Maatschappelijk verantwoord ondernemen en civiele schizofrenie in een consumentensamenleving

Civis Mundi Digitaal #7

door Eva Nieuwenhuys

Maatschappelijk verantwoord ondernemen en civiele schizofrenie in een consumentensamenleving

Een nieuw soort ondernemerschap of een privatisering van politieke rechten?

 

Recht is in een democratische rechtsstaat een stelsel van democratisch uitgevaardigde regels waarvan de naleving door democratisch vastgestelde sancties kan worden afgedwongen

 

Eva Nieuwenhuys *

 

1.         Inleiding

 

Sinds de globalisering van het neoliberale Anglo-Amerikaanse moderniseringsmodel vanaf de jaren tachtig van de twintigste eeuw zijn er in Europa, de Verenigde Staten en andere landen drastische wijzigingen opgetreden in de verhoudingen tussen overheden, burgers en multinationale ondernemingen. Politieke partijen zijn in toenemende mate onder invloed van  mondiale ondernemingen komen te staan en afhankelijk geworden van geld van het bedrijfsleven voor hun verkiezingscampagnes. Zij worden onder druk gezet commerciële belangen van bedrijven te behartigen. Onder druk van lobbyisten voor multinationale ondernemingen en mondiale economische instituties dereguleerden, privatiseerden en liberaliseerden nationale overheden op grote schaal en beperkten zij zich tot enkele kerntaken die voornamelijk tot doel hadden de omstandigheden te scheppen waarin het internationale bedrijfsleven tot optimale bloei kon komen. Middels fusies en overnames werden ondernemingen steeds groter en machtiger en dankzij het neoliberale vrije vestigingsbeleid konden zij meer en meer het economisch beleid van overheden bepalen. Overheden traden steeds verder terug en stootten elementaire taken af naar de private sector. Zij bemoeiden zich steeds minder met de burgers en lieten zoveel mogelijk aan het bedrijfsleven over. Burgers verloren het vertrouwen in de overheid en het begrip algemeen belang werd, op basis van de neoliberale ideologie, niet langer opgevat als het belang van de samenleving als geheel maar versmald tot het financiële eigenbelang van ondernemingen, aandeelhouders en consumenten.

De Britse filosofe en econome Noreena Hertz stelt in haar, met feiten en cijfers onderbouwde, boek "De stille overname, de globalisering en het einde van de democratie" dat multinationale ondernemingen inmiddels meer invloed hebben op de samenleving dan democratisch gekozen overheden.[1] Gekozen volksvertegenwoordigers komen niet langer voor de belangen van hun burgers op en burgers krijgen steeds meer de indruk dat de politiek door het zakenleven is overgenomen, stelt Hertz. Ook de Amerikaanse rechtsgeleerde Joel Bakan stelt dat overheden steeds minder macht hebben over multinationale ondernemingen.[2]  Door privatisering en commercialisering zijn samenlevingen steeds meer onder particuliere controle komen te staan en veranderd in ondernemingssamenlevingen. In ondernemingssamenlevingen is de rol van de staat ter bescherming van burgers tegen ondernemingen afgenomen terwijl de rol van de staat ter bescherming van ondernemingen tegen burgers is toegenomen, stelt hij.

             De nieuwe rol die ondernemingen hebben gekregen binnen Westerse samenlevingen wordt gelegitimeerd  doordat ondernemingen zich presenteren als maatschappelijk verantwoorde instituties.[3]  Maar, zoals Bakan [4] en de Amerikaanse politieke wetenschapper Robert Reich [5] terecht stellen, zijn ondernemingen per definitie geen morele entiteiten. Zij moeten steeds heviger concurreren om consumenten en beleggers en zij streven binnen hun concurrentiepositie naar een zo groot mogelijk marktaandeel en zoveel mogelijk winst. Volgens Reich wordt de term maatschappelijk verantwoord ondernemen in feite gehanteerd voor alle kostenbesparende maatregelen die tot doel hebben de winst te verhogen en die toevallig ook een positief effect hebben op de samenleving.[6]  Omwille van hun concurrentievoordeel zullen ondernemingen overheden onder druk zetten en zich verzetten tegen alles wat schadelijk is voor hun financiële resultaten. Zij zullen dan ook alleen maatschappelijke verantwoordelijkheid tonen als dit economisch rendabel is.

Volgens neoliberale theorieën over maatschappelijk verantwoord ondernemerschap kunnen marktkrachten maatschappelijk verantwoord ondernemen economisch rendabel maken. Als substituut voor overheidsregulering in een burgerdemocratie moet daarom private regulering in een consumentendemocratie of een aandeelhoudersdemocratie in het leven worden geroepen. Kritische consumenten en aandeelhouders die zich al dan niet verenigd hebben in non-gouvernementele organisaties zoals Greenpeace, Amnesty International, Corp Watch, Consumentenbonden, Bonden voor Duurzame Beleggers etc. kunnen er voor zorgen dat verantwoord ondernemerschap inderdaad economisch rendabel is. Als ondernemingen zich in maatschappelijk opzicht misdragen kunnen deze marktkrachten hieraan immers ruchtbaarheid in de media geven en daarmee het imago van ondernemingen schaden. Ondernemingen met een slecht imago schenden hun reputatie en zullen ten prooi vallen aan boycots en acties van kritische private consumenten en beleggers. Deze boycots en acties tasten de positie van ondernemingen op de consumentenmarkt en op de arbeidsmarkt aan.[7] Kritische consumenten en beleggers zijn volgens theorieën over maatschappelijk verantwoord ondernemerschap op deze manier heel goed in staat met private acties de markt bij te sturen en ondernemingen aan te zetten tot maatschappelijk verantwoord gedrag.[8]

Maar consumenten en beleggers zijn geen burgers en private sturing van de markt staat niet gelijk aan politieke sturing van de markt door middel van democratische regels en instituties. Kritisch consumentisme kan staatsburgerschap dan ook niet vervangen. [9] In de eerste plaats vertoont de consumentendemocratie of de beleggersdemocratie een democratisch tekort. In de tweede plaats zijn kritische consumenten en beleggers manipuleerbaar en lang niet altijd mondig, oordeelkundig en goed geïnformeerd over de gedragingen van multinationale ondernemingen. In de derde plaats laten consumenten en beleggers zich leiden door private keuzes en voorkeuren en niet door keuzes en voorkeuren die zij vanuit een publiek oogpunt als burger zouden hebben. Ondernemingen zijn dan ook in hun streven naar winst en marktaandeel minder kwetsbaar dan de theorie van het reputatiemechanisme doet vermoeden.

 

2.         De uitholling van de democratie in de consumentensamenleving

 

Volgens de theorie van het sociale contract is een democratie een politiek stelsel waarin individuen op basis van formele gelijkheid zijn onderworpen aan hun eigen gezamenlijke wil.     Rationele, mondige, vrije individuen leveren uit weloverwogen eigenbelang een deel van hun individuele vrijheid vrijwillig in om zich te onderwerpen aan een gezamenlijke wil die vorm krijgt in wetten en regels die betrekking hebben op de inrichting van de samenleving. Ieder individu heeft één politieke stem in de gezamenlijke wil, ongeacht de hoeveelheid geld waarover hij of zij kan beschikken. Als burgers kiezen individuen hun volksvertegenwoordigers die de samenleving namens hen, op basis van de door hen gewenste wetten en regels, besturen. De volksvertegenwoordigers zijn verantwoording schuldig aan de door hen bestuurde burgers.    

Kritisch consumentisme of aandeelhouderschap kan burgerschap niet vervangen. In de eerste plaats is het in strijd met het gelijkheidbeginsel. Niet kapitaalkrachtige groepen zijn uitgesloten van politieke besluitvorming over de nieuwe macht van het bedrijfsleven. Zij kunnen producenten niet ter verantwoording roepen over hun prijzen en productiemethoden door politiek winkelen en beleggen. Bovendien hebben diegenen die over veel geld beschikken meer politieke macht en invloed dan zij die over een modaal of een laag inkomen beschikken. Tot slot zijn ondernemingen geen gekozen volksvertegenwoordigers die verantwoording schuldig zijn aan hun kiezers. Het publieke belang is het ondernemingsbelang geworden en het ondernemingsbelang is niet langer het algemene belang van burgers maar het private belang van consumenten en beleggers. Een democratische discussie over de politieke inrichting van de samenleving wordt in dit model niet meer gevoerd.

 

3.         Reputatiemechanisme, manipulatie en schone schijn

 

Ondernemingen willen graag een goed imago hebben omdat dat gunstig is voor hun positie op de markt. Maar daarmee is niet gezegd dat ondernemingen dat goede imago daadwerkelijk ontlenen aan maatschappelijk verantwoord ondernemingsgedrag. Ondernemingen kunnen hun goede imago ook op een andere manier verkrijgen of behouden dan door goed gedrag.

Om het vertrouwen van consumenten en beleggers te winnen en te houden maken ondernemingen gebruik van public relations strategieën zoals ‘branding’, het opbouwen van een positief imago rond merken. Met behulp van merken en reclames worden ondernemingen gepresenteerd als menselijk, maatschappelijk verantwoord, ecologisch duurzaam, ethisch en sociaal. Hun doel is niet louter winst maken, stellen zij, maar evenzeer bijdragen aan verantwoorde groei en een betere samenleving. Maar, zo stelt Bakan, deze goede reputatie is slechts schone schijn en verhult waar ondernemingen werkelijk voor staan. [10] De moderne onderneming in de vorm van een kunstmatige (rechts) persoon kan niet anders dan streven naar optimale macht en winst voor de aandeelhouders, dat is ze zelfs verplicht volgens de wet. Als maatschappelijk verantwoord ondernemen het maken van winst belemmert moeten ondernemingen hun consumenten hogere prijzen rekenen of ze moeten hun beleggers minder winst uitbetalen en dat kunnen ondernemingen niet in de huidige concurrentieverhoudingen. In de praktijk maken zij eerder tijd en financiële middelen vrij om met behulp van versluierende logo’s, merken en reclames een maatschappelijk verantwoord imago te creëren.

In haar beroemde boek No Logo schetst de Canadese onderzoeksjournaliste Naomi Klein hoe ondernemingen op basis van misleidende reclames en merken schuil kunnen gaan achter een rookgordijn waarachter zich een wrange werkelijkheid bevindt.[11] Vroeger bestond de marktwaarde van multinationale ondernemingen in de industriële sector uit harde activa zoals gebouwen, machines en kapitaal. Maar tegenwoordig wordt de marktwaarde van multinationale ondernemingen voor een groot deel bepaald door immateriële goederen zoals octrooien, patenten en merken. Multinationale ondernemingen in de industriële sector beschouwen marketing en branding tegenwoordig steeds vaker als kernactiviteiten. De eigenlijke productie besteden zij uit aan onderaannemers in lage lonen landen. Klein beschrijft de slogans, reclames en merken die symbool staan voor wat zij noemt de ‘New Branded World’. Het Logo is in de ‘brandingmachine’volgens haar een bedwelmende universele taal geworden die weliswaar doeltreffend is maar volkomen in strijd met de waarheid. Achter de taal van de jubelende Logo’s bevindt zich de echte wereld, een wereld van sociaal economische ongelijkheid, uitbuiting, sweatshops, een groeiende kloof tussen rijk en arm, financiële, sociale, en ecologische crises, wreedheid tegen mens en dier en aantasting van het leefmilieu.

Ook de Nederlandse onderzoeksjournaliste Eveline Lubbers doet in de bundel Schone Schijn met vele internationale bijdragen verslag van strategieën van misleiding en manipulatie die ondernemingen kunnen benutten om hun imago te beschermen of op te poetsen.[12]  Zij beschrijft strategieën van pressie op politieke partijen en gelobby achter de schermen, strategieën van infiltratie in organisaties en actiegroepen en strategieën van public relations campagnes en ‘greenwashing’. Tot de olielekkage in de Golf van Mexico in 2010 had de oliemaatschappij BP bijvoorbeeld een prachtig groen imago op de Amerikaanse BrandIndex. Milieuvervuilende bedrijfstakken in de olie industrie overdrijven hun milieuvriendelijke imago soms zozeer dat de milieuorganisatie Greenpeace ze van ‘greenwashing’ beschuldigt. Met behulp van groene reclamecampagnes geven oliemaatschappijen als BP en Shell hun bedrijf ten onrechte een groen imago van duurzaamheid terwijl hun eigenlijk doel is om olie op te pompen en om daar maximale winst mee te kunnen maken, zo luidt het verwijt.[13]

    Multinationale ondernemingen en reclamebedrijven verweren zich tegen deze aanklachten en zeggen dat ze niets liever willen dan goed geïnformeerde klanten. Merken, gedragscodes, duurzaamheidsverslagen en sociale verslagen staan volgens hen voor vertrouwen in hun maatschappelijk verantwoord gedrag. Door de toegenomen transparantie via internet weten consumenten het tegenwoordig meteen als ondernemingen zich waar ook ter wereld misdragen, stellen zij. Dat schaadt de reputatie van ondernemingen en zal leiden tot grootschalige consumentenboycots en negatieve aandacht in de media. Dit is schadelijk voor  het marktaandeel op de consumentenmarkt en op de arbeidsmarkt van de betreffende onderneming. Ondernemingen hebben er daarom zelf belang bij zich in overeenstemming met hun imago te gedragen, zo stellen zij.[14]

Op bovengenoemde visie van ondernemingen en reclamebedrijven valt mijns inziens het nodige af te dingen. In de eerste plaats  weten kritische consumenten en beleggers het niet meteen als ondernemingen zich niet in overeenstemming met hun imago gedragen. Maar zelfs als de informatie bekend wordt is het voor kritische consumenten en beleggers niet eenvoudig om werkelijk grootschalige consumentenboycots te organiseren en voldoende aandacht hiervoor in de media te krijgen. Boycots van kritische consumenten en aandeelhouders hebben dan ook slechts een beperkt effect. Ook geldt de kwetsbare positie op de arbeidsmarkt en op de consumentenmarkt van ondernemingen met een slechte reputatie alleen op de arbeidsmarkt van hoger opgeleiden en op de markt van ondernemingen die produceren voor de consumentenmarkt. Voor grote ondernemingen die alleen zaken doen met overheden en andere bedrijven zoals bijvoorbeeld ondernemingen in de bagger- en scheepvaartindustrie geldt een dergelijke kwetsbare positie niet.

Consumenten beschikken niet over dezelfde informatie als waarover ondernemingen beschikken. Zoals gezegd zijn reclameteksten en etiketten van producten lang niet altijd betrouwbare bronnen van informatie. Ook is de controle op keurmerken, gedragscodes en duurzaamheidseisen geen eenvoudige aangelegenheid. Bedrijven rapporteren vaak zelf over de wijze waarop ze hun eigen gedragscodes naleven en het is voor kritische consumenten en aandeelhouders vrijwel ondoenlijk om deze bedrijfsrapportages op hun juistheid te controleren. Zij kunnen de door de bedrijven of hun pr bureaus zelf aangeleverde, vaak verwarrende, informatie niet controleren op betrouwbaarheid omdat zij niet weten hoe er wordt gemeten en wat er precies in kaart wordt gebracht. Kritische consumenten en beleggers kunnen daarom altijd pas achteraf reageren als de informatie geheel of ten dele bekend wordt.

Als de informatie bekend is kunnen zij trachten via aandacht in de media grootschalige consumentenboycots te organiseren. Maar de media laten zich in hun berichtgeving ook leiden door zakelijke belangen. Berichten die de zakelijke belangen van kranten, tijdschriften en omroeporganisaties kunnen schaden, doordat ze schadelijk zijn voor lees-, kijk- en luistercijfers en reclameopbrengsten, worden lang niet altijd in de openbaarheid gebracht.[15] Grote multinationale ondernemingen kunnen investeren in het beïnvloeden van de publieke opinie en in het onschadelijk maken van hun critici. [16]  Dat is voor kritische consumenten en beleggers en non-gouvernementele organisaties veel lastiger. Ook hebben boycots van kritische consumenten en aandeelhouders vaak beperkt effect omdat de aandacht ervoor in de media veelal van korte duur is. Als de aandacht in de media afneemt keren consumenten weer terug naar hun vertrouwde merken, want consumenten blijken hun identiteit steeds vaker aan merken te ontlenen en blijken daarom trouw aan hun favoriete merken.[17] Veel consumenten maken in hun koopgedrag dan ook lang niet altijd een op ethische en politieke normen gebaseerde keuze. Zelfs als ze over de juiste informatie kunnen beschikken blijken veel consumenten zo aan hun merken te hechten en zich met hun merken te identificeren dat ze weinig tot geen oog hebben voor het maatschappelijk onverantwoordelijk gedrag van ondernemingen achter het merk. Pas als ze persoonlijk schade ondervinden van maatschappelijk onverantwoord ondernemerschap omdat de onderneming geen hoogwaardige producten of diensten heeft geleverd of haar garantieverplichtingen niet nakomt komen consumenten actief in beweging.

 Consumenten zijn, al dan niet onder invloed van marketingstrategieën, zeer manipuleerbaar en bovendien lijden zij aan ‘civiele schizofrenie’, zoals de Amerikaanse politicoloog Benjamin Barber het noemt.[18]     

4.      De verdwijnende burger, de infantiele consument en civiele schizofrenie

 

Behalve dat samenlevingen zijn veranderd in ondernemingssamenlevingen zijn ze ook veranderd in consumentensamenlevingen. Op productie gerichte vraageconomieën die produceerden voor redelijke behoeften veranderden in op consumptie gerichte aanbodeconomieën die veel meer produceren dan nodig is en die daarom met agressieve marketingstrategieën koopkrachtige mensen tot eindeloos consumeren trachten aan te zetten.[19] De markt in een ondernemingssamenleving  tracht mensen verslaafd te maken aan consumeren. In zijn boek ‘De infantiele consument’ beschrijft Barber hoe de geprivatiseerde en gecommercialiseerde ondernemingssamenleving een infantiliserend ethos propageert dat verantwoordelijke burgers reduceert tot egoïstische, hebzuchtige consumenten met oneindige behoeften.[20]  Zelfs kinderen zijn als consumenten een specifieke manipuleerbare doelgroep geworden soms ten koste van hun fysieke of psychische gezondheid. Nieuwe, alomtegenwoordige marketingstrategieën richten zich al op zeer jonge kinderen om ze te manipuleren om middels de zgn. ‘zeurfactor’ hun ouders aan te zetten tot de aanschaf van onnodige en zelfs schadelijk producten zoals ongezond junkfood, niet pedagogische videogames of speelgoed dat kinderen belet hun eigen fantasie te ontwikkelen.[21] Daarmee bederft de markt volgens Barber kinderen en reduceert volwassenen tot ‘kidults’. In samenlevingen waarin bedrijven meer zeggenschap hebben dan overheden is consumentisme in de plaats van burgerschap gekomen. Als volgzame consumenten houden voormalige burgers uitsluitend nog rekening met hun eigen private belangen, voorkeuren en keuzes en kopen ze veel meer dan ze nodig hebben. Ze ontlenen hun identiteit zelfs aan hetgeen ze consumeren: je bent wat je consumeert. Merken en hun iconen vervangen de cultuur en de symbolen van vroeger. Als het om identiteit gaat is de onderneming in de plaats van de kerk gekomen meent Beigbeder.[22]

            Maar consumentisme kan burgerschap niet vervangen. Wat de maatschappelijke gevolgen zijn van private keuzes op de markt is voor consumenten en beleggers vaak niet relevant omdat ze in hun hoedanigheid van consument en belegger vooral naar hun eigen belangen kijken en niet naar het algemeen belang. Daarin schuilt de paradox van wat Barber ‘civiele schizofrenie’ noemt. Reich wijst erop dat consumenten zo laag mogelijke prijzen willen en beleggers zo hoog mogelijke rendementen.[23] Hij stelt dat mensen een ambivalente houding hebben en hun hoedanigheid van burgers los zien van hun hoedanigheid als consumenten en beleggers. Zij zijn zich, volgens hem, onvoldoende bewust van de gevolgen van hun handelen als consument of belegger op thema’s die zij als burgers belangrijk vinden zoals sociale en economisch zekerheid, sociale rechtvaardigheid, vermijden van grote financiële risico’s, aandacht voor duurzaamheid en het milieu etc.. Als burger willen zij een schoon milieu maar als consument rijden ze in een benzineslurpende auto. Als burger zijn zij voor goede lonen en arbeidsomstandigheden maar als consument kopen zij bij de prijsbreker. Als burger zijn ze tegen de bio-industrie maar als consument kopen zij bij de kiloknaller. Multinationale ondernemingen die moeten concurreren op internationale markten zullen hun beleid hierop afstemmen als ze hiervan niet worden weerhouden door democratische wetgeving en instituties.            

Terecht stellen Reich[24] en Bakan[25] dat de spelregels veranderd moeten worden. Burgers moeten zich weer als burgers gedragen en machtige spelers niet vragen om vrijwillig iets te ondernemen in het publieke belang. Multinationale ondernemingen kunnen niet beoordelen wat maatschappelijk verantwoord is in een bepaalde samenleving dat moet in een democratisch proces worden beoordeeld. Maar democratische debatten over de inrichting van de samenleving en de verantwoordelijkheden van ondernemingen worden niet meer gevoerd. In het verleden trachtten kritische consumenten ook invloed uit te oefenen op de marktwerking door druk uit te oefenen op de overheid om nieuwe wetten uit te vaardigen die consumenten bescherming en informatie boden zoals wetgeving op het gebied van productaansprakelijkheid en wetgeving ter voorkoming van misleidende reclame. Maar dit kritisch consumentisme van burgers is getransformeerd tot kritisch consumentisme van consumenten. De consumentenbescherming werd geprivatiseerd. De beweging voor kritisch consumentisme richt zich op de bewustwording van consumenten zélf in plaats van op overheidsbemoeienis. En politici bedrijven symboolpolitiek waarmee ze de aandacht afleiden van de vraag hoe democratische regelgeving inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen eruit zou moeten zien. Zelfs als individuele multinationale ondernemingen maatschappelijk verantwoord zouden willen handelen is dat in de huidige geglobaliseerde wereld en onder de huidige concurrentieverhoudingen niet mogelijk. Bedrijven kunnen alleen deugdzaam handelen als hun concurrenten dat ook doen en hier is democratische wetgeving voor nodig.    

 

5.         Tot slot    

 

In de huidige wereld waarin democratische burgersamenlevingen getransformeerd zijn tot consumenten- en beleggers- ondernemingsdemocratieën werken de traditionele concepten van democratisch bestuur niet meer. Onder het concept van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap worden de gezamenlijke wensen van burgers opgeofferd aan de wensen van individuele afnemers van goederen zoals bedrijven, consumenten en beleggers. Burgers kunnen zichzelf niet meer besturen en hun vertegenwoordigende politici laten het afweten ten behoeve van multinationale ondernemingen die zichzelf, net als Lodewijk XIV, de wet mogen stellen en die zelf mogen toezien op de controle en de naleving van hun private gedragscodes. Critici van het privaat gereguleerde maatschappelijk gedrag van ondernemingen stellen dat het reputatiemechanisme een broos concept is en dat bedrijven liever investeren in het oppoetsen van hun imago dan in werkelijke veranderingen van het controversiële ondernemingsgedrag. Ook stellen ze dat consumenten en beleggers geen geschikte actoren zijn om het ondernemingsgedrag te sturen. In de eerste plaats ontbreekt het consumenten en beleggers vaak aan de betrouwbare informatie die hen in staat stelt werkelijk bewuste keuzes te kunnen maken. Bovendien baseren consumenten en beleggers hun keuzes op private voorkeuren en eigenbelang. Burgers baseren hun keuzes daarentegen, in theorie althans, op publieke voorkeuren en het algemeen belang. Ondernemingen zijn geen democratische instituties en vertegenwoordigende instanties. Veelal vertegenwoordigen zij alleen hun aandeelhouders, soms een grotere kring van belanghebbenden, maar nooit de meerderheid van de kiezers die, in de theorie van de democratische rechtsstaat, zichzelf willen besturen. Boycots en acties van kritische consumenten en beleggers tegen ondernemingen die zich onverantwoordelijk gedragen kunnen, hoe belangrijk soms ook, niet in de plaats treden van democratisch burgerschap. In een democratische samenleving hoort het primaat bij de vertegenwoordigende politiek voor burgers te liggen en niet bij de commerciële belangen van ondernemingen.

 

              

 


* Dr. E.C. Nieuwenhuys is als universitair docent verbonden aan het Instituut Metajuridica van de Juridische Faculteit van de Universiteit Leiden en als fellow aan het onderzoeksprogramma Sociale Cohesie, Multiculturalisme en Globalisering. 

[1] N. Hertz, De stille overname (Uitgeverij Contact-Amsterdam 2002).

[2] J. Bakan, The Corporation, het pathologische streven naar macht en winst (Uitgeverij Business Contact-Amsterdam 2005).      

[3] Zie over de legitimatie van de nieuwe rol van grote ondernemingen J. Bakan, supra, p. 32, 33. 

[4] J. Bakan, supra

[5] R. B. Reich, Superkapitalisme (Business Contact-Amsterdam 2007).

[6] Zie R. B. Reich, supra, p. 180.

[7] Zie over theorie, praktijk en instrumenten van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap M.J. Groesbeek, Maatschappelijk ondernemen, theorie, praktijk, instrumenten (Uitgeverij Business Contact-Amsterdam 2001) en T. Lambooy, Corporate Social Responsibiliy, Legal and semi-legal frameworks supporting CSR (Proefschrift, handelseditie in de serie Uitgaven vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht Rijksuniversiteit Groningen en de Erasmus Universiteit 2010).  

[8] Zie over kritisch consumentisme van burgers en bedrijfsburgerschap B.R. Barber, De infantiele consument (Ambo-Amsterdam 2007), p. 365-380.

[9] Zie over de onvolkomenheden van kritisch consumentisme ten aanzien van staatsburgerschap N. Hertz, supra noot 1 en R. Reich, supra noot 5.

[10] J. Bakan, supra noot 2.

[11] Zie over de transformatie van bedrijven van productieondernemingen tot merknamen en de valse imago’s die bedrijven door hun merknamen in het leven roepen N. Klein, No Logo, (Nederlandse vertaling Lemniscaat-Rotterdam 2004).

[12] Zie E. Lubbers, Schone Schijn (Uitgeverij Fagel-Amsterdam 2002).     

[13] Zie over het verloren gegane groene imago van BP na de olielekkage in de Golf van Mexico R. van der Hoeven, ‘Behoorlijke Problemen’ in De Groene Amsterdammer 24-06-2010, p. 20-21. 

[14] Zie over de visie op merken en sociale- en duurzaamheidsverslagen als middel om consumenten te informeren en ze het vertrouwen te geven dat ondernemingen zich maatschappelijk verantwoord gedragen M.J. Groesbeek  en T. Lambooy, supra noot 7.

[15] Zie over de betrouwbaarheid van reclameteksten, etiketten van producten en informatie in de media N. Hertz, supra noot 1, p. 150-174.

[16] Zie over het brede spectrum aan praktijken dat ondernemingen kunnen inzetten om hun critici onschadelijk te maken en de publieke opinie te beïnvloeden E. Lubbers, supra noot 12.

[17] De Franse voormalig bedenker van reclameslogans F. Beigbeder stelt dat mensen volledig onderworpen zijn aan reclame. Mensen verlangen volgens hem alleen nog naar consumptie en het geluk dat daaruit zou moeten voortvloeien. Merken zijn volgens hem op weg de nieuwe kerken te worden en winkelcentra de nieuwe kathedralen. F. Beigbeder, 99F, (Éditions Grasset&Fasquelle-Paris 2000).  

[18] B.R. Barber, supra noot 8.

[19] Zie over de overgang van een op productie gerichte samenleving naar een consumentensamenleving B.R. Barber, supra

[20] B.R. Barber, supra.

[21] Zie over de opkomst van kinderen als doelgroep van nieuwe marketingstrategieën J. Bakan, supra noot 2,  hoofdstuk 5 p. 117-144 en B.R. Barber, supra noot 8, hoofdstuk 1 pp. 11-52. 

[22] Zie supra noot 17.

[23] R. B. Reich, supra noot 5.

[24] Supra noot 5.

[25] Supra noot 2.