Is de tweedeling progressief conservatief een bruikbaar alternatief van het links-rechts schema?

Civis Mundi Digitaal #4

door Wim Couwenberg

Is de tweedeling progressief-conservatief een bruikbaar alternatief van het links-rechts schema

Wim Couwenberg

Het links-rechts schema schiet steeds meer tekort als een helder criterium van politieke indeling van het politieke krachtenveld. Het valt ook niet langer samen met de tweedeling progressief-conservatief. Is die tweedeling wellicht een beter criterium voor een tweedeling van het politieke krachtenveld? Het is een vraag die de laatste tijd opnieuw ter discussie staat. Vooral van de zijde van Groen Links is die vraag aan de orde gesteld. Dat er tussen progressief en conservatief evenals tussen links en rechts een middenpositie te onderkennen valt heb ik sinds jaren betoogd en uiteengezet. Maar dat laat ik hier nu even ter zijde. Aan die politieke tweedeling progressief/conservatief als criterium van indeling gaat een hele geschiedenis vooraf die de moeite waard is in herinnering te roepen nu deze kwestie opnieuw speelt.

Al direct na de oorlog is de tegenstelling progressief/conservatief door de socialistische doorbraak geïntroduceerd als alternatief van de religieus-politieke antithese van het christelijk confessionalisme dat voor de oorlog domineerde als politieke tweedeling waarbij confessionele politiek als rechts en anticonfessionele of seculiere politiek als links gold. Afgezien van het taboe-karakter dat conservatieve politiek vooral door linkse propaganda gekregen had stond die tegenstelling zo haaks op de toen nog hecht verankerde oude politiek dat zij geen enkele kans maakte. In de jaren zestig en zeventig is van linkse zijde opnieuw een tweedeling aan de orde gesteld rond het links-rechts schema in de zin van een progressieve socialistische/ sociaaldemocratische versus een conservatief liberale politiek. De bedoeling daarvan was de linker- en rechtervleugel van de christendemocratische partijen op die manier uit elkaar te spelen. Het resultaat was evenwel een onbedoelde politieke bundeling van de tot dan toe confessioneel verdeelde christen-democratie in het CDA. Als ‘follow-up’ van de in die jaren gevormde progressieve concentratie van PvdA, D66 en PPR werd toen de ontwikkeling van een progressieve volkspartij (PVP) beoogd, hetzij rechtstreeks, hetzij via een federatief verband, dus een partij waarvan de identiteit uitsluitend bepaald zou worden door haar progressieve gezindheid die niet langer samenviel met het socialisme zoals in de jaren ’50. Daarmee rees vanzelf de vraag waarin die progressieve gezindheid zich onderscheidt. Daarover is geen helderheid gekomen. Uit een vergelijkende analyse van partijprogramma’s voor de Tweede Kamerverkiezingen van 1971 bleek dat het onderscheid daartussen niet zozeer betrekking had op de centrale waarden en doelstellingen van beleid zoals voorheen, maar alleen nog op de middelen ter realisering daarvan of de fasering.

[1] Dat nu maakt het niet eenvoudig duidelijk te markeren wat progressief is en wat niet. Dat was echter niet de reden waarom de beoogde PVP er toen niet gekomen is. Dat was vooral omdat de PvdA bang was daarmee haar greep op de oude arbeidersaanhang te verliezen.

Wel slaagden de aanhangers van het linkse of progressieve levensgevoel van de politiek culturele revolte van de jaren ’60 er sindsdien in in de publieke opinie de boventoon te voeren en daarop hun stempel te drukken. Met medewerking van enige aanhangers van dat linkse of progressieve levensgevoel heeft het weekblad HP daaraan in 1984 een speciaal nummer gewijd.[2] De erfenis van die jaren van linkse dominantie in de publieke opinie, constateerde de toenmalige PvdA-prominent Bart Tromp, is dat alles wat links en progressief werd geacht niet alleen als beter beschouwd werd maar ook het alleenrecht behoorde te hebben. De anderen -degenen die niet progressief geacht werden - waren een soort rest dat nog een tijdje geduld moest worden maar eigenlijk geen bestaansrecht meer had. Dat was toen geen loze pretentie. Het heeft ertoe geleid dat die linkse elites in die jaren de toon van de publieke opinie naar hun hand konden zetten.

De linkse cultuurpsycholoog Jos van der Lans[3] hekelt achteraf de afwezigheid van rechtse denkkracht in die jaren. Progressieve elites zijn daardoor nauwelijks tegengesproken en op de proef gesteld. Maar wie dat wel deed - ik heb daar de nodige ervaring mee gehad - en het morele gelijk van politiek links ter discussie durfde stellen werd onmiddellijk neergesabeld en in de hoek gezet als extreemrechts. Als eens lid van die linkse politieke elite is Fortuyn daar zelf op zijn beurt het slachtoffer van geworden tijdens zijn revolte in 2002. Als een van de kenmerken van rechts populisme waarvan hij in linkse ogen de politieke woordvoerder geworden was, zagen exponenten van wat Fortuyn toen de linkse kerk ging noemen nu een anti-establishment houding. Historisch gezien is dat niet zonder ironie. Vanouds is zo’n houding immers typisch geweest voor politiek links. Het is juist daardoor dat links met zijn ideeën van vrijheid en gelijkheid lange tijd de voet is dwars gezet door rechts gezinde politieke regimes en als een bedreiging van de gevestigde orde afgeschilderd is. Linkse elites van de jaren zestig onderscheidden zich opnieuw door zich af te zetten tegen het toenmalige politieke establishment. Maar sinds zij zelf van dat establishment deel uitmaken is een anti-establishment houding ineens omgetoverd in een rechts populistische en dus kwalijke positiebepaling. Opnieuw een prachtig staaltje van links geïnspireerde politieke taalmanipulatie!

Links alternatief ter discussie

Als stijgt uit de juist genoemde terugblik in weekblad HP in1984 een geur op van scepsis, onzekerheid en ontgoocheling over de invloed en praktische betekenis van de eigen linkse idealen, toch blijft men bij gebrek aan een alternatief vasthouden aan het zo vertrouwd geworden links-rechts schema en dat in morele termen duiden als goed versus fout. Maar de twijfel over dat linkse alternatief blijft doorvreten. Zo constateerde PvdA-econoom F. de Kam[4] in 1996 dat links en rechts als politieke onderscheiding inmiddels lood om oud ijzer geworden waren, in het bijzonder op een zo belangrijk terrein als de financieel-economische politiek. De PvdA had zich namelijk in vergaande mate aangepast aan de neoliberale financieel-economische consensus die in de jaren ‘80 tussen CDA en VVD was gegroeid. Bij die consensus heeft zij onder Paars in de jaren ‘90 dan ook probleemloos aangeknoopt. Door de grote verdeeldheid in linkse kringen over cruciale kwesties als de Europese integratie, het Israëlisch-Palestijnse conflict, de Irak-oorlog, de fiscale politiek e.d. en het gemak waarmee eerst als rechts gehekelde standpunten over migratie, integratie, veiligheid e.d. worden overgenomen zodra die blijken aan te slaan werd de twijfel aan een herkenbaar en aansprekend links alternatief alleen maar groter.

In de PvdA vindt na de Fortuyn-revolte dan ook een discussie plaats over een nieuwe economische agenda van links.[5] Daaruit blijkt opnieuw hoe moeilijk het voor linkse politiek geworden is zich op het cruciale terrein van de economie een eigen duidelijk en uitvoerbaar profiel te creëren. Wat is er typisch links aan het verbeteren van de effectiviteit en efficiency van het overheidsoptreden als bijvoorbeeld in die discussie voorgesteld werd; en wat aan het verdedigen van de bestaande orde tegenover de populistische dreiging zoals in 2003 in een discussie over de toekomst van links te beluisteren viel?[6] Als rechts populistisch kwalificeert Arie van der Zwan in zijn boek De uitdaging van het populisme (2003) sinds de jaren ’80 een drietal populistische golven: de neoliberale golf van de Amerikaanse president Reagan en de Britse premier Thatcher in de jaren ‘80; de opportunistisch-pragmatische golf van de sociaal-democratische Derde Weg met de Britse premier Blair als boegbeeld in de jaren ’90; en het rechtse populisme waarvan de Fortuyn-revolte in Nederland als voorbeeld dient. Dat zijn wel alle populistisch geheten golven met een politieke stellingname die de auteur niet zint. Het zijn golfbewegingen die veel weerklank vonden onder de bevolking. Maar is dat voldoende reden om ze populistisch in negatieve zin te noemen?

Problematiek progressieve politiek

Sinds de jaren ’90 keert het idee van een progressieve volkspartij (PVP) terug in de PvdA als mogelijk alternatief van de ideologisch uitgeputte sociaal-democratie. PvdA-ideoloog P. Kalma komt daarmee op de proppen in het herdenkingsboek Honderd jaar sociaal democratie 1894-1994 met PvdA, D 66 en Groen Links als partners. PvdA-leider Thijs Wöltgens[7] breekt daar in de jaren 90 eveneens herhaaldelijk een lans voor. Nu de sociaal-democratie niet meer in staat blijkt te zijn tot een frontale aanval op de heersende neoliberale markteconomie rest haar niet veel anders meer. Want al zwaaien sociaal-democratische regeringen in Europa in de jaren negentig in veel landen de scepter dat blijkt toch niet te zijn  "the magical return of social democracy in a liberal era" zoals exponenten van sociaal-democratische thinktanks toen veronderstelden[8], maar een doodgewone machtswisseling die in geen enkel opzicht inbreuk maakte op de heersende liberale markteconomie.

Het herhaaldelijk gelanceerde idee van een progressieve volkspartij roept twee vragen op die onvoldoende onder ogen gezien worden: wat onderscheidt zo’n politiek in onze tijd van een conservatief alternatief?; en hoe valt zo’n partij te realiseren? Uitgaande van de oorsprong van progressieve politiek is het niet moeilijk progressief af te grenzen van conservatief. Oorspronkelijk staat progressieve of linkse politiek als uitvloeisel van het verlichte vooruitgangsgeloof van de 18e eeuw voor erkenning en realisering van de beginselen van vrijheid en gelijkheid als grondslag van de samenleving; en conservatief als exponent van de gevestigde orde en de daarin verankerde gezagsposities voor het zoveel mogelijk afremmen van dat streven. Dat streven heeft in de afgelopen twee eeuwen steeds meer erkenning gevonden en is in het voetspoor hiervan verankerd in grondwetten en mensenrechtenverdragen. De strijd gaat dus niet meer om die erkenning, maar om de interpretatie en toepassing van die beginselen in beleid en rechtsvorming. Naarmate progressieve bewegingen succes hebben worden zij op hun beurt eveneens vervlochten met de bestaande orde en daarvan een onderdeel. Dat is ook het lot van de sociaal-democratie geweest. In de jaren ’30 werd al gewag gemaakt van conservatieve tendenties in de sociaal-democratie. In de jaren vijftig is dat opnieuw gedaan. Het socialisme, zo oordeelde b.v. een prominent politicus van die jaren als J. de Kadt[9] behoort niet meer tot de krachten van de toekomst. Het is op zijn best een kracht van het behoud.

Linkse scepsis over de vooruitganggedachte

Een verwarrende factor sinds de jaren zestig is voorts de scepsis die in linkse kringen onder invloed van postmodern cultuur- en waardenrelativisme groeit over het verlichte vooruitgangsgeloof als zingevend motief van onze moderne samenleving en cultuur. Het idee van een progressieve politiek is namelijk ontsproten aan dat geloof. Toen PvdA-leider Den Uyl in 1977 gevraagd werd naar zijn oordeel over het beginselprogramma van 1977 toonde hij zich daarover weinig enthousiast, maar wel heel positief over het feit dat zijn partij zich daarin losgemaakt had van het vooruitgangsgeloof.[10] Ondanks grote technisch-wetenschappelijke vooruitgang van de laatste decennia, zo verzuchtten de opstellers van een beleidsbepalend PvdA-rapport in die progressief geheten jaren, is het niettemin volkomen duidelijk dat er voor ieder opgelost probleem tien andere problemen opduiken waarvan de oplossing verder weg schijnt te liggen dan ooit tevoren.[11] Die scepsis is een reactie op de negatieve dialectiek waarmee het vooruitgangsstreven telkens opnieuw te maken krijgt en door linkse sociologen van de Frankfurter Schule in alle scherpte geformuleerd is.[12] Die dialectiek manifesteert zich in bijna alle emancipatieprocessen sinds de liberale revoluties van de achttiende eeuw, na de oorlog bijvoorbeeld in de omslag van nationale bevrijdingsbewegingen in de Derde Wereld in nieuwe repressieve en corrupte regimes en in een terugval in feodale en tribale tradities. In linkse kringen wordt dat niet langer betwist.

Ondanks de emancipatorische vooruitgang van de afgelopen twee eeuwen met een breed scala van mensenrechten als juridische vrucht duikt de machtsproblematiek telkens weer op in nieuwe afhankelijkheidsrelaties en nieuwe vormen van vervreemding, repressie en corruptie. Uit emancipatieprocessen komen telkens nieuwe elites voort die in en door hun emancipatorische strijd nieuwe machtsposities opbouwen ten dienste van zichzelf en hun achterban. Na verloop van tijd raken zij op hun beurt evenals voorgaande elites in de ban van de machtsbegeerte, krijgen zij dus de smaak van macht te pakken en wordt macht als middel tot emancipatie opnieuw een doel in zichzelf dat neerslaat in nieuwe machtsstructuren waarvan de handhaving voorrang krijgt boven de oorspronkelijke emancipatorische idealen. De ijzeren wet van de oligarchie van R. Michels is daarvan de sociologische expressie; de strijd daartegen een ‘continuing story’.

Progressief niet meer dan vernieuwingsgezind?

De linkse scepsis over het vooruitgangsgeloof is in het licht hiervan alleszins begrijpelijk. Het noopt tot een kritische reflectie op de actuele betekenis van progressieve politiek als identiteitsbepalende factor. Als daarvan niets meer overblijft dan een streven naar verandering en vernieuwing van de status quo zoals men vaak geneigd is te doen onderscheidt die politiek zich niet wezenlijk meer van conservatieve politiek. Want ook conservatieve politici streven als dat nodig is naar verandering en vernieuwing van de status quo in hun geest. Denk maar aan wat de Britse premier M. Thatcher in de jaren tachtig in Engeland overhoop gehaald heeft evenals de Amerikaanse president R. Reagan in de VS. Dat resulteerde in een nieuw neoliberaal geïnspireerd klimaat met de voordien als rechts en reactionair gekritiseerde ondernemerswereld als nieuwe apostelen van het vooruitgangsgeloof.

De boel bij elkaar houden is een opdracht die de PvdA sterk benadrukt als reactie op de problemen van de multiculturele samenleving. PvdA-econoom D. Wolfson[13] meent zelfs dat zijn partij zich daarmee onderscheidt van andere niet progressief geachte partijen. Maar dat valt moeilijk staande te houden. Die opdracht raakt de essentie van iedere moderne staat als permanent politiek integratieproces in een samenleving die zich telkens opnieuw gesteld ziet tegenover centrifugale krachten die de sociale cohesie ondergraven. Met zijn theorie en praktijk van de klassenstrijd was het socialisme eens zelf zo’n centrifugale kracht. En vandaar dat het accentueren van politieke integratie als primaire staatstaak in linkse ogen lange tijd een rechtse en nationalistische connotatie gekregen heeft. In het postideologische tijdperk met politiek syncretisme als nieuwe politieke formule is voor een scherpe polarisatie tussen progressieve en conservatieve politiek in ieder geval niet langer een adequate voedingsbodem voorhanden. Er is er alleen nog ruimte voor min of meer belangrijke accentverschillen op bepaalde punten.

De weg naar een PVP

De tweede vraag die we in dit verband onder ogen moeten zien is: hoe zo’n progressieve volkspartij of progressieve concentratie te realiseren? Is dat mogelijk vanuit de bestaande partijstructuren? In de jaren zeventig is dat met die PVP niet gelukt, maar wel met het streven van oorspronkelijk confessioneel-christelijke partijen als ARP, CHU en KVP naar christendemocratische eenheid. Een alternatief is een politieke hergroepering. De politieke trend wijst in die richting, signaleerde eind jaren zestig de econoom F. Hartog al in zijn boek Politieke politiek (1969, p. 16). Maar hoe die te realiseren? In Zuid Afrika is dat in 2003 ook aan de orde geweest en op een heel bijzondere wijze opgelost. Men heeft politici daar nl. wettelijk in staat gesteld in een bepaald tijdsbestek van partij te veranderen met behoud van hun kamerzetel.[14] Zoiets is hier niet denkbaar. PvdA-coryfee Margreet de Boer[15] ziet een mogelijkheid tot zo’n hergroepering in een open debat tussen stromingen en groeperingen in verschillende partijen die in feite heel dicht bij elkaar staan maar door de huidige politieke verhoudingen in partijpolitiek opzicht van elkaar gescheiden blijven. Enige twijfel aan de begaanbaarheid van die weg lijkt mij niet ongerechtvaardigd. PvdA-politicus Oudkerk[16] wilde de PvdA wel als uitgangspunt nemen van zijn streven naar een progressieve volkspartij, maar achtte de vorming van een nieuwe progressieve beweging waarschijnlijker.

Zolang de PvdA de deur blijft openhouden voor een coalitie met het CDA, blijft het streven naar een progressieve volkspartij met de PvdA als harde kern ervan in ieder geval een illusie evenals de daarmee beoogde politieke tweedeling. Juist om meer politieke duidelijkheid te creëren en het CDA uit te schakelen als permanente regeringspartij verzette de socioloog en columnist J.A.A. van Doorn[17] zich in 1989 tegen het toen gevormde CDA-PvdA kabinet en pleitte hij daartegenover voor een politieke tweedeling langs de lijnen van het links-rechts schema.

 


[1] Zie L.P.J. de Bruijn, Partij kiezen, 1972, pp. 11-12

[2] 1964-1984. Wat gebeurde er met het linkse levensgevoel?, HP, 21 april 1984

[3] J. van der Lans, Links en de verleidingen van het populisme, Socialisme en Democratie, 5 / 6, 2003, p. 14

[4] F. de Kam, Links of rechts: lood om oud ijzer, NRC Handelsblad, 17 september 1996

[5] Zie De nieuwe economische agenda van links, Socialisme en Democratie, 10 / 11, 2003, pp. 10-54

[6] M. Zonneveld, De vlucht van de politiek, Vrij Nederland, 17 mei 2003

[7] Th. Wöltgens, PvdA in de jaren ’90, Socialisme en Democratie, 6, 1991. Daarnaa herhaalt hij dat pleidooi in de Groene Amsterdammer, 10 juni 1998

[8] Zie R. Cuperus en J. Kandel (red.), European Social Democracy: Transformation in Progress, 1998

[9] J. de Kadt, Socialistisch isolement of sociale werelddemocratie, Socialisme en Democratie, november 1952

[10] Zie het interview met hem in Elseviers Magazine, 22 oktober 1977, p. 113

[11] Zie Een stem die telt, p. 22

[12] Zie Th. W. Adorno en M. Horkheimer, Dialektik der Aufklärung, 1947

[13] D. Wolfson, a.w. (noot 259), p. 41

[14] Zie Zuid-Afrika, 4 / 5, 2003

[15] Geciteerd bij G. van Westerloo, Mooi rood is niet lelijk, Vrij Nederland, 17 mei 2003

[16] Zie Trouw, 7 juni 2003

[17] Zie zijn column in NRC Handelsblad, 20 september 1989