identiteit aan de orde gesteld; een identiteit die inhoudelijk meer is dan iets louter negatiefs zoals tijdens de verzuiling en als zodanig een bijzonder facet van de culturele pluriformiteit van de Europese beschaving.[26] Dat botste echter op de spoedig heersende mentaliteit van de jaren ’60 generatie en werd dan ook afgestraft als een rechtse, want nationalistische aberratie, een foute opstelling dus. Bovendien zou die identiteit iets statisch uitdrukken in een wereld in voortdurende verandering. Daarbij gaat men echter uit van een conservatieve interpretatie van die identiteit. In Civis Mundi is die interpretatie nadrukkelijk ter discussie gesteld en gehekeld, o.a. ook bij het streven naar staatkundige en bestuurlijke vernieuwing zoals eerder opgemerkt.

In afwijking van de links gerichte publieke opinie die geneigd is het nationalisme op te vatten louter als een negatief fenomeen, daarbij uitsluitend uitgaand van ontaarde uitingen van nationalisme, is die politieke ideologie in Civis Mundi op meer genuanceerde wijze benaderd en beoordeeld: in eerste instantie als fundamentele drijfkracht in het moderne staatsvormingsproces en in het streven naar democratisering ervan.[27] Sinds de 19e eeuw is nationalisme namelijk de ideologische inspiratiebron geworden van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren. Als zodanig diende het als legitimatie van de nationale vrijheidsbewegingen in Europa en daarna in Azië en in Afrika en is het tenslotte in artikel 1 van de Internationale Mensenrechtenverdragen van 1966 als fundamenteel mensenrecht erkend, in Nederland niettemin het meest onbekende of genegeerde mensenrecht. In Civis Mundi is daar wel de nodige aandacht aan geschonken[28] zoals ook aan het belang van een adequate bescherming van nationale minderheden in multi-etnische staten, wat in Nederland evenmin gebruikelijk is.[29] Vooral het tragische lot van de Koerden als nationale minderheid in een aantal staten in het Midden-Oosten is in dit verband herhaaldelijk gesignaleerd.

Wat de afgelopen jaren in publicaties en discussies over nationalisme is opgevallen is tweeërlei: enerzijds het feit dat etnisch-nationalisme in dit land veel meer op afwijzing stuit dan staatsnationalisme; anderzijds dat het Franse staatsnationalisme in de geest van president De Gaulle hier als kwalijk fenomeen aan de kaak is gesteld en bestreden in tegenstelling tot het niet minder overtuigde en dagelijks op scholen beleefde Amerikaans staatsnationalisme. Het laatste heeft, lijkt het, te maken met de sterk Angelsaksische oriëntatie van Nederland; het eerste met het Nederlandse nationale besef. Dit land ziet en beleeft zichzelf namelijk veel meer als staats- dan als cultuurnatie. Vandaar ook dat de eigen taal hier als identiteitsbepalende factor veel minder erkend wordt dan in landen met een sterker cultureel zelfbewustzijn zoals Engeland, Frankrijk, Duitsland enz.

Er is in Nederland veel meer interesse voor de kennis van landen ver weg dan dichterbij zoals voor onze zuiderburen. In Civis Mundi is dat niet alleen gekritiseerd, maar is met oog op het Europese integratiestreven tevens het belang onderstreept van versterkte culturele samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen en gestructureerde politieke samenwerking in Benelux-verband.[30]

Het samengaan van nationalisme en internationalisme is geen probleem, als uitgegaan wordt van het polair-dialectische werkelijkheidsbesef dat aan het redactionele beleid van Civis Mundi ten grondslag ligt. Vandaar dat Europese integratie met een federaal georganiseerd Europa als uitkomst in Civis Mundi van harte gesteund is[31] evenals de ontwikkeling van mondiale instituties ter behartiging van mondiale belangen.[32] Dat rijmde ook volledig met het holistische en integrerende denken dat het redactionele beleid eveneens gestempeld heeft[33] en de nieuwe koers van Civis Mundi zoals gezegd mede bepaalt. In afwijking van het in intellectuele kringen dominerende nihilistische wereldbeeld en levensbesef is de daarin vooronderstelde zinloosheid van het leven de afgelopen jaren niet alleen ter discussie gesteld, maar is de speurtocht naar nieuwe bronnen van zingeving tevens met klem ondersteund. Om de zinvraag in een ruimer, i.c. transcendent perspectief te plaatsen is voorts de mogelijkheid van een postmortaal levensperspectief aan de orde gesteld als serieus te nemen discussiepunt, al rust op een dergelijke perspectief in intellectuele kringen inmiddels ook een taboe.[34]

Dat dit tijdschrift die dissidente koers bijna een halve eeuw volgehouden heeft, kan geduid worden als een goed teken. Er is gelukkig de nodige ruimte om dat te doen. Wel is die ruimte groter naarmate de kring dergenen die er kennis van kunnen nemen, kleiner is. Hoe kleiner die kring namelijk, hoe minder bedreigend voor de heersende opinie. Voor het afwijken van de heersende mening moet gemeenlijk een prijs betaald worden. Wie dat doet, wordt in eerste instantie meestal niet gehoord, al gebruikt hij een megafoon om zijn gelijk uit te schreeuwen. Hij krijgt dat gelijk in eerste instantie niet, maar op termijn, in tweede instantie vaak toch wel. Dat geldt ook voor de dissidente koers van Civis Mundi. Zo’n koers heeft in de regel een linkse achtergrond gehad. Wat Civis Mundi betreft, was dat niet het geval. Die afwijkingen hadden steeds een centrumpolitieke oriëntatie als uitgangspunt.

Conservatief/rechts?

Behalve een dissidente is Civis Mundi ook een conservatieve of rechtse opstelling toegedicht. Maar dat klopt veel minder. Wel is in Civis Mundi al vroegtijdig de aandacht gevestigd op het reveil van een conservatieve tegenstroming tegenover de dominantie van links geheten gedachtegoed.[35] In de jaren ’60 deelde dit tijdschrift de waarden van vrijheid, democratie en authenticiteit die toen met veel elan als bronnen van vernieuwing op de voorgrond traden. Die vernieuwing manifesteerde zich zowel in de politieke als in de spirituele component van de toenmalige tegencultuur. Op beide componenten is in Civis Mundi in lijn met de eigen uitgangspunten ingespeeld. De politieke component is operationeel gemaakt in publicaties en activiteiten ten dienste van partijvernieuwing, staatkundige en bestuurlijke vernieuwing[36] en een nieuwe visie op onze grondwet[37] alsook in initiatieven tot democratische burgerschapsvorming[38] die uitgemond zijn in de oprichting van een Nederlands Centrum voor Democratische Burgerschapsvorming dat in de jaren ’90 opgegaan is in het Instituut voor Publiek en Politiek[39]. Op de seksuele revolutie is ook in positieve zin ingespeeld.[40] Wel werd de reductie van liefde als holistische passie tot seksuele onderbuikgevoelens niet als progressie maar veeleer als decadentie aangemerkt.

De Europese integratie met een federaal georganiseerd Europa als uitkomst is in Civis Mundi zoals gezegd van harte toegejuicht als voorwaarde voor een transparant en democratisch functioneel Europa. In de huidige tweeslachtige opzet (een samengaan van federale en confederale elementen) is een dergelijk Europa uitgesloten. De ontwikkelingskansen van genetische modificatie zijn in Civis Mundi vroegtijdig onderkend en gesignaleerd.[41] Last but not least is het grote belang van duurzame ontwikkeling in samenhang met het bevolkingsvraagstuk nadrukkelijk aan de orde gesteld[42] evenals het belang van nieuwe vormen van spiritualiteit en religiositeit als reactie op het verval van de traditionele godsdienstbeleving en de crisis van het secularisme.[43]

De maatschappijkritische functie die eerder genoemd werd als uitvloeisel van de redactionele koersbepaling en tot een aantal dissidente stellingnames inspireerde, past ook niet in het conservatieve of rechtse imago dat Civis Mundi is toegedicht. Wel zijn de vernieuwingsprocessen waarvan het belang in dit tijdschrift onderkend en ondersteund is steeds aan de orde gesteld zonder in polariserend radicalisme te vervallen zoals dat in de revolte van de jaren ’60 en ’70 gebruikelijk was.[44] Dat had te maken met het eerder genoemde polair-dialectisch werkelijkheidsbesef en een daarop gebaseerde centrumpolitieke oriëntatie. In de jaren ’60 en ’70 behoorde dat polariserende radicalisme wel tot de bon ton van al wat zich als links en progressief presenteerde. En wie daarin niet mee ging werd al gauw niet als links of progressief aangemerkt. Nu zien we juist het omgekeerde, ook in links geheten kringen. Radicalisme behoort daar niet langer tot de bon ton.

Het redactionele beleid overziende heeft Civis Mundi als eigen-aardig kind van de jaren ’60 een eigen rol gespeeld in het signaleren en analyseren van de thematiek en problematiek van de moderniteit als nieuw beschavingstype. Dat is gedaan in aansluiting op de moderniseringsprocessen die sinds de jaren ’60 in een versnelling raakten als gevolg van de ontzuiling van onze samenleving en cultuur. In het laatste jaarboek van Civis Mundi, Moderniteit als nieuw beschavingstype, (2009), is die thematiek ter afronding in een overzichtelijke samenhang gesitueerd en gepresenteerd. In de eerder geschetste nieuwe koers bouwt de stichting Civis Mundi daar als historische erfenis op voort.

 


 

[1] Zie Y. Stein, Veertig jaar afwijken, Trouw 29 november 2002

[2] E. de Kuyper, Gemengde gevoelends, 2000, p. 226; idem, Een vis verdrinken, 2001, p. 99

[3] Rentes de Calvalho, Waar die andere god woont, 1992

[4]  Zie, Vrije gedachte en de zin van de geschiedenis, Civis Mundi ,2, 2002

[5] Zie, Wetenschap en Politiek, Civis Mundi, 6/7, 1992; en Wetenschap en politieke ideologie, Civis Mundi, 3/4 , 1975

[6] Zie, Het afschrikkingsevenwicht ter discussie, Civis Mundi september/oktober 1972; en De kruisrakettenkwestie, oktober 1986

[7] Zie Cold War History en Journal of Cold War Studies en daarnaast het in de VS gevestigde prominente Cold War International History Project. Zie in dit verband ook  Yvan Vanden Berghe, De Koude Oorlog, 5e volledig herziene druk, 2009

[8] Zie, De Nederlandse Natie, Civis Mundi Jaarboek 1981; en Het vraagstuk der etnische minderheden, Civis Mundi september 1982

[9] Zie Kolonisatie en dekolonisatie: een evaluatie in historisch en mondiaal perspectief, Civis Mundi, 2, 1989; i.h.b. daarin C.A.O van Nieuwenhuijze en L.A.V. Metzemaekers, Dekolonisatie en intern kolonialism., (Deze auteurs onderscheiden een vijftal typen van intern kolonialisme)

[10] Zie o.a. Zuid-Afrika op weg naar een nieuwe toekomst, Civis Mundi, april 1985; Discussie over Zuid-Afrika ,Civis Mundijuli 1986; Zuid-Afrika op weg naar een nieuwe toekomst, Civis Mundi 4, 1993; en Apartheid, Anti-apartheid en Post-apartheid, Jaarboek Civis Mundi, 2008

[11] Zie Sancties tegen Zuid-Afrika: Een kritische toetsing en een redelijk alternatief. Uitgave Stichting Civis Mundi, 1987

[12] Zie noot 12

[13] Zie R. Fisk, The Great War of Civilization. The Conquest of the Middle East, 2003

[14] Zie o.a. C.A.O van Nieuwenhuijze en L.A.V. Metzemaekers, aw (zie noot 10); S.W. Couwenberg, De staat Israël een vorm van intern kolonialisme, Civis Mundi 4, 1998; idem Moderniteit als nieuw beschavingstype, Civis Mundi Jaarboek 2009, pp 275-277

[15] Zie o.a. Het benoemingsbeleid en het vraagstuk van de machtsverdeling, Civis Mundi I septemer/oktober en II november/december 1974; en Moderniteit als nieuw beschavingstype, Civis Mundi jaarboek 2009 p. 198-201

[16] Zie Bieden verkiezingen een relevante politieke keuze?, Civis Mundi 1, 1994

[17] Zie Ideologie en moderniteit, Civis Mundi I, 2 en II, 3/4, 1997

[18] Zie artikel 2 Noord-Atlantisch Verdrag van 1949

[19] Zie preambule Statuut voor de Raad van Europa van 1949

[20] Zie Problemen der Democratie, Civis Mundi I, 1965 en II, 1967; Partijvernieuwing, Oost-West september 1968; Politieke Vernieuwing 1966-1971, Civis Mundi, 3, augustus 1971; Politieke vernieuwing anno 1975, Civis Mundi mei 1975; Hoe wordt de samenleving het best ingericht? Civis Mundi Jaarboek 1987, p 105-148; Toekomst politiek in het postideologische tijdperk I, Civis Mundi 3 en II, 4, 2005; en Opstand der Burgers, Civis Mundi Jaarboek 2004, p 97 e.v.

[21] Zie Opstand der burgers de Fortuyn-revolte en het démasque van de oude politiek, Civis Mundi Jaarboek 2004, p. 97 e.v.

[22] De stille revolutie van ‘leren leren’, Civis Mundi 2, 1999

[23] Zie B.C. van Houten, Wetenschappelijke theorie en politieke praxis, Civis Mundi, 6/7, 1972; Universiteit: alma mater of concurrerende partij op de kennismarkt?, Civis Mundi 3/4 1999

[24] Zie o.a. Geschiedenis als noodlot, Civis Mundi Jaarboek 2004; en Moderniteit als nieuw beschavingstype, Civis Mundi jaarboek 2009, p 263-266

[25] Zie o.a. Problemen en democratie, Civis Mundi I en II, 1966/1967; Communicatiemedia en democratie, Civis Mundi, september 1975; Verdediging democratische rechtsstaat anno 1977, Civis Mundi I mei 1977, II juli 1977; Constitutionele ontwikkelingsperspectief der westerse democratie, Civis Mundi I, 6, 1978 en II, 2, 1979; Het vraagstuk van het terrorisme, Civis Mundi, 5, 1978; en Van Koude Oorlog naar oorlog tegen terrorisme, Civis Mundi Jaarboek, 2007

[26] Zie De Nederlandse natie, Civis Mundi Jaarboek 1981; Nederlandse identiteit. Van Nederlands probleem tot Nederlandse uitdaging, Civis Mundi Jaarboek 2001; en Nederlandse en Vlaamse identiteit, Civis Mundi Jaarboek 2006

[27] Zie Tussen nationalisme en supranationalisme, Oost-West augustus/september 1965; Nationaliteiten en zelfbeschikkingsrecht, Civis Mundi 3, 1990; Een volk, een staat, Civis Mundi, 1, 1995; en Moderniteit als nieuw beschavingstype, Civis Mundi Jaarboek 2009, p. 127 e.v.

[28] Zie Nationale soevereiniteit en zelfbeschikking. Actuele problematiek en perspectief, Civis Mundi I, november 1977 en II, januari, 1978

[29] Zie o.a. Wij zijn anders!, Civis Mundi 4, 1998

[30] Zie themanummer over België, Civis Mundi 8, 1972; Opstand der Burgers, Civis Mundi jaarboek 2004, p 207-220 en p 224-225; en Nederlandse en Vlaamse identiteit, Civis Mundi Jaarboek 2006 passim

[31] Zie o.a.Van Klein naar Groot Europa?, Oost-West, 2, 1967; Europese integratie en Europese cultuur, Civis Mundi I, 1990; en Europa quo vadis?, Civis Mundi 3/4, 2000

[32] Zie De wereldmaatschappij, Civis Mundi I, januari 1972  en II februari 1972 ; Mondiale integratie: wereldbestuur als actuele opdracht, Civis Mundi 1, 2001

[33] Zie o.a. Integraal denken en reductionisme, Civis Mundi, 4, 1984

[34] Zie o.a. Zingeving als specifiek modern probleem, Civis Mundi, 1, 1996; Theïsme, atheïsme en de zin van het leven, Civis Mundi, 3, 1996; Karma, reïncarnatie en de roep om zingeving, Civis Mundi Jaarboek 1997; en Is elk zijn tot niet-zijn geschapen?, Civis Mundi 1, 2009

[35] Zie o.a. Conservatieve Renaissance, Civis Mundi 3, 1987 ; en Conservatisme niet langer taboe, Civis Mundi 4, 1996

[36] Zie noot 19

[37] Zie o.a. De grondwet als bron van normativiteit en identiteit, Civis Mundi 3/4, 2003

[38] Zie Burgerschap en burgerschapsvorming in onze tijd, Oost-West, november/december 1966; Participatie aan het wereldgebeuren, Civis Mundi I, april 1971en II maart 1978; en Burgerschapsproblematiek opnieuw ter discussie, Civis Mundi 2, 2009

[39] Zie J. van Meeuwen, Afscheid van 25 jaar Nederlands Centrum voor Democratische Burgerschapsvorming, 1992

[40] Zie Seksuele revolutie, Oost-West I, april 1966, II november/december 1969; Seksuele emancipatie, Civis Mundi mei 1978; en Seksuele revolutie ter discussie, Civis Mundi Jaarboek 2003

[41] Zie Genetische manipulatie en menselijke evolutie, Civis Mundi 4 , 1990

[42] Zie Duurzame Ontwikkeling als mondiaal probleem, Civis Mundi 3, 2002; en Duurzame ontwikkeling en bevolkingsgroei als mondiaal probleem, Civis Mundi 2/3, 2008

[43] Zie o.a. Betekenis spiritualiteit en spirituele bewegingen in onze tijd, Civis Mundi oktober 1985; en Op zoek naar nieuwe spiritualiteit, Civis Mundi, juni 1987

[44] Zie Radicalisme in onze tijd, Oost-West, juni/augustus 1970