Reïncarnatie? Nee dank u

Civis Mundi Digitaal #4

door Hugo Verbrugh

’Reïncarnatie? Nee, dank u’

De Ander en ik in gesprek over ’the real thing’

Hugo Verbrugh

 

Never send to know for whom the bell tolls; it tolls for thee.[1]

 

"Reïncarnatie dient een plaats te krijgen op de agenda van het publieke debat", citeert hoofdredacteur Wim Couwenberg aan het slot van zijn inleiding ’Vragen van leven en dood: Reïncarnatie?’ Het citaat komt uit mijn boekje ’Reïncarnatie? Essay over de veranderende aard van de kennis’. In deze tekst kort ik die titel af tot "R?" Overigens spreekt Couwenberg overal over karma en reïncarnatie. In "R?"heb ik dat ’karma en’ weggelaten. Het verschil doet nu even niet ter zake. De uitleg staat op blz. 24 van "R?".

Couwenberg begrijpt precies wat ik wil en maakt vrij baan voor me. ’Civis Mundi biedt hem gaarne gelegenheid daartoe,’ laat hij direct op de geciteerde zin volgen.

Dat aanbod is de meest uitgelezen uitnodiging om een vervolg op het boekje te schrijven die ik mij wensen kan. "R?" is ontstaan in de loop van 15 jaar samenwerking met Wim Couwenberg in het kader van Civis Mundi.

In een begeleidend telefoongesprek over de opzet van de reactie die ik mag schrijven geeft Wim nog een toelichting. Hij heeft nog steeds moeite met de manier waarop ik grip meen te kunnen krijgen op het idee van reïncarnatie met de begrippen ’perifere identiteit’ en ’hiertussenmaals’. Daar moet het dus vooral over gaan.

Zulke meldingen zijn mij vertrouwd. Ik geef sinds vele jaren filosofie-onderwijs aan studenten geneeskunde en psychologie, en daar overkomt het me uiteraard geregeld dat een student bij me komt en zegt ´ik snap dit-of-dat niet´, en hij bedoelt allicht ’kunt u me dat nog eens uitleggen?’

Veel docenten stulpen dan via een reflex de uitleg van het bedoelde dit-of-dat over de student heen, maar ik heb lang geleden gemerkt dat zo’n antwoord zeker in de filosofie niet goed werkt. Ik reageer anders. Ik concludeer uit de vraag dat ik zelf dit-of-dat dus niet goed uitgelegd heb, en dus zelf ook nog niet helemaal begrijp. Dan ga ik innerlijk ´terug naar àf´. Ik blijf niet als de beter wetende docent tegenover de student staan, maar ga als een ook-nog-niet-wetende mede-student naast hem staan. Daar spreek ik hem aan in zijn eigen activiteit, en nodig hem uit mij uit te leggen wat hij niet begrijpt. Zo volgt een gesprek over dit-of-dat wat wij allebei niet begrijpen, en als het goed gaat vinden we een gemeenschappelijk gezichtspunt en begrijpen we het ten slotte allebei beter.

Nu verschilt de relatie tussen mij en mijn studenten geneeskunde in sommige opzichten van de relatie tussen mij en Wim Couwenberg en de lezers van Civis Mundi. Bovendien gaat het hier over filosofie maar over reïncarnatie, en zit ik in werkelijkheid in splendid isolation een tekst te tikken die in cyberspace gepubliceerd gaat worden.

Maar het gaat nu alleen over de overeenkomsten. Wim Couwenberg begrijpt iets niet, lezers van Civis Mundi dus ook niet, dus ik ook niet, en als antwoord ga ik een dialogue intérieur aan met een virtuele gesprekspartner over wat wij allebei nog niet begrijpen van reïncarnatie.

Mijn virtuele gesprekspartner is mijn ideaal-typische lezer van Civis Mundi. Die noem ik ’de Ander’. Die Ander deelt niet alleen de onzekerheid van Couwenberg over de begrippen ’perifere identiteit’ en ’hiertussenmaals’ in verband met reïncarnatie. Hij kan eigenlijk helemaal niets met reïncarnatie. Misschien wil hij er ook niets mee, of eventueel alleen iets mee omdat hij mij kent en wij  een goede relatie hebben. En hij weet ook dat ik behalve van de reïncarnatie ook veel werk maak van de nalatenschap van Rudolf Steiner en de antroposofie. Daarover zullen we het dus ook hebben.

Nu is die Ander dus bij me gekomen met de eerste vraag die je moet stellen over "R?". Die gaat over de nogal kribbig aandoende titel van mijn opusculum. ’Reïncarnatie - vraagteken!’: wat moet dat?

Daarover begint ons gesprek. En dat gesprek voeren we in het perspectief van de human interest. Dat is het idioom van de eigentijdse communicatie. Met een variant op de titel van enkele bundels van Louis Couperus: ’Van en over mezelf en de reïncarnatie’[2].

Vaak zullen thema’s ter sprake komen die ik in  "R?" heb uitgewerkt. Aan het slot van deze tekst geef ik de bladzij-nummers van dit opusculum waar die besproken worden.

 

De Ander begint ons gesprek

 

De Ander: Reïncarnatie - hoe kom je erbij? Dat is toch ... - ik weet niet hoe ik het zeggen moet ...

Ik: Ja, wat is het toch ...?

De Ander: Nou ja, voor mij is het niks, maar voor jou lijkt het zo ongeveer het belangrijkste in je leven.  En toch zet je een vraagteken in de titel. Wat doet dat ding daar?

Ik: Ik wil in gesprek komen met mensen over reïncarnatie. Als ik dat probeer, stuit ik altijd op één van drie grondhoudingen: (1) "Daar geloof ik al in. Ik heb jouw verhaal niet nodig.", (2) "Dat is onzin. Daar verspil ik mijn tijd niet aan" of (3) "Ik zie het te zijner tijd wel, als het eenmaal zo ver is. Ik heb nu even belangrijker dingen te doen"

Minstens één van die drie is het ’toch’ voor jou, en zo is het voor iedereen. Reïncarnatie lijkt haast een beetje taboe. Of misschien nog erger: het lijkt wel alsof ik mensen alleen maar onheil in het vooruitzicht stel met wat ik ze wil voorhouden over reïncarnatie. Ik voel me soms als Laokoön, de Trojaanse priester die voorspelde dat zijn stadgenoten groot onheil over zich zouden afroepen als ze het paard in hun stad zouden binnenhalen dat de Grieken bij hun aftocht hadden achtergelaten. Laokoön werd daarop met zijn twee zonen door twee slangen onschadelijk gemaakt.

De Ander: Nou overdrijf je.

Ik::Goed, accoord - zulk risico loop ik niet. Ik krijg hoogstens te horen: ’ik begrijp niet wat je wilt. Er zijn toch veel belangrijker zaken dan reïncarnatie? Daar kunnen we trouwens niks van weten.’[3]

En dat laatste argument meen ik in "R?" nu weerlegd te hebben. vind ik dus niet. In elk geval leg ik mij daar niet bij neer. We moeten toch uitvinden of er wel of niet iets waar is van al die verhalen over reïncarnatie die alsmaar rondgaan?

De Ander: En bedoel je dat als je het hebt over ’the real thing’? Wat is dat real thing voor jou?

Ik: The real thing is iets, een stemming, gevoel, een innerlijke gewaarwording, een bewustzijnsinhoud - kortom ’iets’ dat steeds vaker bij me binnenkomt. Ik loop op straat tussen allemaal mensen die ik niet ken, zie ze, en denk ’waar zou jij nu vandaan komen? En hoe, en waarvoor ben je hier gekomen?’ En dan bedoel ik niet uit welk land die ander komt, en niet of hij met de tram of op de fiets hier gekomen is en zo. Ik bedoel iets als ’wie of wat was je in je vorig leven, wat heb je daar gedaan en meegemaakt? Hoe is het je vergaan in je verblijf in het "hiertussenmaals"? Wat heb je vandaar als karma meegenomen?’ 

De Ander: En die stemming is voor jou the real thing

Ik: Niet die stemming is the real thing; de inhoud en de strekking ervan zijn the real thing. En over die inhoud en strekking ga ik dan denken, en terwijl ik probeer te denken herinner ik me dat ik van Steiner geleerd heb hoe wij, als we echt denken, de werkelijkheid te pakken hebben. Maar daar zit meteen een probleem. In mijn gedachten over die inhoud en strekking héén is de vraag verweven of datgene wat dan in die stemming bij me opkomt reëel of alleen maar mijn fantasie is. 

De Ander: Als ik je zo hoor, geloof je eigenlijk niet in reïncarnatie.

Ik: Ja en nee. Wim Couwenbeg zegt telkens weer tegen me ’geef nou maar toe dat je gelooft in reïncarnatie’, en als iemand met wie ik zó een goede band heb als met hem dat zegt, moet ik hem wel gelijk geven. En inderdaad: als het niet waar zou blijken te zijn, zou het leven kraak noch smaak voor me hebben. Maar ik heb ook van Steiner geleerd dat je nooit iets zult weten over wat hierna komt zolang je nog maar met één vezel in je lijf gelooft dat er dit-of-dat komt. Dus even zo met nadruk ’nee - ik geloof er niet aan!’. Oftewel: ik wil zó overtuigend aantonen dat het wel waar is, dat ik tot in het diepst van mijn ziel moet geloven dat het niet waar is.

De Ander: Dan heb je inderdaad een probleem, ja. En ik heb dus ook een probleem, want ik kan er helemaal niks mee. Hoe is dat verschil tussen ons ontstaan?

Ik: Dat kan een lang verhaal worden ...

De Ander: Begin dan maar bij het begin, bij ons gemeenschappelijk nul-punt, zogezegd, dan zien we wel waar het schip strandt ...

Ik: Tja, ... het begin ... Ik heb nooit anders geweten dan dat reïncarnatie the real thing is - datgene waar het in het leven nu echt om gaat.

De Ander: Straks ga je me nog vertellen dat je obsessie met reïncarnatie uit je vorige leven stamt en nu in jouw karma in dit leven speelt.

Ik: Misschien ga ik je dat straks vertellen - let op de klemtoon op ’misschien’ en ’straks’. Vrijwel zeker dat het trouwens, indien ooit,  eventueel pas in een volgend gesprek zal zijn. Wij hebben van de filosoof Paul Feyerabend geleerd dat wetenschap een ductus volgt - een organische volgorde. First things first - over mijn karma en zo spreken wij voorlopig uitdrukkelijk niet. Dat zou gepraat op drijfzand zijn.

De Ander: First things first - dat herken ik. Dat is een wijze aanbeveling.

Ik: Vat het maar op als een oefening in geduld. En geduld heb je nodig want over reïncarnatie praten is aan reïncarnatie doen! Laat mij nou maar even - ik spreek voorlopig alleen over wat ik weet dat ik in dit leven heb meegemaakt. Ik heb de eerste jaren van mijn leven doorgebracht in een perfect-liberale, vrijzinnige omgeving met ouders en een grootmoeder die mij een mix van heilige overtuiging en even heilige skepsis voorleefden inzake de antroposofie. Ik pendel inderdaad heen en weer tussen die twee grondhoudingen.

Antroposofie als de fysiologie van de vrijheid

De Ander: Ah! Das also ist des Pudels Kern! ’t Gaat altijd om het midden, zeggen jullie antroposofen altijd.

Ik: Jawel, maar pas op. C’est le ton qui fait la musique, en ik meen aan de toon waarop je spreekt te horen dat je het midden eigenlijk stereotiep als een compromis bedoelt -  zo van ’de waarheid ligt in ’t midden’. Als je dat echt zo bedoelt, zit je - nee, zitten wij samen - er meteen naast.

De Ander: Leg me dan eens zo kort mogelijk uit wat die antroposofie wel is.

Ik: Antroposofie is de fysiologie van de vrijheid.

De Ander: Versta ik je goed? Fysiologie van de vrijheid? Bedoel je niet ’filosofie’?

Ik: Ik bedoel óók ’filosofie’, en in die discipline is de oneliner ’de mens wordt wat hij denkt dat hij is’, maar ...

De Ander:  ... de mens wordt wat hij denkt dat hij is’ - wat wil dat nou weer zeggen?! Je maakt volgens mij wel erg je eigen antroposofie.

Ik: Ik maak inderdaad mijn eigen antroposofie - elke dag opnieuw; maar dat doet iedereen die de antroposofie echt begrijpt. Maar dat komt misschien straks nog. Nu moet je het doen met wat ik wil zeggen over de vrijheid van de mens. Die hangt onmiddellijk samen met het fundament van de antroposofie dat de mens alpha en omega van de kosmos is. Hij is geschapen als - je mag ook zeggen: hij heeft zich in de evolutie ontwikkeld als - het wezen dat een nieuwe kwaliteit gaat toevoegen aan de schepping: de vrijheid. Daartoe draagt hij een blauwdruk van de ideale mens van de toekomst in zich. Dat heet ’hij denkt’ Dat verbindt hem met zijn oorsprong, met het verleden. Dat denken heeft werkelijkheidsgehalte, dus doordat hij denkt, wordt hij (toekomst!) wat hij denkt dat hij is. En hij is hier en nu, in het tijdloze midden tussen verleden en toekomst.

Daar heb je de filosofie van de antroposofie in 100 woorden. Zo simpel is dat. 

De Ander: Ja ja ... simpel ... . Voetballen is simpel maar simpel voetballen is moeilijk, hebben we van Johan Cruijff geleerd. Maar ga door.

Ik: Ik herhaal nog eens: first things first. Je vroeg me de kortste weg naar de antroposofie en die vindt je niet in de filosofie. De kortste weg naar de antroposofie loopt via de fysiologie naar de lichamelijkheid. Met een variant op ’Zuerst kommt das Fressen und dann die Moral’: eerst komen het leven en de lichamelijkheid, pas dan de filosofie.

De Ander: ’alle kennis begint met zelfkennis en alle zelfkennis begint met de perceptie van wat ik aan mijn eigen lijf gewaar word’, lees ik op blz. 65. Bedoel je nu zoiets?

Ik: Ja. Reïncarnatie betekent ’weder-"vlees"-wording’, ’weer-in-het-lichaam-gaan’, en in de moderne cognitieve neuro-wetenschappen geldt nu als zekere aanname ...

De Ander: Wat is een ’zekere aanname’?

Ik: Heel goed! Die twee woorden ’ontsnapten aan de omheining mijner tanden’, zoals Homerus het soms zegt als een van zijn personen iets debiteert dat eigenlijk niet kan, voordat ik goed nagedacht had over wat ik wilde en kon zeggen. Ik bedoel eigenlijk iets als: in de antroposofie leren wij dat kennis niet alleen een zaak van de hersenen, maar van de hele lichamelijkheid is, en in de moderne cognitieve neuro-wetenschappen kun je aanwijzingen vinden dat een wetenschappelijke theorie hierover hout zou kunnen snijden.

De Ander: Dat is een ongebruikelijke zienswijze. We denken, en begrijpen en weten toch met onze hersenen?

Ik: Antwoord nummer één: uit het onloochenbare feit dat we niet kunnen denken zonder onze hersenen volgt niet dat we met onze hersenen alléén wel kunnen denken.

Antwoord nummer twee: De antroposofie zit vol met ongebruikelijke zienswijzen - maar als je éven nadenkt zie je dat het is zoals ik zeg. De mens is via de evolutie verwant met de dieren. Die zijn één met hun omgeving - met hun zogeheten habitat. Ook dieren, net als de mens - aanhalingstekens openen: ’weten en begrijpen, en kennen zich zelf’’: aanhalingstekens sluiten. Met dit ’weten en begrijpen en kennen zich zelf  tussen aanhalingstekens’ bedoel ik dat ze een zodanige relatie met hun omgeving hebben dat ze daarin van nature kunnen overleven. Alleen instinctief weten ze wat ze moeten doen en laten. Dat werkt prima bij hen - maar ze zijn niet vrij. De mens is wel vrij. Zijn habitat is de hele schepping. Die draagt hij in miniatuur-replica in zich. Hij is een microkosmos. In die schepping en die replica op menselijke maat ligt besloten dat de mens vrij is en de opdracht heeft die vrijheid in de schepping te realiseren. Het brein is de spiegel van zijn kennis. Daar wordt hij zich in zodanige mate bewust van zijn kennis en begrip, dat hij er iets mee wil gaan doen en erover kan communiceren met anderen - en daar heeft hij dan meteen weer de hele rest van zijn lichaam voor nodig.

De Ander: Ik vind dit bijna onvoorstelbaar moeilijk.

Ik: Je bent niet de enige. Ik denk soms zelfs dat ik de enige ben die het wel een beetje begrijpt. Dat maakt het in zekere zin logisch dat iedereen zegt ’nee, dank u’. Ik herinner me een commentaar dat ik wel expliciet kreeg  van mijn goede vriend Aart van der Stel. Die vond het zó moeilijk dat hij aan zijn lijf de grens voelde tussen wat hij wel en niet begreep. Toen heb ik hem uitgedaagd dat op papier te zetten en heeft hij er een stukje over geschreven in ons locale wijkgebladerte De Ster. Het werd een mooi verslag van zijn innerlijke queeste met als voorlopige conclusie ’Reïncarnatie is een (te?) moeilijk onderwerp voor mensen van deze tijd ...’[4].

De Ander: Het klinkt allemaal nogal gekweld. Vat liever eens samen hoe het allemaal zo gekomen is - kort; gewoon je eigen verhaal - het liefst in een paar concrete stations.

De bedelaars om geest 

Ik: Goed - ik neem je weer mee naar mijn kinderjaren. Op de Remonstrantse catechisatie leerde ik over de zaligsprekingen. ’Zalig zijn de armen van geest’ leerden we ...

De Ander:Dat staat daar tegenwoordig anders.

IK: Dat zal best wel, maar ik vond het tot nu toe niet nodig al die nieuwe vertalingen te kopen want de strekking is zonder twijfel dezelfde gebleven, en in elk geval leerde ik het destijds zo. Je moest geloven dat de armen van geest zalig waren. Dat leek mij absurd - en de conclusie was voor mij helemaal niet ’credo quia absurdum’ - zowel de prille antroposoof als skepticus in mij vonden en vinden de zaligheid die ’armen van geest’ gewoon onzin.

En ja hoor, wat vond ik in de oorspronkelijke Griekse tekst? ’Zalig zijn de bedelaars om geest’. Dat is iets heel anders. Weliswaar is een bedelaar arm, maar daar gaat het hier niet om. Bedelaar zijn betekent in dit verband dat je geduldig wacht tot je door ’hogere machten’ waardig bevonden bent om inzicht te krijgen.

De Ander: Hogere machten ...- dat klinkt aardig religieus ...

Ik: In de gedrukte versie van ons gesprek zet ik ze ook tussen aanhalingstekens omdat ik voor mezelf nog niet zeker ben wie of wat ik daarmee bedoel. Ik zou kunnen zeggen ’mijn hogere zelf’ of ’mijn hogere ik’ of iets van die strekking, maar laat dat nu maar even buiten beschouwing. Het gaat er nu alleen om dat ik vanaf het moment dat ik dat las, een doorgefourneerde skepticus ben jegens alles wat in het gevestigde christendom geleerd wordt. De koudwatervrees jegens reïncarnatie die ze daar hebben, deert mij dus niet.

De Ander: Maar de mens, en zeker de moderne mens, zit toch niet passief te wachten als een bedelaar om geest? Hij wil toch ook actief zoeken? Lang vóór de tijd van de zaligsprekingen verzekerde de slang in het paradijs onze oermoeder Eva dat zij en Adam en al hun nakomelingen ’gelijk de goden, wetende van goed en kwaad’ zouden zijn. Wat doe je daarmee?

Ik: Je hebt meer gelijk dan je misschien meteen realiseert. De mens is vrij om wel of niet van de verboden vrucht te eten, hij heeft dat gedaan en nu kan hij kennis verwerven en dat vermogen is onmiddellijk verbonden met goed en kwaad en met het man-vrouw-verschil en dus met lichamelijkheid. Zonder verbinding met het rijk van het kwaad is geen kennis mogelijk. ’Flectere si nequeo Superos, Acheronta movebo,’ vloekt de Griekse oppergodin Hera als ze ziet hoe Aeneas na de val van Troje behouden lijkt te landen in wat later Rome zal worden: ’als ik dan de goden van de Olympus niet kan meekrijgen, zal ik niet schuwen de machten van de onderwereld voor mijn karretje te spannen’, en dat voorbeeld volgt menig modern mens.

Maar het kan ook milder. Goethe laat de goede goden Faust verzekeren ’Wer immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen’: als je goed je best doet, heb je grote kans dat het goed komt met je. ’Samen komen we, Hogere Machten whoever that may be, en ik er wel uit’.

De Ander: Maar door die Acheron erbij te halen maak je onvermijdelijk vuile handen.

Ik: Precies. Die vuile handen horen er helemaal bij. En juist de reïncarnatie hoort er ook helemaal bij. Ons verblijf in het hiertussenmaals na de vorige en voor de volgende incarnatie begint met een loutering. Daarin krijgen we echt inzicht in wat we niet goed gedaan hebben. Dat inzicht groeit uit tot karma oftewel het voornemen om het ’volgend leven beter’ te doen, zoals Wim Couwenberg vele jaren geleden op de omslag van een nummer van HP/De Tijd meldde.

De Ander: Goed, alweer een midden, nu tussen de bedelaars en wraakzuchtige oppergodin. Ga verder.

Existentieel escapisme

Ik: Een volgend moment is een herinnering uit ergens omstreeks 1954. Toen zag ik opeens wat ik in dit leven wilde gaan doen. Ik had op de omslag van een of ander glossy tijdschrift een foto gezien van Malenkov, die toen net opvolger van Stalin als opperhoofd van de Sowjet Unie was geworden. In Amerika was Eisenhower president. De wereld verkeerde in de Koude Oorlog en in de lessen geschiedenis van ons gymnasium werd daar wel aandacht aan besteed. En in die tijd kreeg ik een ingeving die ik nu, ruim vijftig jaar ouder geworden, durf te formuleren als een soort gedachten-experiment. Ik stelde me voor hoe ik met Malenkov en Eisenhower zou spreken, en hoe het mij dan zou lukken om bij ieder van hen beiden begrip te ontwikkelen voor wat hij zelf resp. de ander aan het doen was. Met ons drieën zouden we dan overleggen hoe zij, wereldleiders, dat samen zó zouden gaan werken, dat het beter zou gaan in de wereld. Ik herinner me vooral nog de innerlijke zekerheid die ik voelde dat dat zou kunnen lukken, en hoe ik die uitdrukkelijk koppelde aan wat we nu cognitie en neuro-wetenschappen noemen. Ik weet ook nog heel goed dat ik die ingeving niet vreemd, laat staan beangstigend vond. Ik wist nu wat me in dit leven te doen stond, en dat gaf me een rustig, bijna tevreden gevoel.

De Ander: Daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Het is een tamelijk normaal fenomeen. Zulke almachtsfantasieën hebben veel mensen af en toe. Vooral kinderen zijn daar goed in.

Ik: Het volgende station is het embryo. De via regia tot kennis loopt via de lichamelijkheid, had ik dus als een soort ’voorschouw’ onbewust geconcludeerd en ik ging geneeskunde studeren. Daar kregen we onder andere embryologie, en ik herinner me goed hoe ik me tijdens die colleges steeds harder ging afvragen vanaf wanneer zo’n embryo nou eigenlijk een mens is. Dat kan niemand zeggen, en dat is nu een groot probleem vanwege de abortus-praktijk, en dat probleem gaan we nu dus niet bespreken, maar ik wil wel met grote nadruk zeggen dat de oorverdovende nadruk waarmee dit probleem wordt  doodgezwegen als existentieel escapisme moet worden benoemd.

Dat dat probleem zelfs niet aan de orde kwam voelde ik toen ook al half-bewust als ... nou ja, als oplichterij.

De Ander: En toch studeerde je dóór.

Ik: Jawel, maar met het vaste voornemen om die onbetrouwbare wetenschap beter te leren kennen. Na mijn artsexamen werd ik medewerker bij de Algemene Pathologie aan de Medische Faculteit Rotterdam, waar een project in onderwijsvernieuwing van start ging. Studenten werden aangesproken in wat ze zelf wilden weten, en vanuit die spontane interesse werd de leerstof algemene ziekteleer opgebouwd. Dat sprak me aan, en het werd vooral interessant toen bleek dat steeds meer studenten spontaan interesse hadden inzake bijzonderheden over ziekte die niet in de leerboeken ’Algemene Pathologie’ behandeld werden.

Dat zette me aan het denken, want waarom heette dat vak dan ’Algemene Ziekteleer’? Het antwoord op die vraag vond ik in het intussen klassiek beroemde boek van Thomas Kuhn ’De Structuur van Wetenschappelijke Revoluties’. Wetenschap is altijd gebaseerd op een ’paradigma’ - een vóorwetenschappelijk denkraam. Het huidige algemeen geaccepteerde denkraam is dat van het materialisme. Alleen wat inzake ziekte in dat denkraam past, is pathologie. Al het andere is persoonlijk, subjectief, wetenschappelijk niet relevant. Op een analyse daarvan ben ik in 1978 gepromoveerd, en toen stond ik mezelf toe filosofie en wetenschap op de reïncarnatie los te laten. Ik wilde een zogeheten prospectief onderzoek opzetten: vooruitkijkend, in plaats van retrospectief. Niet herinneringen aan vorige incarnaties reconstrueren en duiden, maar nu een ontwerp maken om toekomstige herinneringen aan deze incarnatie in kaart te brengen. Ik bedacht een experimentum crucis - het cruciale, doorslaggevende experiment, dat het bewijs moet leveren, dat reïncarnatie  realiteit is. Als reïncarnatie feit is, zullen we dat ooit weten, aldus het uitgangspunt van de experimentele set up. Vanzelf zal dat niet gaan; dit toekomstige weten over reïncarnatie moet geholpen worden. De mens verandert; komende generaties mensen zullen zich vorige incarnaties gaan herinneren. Om deze herinneringen met bijbehorend benul van reïncarnatie operationeel te maken, gaan we onze herinneringen voortaan systematisch bewaren en toegankelijk te maken voor de nieuwe mensen die wij in onze volgende incarnatie zelf zullen zijn. Daartoe komen overal ter wereld centraal beheerde en georganiseerde opslagplaatsen van individuele herinnerin­gen aan het vorige leven te komen: zogenaamde sarcotheken. Daar gaan mensen documenten en andere informatiedragers die relevant zijn voor hun incarnatie in dit leven opslaan onder bepaalde codes zodat ze die in hun volgende incarnatie kunnen terugvinden.

Metanoia 

Dat experimentele sarcotheken-experiment bleek een hersenschim; ik vond niet één medestander. Later heb ik me ook wel gerealiseerd waarom dat geen goed idee was. Om fysieke informatiedragers over wat je in dit leven meegemaakt hebt systematisch en doelbewust op te slaan in kluizen ten einde ze in een volgend leven terug te vinden, is weinig realistisch. Hoogstens is het eventueel voorstelbaar dat via internet in cyberspace flarden zullen blijven circuleren - maar dat bestond eind vorige eeuw nog niet.

Maar los daarvan: in de opzet van mijn experiment leefde te weinig metanoia, te weinig benul dat je om reïncarnatie echt te vatten anders moet leren denken.

De Ander: Waarom vertel je me dat zo uitvoerig als het toch allemaal niet werkte zoals je je voorgenomen had?

Ik: Omdat mijn nooit van de grond gekomen plan via-via geleid heeft tot "R?" en dus tot ons gesprek.

Zo een sarcotheken-netwerk mag dan een hersenschim zijn - het idee verdient aandacht, vond ik. Om het toch bekend te maken schreef ik er met enkele vrienden een ideeënromannetje over. ‘De Geschiedenis van de Middernachtszon: een verhaal over karma en reïncarnatie’, heet het. Het verscheen eind 1994 bij Ad. Donker in Rotterdam, en op 29 februari 1996 gaf ik bij de afscheidsreceptie van Chris Rijnvos als rector van de EUR een exemplaar ervan aan Wim Couwenberg.

Daarmee begon onze vriendschap en zijn steun aan mijn benadering van reïncarnatie. Hoe het verder ging staat in "R?".

Het is allemaal eenkwestie van metanoia - de andere, nieuwe, bij deze tijd passende manier van denken. Die andere manier kun je ’nieuw filosofisch realistisch’ noemen. Dat is zó denken, dat je geen enkele twijfel meer voelt dat datgene wat je denkt waar is - inclusief je vrijheid om te denken zoals je wilt. Anders, beter dan het in "R?" staat, kan ik het niet zeggen - althans nu niet.

 En dat is ook het enige dat ik kan zeggen over de twee vragen die Couwenberg me stelde. Perifere identiteit, het motief van ’ik ben de ander, dus ik ben’, de titel van het eerste hoofdstuk van "R?", en het benul van het hiertussenmaals

Als je nog meer wilt weten kijk je verder op de site van Civis Mundi of op www.kairos-kr.nl. Daar staan diverse andere teksten over thema’s die in dit gesprek aan de orde kwamen. In het bijzonder verwijs ik hierbij naar ‘Zolang er iemand is die nog aan je denkt, ... - Karma en reïncarnatie: feit of fictie, waarheid of bedenksel, realiteit of verzinsel? Een essay à permutations’ en naar .’Karma en reïncarnatie. Een filosofische analyse’.

De Ander: Het is inderdaad een lang verhaal geworden. Vat het nou eens in een paar dozijn woorden samen.

Ik: Ik ben alleen voor zover ik mijn lijf ben. Tegelijk ben ik alleen voor zover ik de Ander ben. Levenskunst is de kunst om dat ’tegelijk’ ritmisch te beleven. ’Beleven’ is hier in twee betekenissen bedoeld: zogenaamd ’abstract’ in de geest ervaren en heel concreet fysiek leven geven in en aan het lijf. Dat is ’perifere identiteit’. Het ’hiertussenmaals’ is ritme: het niemandsland tussen tijd en ruimte.

De Ander: Een modern mens moet tegenwoordig twitteren: voortdurend boodschapjes versturen in maximaal 140 tekens. Vat dat hele verhaal van je nou eens samen in 140 tekens.

Ik: Ik ben mijn lijf en tegelijk ben ik de Ander. Dat ’tegelijk’ beleef ik ritmisch in het midden. Ik ervaar het in de geest en geef het leven.

De Ander: Well roared, lion!


[1]              Ontleend aan ’Meditation no. 17’ van John Donne in ’Devotions upon Emergent Occasion’ (1624): ’No man is an island, entire of itself; every man is a piece of the continent, a part of the main. If a clod be washed away by the sea, Europe is the less, as well as if a promontory were, as well as if a manor of thy friend’s or of thine own were: any man’s death diminishes me, because I am involved in mankind, and therefore never send to know for whom the bell tolls; it tolls for thee.’

 

[2]    Louis Couperus, Van over mezelf en anderen’, eerste bundel verscheen in 1910

 

[3]    Mooi voorbeeld ...: Nog hartelijk dank voor je boek over reïncarnatie dat je me toezond. Ik heb de grote lijnen ervan tot me genomen. Als ik zou moeten kiezen uit de drie grondhoudingen die je noemt in de Laocoon-folder, dan is dat de tweede (met wellicht een vleugje van de derde). Maar het staat er daar harder uitgedrukt dan ikzelf zou doen. Op p. 94 herken ik me beter. Reincarnatie is voor mij geen thema, dat wil zeggen ik geloof er niet in. Ik denk - op dit moment - dat ik na mijn fysieke dood op geen enkele wijze persoonlijk voortleef in welke gedaante dan ook. Daar denk en praat ik overigens vaak over en systematisch ook. Desalnietemin, een hartelijke groet, XXX

 

[4]    De tekst als geheel geeft een mooi inzicht in de aard van die moeilijkheid: ’Waar blijf ik? Zonder reïncarnatie nergens! - De menselijke ontwikkeling  is een aaneenschakeling van het overwinnen van moeilijkheden. Iemand die zichzelf echt serieus neemt, en daar beginnen de problemen vaak al, blijft niet staan bij dat wat het leven op dat moment te bieden heeft, maar laat  zich bekruipen door een soort creatieve ontevredenheid. Hij raakt daardoor willens en wetens verzeild in  nieuwe, onbekende situaties, moeilijkheden waar hij weer uit moet zien te komen. Dat gaat dan vaak gepaard met de nodige biografische kleerscheuren, die weer de nodige nieuwe avonturen noodzakelijk maken. Leven, écht leven is geen lolletje, maar wel interessant. Het interessantste aspect blijft echter meestal ((half) verborgen, want waar leidt al dat biografische geworstel toe? Het antwoord is net zo makkelijk als moeilijk: tot zelfkennis. Wanneer je af en toe eens terugkijkt op je leven en dat echt serieus doet, dan ga je daar  enige lijn in zien; sommige situaties, contacten of gebeurtenissen herhalen zich, wat iemand een verzuchting kan ontlokken in de trant van "echt iets voor mij". Het lijkt er op dat een mens het leven leeft dat bij hem past, zonder dat hiermee de suggestie gewekt wil worden dat iemand willens en wetens een ernstige ziekte krijgt of ontslagen wordt of dat zulke calamiteiten een heilzame bedoeling hebben. Mijn leven, het leven dat ik leid (of misschien wel het leven dat mij leidt), is uniek en de dingen die in dit leven voorvallen, horen bij dat "ik". Soms is het voor je ontwikkeling nodig om iets te doen dat bijna te moeilijk voor je is. Lukt het dan toch, dan is de beloning groot en opent het nieuwe vergezichten op het hierboven genoemde ik-gevoel. Dat gevoel bekroop me toen ik, op de toppen van mijn intellectuele vermogens, het nieuwe boekje van Hugo Verbrugh las, getiteld: "Reïncarnatie?" Het is een essay, een poging, om te onderzoeken of het voor ons als moderne mensen met onze moderne manier van denken mogelijk is om toegang te krijgen tot reïncarnatie. Een ander woord voor reïncarnatie is wederbelichaming, en gaat uit van de gedachte dat een mens meerdere keren een leven op aarde doormaakt en daarbij steeds op een ander, liefst hoger niveau functioneert. Zoals je in één leven leert van je problemen, zo zou dat dan ook gelden voor het doormaken van meerdere aardse levens. En zoals de problemen die je doormaakt, je een inkijkje geven in de persoon die je bent, zo zou dat in versterkte mate kunnen gelden voor meerdere levens. Het steeds sterker wordende gevoel een "ik" te zijn zou dan een soort rode draad door aal die levens kunnen zijn. En omgekeerd: door je op je ik te bezinnen, kom je in contact met het vermogen van dat ik om zich in verschillende levens te manifesteren, met reïncarnatie dus. Er zijn, blijkens het onderzoek van Verbrugh, overigens net zoveel belemmeringen als  mogelijkheden om reïncarnatie, als een realiteit te gaan beleven. Ik schrijf hier met nadruk te gaan be-leven. Ons intellect brengt ons niet  verder dan waar we nu zijn, onze dagelijkse fysieke werkelijkheid. Vanuit het intellect, dat  alleen de uiterlijke wereld om ons heen kan beschrijven en kennen, kunnen slechts bezwaren ontstaan tegen zoiets metafysisch als de gedachte van reïncarnatie. Reïncarnatie is immers juist niet van deze aarde, maar verwijst naar een vermogen van een "iets", hiervoor "ik" genoemd, om het aardse lichaam te verlaten en, na verloop van tijd, weer in een nieuw lichaam op aarde terug te keren. Het is dan ook onmogelijk om met de gewone reguliere wetenschappelijke methodes, zoiets als reïncarnatie te bewijzen. Zoals Verbrugh in zijn essay betoogt, is er ook een andere weg mogelijk. Als je de wetenschappelijke methode de weg naar buiten wilt noemen, dan kun je het alternatief hiervoor de weg naar binnen noemen. Die weg leidt uiteindelijk, en Verbrugh beschrijft pijnlijk nauwkeurig wat de lezer zich daarbij moet voorstellen, tot het echt in contact komen met je eigen ik, inclusief de onvergankelijkheid daarvan. Dat is een moeilijke, eenzame weg, die niet cursorisch uitgestippeld kan worden of die je met een korte, makkelijke training in Mindfulness kunt bereiken. Die weg moet letterlijk beleefd worden, d.w.z. naar het in de aanhef van dit verhaal genoemde ik-ervaren worden afgelegd.  Verbrugh geeft een goed beeld van de twijfels die je daarbij kunnen bekruipen. Reïncarnatie is een (te?) moeilijk onderwerp voor mensen van deze tijd, maar daarom des te belangrijker om je mee bezig te houden, want hoe komen we anders verder?  En het lezen van het boekje van Verbrugh is een goed begin daarvoor.’