Herlevende maatschappijkritiek op neoliberale marktideologie

Civis Mundi Digitaal #2

door Wim Couwenberg

Herlevende maatschappijkritiek op neoliberale marktideologie

Wim Couwenberg

 

Evenals vorige toonaangevende elites zijn het de afgelopen jaren neoliberaal geïnspireerde economische elites van ondernemers en managers geweest die tekenen van zelfoverschatting en arrogantie van de macht toonden. Dit blijkt ook uit de vanzelfsprekendheid waarmee zij geneigd waren hun economische normen en waarden aan de hele samenleving op te dringen en de leefwereld van burgers aan hun prioriteiten te onderwerpen met toenemende ondermijning van de autonomie en beroepseer van professionals[1] als gevolg van een totale economisering van de samenleving. Ook de academische wereld is daaraan ten offer gevallen met een verval van academische waarden als consequentie.[2] Dat evenals de neoliberale privatiseringsagenda die ook de staat steeds meer onderwerpt aan de wetten van de marktwerking begon de laatste jaren de nodige irritatie te wekken en verzet tegen de uitwassen van dit nieuwe "superkapitalisme".[3] Nadat het socialistische dogma van een door de staat geleide economie uitgewerkt was als hefboom van maatschappelijke vooruitgang, is marktwerking door neoliberaal geïnspireerd marktfundamentalisme verbreid als overal inzetbaar probleemoplossend instrument - buiten de markt geen heil, zoals Milton Friedman verkondigde - en is het op zijn beurt een nieuw economisch dogma geworden met bijbehorende oogkleppen dat nu duidelijk op zijn grenzen stuit.

Al heeft het kapitalisme door die defecten en uitwassen aan herwonnen glans en prestige flink ingeboet - onder invloed van de schok van de kredietcrisis werd zelfs even van een implosie van het kapitalisme gerept -, dat betekent niet dat zijn grondprincipes opnieuw ter discussie staan. Wel heeft de euforie rond marktwerking plaats gemaakt voor herlevende maatschappijkritiek. De pendule van meer markt, minder staat is te ver doorgeslagen. Als publieke belangen in het spel zijn kan de staat niet buiten beeld blijven. Marktwerking is goed zolang het werkt, en aan bepaalde maatschappelijke en culturele voorwaarden voldaan wordt. In de huidige situatie wordt daarbij in het bijzonder gedacht aan een meer adequate institutionele inbedding van de economie (beter toezicht op functionering markten en financiële beleidscoördinatie op internationaal niveau) en bepaalde morele correcties (maatschappelijk en duurzaam ondernemen).[4] Die correcties gelden ook voor de economische wetenschapsbeoefening. Die gaat er nog altijd vanuit dat mensen uitsluitend hun eigenbelang nastreven. Het is een beroepsdeformatie van economen, aldus een hoogleraar Economie, om dat te veronderstellen. Ze hebben er daardoor geen oog voor dat in intermenselijke relaties ook onderling vertrouwen en een zeker altruïsme (elkaar wat gunnen) een rol spelen. Dat zou immers hun hypothese ondergraven dat economische processen uitsluitend draaien om rationeel keuzegedrag en maximalisatie van eigen nut. Als ze dat prijsgeven, stort het  hele theoretische bouwwerk in elkaar, waarop hun vak steunt.[5]

 

 

Rijnlands model als derde weg[6]

Het Rijnlandse overlegmodel waarvan de sociale markteconomie in de Duitse Bondsrepubliek na de oorlog een succesvol voorbeeld was, getuige het daardoor gecreëerde Wirtschaftswunder, doet als alternatief opnieuw opgeld, ook in sociaaldemocratische kringen, nadat het onder de neoliberale euforie een tijdlang als ‘ouderwets’ was verguisd en ingeruild voor het Angelsaksische model. In Nederland werd nog wel lippendienst bewezen aan het Rijnlandse model, maar door toenemende verstrengeling met de Amerikaanse economie via fusies, samenwerkingsverbanden en gezamenlijke belangen werd het in feite steeds meer verloochend. Het wordt nu opnieuw aangeprezen als een derde weg tussen het socialistische concept van de verzorgingsstaat en het laissez-faire kapitalisme waarvan het Angelsaksische model een nieuwe versie is. Het is een alternatief waarin drie cruciale principes hand in hand gaan, te weten vrijheid, ordening en gemeenschapszin. Het herstelt daarmee de menselijke maat die in het eendimensionale neoliberale maatschappijbeeld (door de verabsolutering van de economische dimensie) teloor is gegaan.[7] Meer overheidsregulering is echter niet zonder meer de oplossing, wel een regulering die op efficiënte wijze inspeelt op de problemen van de markteconomie en zich dus op internationaal (Europees of mondiaal) niveau voltrekt als het om transnationale economische processen en problemen gaat.

 


[1] Zie o.a. C.D.V., zomer, 2005

[2] Zie o.a. Universiteit: Alma Mater of concurrerende partij op de kennismarkt?, Civis Mundi, 3/4, 1999

[3] Zie o.a. R. Reich, Supercapitalism: The Transformation of Business, Democracy and Everyday Life, 2007; F. Ankersmit en L. Klinkers (red.), De tien plagen van de staat, 2008; A. van der Zwan, Van Drees tot Bos,2008; en M. ten Hooven en J. Prij, Hoe het "superkapitalisme" te beteugelen?, CDV, Zomer 2008

[4] Zie o.a. A. Hemerijck e.a. (eds.) Aftershocks. Economic Crises and Institutional Choice, 2009

[5] Zie B. Nooteboom, De economie kan niet alleen op egoïsme varen, Trouw, 1 september 2010.

[6] Zie o.a. J.J. Brouwer en P. Moerman, Angelsaksen versus Rijnlanders, 3e druk, 2010

[7] Voor een theoretische fundering van dit model zie W. Röpke, Civitas Humana. Grundfragen der Gesellschafts- und Wirtschaftsreform, 1944