Ritmes en levenskunst

Civis Mundi Digitaal #8

door Marli Huijer

Ritmes en levenskunst

Marli Huijer

 

Een van de erfenissen van religies is het idee dat periodiek afzien van eten, drinken, seks en andere lustbelevingen goed is voor een mens. Of het nu om de periode na Aswoensdag gaat (katholicisme), de ramadan (islam), de zondag (christendom) of de sabbat (jodendom), in alle gevallen is er sprake van een periodiek terugkerende tijd waarin minder wordt geconsumeerd. Vaak is dit afzien gecombineerd met een eerder of later moment van overdaad. Het vasten tijdens ramadan mondt uit in het Suikerfeest, de katholieke vastenperiode wordt voorafgegaan door het carnaval.

De afwisseling tussen meer en minder valt in de religie veelal samen met de afwisseling tussen profane en sacrale tijd, tussen het alledaagse en het heilige. Toch heeft de afwisseling van meer en minder van begin af aan niet alleen een religieuze functie gehad; deze droeg ook bij aan de overleving van de samenleving, het welzijn en de sociale cohesie.

Die niet-religieuze functie verklaart wellicht waarom we dezelfde afwisseling van meer en minder ook aantreffen in de medische en filosofische literatuur die vrije mannen in de Griekse Oudheid raadpleegden om hun leven een zekere schoonheid te geven. Door weldoordacht met hun lusten om te gaan, gaven zij de betrekking tot zichzelf en de hun omingende natuur vorm. Wat de juiste hoeveelheid en het juiste moment was hing af van natuurlijke omstandigheden. In het ene seizoen werd een ruim gebruik van de lust, in het andere een spaarzaam gebruik aanbevolen.

Wat leert die schommeling tussen meer en minder ons over het bestaan nu? Heeft die afwisseling ook betekenis in een wereld waarin natuurlijke omgevingsfactoren dankzij verwarming en verlichting steeds minder een rol spelen? Waarom nog periodiek afzien als er altijd voedsel, warmte en licht in overvloed is? Toch is een ritmeloos bestaan geen optie. Zowel de hedendaagse biologie, geneeskunde, psychologie als filosofie laten zien dat aritmie tot chaos, verveling en pathologie kan leiden. Een ritmische afwisseling tussen meer en minder blijkt ook nu van belang in de vormgeving van het bestaan.

Om de vraag naar het belang van hedendaagse ritmes voor het menselijke bestaan te kunnen beantwoorden zal ik eerst ingaan op de afwisseling tussen het profane en sacrale die kenmerkend is voor religies en op de functie ervan, en vervolgens op de schommelingen van meer en minder zoals de Franse denker Michel Foucault die aantreft in de Oudgriekse bestaanskunst. Wat kunnen wij van die ritmes leren?

 

Het sacrale en het profane

De opvatting dat het de kwaliteit van het alledaagse bestaan ten goede komt wanneer we bepaalde uren, dagen of periodes als bijzondere momenten afzonderen van de rest, momenten waarop we vasten, feestvieren, bidden of stil zijn, vindt zijn oorsprong in de religie. De Franse socioloog Émile Durkheim stelt in zijn studie naar de elementaire verschijnselen van het religieuze leven dat alle religies onderscheid maken tussen het alledaagse en het onalledaagse, tussen het ‘profane’ en het ‘sacrale’.[i] Het gemeenschappelijk vieren van bijzondere momenten zorgt niet alleen voor afwisseling in het bestaan, maar bindt mensen ook aan en in de viering van die bijzondere momenten.

Alle religies, ook de meest vooruitstrevende, verdelen zaken in twee domeinen, schrijft Durkheim: iets behoort óf tot het werkelijke óf tot dat wat het werkelijke te boven gaat: het verhevene, denkbeeldige of ideële. De grens tussen die twee domeinen is ook absoluut, het ene domein omvat alles wat alledaags is, het andere alles wat heilig is. Religies scheiden het profane en het sacrale zowel ruimtelijk als temporeel.

Die afbakening heeft een gemeenschapsvormend effect: in heilige ruimtes en op heilige momenten worden de religieuzen verenigd in hun geloof en in de gemeenschappelijke praktijken waarmee uitdrukking aan het geloof wordt gegeven.[ii]

Het belang van sacrale ruimtes en tijden waar mensen elkaar periodiek treffen schuilt volgens Durkheim in de specifieke ervaringen die de gelovigen er opdoen. De periodieke herhaling van rituele en ceremoniële handelingen vormen wat hij een ‘cultus’ noemt: ‘een systeem van verschillende rites, festivals en ceremonies die allen erdoor gekenmerkt worden dat ze periodiek terugkeren’.[iii] De cultus vervult de behoefte van de gelovige om zich met regelmatige tussenpozen één te voelen met het verhevene of onalledaagse. Ieder die ooit een religie heeft gepraktiseerd kent het gevoel van vreugde, innerlijke rust of enthousiasme dat de cult teweeg brengt. Die ervaring voelt als het bewijs voor het geloof, aldus Durkheim.[iv]

Maar ook voor de niet-religieuze is het idee van de cultus van belang, omdat de religie de bakermat is van het hele sociale leven: ‘Als religie alles heeft voortgebracht wat essentieel is in de samenleving, dan komt dat omdat het idee van samenleven de ziel van de religie is.’[v] Durkheim concludeert daaruit dat een samenleving alleen kan bestaan wanneer deze de noodzaak voelt om met regelmatige tussenpozen de collectieve sentimenten en ideeën over wat mensen bindt, in ere te houden en te herbevestigen.[vi] De periodieke viering van rust, feesten of herinneringsbijeenkomsten bevordert de sociale cohesie. In de viering van doop-, huwelijks-, begrafenis-, initiatie- en inwijdingsrituelen worden de leden van de gemeenschap aan elkaar en aan de gemeenschappelijke gedragen waarden verbonden.[vii]

Vertaald naar nu zou dat betekenen dat wanneer er geen enkele behoefte meer wordt gevoeld om gezamenlijk Oud en Nieuw, Koninginnedag, Kerstmis, Pinkpop, de Uitmarkt, de zondag of andere bijzondere dagen te vieren, er geen samenleving meer is.

 

Functie van religieuze ritmes

De periodieke afwisseling van alledaagse en onalledaagse momenten heeft behalve een sociaal bindend effect ook invloed op het welzijn, de overlevingskansen van de samenleving en de betrokkenheid bij het grotere geheel.

Wat de overleving van de samenleving en het individu binnen die samenleving betreft: overleven als individu was, en is, vrijwel niet mogelijk zonder anderen. In primitieve agrarische samenlevingen waren priesters van levensbelang. Ze bestudeerden de bewegingen van de hemellichamen en berekenden op grond daarvan wat het juiste moment was om te zaaien en te oogsten of wat het goede moment was om ten strijde te trekken. Ze hadden ook de autoriteit om te bepalen wanneer er gefeest, overvloedig gegeten en gedronken mocht worden en wanneer er gevast moest worden. Zo beschermden ze vermoedelijk de voorraden tegen de gulzigheid van enkelingen.[viii] De overlevingskansen van samenlevingen met een priester waren daarom groter dan die van samenlevingen zonder priester.[ix]

Wat het lichamelijk en geestelijk welzijn van de leden van de samenleving betreft, zien we dat priesters en andere religieuze leiders in de loop van de geschiedenis op basis van observaties van de zon, de maan en de sterren leefritmes opgesteld die het menselijk welzijn vergrootten. De profane tijd, waarin de zich herhalende dagen zich aaneenrijgen, wordt in de grote monotheïstische religies elke zeven dagen gedurende 24 uur onderbroken voor een sacrale tijd. Ook andere culturen kennen een regelmaat in dagen die op enkele uitzonderingen na bijna altijd neerkomt op een zevendeling, met vaste tijden voor activiteiten en voor stilte of rust. Eén dag in de week moet anders zijn dan de rest. Het getal zeven lijkt te voldoen aan een menselijke behoefte om eens in de zeven dagen iets bijzonders te doen.

De religieuze ritmes hadden ook een disciplinerende werking op de leden van de samenleving: men wist dat er voor alles een tijd was, dat het niet van pas kwam om oorlog te voeren als het een tijd voor vrede was, of om te eten als het een tijd van vasten was. In later tijden krijgt die tijdsdisciplinering de vorm van punctualiteit.

Aanvankelijk kwam de disciplinering geheel van buitenaf, waarbij de priester fungeerde als een soort doorgeefluik van de goddelijke ordening. Maar in de loop der tijd werd die disciplinering steeds meer geïnternaliseerd, en ontstond er een combinatie van Fremdzwang en Selbstzwang, om met socioloog Norbert Elias te spreken.[x] In veel gevallen bleek die zelfdwang nauwelijks nodig is. Het ritme werd zozeer geïnternaliseerd dat mensen het ervaren als iets dat aan hun cultuur of henzelf eigen is, iets dat hen maakt tot wie ze zijn.

Wat de verbondenheid met het grotere geheel betreft: deze werd voorheen via rituelen en sacrale voorwerpen bereikt. Tegenwoordig zullen we die verbondenheid met het grotere geheel eerder ‘ecologisch bewustzijn’ of ‘holisme’ noemen, het besef dat alles met alles samenhangt. Maar de verbondenheid met het onalledaagse of sacrale kan ook gewoner zijn. Durkheim noemt bijvoorbeeld idealen als iets dat ons verbindt met een wereld die beter of verhevener is dan de alledaagse wereld waarin we gewoonlijk leven.[xi]

De genoemde functies van de religieuze ritmes - sociale cohesie, overleving, geestelijk en lichamelijk welzijn, discipline en verbondenheid met het grotere geheel, zijn ook nu van belang als we het bestaan een zekere schoonheid willen geven. Noch de seculariseringsgolf aan het einde van de achttiende eeuw, noch de ontkerkelijking vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw, noch de voor onze tijd kenmerkende individualisering van religiositeit hebben daar wezenlijk veranderingen in aangebracht. Nog altijd hechten we aan de ritmes die door de religie zijn uitgedacht. ‘De profane mens draagt nog altijd, of hij wil of niet, de sporen van het gedrag van de religieuze mens, maar dan ontdaan van hun religieuze betekenissen’, constateert godsdienstantropoloog Mircea Eliade.[xii]

De verklaring waarom we aan ritmeaangevers blijven hechten is evident: ook nu hechten we aan overleving en al die andere functies die de ritmische afwisseling tussen alledaagse en onalledaagse uren, dagen, weken en levensfasen heeft in het menselijk bestaan.

Maar er is ook een meer triviale reden waarom we waarde hechten aan een ritmische organisatie van het leven: we hebben behoefte aan variatie. Die variatie valt weg als er geen afwisseling, geen ritmiek in het leven van alledag zit. Als alles op elk moment kan worden gedaan, als er geen verschil is tussen de zaterdag en de maandag, tussen zomer en winter, tussen ochtend en avond, dan wordt elk moment van de dag, de week, het jaar en het leven hetzelfde. Dat doet de kwaliteit van het leven geen goed, zo wist men al in de Oudgriekse tijd.

 

Diëtetiek

Uit Foucaults grondige studie van de Griekse cultuur van de vierde eeuw voor Christus blijkt dat daar een veelheid aan levenspraktijken bestond die erop gericht waren het leven, maar vooral de betrekking tot zichzelf, moreel en esthetisch vorm te geven. De vrije mannelijke burgers stelden zichzelf ten doel om het bestaan tot een kunstwerk te maken. Vanuit een reflectie op wat de betrekking tot zichzelf was, legden ze zichzelf regels op, werkten ze aan zichzelf met als doel het leven schoonheid te geven. Het initiatief daartoe lag bij zichzelf, de opdracht werd niet door anderen opgelegd.

Medische en filosofische handboeken leverden de kennis die nodig was om verstandig te kunnen reageren op de omstandigheden waarin men verkeerde. Ze bevatten voorschriften omtrent voeding, drank, seks, slaap en oefeningen. Compensatie en nabootsing waren belangrijke principes in deze ‘diëtetiek’: een koud seizoen werd gecompenseerd door een warm dieet en onbeperkte seks; een warm seizoen door een verkoelend dieet en beperkte seks. In het milde voorjaar werd een licht dieet voorgeschreven en een krachtige winter vroeg om krachtige mensen die zich moedig aan de koude blootstelden.[1]

De Griekse diëtetiek, of leer van de gedragsregels, vroeg van het individu geen gehoorzaamheid, maar een doordachte aandacht: aandacht voor zichzelf, het lichaam en de omstandigheden - dat wil zeggen aandacht voor het klimaat, de seizoensritmes en het uur van de dag. De diëten gaven geen verboden of toestemmingen, maar schreven een voortdurende schommeling tussen meer en minder voor, die past bij de ritmes van de seizoenen, van het weer, de dag of de leeftijd.

De Oudgriekse burger, die Foucault ons presenteert, besteedde actief aandacht aan zichzelf, aan zijn lichaam en aan de omstandigheden; hij bepaalde hoe hij zich tot zichzelf wilde verhouden en besloot op grond daarvan aan welke regels en oefeningen hij zichzelf wilde onderwerpen om de beoogde verandering dichterbij te brengen.[1] Zich onderwerpen aan zelfgestelde regels en het bij herhaling aan zichzelf werken waren de belangrijkste ingrediënten van de Oudgriekse diëtetiek.

Over de gedragregels (het ‘dieet’) die de Grieken zichzelf stelden met betrekking tot de voedingsmiddelen, de dranken, de slaap, de oefeningen en de seksuele omgang, schrijft Foucault:                  

Als we het dieet uitvoerig bekijken, krijgt het de allure van een ware tijdsbesteding: zo volgt het dieet dat Diocles voorstelt van minuut tot minuut het verloop van een gewone dag, vanaf het ontwaken via de allereerste oefeningen, het wassen van lichaam en hoofd, de wandelingen, de privé-activiteiten en het gymnasium, het middagmaal en het middagslaapje, daarna opnieuw een wandeling en het gymnasium, de zalvingen en wrijvingen tot aan het avondmaal en het inslapen.[1]

Foucault zelf heeft geen tijd van leven gehad om het idee van een diëtetiek waarin mensen hun voeding, slaap, seks, dagelijkse oefeningen en drankgebruik aanpassen aan de omstandigheden te vertalen naar het heden. Dat is jammer, want een van de problemen die in de vertaling naar nu zichtbaar wordt, is dat de omstandigheden van toen niet de omstandigheden van nu zijn. De in de antieke diëtetiek voorgeschreven schommelingen van meer en minder (meer en minder slaap, seks, voeding etc.) zijn afstemmingen op het dag-en-nachtritme en de ritmes van de seizoenen, kortom op de ritmes van de kosmos. Dat het in die tijd verstandig was om naar de kosmische ritmes te leven, zal niet verbazen. Die ritmes zijn onveranderlijk, dus wat lag er meer voor de hand dan zichzelf te plooien naar die ritmes? Maar tegenwoordig kunnen we die natuurlijke ritmes op heel andere manieren dan via het dieet compenseren: we zetten de verwarming aan, laten ’s nachts het licht branden en eten zomer en winter dezelfde producten.

 

Ritmes zonder God en Natuur

Zo lijkt de angel met het verdwijnen van de natuurlijke en religieuze omstandigheden uit de bestaanskunst te zijn gehaald. De noodzaak om nu eens meer en dan weer minder voedsel, drank of seks te consumeren vervalt immers wanneer kerkelijke verplichtingen wegvallen en we natuurlijke omstandigheden technologisch naar onze hand kunnen zetten?

Ook zonder schommelingen van meer en minder overleven we prima. Toch zijn er goede redenen aan te voeren waarom het vasthouden aan een afwisseling van meer en minder ook in een tijd zonder de invloed van natuur en religie van belang kan zijn:

Ten eerste gezondheid. De tegenwoordige biologie laat overtuigend zien dat leven naar het dag-en-nachtritme en de seizoensritmes de gezondheid ten goede komt.[xiii] Die kennis kan reden zijn om zichzelf te disciplineren om naar die ritmes te leven. Of om dat nu eens wel, dan weer niet te doen. Die zelfdiscipline zal de vorm hebben van een conditionering: wie zichzelf traint om op een vast tijdstip naar bed te gaan en op te staan, past zichzelf langzaam maar zeker geheel aan dat ritme aan. Ook zonder wekker worden het lichaam en de geest dan op vaste tijdstippen wakker en moe. Die dressuur wordt tot op heden ook door anderen opgelegd, zoals door de werkgever, de school of de sluitingstijden van uitgaansgelegenheden. Door het toenemend aantal zelfstandig werkenden en de flexibilisering van werk-, school- en uitgaanstijden zal echter een steeds groter aantal mensen op zichzelf aangewezen zijn als het om de ritmiek in hun bestaan gaat.

Ten tweede plezier. Naarmate de 24-uurssamenleving meer realiteit wordt, neemt het risico dat we ons gaan vervelen toe. De dressuur van de 24-uurseconomie verandert ons in mensen die flexibel werken, zorgen en consumeren; die de dagelijkse handelingen en verplichtingen goed op elkaar en op hun lichaam weten af te stemmen en zo hun tijd maximaal benutten. Maar als we alles op elk moment van de dag, de week of het jaar kunnen doen, worden de dagen on-verschillig. Het verschil tussen de ene of de andere dag, het ene of het andere seizoen of de ene en de andere levensfase valt weg. ‘Steeds onverbiddelijker ademt de leegte ons in het gezicht’ schrijft filosoof Awee Prins in zijn indrukwekkende studie naar de verveling.[xiv] Die leegte is ontstaan door de overmaat, het is het ‘ongeluk van het geluk’ dat alles op elk moment voorhanden is.

Het hervinden van plezier in alledaagse gebeurtenissen en dingen kan een goede reden zijn om zichzelf te disciplineren tot de aloude schommeling van meer en minder. De afwisseling van dagen met veel werk, vrije tijd, eten, seks of drinken met dagen waarop we dat alles minder doen, verhoogt de kwaliteit van die bezigheden. En ook de afwisseling tussen tijden van strakke regelmaat en ongeregelde tijden is een goede remedie tegen de verveling.

Ten derde vriendschap, liefde of andere verbintenissen. Een belangrijk effect van de gezamenlijke ritmes was dat iedereen alles tegelijk deed: arbeiders stonden tegelijk op en gingen tegelijk naar bed, kinderen voerden alle opdrachten tegelijkertijd in de klas uit, en heel Nederland zat tegelijkertijd aan de avondmaaltijd. Nu die ritmiek wegvalt en mensen zelf hun tijd kunnen indelen, kost het meer moeite om vrienden, geliefden, kinderen en collega’s ‘spontaan’ te ontmoeten. De van boven opgelegde ‘spontane’ ontmoeting heeft plaatsgemaakt voor de wederzijdse afspraak.

Het belang dat we hechten aan verbintenissen met anderen kan een goede reden zijn om zichzelf tot een vast dag- of weekritme te disciplineren, om bijvoorbeeld de zondag te reserveren voor gezin, familie of vrienden, ’s avonds op een vast tijdstip te stoppen met werken, altijd met collega’s te lunchen of op de woensdagmiddag zelf voor de kinderen te zorgen.

Deze lijst met goede redenen kan naar believen worden uitgebreid met bijvoorbeeld een waardering voor stilte, welvaart, voortreffelijkheid of rechtvaardigheid, die allen eveneens een goede reden kunnen zijn om zichzelf te dresseren en te veranderen.

 

Ritmegevende instanties

Maar wie of wat garandeert de ritmiek van het bestaan? Dient elk individu zelf te bedenken hoe hij zich, met het oog op de doelen die hij zich stelt en de waarden die hij aanhangt, verstandig verhoudt tot de ritmes van zichzelf, de ritmes van zijn lichaam en de ritmes van de eigen omgeving? En moet hij vervolgens zelf besluiten welke ritmische oefeningen nodig zijn om dat te bereiken?

In de vertaling van het Oudgriekse ‘werken-aan-zichzelf’ naar het heden kunnen we er niet omheen dat we in de huidige fase van de geschiedenis door en door gedresseerd zijn. We leven in een mensenpark, om met Peter Sloterdijk te spreken.[xv] Van geboorte tot de dood worden we gedisciplineerd om op bepaalde manieren te gebaren, te bewegen en te handelen. Hoe sceptisch we ook mogen zijn over die disciplinering, de ruimtelijke en temporele middelen om deze te handhaven zullen voorlopig niet verdwijnen. Voor Foucault zou die constatering waarschijnlijk reden zijn om de disciplinering van buiten zoveel mogelijk te weerstaan of te weigeren, en zich nog meer te vertrouwen op de zelfdisciplinering. Maar dan overschat hij de kracht van de zelfdisciplinering, zeker als het over ritmes gaat. Je kunt als avondmens nog zo gedisciplineerd weigeren om vóór twaalf uur ’s ochtends op te staan, de omgeving - kinderen, buren, geliefden, school, postbode, werkgever - zal je steeds weer dwingen om je te conformeren aan het ritme van de ochtendmens.

Foucault houdt ook te weinig rekening met de interactie tussen enerzijds de zelfdisciplinering en anderzijds de disciplinering van buiten. In feite is de disciplinering van buiten in onze tijd een omgevingsfactor geworden, waar we ons verstandig toe kunnen verhouden. Anders dan bij de natuurlijke omstandigheden van de Grieken, kunnen wij nu die omstandigheden wel proberen te veranderen. We kunnen, zo stelt Sloterdijk voor, de dagelijkse disciplinering ook tot onderwerp van reflectie maken en waar nodig aanpassen aan wat we op dit moment waardevol achten. ‘Mensen zijn zelfkoesterende, zelfbeschermende wezens, die - waar ze ook leven mogen - een parkachtige ruimte om zich optrekken. In stadsparken, nationale parken, regionale parken, ecoparken - overal moeten mensen zich een mening vormen hoe hun zelfbetrekking is te regelen’.[xvi]

Het voordeel van Sloterdijks voorstel is dat het ruimte laat om ook de wisselwerking tussen beide vormen van disciplinering te onderzoeken. Zo is bijvoorbeeld de drempel om zichzelf te disciplineren tot een moment van rust halverwege de werkdag lager in een werkomgeving waar een gezamenlijke lunchruimte en -tijd bestaat. Wanneer die ontbreken valt het mensen lastiger om rust te nemen. Andersom kan een zelfopgelegde discipline om rustig te lunchen anderen aanzetten om dat ook te doen, wat weer tot afspraken over een vaste lunchruimte en -tijd kan leiden, waardoor nog meer collega’s zich aanwennen om gezamenlijk te lunchen.

Op dit moment zien we echter het omgekeerde gebeuren: naarmate het gewoner wordt om niet te lunchen tijdens het werk, nemen steeds minder mensen het initiatief om die rust te nemen.

 

Energie

Het belangrijkste voorschrift dat we via de religie en uit de Griekse Oudheid meekrijgen is dat van een periodieke, veelal op de ritmes van de omstandigheden afgestemde schommeling tussen meer en minder. De afwisseling tussen meer en minder heeft alles met energie te maken. De energie die het lichaam verbruikt in een bepaalde activiteit, of het nu om werken, seks of sporten gaat, kan alleen worden gecompenseerd door op een ander moment matig te zijn of rust te nemen.

Als individu kunnen we daaruit leren dat het voor de gezondheid, het plezier en de energie, kortom voor de kwaliteit van het dagelijkse bestaan, goed is om activiteit en rust regelmatig af te wisselen. Als samenleving is het van belang om de ritmische randvoorwaarden, die nodig zijn om die afwisseling als individu voor elkaar te krijgen, op een democratische en doordachte manier vorm te geven.

             

  


[i] Durkheim, E., The Elementary Forms of the Religious Life. Vertaling J.W. Swain. Mineola/New York; Fover Publications, inc., 2008/1915, p. 38.

[ii] Durkheim, o.c., p. 44.

[iii] Durkheim, o.c., p.63.

[iv] Durkheim. o.c., p. 417.

[v] Durkheim, o.c., p. 419. Vertaling door auteur.

[vi] Durkheim, o.c., p. 427.

[vii] Durkheim, o.c., p. 418.

[viii] Elias, o.c., p. 20 e.v., Eliade, 1964, o.c., p. 51.

[ix] Goudsblom, J., Het regime van de tijd. Amsterdam: Meulenhoff, 1997, pp. 76-80.

[x] Elias, N. Het civilisatieproces. Sociogenetische en psychogenetische onderzoekingen. Deel I. Vertaling W. Kranendonk e.a., Amsterdam: Boom, 2001/1939, p. 194. De vertaler heeft gekozen voor ‘dwang van anderen’ en ‘zelfdwang’. In die vertaling verdwijnt het idee dat het vooral vreemde anderen - vreemde ogen - zijn die dwingen.

[xi] Durkheim, ibid, p. 422.

[xii] Eliade, 2006, o.c., p. 130.

[xiii] Zulley, J., Knab, B. (2009) Unsere Innere Uhr. Natürliche Rhythmen nutzen und der Non-Stop-Belastung entgehen. Frankfurt a/M: Mabuse-Verlag.

[xiv] Prins, A. Uit verveling. Kampen: Klement, 2007, p. 93.

[xv] Sloterdijk, P., Regeln für den Menschenpark. Ein Antwortschreiben zu Heideggers Brief über den Humanismus. Frankfurt a/M, 1999.

[xvi] Sloterdijk, o.c., pp. 48-49. Vertaling door auteur.