reïncarnatie een (te) moeilijk onderwerp? Ja en nee

Civis Mundi Digitaal #4

door Frans Wuijts

REÏNCARNATIE EEN (TE) MOEILIJK ONDERWERP? JA EN NEE

Frans Wuijts*

In het artikel ‘Reïncarnatie? Nee dank u’ van 7 februari 2011 gaat Hugo Verbrugh als IK-figuur een virtueel gesprek aan met ‘De Ander’, een denkbeeldige gesprekspartner die met ‘reïncarnatie’ helemaal niets kan en ook niets wil. Aanleiding hiertoe is de moeite die Couwenberg heeft met de manier waarop Verbrugh grip meent te kunnen krijgen op het idee van reïncarnatie door middel van onder andere de begrippen ’perifere identiteit’ en ’hiertussenmaals’. Daar zou zijn artikel dus vooral over hebben moeten gaan.

Verbrugh heeft voor de vorm van bovengenoemde virtuele gesprek gekozen aangezien hij veronderstelt daarmee zijn denken over (aspecten van) reïncarnatie, zoals de begrippen ‘hiertussenmaals’ en ‘perifere identiteit’ te kunnen verversen vanaf een gemeenschappelijk nulpunt te samen met zijn virtuele gesprekspartner, ‘De Ander, door zich zelf als het ware innerlijk leeg te maken. Met deze ‘Ander’ hoopt hij vanuit deze ‘terug naar af’-situatie opnieuw deze begrippen te kunnen opbouwen. Voor dit virtuele gesprek heeft hij ongeveer 4700 woorden nodig. Na herhaalde lezing ervan kan ik helaas niet concluderen dat ik met beide begrippen veel ben opgeschoten. Verbrugh geeft er aan het einde van zijn artikel slechts een korte uitleg over. Vragen als ‘Kan ik me iets concreets voorstellen bij ‘HET hiertussenmaals’ respectievelijk ‘MIJN hiertussenmaals’ evenals de vraag wat we ons kunnen voorstellen bij het begrip ‘perifere identiteit’, krijgen amper een antwoord. In plaats daarvan verwijst Verbrugh de lezer na veel voorbereidende omzwervingen (omdat hij ‘from scratch’ begint) naar andere publicaties van zijn hand: een website en een boekje. Hij doet als het ware na lang geschuifel op de gang even de keukendeur open om je iets van de geur van de maaltijd te laten opsnuiven, maar de maaltijd zelf moet in een ander restaurant worden genuttigd. Desondanks leest de vorm van het virtuele gesprek vlot en ondertussen komt een flink aantal gezichtspunten naar voren die het denken kunnen stimuleren of die zelfs kunnen aanzetten tot het uitroepen van een ’Aha’, zit dat zo!

Bij ‘reïncarnatie’ gaat het voorlopig nog om het ‘denken’ en blijkbaar (nog) niet echt om het ‘weten’. Verbrugh ziet zichzelf in dit verband als een modern type van filosofisch realistisch ‘vrijdenker’ die via het vrije denken tot de waarheid van reïncarnatie als werkelijkheid denkt te kunnen komen. Dit denken doet hij grotendeels op een originele wijze. Ik heb slechts weinig gedachten in zijn stuk aangetroffen, waarvan ik meen te weten dat hij die heeft geleend uit de overlevering. Één daarvan is bijvoorbeeld: ‘Ons verblijf in het hiertussenmaals na de vorige en voor de volgende incarnatie begint met een loutering. Daarin krijgen we echt inzicht in wat we niet goed gedaan hebben’.

Daarvan kan men zich afvragen hoe hij dat kan weten. Niet uit eigen ervaring respectievelijk waarneming, neem ik aan. De loutering die hij bedoelt, speelt zich af in een lichaamsvrije situatie van waaruit directe terugkeer is uitgesloten. Daarover kan men volgens de gangbare materialistische natuurwetenschap principieel niets weten, aangezien ons bewustzijn slechts zou zijn verbonden aan onze lichamelijke staat.

Hier lijken we te stuiten op een tegenstrijdigheid, wellicht een paradox:

  • - wij kunnen reïncarnatie DENKEN en innerlijk tot de conclusie komen dat reïncarnatie ‘waar’ is;
  • - wij kunnen niets van reïncarnatie WETEN, omdat er - zoals Couwenberg met een citaat van Rudy Kousbroek aangeeft - ‘nooit iets over de dood is uitgelekt, terwijl deze al heel lang bestaat’.

 

Ook al ben ik na het lezen van het artikel inhoudelijk met de begrippen ‘hiertussenmaals’ en ‘perifere identiteit’ niet veel opgeschoten, een kracht ervan is wel, zoals gezegd, dat mijn denken erdoor is gestimuleerd. Laat ik eens enkele flarden van mijn denkresultaten beschrijven die door het artikel in mij zijn teweeg gebracht en waardoor ik toch het gevoel heb dat ‘het klopt’.

Het begrip ‘hiertussenmaals’

Het is duidelijk dat dit is afgeleid van het begrip ‘hiernamaals’. Dat ken ik vanuit mijn oorspronkelijke Rooms-katholieke opvoeding.  Ik heb het ‘hiernamaals’ in mijn jeugd steeds begrepen als ‘het eeuwige leven’ dat ons volgens de Rooms-katholieke geloofsleer te wachten kan staan na ons sterven. Daartoe hoeven wij van deze kerk vanwege afschaffing sinds 2005 niet meer door het ‘voorgeborchte’ [1], maar nog wel door het ‘vagevuur’ of ‘louteringsvuur’. Daarna  wacht ons het eeuwige heil.

Net zoals we over het ‘hiernamaals’ kunnen spreken, kunnen wij dat doen over het ‘hiervoormaals’ voor het begin van onze conceptie. Het hiervoormaals en het hiernamaals ‘bevinden zich’ beide ( in niet-ruimtelijke zin bedoeld) in buitenmateriële sferen. In die zin zijn beide van eenzelfde niet-materiële aard. Maar zijn ze identiek? Hier doemen vele vragen op.

(Ik ga er hier van uit dat het begrip reïncarnatie niet louter in materialistische zin kan worden gedacht. Pogingen daartoe zullen snel vastlopen aangezien het natuurwetenschappelijk materialisme vanuit een sterk gereduceerd mensbeeld geen raad weet met het begrip ‘leven’ ).

Is het hiernamaals na een aards leven identiek aan het hiervoormaals voorafgaande aan een volgend leven? Kunnen beide zonder problemen worden samengevat in het begrip ‘hiertussenmaals’? Of moeten wij - zoals ‘de wet van de drieledigheid’ ons vertelt - het hiertussenmaals ook proberen te onderscheiden in drie ‘aspecten’? Zo ja, dan kunnen wij ons afvragen of er een ‘moment’ of een ‘punt’ ontstaat waarin het hiernamaals wordt omgestulpt in het hiervoormaals voorafgaand aan de voorbereiding tot een nieuwe incarnatie. In esoterische literatuur wordt dit denkbare omstulpingspunt wel ‘Het Middernachtelijke Uur’ genoemd.

Reïncarnatie en Reëxcarnatie

Het begrip ‘reïncarnatie’ [2] betekent ‘weer in het lichaam, in het vlees gaan’, ‘wederbelichaming’ of ‘wedergeboorte’. Na het sterven en een periode in het hiertussenmaals zou deze wederbelichaming plaats vinden. Volgens de overlevering zou deze meerdere malen kunnen geschieden. Over de duur van het hiertussenmaals tussen twee levens bestaan verschillende voorstellingen, van een relatief korte duur tot een duur van ruim 1000 jaar, zodanig dat binnen een periode van ruim 2000 jaar de mens tweemaal kan reïncarneren, de ene keer als vrouw, de andere keer als man. Wederbelichaming en wedergeboorte hebben een verband, maar hoeven niet identiek te zijn. De invulling van dit begrip in het Christendom verschilt bijvoorbeeld van die in het Boeddhisme.

Het begrip ‘reïncarnatie’ richt onze aandacht primair op het opnieuw reïncarneren, het vanuit het hiervoormaals ‘in het vlees’ binnentreden van de menselijke ziel. Niet op het ‘uit het vlees treden’, het excarneren, het sterven. Het is hierbij een belangrijke vraag of het lichaam er op een gegeven moment mee ophoudt en de ziel loslaat of dat de ziel besluit het lichaam los te laten. De keuze is afhankelijk van het mensbeeld waarvoor men opteert.

Mijn inzicht zegt mij dat reïncarnatie het begrip ‘reëxcarnatie’ insluit. (Introduceer ik hiermee een nieuw begrip?) Beide begrippen gaan bij herhaaldelijke incarnatie hand in hand en kunnen in logische zin niet los van elkaar worden gedacht.

Hierbij doet zich in ideële zin de bijzonderheid voor van verschillende omkeringen respectievelijk tegengesteldheden:

 

  • - vanaf het begin van de conceptie vindt opbouw van het menselijk lichaam plaats; definitieve afbraak daarvan na het sterven;
  • - men wordt aan het begin van het menselijk leven niet als grijsaard geconcipieerd en men sterft na een lang leven niet als boreling;
  • - mensen vertellen na een bijna-dood-ervaring (BDE) over het ‘levenspanorama’ als een totale terugblik over het leven dat is geleefd; als omkering kan worden gedacht dat voorafgaande aan het nieuwe leven de (re)incarnerende ziel een vooruitblik, een voorschouw heeft over het ‘levensontwerp’ voor het nieuwe leven;
  • - de geboorte aan het begin van het nieuwe menselijke leven kan worden beschouwd als een sterven ten opzichte van het hiervoormaals; het sterven aan het einde van het leven kan worden beschouwd als een geboorte ten opzichte van het hiernamaals;
  • - reïncarnatie en reëxcarnatie veronderstellen een omslagpunt in het hiertussenmaals: op een zeker moment wordt in het hiertussenmaals een besluit genomen om opnieuw ‘af te dalen’; zo kent ook het menselijk leven een omslagpunt rond het 40ste levensjaar van opbouw en groei naar afbraak en aftakeling [3] terwijl ook beide gedurende het menselijk leven hand in hand gaan.

Slaap en dood: korte en lange golf

De slaap en de dood, inslapen en sterven kunnen in zekere zin met elkaar worden vergeleken. Uiterlijk kan men vaak waarnemen dat een overledene er zo vredig bij ligt, dat men het gevoel kan hebben dat deze slaapt en elk moment weer wakker kan worden. Sterven wordt ook wel inslapen genoemd, de nachtrust wel de kleine slaap en de dood de grote slaap. Evenzo kennen wij de slaap als ‘de kleine dood’. Toch weten we dat er een verschil is. Het ontwaken na een kleine slaap of de kleine dood treedt elke dag weer op. (‘Ik reïncarneer elke dag opnieuw’, meende eens iemand op schalkse manier bij te dragen in een discussie). Het de volgende dag weer ontwaken na de grote definitieve dood is uitgesloten.

Hoe kunnen wij dit verschil concreter duiden?

Ik stel iemand wel eens de vraag waar hij denkt dat hij is tijdens de slaap. Steevast krijg ik dan het antwoord: ‘In bed natuurlijk’. Er op aandringend daar eens iets preciezer naar te kijken, reageer ik dan met: ‘Ja, in bed voor zover het je lichaam betreft’.

Je kan daarbij vaststellen dat het eigen bewustzijn tijdens de slaap zodanig is gedempt dat je niet meer bewust ervaart dat zintuiglijke prikkels van buiten tot je doordringen.

We kunnen een onderscheid maken tussen ons levende lichaam tijdens ons leven en ons dode lichaam na ons sterven. Beide zijn ons lichaam. Bij ons dode (fysieke) lichaam zijn onze ‘levensgeesten’ geweken, evenals ons bewustzijn.

Daarmee hebben we als het ware al drie ‘geledingen’ te pakken over wie/wat wij als mens eigenlijk zijn: ons dode (fysieke) lichaam, ons levende lichaam en ons bewustzijn. Ik noem deze drie elementen ‘geledingen’ aangezien ons fysieke lichaam tijdens ons leven deel uitmaakt van ons levende lichaam. Laat ik het anders verwoorden: het verschil tussen ons dode en ons levende lichaam is de geleding van ‘leven’, onze ‘levensgeesten’, datgene dat de vorm erin houdt en dat na ons sterven als het ware wijkt. Dan valt het dode lichaam na verloop van tijd uit elkaar. ‘Keert weder tot stof’. Het merkwaardige is dat we de ‘levensgeesten’ niet met onze ogen kunnen zien en toch weten we dat ze er zijn. Hetzelfde geldt voor levensprocessen. We kennen ze in verregaande mate, maar we kunnen ze niet zien.

De drieledigheid van fysiek lichaam, leven(slichaam’) en bewustzijn geldt in beginsel voor alle mensen. Maar waar ben ’IK’ gebleven als ik slaap? En waar ben of (ver)blijf ‘IK’ als ik ben gestorven? De drieledigheid blijkt voor mij een vierledigheid te zijn: fysiek lichaam, ‘leven(slichaam’), bewustzijn en ‘IK’. (Dat moderne neuro-wetenschappers, zoals Dick Swaab, deze vierledigheid direct zullen ontkennen als ik ze deze zou voorhouden - de mens zou volgens hem immers slechts zijn brein zijn - laat ik hier buiten beschouwing).

We kunnen vaststellen dat tijdens onze slaap ons levende lichaam in bed ligt en ons bewustzijn en ‘IK’ zich tijdelijk hebben teruggetrokken. Tijdens ons dromen lijkt er zich een bijna-terugkeer voor te doen van beide, de droom als ‘bijna-terugkeer-ervaring’.  Maar na het sterven is deze terugkeer uitgesloten. Ook van het leven(slichaam’).

(Opmerking: dat ik hier het begrip ‘leven(slichaam’)  gebruik kan verwondering wekken. Dat zou ook het geval zijn als ik de begrippen  ‘bewustzijnslichaam’ en ‘IK-lichaam’ zou gebruiken. Ik doe dit in overdrachtelijke zin om de verschillende geledingen een zekere structuur te geven voor het denken. Van een fysiek karakter is echter bij de drie niet-fysieke ‘lichamen’ geen sprake. Ze zijn niet meetbaar, weegbaar en aanraakbaar. Ze zijn ‘denkbaar’).

De dagelijkse heen en weer-pendeling tussen waken en slapen en waken noem ik ‘de korte golf’.  Denkbaar voor het heen en weerpendelen tussen huidig leven, het hiertussenmaals en een nieuw leven op aarde is ‘de lange golf’. Ik veronderstel in dit verband dat de duur van een periode tussen dood en nieuwe geboorte in het hiertussenmaals waarschijnlijk een aanzienlijk langere periode zal beslaan dan de duur van een nacht tijdens ons leven. Bij een zeer snelle reïncarnatie zou het denkbaar kunnen zijn dat herinneringen aan het vorige leven gemakkelijker zouden kunnen opduiken. Er zijn gevallen bekend waarin mensen bij een bezoek aan bepaalde plekken zich heel duidelijk menen te kunnen herinneren dat ze aldaar in een vorig leven eerder zijn geweest. Een ‘bewijs’ voor reïncarnatie kan hieraan niet worden ontleend. Er kunnen ook andere verklaringen zijn voor een dergelijke ervaring. De zin van deze relatief lange duur tussen twee incarnaties kan ik mij denken als zinvol met het oog op onze persoonlijke ontwikkeling. Deze zou aanzienlijk minder kans krijgen indien de twee levenssituaties teveel overeenkomsten zouden vertonen.

Beide golfbewegingen kunnen we visualiseren door op een stuk papier twee evenwijdige lijnen onder elkaar te trekken. Op de bovenste lijn van het dag/nachtritme kunnen we de korte golfbewegingen tekenen. Op de onderste lijn de lange golfbewegingen van huidig leven, hiertussenmaals en nieuw leven.

Het bovenste deel van de kleine golf kan ik als de dagzijde voorstellen. Het onderste deel als de nachtzijde.

Bij de lange golf kan ik me het bovenste deel van de golf voorstellen als ons huidige (en vorige en toekomstige) leven, het onderste deel als het hiertussenmaals.

Waar de korte golflijn de rechte lijn kruist in ons dag/nachtritme , stel ik mij inslapen, dromen en wakker worden voor. Waar de lange golflijn de rechte lijn kruist, stel ik mij conceptie en sterven voor.

Het hierboven genoemde omstulpingsmoment waar hiernamaals over gaat in het hiervoormaals op weg naar een nieuwe incarnatie stel ik mij in de tekening van de lange golf voor daar waar de golfbeweging in het onderste gedeelte van de golf (het hiertussenmaals) weer opwaarts gaat. Door de bocht heen.

Met de tekening van de lange golfbeweging kan ik mij een uiterlijke voorstelling maken van reëxcarnatie en reïncarnatie in diverse herhalingen. Over het aantal reïncarnaties kan ik slechts speculeren, evenals over eventuele fasen, lagen of sferen waar wij als gestorvenen (zielen?) doorheen gaan in het hiernamaals en het hiervoormaals op weg naar een nieuw aards leven. Er zijn wel bronnen met gezichtspunten daaromtrent en die zou ik denkend in mijn innerlijke voorstelling kunnen meenemen, maar ik ben niet in staat om aan te voelen of deze kloppen.

Wat ik wel kan aanvoelen (en het laat zich denken), is dat vraagstukken aangaande  abortus, euthanasie en zelfdoding in een ander daglicht kunnen komen te staan indien hierop reëxcarnatie en reïncarnatie worden betrokken. Het denken over abortus zonder of met hiervoormaals respectievelijk hiertussenmaals kan een verschillend verantwoordelijkheidsbesef teweeg brengen, met name ten aanzien van denkbare of mogelijke effecten. Ditzelfde kan gelden voor euthanasie en zelfdoding. Over die eventuele effecten durf ik hier verder echter niets te zeggen.

Perifere identiteit (PI)

Verbrugh geeft slechts aan het einde van zijn artikel in het kort iets aan over wat hij onder ‘perifere identiteit’ verstaat.

Ik citeer: ‘Ik ben alleen voor zover ik mijn lijf ben. Tegelijk ben ik alleen voor zover ik de Ander ben. Levenskunst is de kunst om dat ’tegelijk’ ritmisch te beleven. ’Beleven’ is hier in twee betekenissen bedoeld: zogenaamd ’abstract’ in de geest ervaren en heel concreet fysiek leven geven in en aan het lijf. Dat is ’perifere identiteit’...En in 140 Twittertekens inclusief spaties: ‘Ik ben mijn lijf en tegelijk ben ik de Ander. Dat ’tegelijk’ beleef ik ritmisch in het midden. Ik ervaar het in de geest en geef het leven’.

Zoals gezegd, is het begrip ‘perifere identiteit’ me ook na deze korte uitleg niet veel duidelijker geworden.  Ik zou me nog wel iets kunnen voorstellen bij de gedachte dat een mens tijdens diens leven in meerdere of mindere mate gekend wordt door anderen in de naaste of wijdere omgeving. Men leeft in die zin in de ander en de ander in mij. Dat geldt ook voor de periode na het sterven. Dan leven wij als het ware in de herinnering van anderen voort. Om daar de conclusie uit te trekken dat IK De Ander ben, gaat me wat ver.

‘Ik ben alleen voor zover ik mijn lijf ben’, schrijft Verbrugh en: ‘Tegelijkertijd leef ik in De Ander (voor zover ik De Ander ben?)’ gaat hij door. Resteert mijn vraag (als derde ontbrekende punt): ‘En wie ben ‘IK’?.

Tot slot wil ik twee voorbeelden beschrijven waarin ik vaag veronderstel het begrip PI aan te voelen.

De eerste is een herinnering:

‘Ik herinner mij een toespraak van een vrouw tijdens de uitvaart van haar overleden man. ‘Op de één of andere manier hebben jullie J. goed gekend’, zei zij tegen de aanwezigen.’In zekere zin ZIJN jullie gezamenlijk J.’.  Lijkt deze ervaring op wat Verbrugh met ‘perifere identiteit’ bedoelt te zeggen?

De tweede is een verhaaltje uit eigen koker naar aanleiding van ervaringen in mijn beroepsmatige leven.

De architect en timmerman in onszelf

‘Mensen die ontslag in hun leven aan den lijve recent hebben meegemaakt, vertellen erover met een grote betrokkenheid. Over de pijn die ze eraan hebben ervaren, de schok, het verdriet, de eenzaamheid en de hulpeloosheid, de onmacht. Maar ook over de verrassend positieve gevolgen na verloop van tijd. Sommigen spreken van een nieuwe geboorte. Anderen voelen na het verdwijnen van hun boosheid en alle andere onlustgevoelens nieuwe energie en zijn er uiteindelijk heel gelukkig mee dat hen het ontslag is overkomen. Ze hebben het gevoel dat ze zichzelf veel beter hebben leren kennen en dat hun zelfinzicht belangrijk is toegenomen. De innerlijke verandering brengt dan ook soms een onverwachte wending in het leven. Alsof er ruimte is ontstaan voor het nu in vervulling kunnen laten gaan van een droom, die lang in stilte diepweg is gekoesterd.

Er kan een lange reis worden gemaakt, een boek worden geschreven, een nieuwe relatie worden begonnen. Of de keuze worden gemaakt voor het zelfstandige ondernemerschap.

Opvallend is dat bij onverwacht ontslag de directe omgeving waarin men verkeert, meestal onbedoeld de eigenlijke aanstichter lijkt van de innerlijke en uiterlijke ommekeer. Niet elke leidinggevende die een medewerker ontslaat, heeft daarbij die transformaties voor ogen gehad en als bewust motief gehanteerd. Vaak is het gewoon een kwestie van verwijderen, omdat men niet meer voldoet aan de gestelde eisen of omdat er teveel ruis in de verhoudingen is ontstaan. Los nog van min of meer voor de hand liggende bedrijfseconomische redenen.

Ik noem dit verschijnsel opvallend, omdat het zo vaak lijkt voor te komen. Alsof er sprake is van een zekere regie. Niet uiterlijk, maar tussen de regels door. Alsof er een nieuw contact kan worden gemaakt met je innerlijke bestemming dankzij daartoe onbewust ingeschakelde veroorzakers uit je directe omgeving.

Dit fenomeen deed het beeld in me ontstaan van de ‘architect en de timmerman in onszelf’. De architect in onszelf beschouw ik als de ontwerper van onze levensbestemming, de ontwerper van wie we eigenlijk zijn en zullen worden in ons leven. In mijn visie zijn we dat zelf. Alsof we voor onze afdaling naar het aardse een ontwerp hebben gemaakt voor het ontwikkelingsplan van ons komende leven. Blijkbaar is het de bedoeling dat we ons daar ook zoveel mogelijk aan houden. Ook al hebben we wel de vrijheid om ervan af te wijken. Vaak dwingen de omstandigheden ons daar ook toe. We vullen ons leven in zoals de wind waait of we zelf kiezen. Leggen onze hele ziel en zaligheid in onze goede bedoelingen en zetten ons in. Tot er signalen komen die op rood staan, of nog slechts oranje. Die laatste zien we misschien wel, maar we hechten er vaak niet zoveel betekenis aan. Het zal wel meevallen. Of we hebben een andere smoes om er maar niet te sterk bij stil te staan. Het leidt ook maar af. Er zijn nu eenmaal dingen die je niet zomaar kunt veranderen of die gewoon klaar moeten. Totdat de signalen heftiger worden. Van oranje op rood springen. We kunnen dan ervaren dat we toch niet zo gelukkig zijn. Niet in ons werk, niet in onze relatie, niet met onszelf. Dat we niet goed in ons vel zitten. Dat we overspannen raken of al zijn of burned out. Dat alles ons tegen gaat zitten en dat we niet in staat zijn er veel aan te veranderen. Dat mensen onverwacht zogenaamd vervelend tegen ons gaan doen of ons zelfs regelmatig dwars zitten. Lijkt het. Zelfs dat we niet in het goede lijf zitten of op een verkeerde plek leven en wonen op deze wereld.

Het is dan alsof onze innerlijke architect gebruikt maakt van zijn helpers in onze omgeving om ons erop te wijzen dat we van het spoor van zijn ontwerp zijn afgegleden. En dat de verbinding moet worden hersteld. Als we te lang doof voor hem zijn geweest, kan hij dat op een heel drastische manier kenbaar maken. Niet alleen door een onverwacht ontslag, maar vrijwel tegelijkertijd ook nog door andere ‘maatregelen’. Soms zo ingrijpend dat het lijkt of ons leven finaal op zijn kop wordt gezet..... Na het diepe dal waarin vaak enkele van dezelfde en ook andere helpers steun en begeleiding geven om er door heen te komen, wordt het geleidelijk aan van binnen weer wat lichter. De architect die voorheen vanuit het duister zachte of hardere signalen gaf, begint zich voorzichtig te tonen. En kan uiteindelijk sterk beleefbaar worden. ‘Timmerman, ken toch uzelf’, roept hij luid. En hij blijft het daarna herhalen. Dag en nacht. En met succes. Nu kan hij worden gehoord. De band met hem kan door de timmerman in jezelf worden hersteld, nadat deze totaal uit het oog was verloren. Onze innerlijke architect laat dat niet over zijn kant gaan. Hij blijkt de sterkste te zijn. En hij verwacht van ons dat zijn ontwerp nu verder volgens plan zal worden uitgevoerd. (‘Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede’). Daar mag niet opnieuw van worden afgeweken, willen wij niet weer in een spagaat terechtkomen. Volgen wij zijn roep dan laat hij zijn ontwerp zien in het volle licht. In volle glorie. De held in ons wordt dan zo langzamerhand opnieuw geboren...’.     

 

*Frans Wuijts(1946) heeft een loopbaan in personeelsmanagement en organisatieontwikkeling in bedrijfsleven en gezondheidszorg. In zijn denken en werken laat hij zich inspireren door antroposofische mededelingen van Rudolf Steiner.

E-mailadres: wuijts@ziggo.nl  Website: http://www.franswuijts.nl/

-----

[1]Wikipedia zegt over het voorgeborchte onder andere: ‘Het Voorgeborchte (Latijn: limbus of limbo, "rand, zoom"), is in de rooms-katholieke theologie een aanduiding van het verblijf van de zielen die na het sterven niet toegelaten worden tot de hemelse glorie van Christus en ook niet naar de hel of het vagevuur gezonden worden. Zij wonen aan de rand van de hemel of de hel. Zij genieten daar - volgens de gangbare opvatting van het voorgeborchte - de volledige en opperste natuurlijke gelukzaligheid, maar zonder de directe aanschouwing van God zoals de hemelingen. Zij worden bovendien niet gekweld door de eeuwige hellestraffen, daar zij geen persoonlijke zonden (misdaden) bedreven hebben.

In het bijzonder gaat het bij het begrip Voorgeborchte om:

  • de limbus patrorum: de tijdelijke toestand van de zielen van hen die een goed leven leidden, maar stierven vóór de opstanding van Jezus, en
  • de limbus puerorum: de permanente toestand van de ongedoopten die als klein kind stierven (zonder persoonlijke zonden te hebben gepleegd, maar ook zonder - door het doopsel - bevrijd te zijn van de erfzonde).

 

Ik kan mij bij het voorgeborchte eerder ‘de plek in de hemel’ voorstellen, waarin de nieuwe zielen in het hiervoormaals verblijven die zich voorbereiden op hun aardse geboorte.  Zo heb ik het tot dusverre altijd gedacht.

Er zijn indirecte aanwijzingen in de Bijbel te vinden, waarover wordt vermeld dat deze zouden duiden op ‘reïncarnatie’.  Ook zou het denkbeeld van reïncarnatie in de vroegchristelijke tijd door velen zijn  aangehangen. In de 6e eeuw zou de reïncarnatietheorie door de RK Kerk tot ketters zijn verklaard en in de ban gedaan.

 

[2] Reïncarnatie (Latijn: carne = "opnieuw in het vlees"; Grieks metempsychôsis, "opnieuw bezield", vandaar "zielsverhuizing") is het geloof dat het niet-lichamelijke deel van een levend wezen (in de westerse wijsbegeerte doorgaans ziel genoemd) na de dood niet verdwijnt maar opnieuw in een ander levend wezen geboren wordt. Het idee van reïncarnatie bestaat al sinds vele duizenden jaren voor Christus en komt voor in diverse religies en culturen over de gehele wereld.

 

[3] Opgemerkt moet worden dat afbraak en opbouw in het menselijk leven ook hand in hand gaan. Gedurende het gehele leven vindt afbraak plaats van lichaamscellen, ook tijdens de krachtigste periode van opbouw op jonge leeftijd. Zo kan ook worden gedacht dat na het sterven de kiem van het nieuwe leven van meet af aan al aanwezig is.