Afscheid van het CDA als politieke echtscheiding

Civis Mundi Digitaal #3

door Wim Couwenberg

Afscheid van het CDA als politieke echtscheiding

Onttovering van een religieus-politiek fenomeen

Wim Couwenberg

Geïdealiseerd beeld van het CDA

Als protest tegen de politieke samenwerking van het CDA met de PVV hebben 350 leden hun lidmaatschap opgezegd. Het dagblad Trouw liet drie ervan, waaronder de politiek filosoof Henk Woldring, aan het woord. Dat afscheid viel, zo blijkt uit de interviews met hen, heel zwaar. Het werd vergeleken met een echtscheiding. Tot hun verbazing kwamen ze tot de ontdekking dat het hun partij uiteindelijk om de macht gaat. Het CDA werd door hen jarenlang beleefd als een warm politiek tehuis, waar godsdienstige, i.c. christelijke principes en idealen voorop stonden. Dat is inmiddels geschiedenis geworden. Van stonde af aan was dat trouwens een geïdealiseerd beeld van het CDA.

     Al is ter verklaring van de totstandkoming van het CDA in een dissertatie daarover[1] terecht grote nadruk gelegd op de behoefte aan een expliciete relatie tussen christelijk geloof en politiek handelen, in de praktijk is dat toch blijven steken in "wishful thinking". Dankzij de vorming van het CDA als grootste partij kregen christendemocraten namelijk opnieuw de regie in de Nederlandse politiek in handen. De behoefte aan evangelische getuigenispolitiek is daardoor spoedig geweken voor de eisen van de praktische politiek. Het was de bij de voorbereiding van het CDA nauw betrokken ARP-voorzitter A. Veerman[2] die dat eind jaren ’70 al signaleerde, toen hij opmerkte dat het appèl op de geloofsovertuiging in de CDA-fractie geen enkel effect sorteert. Daar bekommert men zich alleen nog om de vraag: hoe zal een bepaald standpunt overkomen bij de kiezers en welk effect heeft dat op de positie van het kabinet? Als het zo doorgaat, is het gedaan met de antirevolutionaire invloed in het CDA, waarschuwde Veerman. Een jaar later bekende de toenmalige CDA-minister van Justitie Job de Ruiter[3], zelf behorend tot de AR-bloedgroep in het CDA, dat hij de verbinding van christendom met politiek als een bijna ondragelijke last ervoer. Vooral in de zaak-Spijkers heeft hij dat op pijnlijke wijze ervaren.[4]

     Afgezien van wat uiterlijk christelijk politiek vertoon onderscheidt het CDA zich al lang weinig meer van gewone seculiere partijen. Het is om een ouderwetse term uit het traditioneel-christelijke denken te citeren in vergaande mate ‘wereldgelijkvormig’ geworden, niet alleen in, maar ook van de wereld (saeculum). Voor een principiële christendemocraat als Henk Woldring[5] is een christelijke partij alleen plausibel als haar christelijke identiteit op integere, authentieke en spirituele wijze zichtbaar wordt. Vandaar zijn verzet tegen het vereenzelvigen van christelijke partijen en organisaties met de heersende moderne burgerlijk-liberale cultuur en haar belangen. Maar de assimilatie met die cultuur is al jarenlang gaande.

Succes CDA dankzij een unieke combinatie van Hollandse dominees- en koopmanstraditie

In de wereld van de politiek draait het vooral om de vraag hoe succesvol met macht om te gaan, hoe derhalve de daarbij behorende regels van politieke strategie en tactiek op effectieve wijze te hanteren. Daarvoor heeft de christendemocratie dankzij haar langdurige machtsuitoefening een sterk instinct ontwikkeld. Geen partij heeft met zoveel succes de principiële attitude van de Hollandse domineestraditie en de pragmatische houding van de niet minder Hollandse koopmanstraditie weten te combineren met enerzijds een welluidend appèl op hoge ethische beginselen dat het Hollandse geweten aanspreekt en anderzijds in de geest van de koopmanstraditie een heel pragmatische opstelling als het op zakendoen aan komt en dus een hoge mate van politieke flexibiliteit, kortom een doeltreffende melange van politiek moralisme en realisme. Dat realisme is vooral te danken aan de inbreng van de katholieke staatkunde.

     In een recente verkenning van het huidige partijlandschap wordt het CDA in Elsevier gekarakteriseerd als een gladde machts- en carrièremachine die heel slim inspeelt op alle mogelijkheden die de moderne techniek aanreikt ter instandhouding van zijn machtspositie.[6] De evangelische radicaliteit die bij de ideologische voorbereiding aanvankelijk zo’n vurig gekoesterde optie was, is een vrome herinnering geworden. De evangelische bevlogenheid van de jaren ’70 was een sterk tijdgebonden fenomeen, wereldvreemd ook, althans in een partij met zo’n sterke gouvernementele oriëntatie als het CDA, maar in die jaren niettemin naar buiten toe vreselijk serieus genomen.

Ideologie als politiek vlagvertoon

Sinds het einde van de Koude Oorlog leven we in het postideologische tijdperk. Niettemin leeft bij uit het ideologische tijdperk voortgekomen partijen als het CDA en de PvdA nog steeds een zekere nostalgie naar dat tijdperk, toen hun politieke identiteit nog verankerd was in een eigen ideologisch herkenbare grondslag. De ideologie die zij nu nog in beginselprogramma’s of -verklaringen uitdragen, is verschrompeld tot niet veel meer dan politiek vlagvertoon waaraan men blijft hechten om althans de suggestie te wekken dat men in ideologisch opzicht nog iets eigens vertegenwoordigt. Vergeleken met de beginselprogramma’s uit het tijdperk van de verzuiling heeft die ideologie echter nauwelijks nog een specifiek eigen kleur en duidt zij slechts op een vage en bewust algemeen gehouden waardenoriëntatie, die men naar bevind van zaken interpreteren kan, zoals een voormalig CDA-ideoloog de ideologische grondslag van zijn partij eens omschreef.[7] In feite wordt de politiek allang voornamelijk bepaald door maatschappelijke druk, wetenschappelijke expertise, politieke haalbaarheid en actuele kwesties en stokpaardjes. Personificatie van politieke macht en visie wordt daarbij steeds meer een nieuwe bron van politieke identificatie in plaats van de oude ideologie. Die veronderstelt een wijsgerig gefundeerde, samenhangende visie op mens en samenleving. En die is ver te zoeken in de hedendaagse politiek, waar instrumenteel denken en politiek specialisme de toon zetten.

     De razendsnelle omschakeling van decennia neoliberale aanbodeconomie naar een kras stimuleringsbeleid à la Keynes als reactie op de kredietcrisis, zoals we sinds 2008 bij regeringen in Europa en de VS konden waarnemen, bood een aardige illustratie van de ondragelijke lichtheid van het ideologische denken in deze ideologisch sterk verzwakte tijd. Razendsnel was trouwens niet minder de bekering van communistische ideologen en machthebbers tot de sociaal democratie, toen de machtsbasis waarop hun communistische ideologie steunde ineens wegviel.

Welke christelijke beginselen?

Het principiële verzet tegen samenwerking van het CDA met de PVV in de media en op het CDA-congres begin oktober jl. werd voornamelijk gebaseerd op de christelijke beginselen van het CDA die met die samenwerking verloochend zouden worden. Die beginselen worden ook aangeroepen door CDA-leden die hun partij trouw blijven en in Trouw gelegenheid kregen dat toe te lichten. Het CDA, zo schrijven zij, zou de enige grote partij zijn, waar op die beginselen een beroep kan worden gedaan. Maar om welke beginselen gaat het dan eigenlijk? Dat is in heel die discussie niet erg duidelijk geworden. Welke beginselen binden CDA-leden? Dat zijn niet beginselen, rechtstreeks ontleend aan bijbel of evangelie, maar aan de christendemocratische politieke overtuiging als antwoord op wat bijbel of evangelie van christenen in de politiek vraagt. Als we die overtuiging, zoals die in een aantal beginselen vertaald is, nader bekijken, blijkt dat zij niets specifiek christelijks hebben, reden waarom het CDA ook een moslimachterban gekregen heeft met moslim-Kamerleden, -statenleden en raadsleden.

Zo maakt het christendemocratisch geheten beginsel van publieke gerechtigheid, nader ingevuld als een politieke keuze voor de principes van de democratische rechtsstaat en de mensenrechten, allang deel uit van de liberaal-democratische beschavingstraditie. En dat geldt ook voor het beginsel van gespreide verantwoordelijkheid, waarin het oorspronkelijk katholieke beginsel van subsidiariteit en het reformatorische beginsel van soevereiniteit in eigen kring in één concept geïntegreerd zijn. Het christen-democratische beginsel van de verantwoordelijke samenleving is een in christelijke termen gepresenteerde versie van de oorspronkelijke liberale idee van de civil society. Wat het rentmeesterschap als christendemocratisch kernbegrip betreft, dat is in deze tijd praktisch identiek met het streven naar duurzame ontwikkeling. Van christen-democratische zijde is het christendemocratische karakter van die beginselen herhaaldelijk zelf in twijfel getrokken.[8]

Welke koers is christendemocratisch?

Wat de politieke opstelling en koers van het CDA betreft, de discussie daarover leeft weer op, zoals vooral in het dagblad Trouw tot uiting komt. Daaruit blijkt dat op grond van die veel aangeroepen christelijke beginselen een heel uiteenlopende koers gekozen kan worden. Zo is sinds de oprichting van het CDA tot in de jaren ’90 een politieke middenpositie principieel afgewezen, want niet te rijmen met een evangelisch-radicale opstelling. Daarna is die middenpositie geruisloos omarmd als de vaste stek van christendemocratische politiek. Maar nu verkondigt CDA-minister Hans Hillen dat christendemocratische politiek vanzelfsprekend een conservatieve politiek is. In Trouw wordt hij daarin bevestigd door de Leidse hoogleraar Kiezersonderzoek J. van Holsteyn. Maar opkomen voor zo’n conservatieve koers was in het CDA jarenlang nog meer vloeken in de christendemocratische kerk dan een lans trekken voor een politieke middenpositie. Hoe geloofwaardig is een partij voor kiezers met zo’n uiteenlopend zelfbeeld?

In deze tijd is er op tal van terreinen sprake van een crisis rond woord en beeld. Representeren ze nog iets? Hebben ze ons nog iets te zeggen of is het gebakken lucht? Die representatiecrisis zien we niet alleen op het terrein van de religie, de kunst en de media, maar ook op dat van de (partij)politiek[9]. Gaat het daar nog over iets reëels of wordt met allerlei ongrijpbaar geworden clichés uit het voorbije ideologische tijdperk een politiek schimmenspel opgevoerd ter instandhouding van de status-quo?

            In plaats van ideologisch gedreven politieke organisaties zijn partijen in het postideologische tijdperk van deze tijd geruisloos getransformeerd in politieke families van burgers met politieke/bestuurlijke ambities die met mediagenieke leidersfiguren als boegbeeld en communicatiestrategieën als marketing en focusgroepen streven naar maximalisatie van machtsposities (zetels en bestuursposities), zoals in Amerika allang praktijk is. Partijen veranderen nu ook met het type leiderschap dat daarin op de voorgrond treedt. Nu hun bestaansreden niet langer ideologisch gelegitimeerd is moeten zij die bij iedere verkiezing opnieuw waar maken op een politieke (kiezers)markt met overwegend zwevende kiezers.

Impliceert politieke onafhankelijkheid ondermaats burgerschap?

Goed burgerschap impliceert lidmaatschap van een politieke partij, stelt Woldring in het interview met hem in ‘Trouw’. Is hij nu niet langer een goede burger? Dat is natuurlijk onzin. Ik heb het CDA in de voorbereidingsfase al verlaten, toen ik in de gaten kreeg dat er weinig ruimte zou zijn voor een zekere zelfstandige en kritische opstelling en voor open discussies over uitgangspunten en beleid. Maar dat betekent niet dat je daarmee geen goed politiek actief burger kunt zijn. Ik heb allerlei politieke initiatieven genomen - bijvoorbeeld het initiatief tot oprichting van een Centrum voor Democratische Burgerschapsvorming en een actiecomité ‘referendum ja’ - en ik ben in Civis Mundi en andere media mee blijven denken over politieke ontwikkelingen en problemen in nationaal en internationaal verband. Politieke onafhankelijkheid impliceert wel dat je niet alleen niet meer in aanmerking komt voor politieke functies, maar in de regel ook niet meer voor functies in het openbaar bestuur. Zoals in het eerste nummer uiteengezet, is artikel 3 van onze grondwet sinds lang een lege huls in onze partijendemocratie. Dat betekent dat zo’n 98% van de bevolking uitgesloten is van functies in het openbaar bestuur.

 


[1] Zie H.M. ten Napel, ‘Een eigen weg’. De totstandkoming van het CDA (1952-1980), 1992, p. 325

[2] Zie speciaal nummer Anti Revolutionaire Staatkunde over 100 jaar ARP, 1979. In dezelfde zin ook oud-voorzitter van de ARP, H.A. de Boer

[3] Zie AR-Staatkunde, februari 1980

[4] Die last ondervond deze CDA-minister namelijk op navrante wijze in de geruchtmakende zaak- Spijkers die jarenlang een smet geworpen heeft op de integriteit van de overheid en teruggaat tot een door Spijkers niet uitgevoerde opdracht tot liegen die hem namens deze minister was opgelegd.

[5] Zie H.E.S. Woldring, Op zoek naar openheid, in: S.W. Couwenberg (red.), Geloof en christendom in de jaren negentig, Civis Mundi jaarboek 1992, p. 59 e.v.; idem, Cultuur, christendom en identiteit, CDV, 8, 1992; idem, Politieke filosofie van de christen-democratie, 2004

[6] Zie E. Vrijsen, Het CDA als machtsmachine, Elsevier, 21 juni 2008

[7] Zie A.C. Zijderveld, Staccatocultuur, flexibele maatschappij en verzorgende staat, 1991 p 37

[8] Zie o.a. J. Boukema, De terugtredende staat, CDV, 7/8, 1985; A.C. Zijderveld, Staccatocultuur, flexibele maatschappij en verzorgende staat, 1991, p. 37; en B. de Vries, De christelijke politiek voorbij?, CDV, 9, 1994

[9] Zie I. Bulhof en R. van Riessen (red.), Als woorden niets meer zeggen..., 1995; en I. Bulhof en R. Welten (red.), Verloren presenties. Over de representatiecrisis in religie, kunst, media en politiek, 1996.