De maakbare mens: utopie, dystopie of realiteit?

Civis Mundi Digitaal #3

door Maartje Schermer

De maakbare mens: utopie, dystopie of realiteit?

Over transhumanisten, bioconservatieven en een derde weg in het debat over ‘mensverbetering’.

Maartje Schermer 

1.      Maakbaarheid en human enhancement

Biomedische wetenschap en technologie stellen ons in toenemende mate staat om controle uit te oefenen over onze lichamelijke en geestelijke gezondheid en om actief vorm te geven aan onszelf en aan onze (toekomstige) kinderen. De ethische en filosofische discussie over de mogelijke effecten en de wenselijkheid van deze ontwikkeling wordt in Nederland vaak gevoerd in termen van de ‘maakbaarheid van de mens’. In de internationale discussie ligt de nadruk tegenwoordig steeds meer op het verbeteren van de mens, op zogenaamde ´human enhancement´ of kortweg enhancement.  Terwijl het Nederlandse ´maakbaarheid´ zich nauwelijks in het Engels laat vertalen, is er omgekeerd voor de term ´human enhancement´ geen fraaie Nederlandse vertaling voorhanden. De term ´mensverbetering´ wordt wel gebezigd, maar echt ingeburgerd is die nog niet.

Nog los van deze semantische kwestie, is ook het concept ‘enhancement’ erg complex en voor meerdere interpretaties en uitleg vatbaar. Er zijn verschillende definities van enhancement in omloop. Volgens sommigen staat het voor alle mogelijke manieren waarop wij onszelf psychisch en fysiek kunnen verbeteren (bijvoorbeeld door scholing, of door geneesmiddelen of vaccinatie), voor anderen staat het juist tegenover ‘natuurlijke’ manieren van zelf-verbetering, of tegenover medisch behandelingen die gericht zijn op genezing en preventie. Een bruikbare definitie is die van Eric Juengst, die de nadruk legt op het verschil tussen genezen en verbeteren, en die enhancements definieert als "Interventions designed to improve human form or functioning beyond what it takes to restore and sustain good health" (Juengst 1998: 29).

 Een andere definitie, gegeven door de European Technology Assessement Group legt de nadruk wat meer op de wijze waarop verbeteringen tot stand worden gebracht, namelijk door technologisch ingrijpen in het menselijk lichaam. Enhancement is dan: "any modification aimed at improving individual human performance and brought about by science-based or technology-based interventions in the human body" (STOA 2009: 12).

Het ethische en filosofische debat dat ongeveer sinds de jaren negentig van de vorige eeuw wordt gevoerd over de betekenis, effecten en wenselijkheid van human enhancement gaat over verschillende aspecten van menselijk functioneren en over uiteenlopende technieken om die te verbeteren. Het gaat  bijvoorbeeld over het gebruik van prestatieverbeterende middelen in de sport (doping), het gebruik van cosmetische chirurgie om het uiterlijk te verfraaien, het gebruik van psychofarmaca om rustiger, stabieler en gelukkiger te worden en het gebruik van voortplantingstechnologieën en genetische selectie om ‘betere’ kinderen te creëren. Hoewel het debat deels gaat over reeds bestaande praktijken, richt het zich ook nadrukkelijk op de toekomstige mogelijkheden voor het verbeteren van menselijke eigenschappen en prestaties. De verwachtingen van (bio)technologische mogelijkheden zijn hooggespannen. Genetische doping, farmacologische geheugen- en cognitieverbeteraars, aanzienlijke levensverlenging - tot zelfs onsterfelijkheid aan toe -, genetisch gemanipuleerde kinderen met alle door de ouders gewenste eigenschappen, immuniteit tegen alle denkbare ziekten, of zelfs het creëren van geheel nieuwe capaciteiten die we ons nu nog nauwelijks voor kunnen stellen.

2.      Het enhancement debat 

Het debat over human enhancement kenmerkt zich door een sterke polarisatie. Voor- en tegenstanders zijn in een felle discussie verwikkeld over de wenselijkheid en aanvaardbaarheid van het verbeteren van mensen met behulp van (bio)technologie. Voorstanders zien dit als een wenkend perspectief, als een volgende stap in de evolutie, waarbij wij mensen de morele plicht hebben onze ontwikkeling in eigen hand te nemen en onszelf (individueel en als soort) verder te verbeteren. Tegenstanders vinden het vooral een gevaarlijke ontwikkeling en zijn van mening dat morele grenzen overschreden worden. Zij vrezen dehumanisering en aantasting van belangrijke menselijke waarden.

De eerste positie wordt vooral met verve verdedigd door de transhumanisten, een internationale beweging van denkers en wetenschappers. Transhumanisten zijn zeer optimistisch over de toekomstige technologische mogelijkheden en schetsen utopische toekomstbeelden. Vooral het convergeren van ontwikkelingen in de nano-, bio-, informtie technologieën en de cognitiewetenschappen -  meestal aangeduid als NBIC of converging technologieën  - wordt gezien als onontkoombare ontwikkeling, die onze wereld en onszelf vergaand zal veranderen en verbeteren. Mensen zullen zich volgens de transhumanisten met behulp van deze technologieën ontwikkelen tot een soort supermensen - sterker, slimmer, langer levend -, of zelfs tot post-humane wezens, wezens die zoveel meer capaciteiten hebben dan mensen dat zij niet meer als mens te herkennen zijn maar als volgende stap in de evolutie gezien moeten worden. Een fraaie verwoording van het transhumanistische gedachtegoed is te vinden in een artikel van Oxford filosoof en mede-oprichter van de transhumanisten, Nick Bostrom. Hij schrijft: "Transhumanists view human nature as a work-in-progress, a half-baked beginning that we can learn to remold in desirable ways. Current humanity need not be the endpoint of evolution. Transhumanists hope that by responsible use of science, technology and other rational means we shall eventually manage to become post-human, beings with vastly greater capacities than present human beings have" (Bostrom 2004:493)

Het doorbreken van ‘natuurlijke grenzen’ en het gebruiken van technologische middelen worden hier gezien als uitingen van onze typisch menselijke vermogens, in zekere zin dus als uiting van onze ‘menselijke natuur’. Vanuit het transhumanistische gezichtspunt is dit ook moreel wenselijk: mensen hebben een morele plicht om zichzelf en hun nageslacht te verbeteren.

De Britse bioethicus John Harris[1] stelt in diverse publicaties dat we de mogelijkheden om gezondere, langer-levende en op alle fronten ‘betere’ individuen te creëren moeten aangrijpen, sterker nog, dat we moreel verplicht zijn om dat te doen (Harris 2007, 2009). Bioethicus Julian Savulescu beargumenteert de morele plicht van ouders om ervoor te zorgen dat hun kinderen ‘de beste kans op het best mogelijke leven’ zullen hebben, waarbij bijvoorbeeld embryoselectie of genetische modificatie als middelen gebruikt kunnen (moeten?) worden (Savulescu 2001). Deze opvatting over de morele plicht tot verbetering staan enigszins op gespannen voet met de liberale uitgangspunten die de meeste voorstanders van enhancement huldigen. De keuze voor het al dan niet gebruiken van nieuwe technologische mogelijkheden zou bij het individu moeten liggen: overheden mogen het dus niet verbieden (noch verplichten).

Aan de andere kant van het enhancement debat vinden we de zogenaamde bio-conservatieven[2]. Zij pleiten voor grote terughoudendheid in het ontwikkelen en inzetten van nieuwe biotechnologie ter verbetering van mensen. Hun bezwaren zijn divers: zij waarschuwen voor hybris, voor een verlies van onze menselijke natuur, voor aantasting van de menselijke waardigheid, voor de onvoorziene effecten en risico’s van nieuwe technologieën en voor het verlies van diverse belangrijke waarden zoals solidariteit, gelijkheid, diversiteit en medemenselijkheid. Ten aanzien van het verbeteren van ons nageslacht wordt gewezen op het ‘recht op een open toekomst’ van elk kind, het recht om het eigen leven zelf in te vullen en vorm te geven en niet al door genetische manipulaties een bepaalde richting op te worden gestuurd (Habermas 2001).

Het idee van totale maakbaarheid van de mens is volgens de tegenstanders van enhancement  een gevaarlijk idee. Francis Fukuyama heeft het transhumanisme zelfs  "the world’s most dangerous idea" genoemd, en stelt dat we al aardig op weg zijn om dit idee werkelijkheid te laten worden:  "We can already see the stirrings of Promethean desires in how we prescribe drugs to alter the behaviour and personalities of our children. The environmental movement has taught us humility and respect for the integrity of non-human nature. We need a similar humility concerning our human nature. If we do not develop it soon, we may unwittingly invite the transhumanists to deface humanity with their genetic bulldozers and psychotropic shopping malls." (Fukuyama 2004)

Een andere prominente tegenstander van enhancement en een te ver doorgevoerd maakbaarheidsdenken is Michael Sandel (2004). Sandel waarschuwt vooral voor een verlies aan appreciatie voor het ‘gegevene’ en voor onze vermogens om om te gaan met het lot. Uiteindelijk zal dit, zo vreest hij, ook leiden tot een afname aan solidariteit met mensen die het minder getroffen hebben. Wanneer het leven en het levensgeluk immers als maakbaar worden gezien, worden wij ook zelf verantwoordelijk voor falen en mislukkingen.

3.      Een derde weg 

In het hiervoor geschetste debat worden in grote lijnen de mogelijke posities geschetst ten aanzien van het hele ‘project’ van mensverbetering en worden achterliggende mens- en wereldbeelden, waarden en visies op het ‘goede leven’ geëxploreerd en geëxpliciteerd.  Daarmee vormt het een belangrijke achtergrond voor discussies over concrete vormen van enhancement. Het debat heeft echter ook vaak een erg hoog abstractiegehalte, dreigt soms in onvruchtbare polarisaties te verzanden en is vaak behoorlijk speculatief van aard. Met dat laatste bedoel ik dat er veelvuldig gepreludeerd wordt op nog niet bestaande technologische mogelijkheden, en op extreem onwaarschijnlijke of zelfs onmogelijke toekomstscenario’s. De grootse beloften van de gentechnologie en het genomics onderzoek, van de hersen- en cognitiewetenschappen, van de nanotechnologie, de robotica, de ICT en kunstmatige intelligentie worden vaak klakkeloos overgenomen, zowel door voor- als tegenstanders. Kleine stapjes in een wetenschappelijk proces van vallen en opstaan worden gepresenteerd als doorbraken en er worden direct vergaande conclusies aan verbonden: door voorstanders dat het paradijs nu echt binnen handbereik is, door tegenstanders dat we aan de rand van onze ondergang staan.

Een bezwaar tegen deze wijze van denken en spreken over nieuwe technologieën en mensverbetering is dat de discussie losgezongen dreigt te raken van het hier-en-nu, en daardoor te weinig oog dreigt te hebben voor de ontwikkelingen en praktijken die op dit moment al gaande zijn. Een riskant gevolg daarvan is dat het filosofische debat zo zélf in feite meehelpt om het beeld van totale maakbaarheid van de mens in stand te houden en te versterken. Door mee te gaan in de hooggespannen (en regelmatig overspannen) toekomstverwachtingen en voorspellingen van sommige wetenschappers en van de voorstanders van enhancement, verdwijnt uit beeld dat de technologieën nog heel vaak niet werken, dat technieken altijd ook bijwerkingen, risico’s en onverwachte effecten hebben, dat een succesvolle techniek vaak zelf weer nieuwe problemen creëert en dat heel veel belangrijke problemen überhaupt niet via technologische weg zijn op te lossen.

Door vooral te focussen op wat er zou gebeuren als we bepaalde vormen van maakbaarheid daadwerkelijk ter beschikking hadden, verdwijnt ook uit beeld wat er gebeurt - en welke belangrijke ethische problemen zich voordoen - terwijl die technieken nog in ontwikkeling zijn. Rondom farmacologische cognitieve enhancement - pillen ter verbetering van geheugen, concentratie et cetera - bestaat bijvoorbeeld een uitgebreide ethische discussie, die echter geheel voorbij lijkt te gaan aan het gegeven dat er op dit moment van nog geen enkel middel echte werkzaamheid is aangetoond. Sterker nog, er wordt regelmatig gesuggereerd dat bepaalde middelen (vooral Ritalin wordt vaak genoemd) wél zouden werken, en dat er ook al veelvuldig gebruik van zou worden gemaakt, onder andere door wetenschappers. De realiteit is ondertussen dat Ritalin door studenten in Amerika[3] inderdaad wordt gebruikt met als doel de studieprestaties te verbeteren, en dat studenten zelfs melden dat ze een forse sociale druk ervaren om dit te doen, terwijl er geen enkel positief effect is aangetoond en er wel degelijk risico’s en bijwerkingen zijn. Niet de maakbaarheid, maar de illusie van maakbaarheid doet hier schade.

Bovendien voltrekken de ontwikkelingen richting toenemende maakbaarheid en human enhancement zich gaandeweg, in kleine stapjes, waarbij het niet alleen gaat om nieuwe technologische mogelijkheden, maar ook om mentaliteitsveranderingen. Gaandeweg gaan mensen het steeds normaler vinden om voor allerlei problemen een (bio)technologische of medische oplossing te zoeken. Dit fenomeen was recent onderwerp van discussie in het debat over het invriezen van eicellen van gezonde vrouwen om op die manier de vruchtbare leeftijd wat op te rekken. Maar ook het toenemende gebruik van psychofarmaca voor allerhande psycho-sociale problemen en de brede acceptatie van cosmetische chirurgie laten deze tendens al zien. De focus voor ethische en filosofische reflectie moet dus niet alleen gericht zijn op technologische (toekomst) scenario’s maar ook op de levensvisies en waarden die deze ontwikkelingen sturen, én erdoor gestuurd worden.

Tenslotte voltrekt de beweging richting maakbaarheid of mensverbetering zich al onder onze neus, op die plaatsen waar begrippen van ziekte en gezondheid langzamerhand opgerekt worden. De grenzen tussen genezen, voorkomen en verbeteren worden steeds vager. Zo worden we tegen steeds meer ziekten gevaccineerd - wat al een vorm van verbeteren genoemd zou kunnen worden - en worden steeds meer kenmerken en toestanden die vroeger als normale verschijnselen werden beschouwd nu tot officiële ziekte bestempeld, waardoor de mogelijkheid ontstaat deze te behandelen c.q. te verbeteren. Enkele voorbeelden zijn Shift worker’s sleep disorder (‘slaapproblemen bij werken in ploegendienst), Female sexual dysfunction (‘geen zin in sex’) en minimal cognitive dysfunction (MCI) - cognitieve achteruitgang bij veroudering ergens tussen ‘normale’ ouderdomsvergeetachtigheid en dementie in. Sinds de introductie van de psychiatrische DSM classificatie in 1952 zijn er meer dan 400 nieuwe ziektebeelden bijgekomen, en Allen Frances, mede-opsteller van de DSM IV, vreest dat er met de volgende versie van dit gezaghebbende handboek een ‘doos van Pandora’ aan nieuwe diagnoses bij zal komen (Maassen 2010). 

4.      Conclusie

Met enige filosofische afstand bekeken valt het enhancement debat goed te voeren in abstracte termen van menselijke waardigheid, vooruitgang, natuurlijkheid, vrijheid en rechtvaardigheid, maar naarmate je dichter op de daadwerkelijke ontwikkelingen en praktijken gaat zitten, en je meer verdiept in de dynamiek daarvan, komen ook andere overwegingen in beeld en wordt de morele afweging complexer. Het wordt dan ook heel duidelijk dat er geen sprake kan zijn van een categorische omarming of afwijzing van enhancement, maar dat er van geval tot geval afwegingen gemaakt moeten worden. De argumenten die in het filosofische debat worden aangevoerd zijn immers geen van alle knock-down argumenten, waarmee enhancement voor eens en altijd, in al zijn vormen, moreel veroordeeld (of juist verplicht) kan worden. Als er al sprake zou zijn van aantasting van de menselijke natuur of de menselijke waardigheid, dan moet duidelijk gemaakt kunnen worden waar die begint: bij cosmetische chirurgie? Bij vaccinatie? Bij gendoping? Als beweerd wordt dat enhancement een morele plicht is, dan moet duidelijk gemaakt kunnen worden welke vormen van enhancement wel en niet onder die plicht vallen en waarom - zijn wij allen moreel verplicht ons uiterlijk te verfraaiien? Moeten we onze kinderen in laten enten? Kan prestatieverbetering in de sport ook als morele plicht worden beschouwd? -  en hoe die plicht tot verbeteren zich verhoudt tot andere morele plichten, zoals bijvoorbeeld het nastreven van een rechtvaardige verdeling van middelen, of behoud van natuur en milieu.

De fundamenten voor de discussie zijn gelegd, maar de uitdaging is hierop voort te bouwen en daarbij de concrete, nabije ontwikkelingen in het oog te houden, zonder het zicht op de grote ontwikkelingen te verliezen. Een categorische omarming of afwijzing van enhancement is niet vruchtbaar en doet geen recht aan de complexe werkelijkheid. Een zorgvuldige case-by-case benadering is nodig, evenals het doordenken van concepten als waardigheid, menselijke natuur, welzijn of solidariteit  in het licht van onze groeiende technische mogelijkheden.

 

Literatuur

Bostrom, N. (2004)  Human genetic enhancements: a transhumanist perspective. Journal of Value Inquiry 37: 493-506.

Fukuyama, F. (2004) Transhumanism. Foreign Policy, 1 September 2004

Habermas, J. (2001) Die Zukunft der Menslichen Natur. Frankfurt am Main: Suhrkamp.

Harris, J. (2007) Enhancing evolution. Princeton: Princeton University Press.

Harris, J. (2009) Enhancements are a moral obligation. In: Savulescu & Bostrom (eds) Human enhancement. Oxford: Oxford University Press: 131-150

Juengst, E. (1998) What does enhancement mean? In: Parens, E. (ed) Enhancing human traits. Washington DC: Georgetown University Press: 29-47

Nordmann, A. If and then: a critique of speculative nanoethics. Nanoethics 1: 31-46

Maassen, H. (2010) "Alsof je de doos van Pandora opent" Medisch Contact 65: 2386-2389.

Sandel, M. (2004) The case against perfection. The Atlantic Monthly 3: 51-62.

Savulescu, J. (2001) Procreative beneficence: why we should select the best children. Bioethics 15: 413-426.

STOA (2009) Enhancement. Report to the European parliament. Gedownload van http://www.europarl.europa.eu/stoa/publications/studies/default_en.htm

 


 

Noten:

[1] John Harris behoort niet tot de transhumanisten, maar is vanuit een utilitisch-liberale visie voorstander van enhancement.

[2] De benaming bio-conservatieven is toegekend door de transhumanisten; hieronder wordt een nogal diverse groep denkers geschaard, van religieus geïnspireerden als Leon Kass, tot humanisten als Jürgen Habermas.

[3] Onderzoek naar gebruik van Ritalin voor dit soort doeleinden komt vooral uit Amerika. In Nederland is nauwelijks onderzoek gedaan, maar vooralsnog lijkt er hier geen sprake van dat studenten dit gebruiken voor studiedoeleinden.