Verbreiding moderniteit in liberale zin tot nieuw algemeen menselijk patroon van beschaving

Civis Mundi Digitaal #3

door Wim Couwenberg

Verbreiding moderniteit in liberale zin tot nieuw algemeen menselijk patroon van beschaving

Wim Couwenberg

Beschaving identiek met westerse beschaving

In het kader van het Europese moderniseringsproces groeit aanvankelijk de overtuiging dat de moderne Europese beschaving de enig authentieke is en als zodanig model staat voor de rest van de wereld. Tot de Eerste Wereldoorlog placht men beschaving zelfs te vereenzelvigen met de westerse, in het bijzonder de Europese beschaving en fungeerde zij als zodanig ook als voornaamste inspiratiebron van het volkenrecht. De geschiedenis van Europa, aldus de Nederlandse historicus en politicus G. Groen van Prinsterer (1801 - 1871) - de geestelijke vader van de christelijk-historische of antirevolutionaire staatkunde in de Nederlandse politiek die inmiddels opgegaan is in het CDA - is dankzij haar christelijk inspiratie meer dan enig ander werelddeel gestempeld tot Historie als Openbaring Gods. En het is dan ook daaraan dat Europa zijn superioriteit en historische voorrechten ontleent. En binnen Europa is het in de ogen van Groen Nederland dat die goddelijke uitverkiezing in het bijzonder toekomt.[1] Op basis van dit zelfbeeld van Europa is het niet verwonderlijk dat een Europees superioriteitsbesef en een eurocentrisch wereldbeeld groeit, dat ook doorwerkt in de westerse wijsbegeerte in deze zin dat die geneigd is zichzelf als de enige authentieke filosofie op te vatten. Wat daarbuiten gedacht is, kan in dat wereldbeeld hoogstens aanspraak maken op een soort vóórstadia van de westerse filosofie, zoals die zich sinds de Griekse oudheid ontwikkeld heeft.

Het zijn de filosofen van de Verlichting geweest die dat wereldbeeld geïntroduceerd hebben en dat werkt in zekere zin nog door tot op heden. Een filosoof als Heidegger houdt daar ook nog onverkort aan vast, zij het dat hij het westerse beschavingsproces anders dan Hegel en Marx niet meer als vooruitgang interpreteert. In de tweede helft van de 19e eeuw zijn er overigens al etnografen en antropologen die ook buiten Europa authentieke beschaving ontdekken en de pretentie van de Europese cultuur als de beschaving bij uitstek zodoende relativeren. In onze tijd zijn het de comparatieve en interculturele filosofie die die gangbaar geworden beperking van de filosofie tot Europa doorbreken en daarmee de deur openen voor niet-westerse filosofieën. [2]

Universele pretenties ter discussie

In het voetspoor van het christelijk messianisme ontluikt sinds de liberale revoluties van de 18e eeuw een moderne westerse zendingsdrang die het liberale project der moderniteit tot universele norm proclameert en daarvan wereldwijd kond doet. Wel is dat van stonde af aan ter discussie gesteld door particularistische tegenstromingen die het bij alle onderlinge verschillen erover eens zijn dat er geen algemene standaard van welvaart, welzijn en geluk is. Ieder volk heeft daarover zijn eigen opvattingen. Het eerst is dat heel nadrukkelijk betoogd door J.G. Herder, een van de grote figuren van de romantische cultuurbeweging[3]. Het is een onzinnige aanmatiging, zo vond hij, te denken dat alle bewoners van deze aarde moderne Europeanen zouden moeten worden om gelukkig te zijn. Ieder volk heeft zijn eigen recht en zeden als expressie van zijn volksaard. En dat verklaart tevens de grote verschillen in recht en zeden in de wereld. Het is een opvatting die al eerder door Montesquieu vertolkt is in zijn vermaarde werk L’Esprit des lois (1748) en die ook nu nog onder hedendaagse staatsrechtgeleerden aanhang vindt[4]. De laatste decennia is het vooral het postmodernisme, waarover dadelijk meer, dat die universele pretenties aanvecht. Los daarvan doen dat ook westerse denkers als John Gray[5] en de Amerikaanse politicoloog S. Huntington[6].

Amerika als meest zelfbewuste exponent universele pretenties

In eerste instantie komt de Europese expansie- en zendingsdrang tot gelding in een kolonisatie van grote delen van de niet-westerse wereld; een expansie die ook door progressieve geesten als K. Marx, J.S. Mill en B. Russell positief gewaardeerd is als uiting van de westerse beschavingsmissie. Na de dekolonisatie van Noord-Amerika ontwikkelen de VS zich mede tot exponent van het verlichte project der moderniteit, zij het aanvankelijk in een bewust gekozen isolement. Daarin rijpt een Amerikaans roepingsbesef dat in de 20e eeuw de inspiratiebron wordt van een actieve buitenlandse politiek, gericht op verspreiding van de blijde boodschap van de Amerikaanse vrijheid en democratie als meest geprononceerde expressie van dit beschavingsproject. Na het verval van de Europese hegemonie door toedoen van de Tweede Wereldoorlog is het Amerika dat zich sindsdien naar het voorbeeld van het revolutionaire Frankrijk van de 18e eeuw opwerpt als meest zelfbewuste exponent van de universele pretenties van het westers-liberale beschavingsconcept en dat manifesteert in een wereldwijde machtsontplooiing als onmisbare voorwaarde voor de verbreiding van dat concept waar ook ter wereld. Naarmate dat in de niet-westerse wereld door dringt verandert het daar wel van karakter.

Sinds de tweede helft van de vorige eeuw groeit in de competitie met de pretenties van het door de Sovjet-Unie geleide wereldcommunisme meer nog dan voorheen de ambitie de moderniteit in liberale zin van een afwijking van het algemeen menselijk patroon van de premoderniteit te ontwikkelen tot het nieuwe algemeen menselijke patroon van beschaving in de overtuiging dat dit beschavingsconcept het verst gevorderd is in de ontwikkeling en verwerkelijking van wat mens-zijn kan en moet betekenen, kortom van humaniteit. In die optiek wordt het toekomstbeeld van de niet-westerse wereld gezien als een weerspiegeling van dat tot universele norm verheven liberale beschavingstype. Het is een toekomstbeeld dat in het Communistisch Manifest van 1848 al is aangekondigd. In het westerse ontwikkelingsdenken wordt het ontwikkelingsvraagstuk dienovereenkomstig opgevat als een inhaalprobleem van in ontwikkeling achtergebleven landen.[7] In Azië kijkt men hier echter heel anders tegenaan en verzet men zich dan ook tegen de in het Westen levende neiging modernisering zonder meer gelijk te stellen met verwestersing.[8]

Het is een ambitie die tot uiting komt in een reeks van activiteiten: in de eerste plaats de verdere ontwikkeling van het economisch stelsel van de vrije markteconomie tot een economisch wereldsysteem met steun van internationale organisaties als het IMF, de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie; en voorts in de verbreiding van de beginselen van de westerse democratie; de universalisering van de westerse idee van grond- of mensenrechten door het voeren van een actief mensenrechtenbeleid; westerse ontwikkelingshulp als uitvloeisel en tevens onderdeel van het dekolonisatieproces; en wereldwijde uitstraling van de westerse - in het bijzonder Amerikaanse - massacultuur en lifestyle.

 

 


[1] Zie W. Aalders, Theocratie of ideologie, 1977. Het is een visie die later door Karl Barth in zijn dialectische theologie radicaal verworpen is.

[2] Zie H. Oosterling, Hoe leeg is het leven tussen culturen? Van multicultureel naar intercultureel samenleven, Filosofie, 4, 2007 (rubriek Comparatieve Filosofie) en H. Kimmerle, Waarom Interculturele Filosofie, Filosofie, 2, 2008

[3] Zie zijn vierdelige werk Ideen zur Philosophie der Menschheit (1784-1791).

[4] Zie bv. L.F.M. Verhey, De rijke rommelzolder van Montesquieu, een blijvende inspiratiebron voor staatsrecht en politiek, Openingstoespraak op 9 mei 2007 van het Montesquieu instituut

[5] Zie J. Gray, False Dawn: the Dillusion of Global Capitalism, 1998; idem, Zwarte Mis, 2007

[6] Zie S. Huntington, The Clash of Civilizations and the Remaking of World Order, 1997

[7] Zie o.a. W.W. Rostow, The Stages of Economic Growth, 1962

[8] Zie K. Mahbubani, a.w. (noot 107)