Jaren ’50, probleemloos modern?

Civis Mundi Digitaal #6

door Wim Couwenberg

Jaren ’50, probleemloos modern?

Wim Couwenberg

 

Herwaardering jaren ‘50

Sinds de jaren ’60 hebben de jaren ’50 in Nederland een slechte naam gekregen. Het waren jaren, zo werd het toen voorgesteld, waarin nog de spruitjeslucht hing van klein burgerlijke braafheid en gezag, orde en netheid hoog stonden aangeschreven. De VPRO serie ‘Andere Tijden’ wijdde er onlangs een programma aan, waarin die jaren niet langer zo negatief werden voorgesteld. Dit is wel verklaarbaar. De laatste tijd is er sprake van een zekere herwaardering van de sinds de jaren ’60 zo geminachte jaren ’50. Dat hangt waarschijnlijk samen met een reveil van burgerlijk-liberale waarden en manifesteert zich ook in een oorspronkelijk niet burgerlijke partij als de PvdA.

Opmerkelijk was de opmerking van de redacteur van ‘Andere Tijden’ dat Nederland in de jaren ’50 nog probleemloos modern wilde worden. Dat klopt als daarmee gedoeld wordt op de industrialisatiepolitiek, die in die jaren op de rails gezet werd en die een belangrijke bijdrage geleverd heeft tot de modernisering van de Nederlandse samenleving waarin agrarische tradities nog sterk doorwerkten. Het waren ook de jaren waarin de grondslag gelegd werd voor de opbouw van onze sociale verzorgingsstaat en afscheid genomen werd van de traditionele neutraliteitspolitiek. De Nederlandse soevereiniteit werd toen principieel gerelativeerd door de aanvaarding van het primaat van de internationale rechtsorde, althans van algemeen verbindende bepalingen van die rechtsorde (dankzij de grondwetsherzieningen van 1953 en 1956).

 

Doorbraak-strijd tegen verzuiling

Maar in andere opzichten was er van probleemloos modern worden nog geen sprake. Ik denk daarbij vooral aan de restauratie van het vooroorlogse verzuilde politieke en maatschappelijke bestel en het daarbij behorende rigide zedelijke besef. De mentaliteit en politieke cultuur bleven nog in menig opzicht in de ban van premoderne ambities en oriëntaties. De strijd om daar doorheen te breken - bekend geworden als de strijd om de Doorbraak, direct na de oorlog gestart door de inmiddels volkomen vergeten Nederlandse Volks Beweging en voortgezet door de PvdA - is toen mislukt.

"We hebben van de zuilen meer dan genoeg. Want die mooie zuilen schraagden nauwelijks meer een gemeenschappelijk Nederlands dak. Het was een administratie volkseenheid geworden en eerste de Mof heeft ons geleerd dat wij een echt volk zijn." Zo verklaarde de hervormde theoloog G. van der Leeuw, belangrijk exponent van de NVB en minister van Onderwijs Kunsten en Wetenschappen in het kabinet Schermerhorn, in een direct na de oorlog verschenen publicatie.[1] Maar dit bleek spoedig heel voorbarig te zijn.

Al is de Doorbraakstrijd in eerste instantie mislukt, vooral in katholieke kring werd zij wel geducht, zozeer zelfs dat zij inspireerde tot het geruchtmakende Bisschoppelijke Mandement van 1954, getiteld: De katholiek in het openbare leven van deze tijd. Katholieken werden daarin met klem gemaand hun katholieke maatschappelijke en politieke organisaties trouw te blijven. De bisschoppen waren wel voor emancipatie van het katholieke volksdeel, maar zeker niet voor de emancipatie van katholieken individueel. Dat zou de katholieke eenheid alleen maar in gevaar brengen. Dat is spoedig daarna ook wel gebleken.

Als katholieken zijn we weer één, riep de hoofdredacteur van een grote katholieke krant verheugd uit na de oproep tot eenheid van de bisschoppen. Hij ging er daarbij kennelijk vanuit, dat alle katholieken zich nog braaf als volgzaam geachte kudde zouden scharen achter hun bisschoppelijke herders. Maar daar vergiste hij zich grondig in. De katholieken in de PvdA bleven hun partij trouw. En al werd katholieken verboden naar de VARA-radio te luisteren, daar trokken veel katholieken zich weinig van aan. Eind jaren ’50 werd de katholieke eenheid ook ter discussie gesteld door een pleidooi voor een christendemocratische doorbraak, i.c. een samenwerking van katholieken en protestanten in één partij.[2] Een teken aan de wand was ook dat eind jaren ’50 de neer- en ondergang van de katholieke dagbladpers begon met de ondergang van een grote katholieke krant als De Maasbode. Het Mandement van 1954 bleek al gauw een achterhoede gevecht te zijn tegen de snel oprukkende seculariserende geest van de moderniteit. Deze ontwikkelingen in de jaren ’50, die een sterk stempel gedrukt hebben op de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen van die jaren, werden in het VPRO-programma over de jaren ’50 volstrekt over het hoofd gezien.

 

Utrechtse school

De na de oorlog herstelde maatschappelijke en politieke structuren uit het verzuilingstijdperk werden in die jaren al wel sluipenderwijs van binnenuit uitgehold door de toenemende professionalisering van steeds meer verzuilde instellingen en de groeiende invloed van de menswetenschappen op het snelgroeiende academisch geschoolde personeel van die instellingen. In de jaren ’50 speelde de zg. Utrechtse School - nu bijna vergeten - een belangrijke rol in de ontwikkeling van die wetenschappen. Met die School wordt gedoeld op een netwerk van fenomenologisch georiënteerde psychologen (o.a. F.J.J. Buytendijk, D.J. van Lennep, J. Linschoten), pedagogen (o.a. M.J. Langeveld) psychiaters (J.H. van den Berg, H.C. Rümke en P.A.H. Baan), criminologen en juristen (o.a. G. Th. Kempe en W.P.J. Pompe), die zich na de oorlog als intellectuele voorhoede in dienst stelden van de geestelijke wederopbouw van Nederland. De vernieuwing van de Utrechtse School uitte zich met name op drie punten:

- Haar mensbeeld stond op gespannen voet met het beauwende verzuilde hokjesdenken en de daarmee samenhangende autoritaire disciplinering van menselijk gedrag en zij heeft dan ook een grote rol gespeeld in de afbraak hiervan.

- Met haar fenomenologische benadering ondergroef zij tevens de onaantastbare autoriteit van de kerk in levensvraagstukken. Die vraagstukken worden niet langer herleid tot vraagstukken van religie en moraal. Zij vereisen evenzeer inzicht van de menswetenschappen.

- Met haar nadruk op zelfontplooiing heeft zij zowel theoretisch als praktisch in aanzienlijke mate de grondslag gelegd voor de zelfontplooiingsgedachte die de kern vormt van de welzijnsideologie der jaren ’60 en ’70, zij het dat die gedachte toen op veel meer individualistische en libertaire wijze is ingevuld dan in de conceptie van de Utrechtse School.[3]

Een aantal instellingen uit het verzuilingstijdperk hebben de ontzuiling sinds de jaren ’60 wel overleefd, doordat zij grondwettelijk bescherming genoten zoals op het terrein van het onderwijs of te hecht verweven waren geraakt met gevestigde machtsstructuren om zomaar om te vallen. Maar in een maatschappelijke context waarop de liberale en seculariserende geest van de moderniteit een steeds sterker stempel drukt, is de oorspronkelijke religieuze of ideologische oriëntatie volstrekt verdampt. Dit blijkt ook uit naamsveranderingen. De katholieke universiteit Nijmegen heet tegenwoordig Radboud Universiteit en is in vergaande mate geseculariseerd. Dit geldt niet minder voor de Katholieke Hogeschool van Tilburg. Die presenteert zich nu als Universiteit van Tilburg. En wat is er overgebleven van de oorspronkelijke religieuze of ideologische oriëntatie van de KRO, de NCRV en de VARA? Vandaar dat hun bestaansreden heel wankel is geworden en fusies ophanden zijn om het verouderde  en veel te dure omroepbestel wat meer up to date te maken.

 

Strijd over politieke indeling,

Wat ook helemaal uit het historische beeld van de jaren ’60 verdwenen is, is de felle strijd die toen gevoerd is over de politieke indeling van de partijpolitiek. Sinds het einde van de 19e eeuw stond die in het teken van de tegenstelling tussen confessionele en niet- of anti-confessionelen. De PvdA achtte een dergelijke indeling principieel verwerpelijk, omdat eenheid van levensbeschouwing geenszins eenheid van politieke overtuiging impliceert en een duidelijke politieke keuze belemmert. In plaats hiervan propageerde zij een partijstelsel dat uitging van politieke criteria, t.w. de tegenstelling progressief-conservatief. Alleen zo zou een duidelijke en politiek relevante keuze mogelijk zijn. Langs die weg hoopte de sociaal-democratie een linkse meerderheidspositie te kunnen opbouwen nadat men er eerder niet in geslaagd was via de invoering van het algemeen kiesrecht zo’n positie te veroveren.

De KVP-leider C.P.M. Romme verwierp haar als een valse tegenstelling die in de Nederlandse politieke cultuur volstrekt niet paste en trouwens overal ter wereld een leugen zou zijn. Op het partijcongres van de KVP in 1955 werd deze tegenstelling op voorstel van KVP-voorzitter H.W. van Doorn die in de jaren ’70 als PRR-minister deel uitmaakte van het kabinet- Den Uyl, volstrekt afgewezen als alternatief van de godsdienstig-politieke antithese. De PvdA deed er overigens alles aan om partijvorming op basis van die tegenstelling te frustreren. Conservatisme werd nl. systematisch als een hoogst verwerpelijke mentaliteit afgeschilderd. En vandaar dat geen enkele partij ervoor voelde in een conservatieve hoek gemanoeuvreerd te worden.

Een bron van verwarring in de politieke discussie over deze kwestie was dat men niet of onvoldoende onderscheid maakte tussen het hanteren van deze tegenstelling in formele en in materiële, inhoudelijke zin. In formele zin valt onder conservatisme een geesteshouding te verstaan, die gekenmerkt wordt door een positieve waardering van bestaande normen, waarden, verhoudingen en tradities en hoogstens een bereidheid tot voorzichtige aanpassing aan veranderende omstandigheden, als die nodig is om de bestaande orde zoveel mogelijk te handhaven; onder een progressieve gezindheid daarentegen een principieel kritische houding tegenover de bestaande orde en het streven naar verandering ervan op meer gematigde of radicale wijze. In materiële zin opgevat, onderscheidt links of progressief zich door het vooropstellen van het emancipatiemotief in de politieke en maatschappelijke ontwikkeling en rechts of conservatief door het accentueren van het belang van gezag, orde en traditie (machts-/gezagsmotief).

In de tweede helft van de jaren ’60 werd deze discussie opnieuw actueel. Een van de belangrijkste doelstellingen van de politieke vernieuwingsbeweging van die dagen was het scheppen van de voorwaarden voor een betere functionering van onze democratie door de introductie van een politieke tweedeling, die een duidelijke politieke keuze mogelijk zou maken. Opnieuw greep men hiertoe terug op de tegenstelling: progressief of links en conservatief of rechts. Men wilde op die manier de confessionele partijen dwingen tot een duidelijke politieke keuze vóór de verkiezingen. In de KVP werd die nieuwe politieke aanval zo serieus genomen dat die  partij besloot een commissie-Duidelijkheid in te stellen die haar moest adviseren over de te dien aanzien te volgen strategie en tactiek. Ik heb zelf ook deel uitgemaakt van die commissie die echter voortijdig werd ontbonden toen zij met al te duidelijke voorstellen dreigde te komen. Ik erken overigens dat duidelijkheid in de praktische politiek een nogal problematisch begrip is. Versluiering, schijn en misleiding passen meer bij een succesvolle uitoefening van het politieke ambacht. Vandaar het zeer flexibele en dubbelzinnige karakter van het politieke taalgebruik dat vaak ook binnendringt in constitutionele documenten en in de staatsrechtbeoefening.

 


[1] G. van der Leeuw, Balans van Nederland, 1945 p 37-38 en 115. Zie voor de Nederlandse Volksbeweging J. Bank, Opkomst en ondergang van de Nederlandse Volksbeweging, 1978

[2] Zie o.a. S.W. Couwenberg, Pleidooi voor een christelijke doorbraakgedachte, 1959

[3] Zie I. Weijers, Terug naar het behouden huis, 1991