Alle goede dingen bestaan in drieën

Civis Mundi Digitaal #9

door Frans Wuijts

ALLE GOEDE DINGEN BESTAAN IN DRIEËN

Over maatschappelijke driegeleding: vrijheid in de cultuur; gelijkheid en gelijkwaardigheid in het recht; broederschap via associatieve samenwerking in de economie

 

Frans Wuijts*

 

Een schets van het fenomeen van de drieheid of drieledigheid

De drieheid manifesteert zich in ons leven, in onze taal, in onze cultuur, in de filosofie en de theologie op velerlei wijzen en wel als drievoudigheid, als Drievuldigheid, als Drie-eenheid, als trichotomie, als trias, als drieledigheid en als driegeleding. Onze werkelijkheid is er bij bewuste, nauwkeurige beschouwing mee doorspekt. We kunnen de drieledigheid direct in de tijd ervaren en in de ruimte om ons heen zintuiglijk waarnemen. De drieheid was er al in het verleden, is er in het heden en zal er ook zijn in de toekomst en - om een triviaal voorbeeld te noemen - ‘Onze vingers bestaan uit drie kootjes’ (het Latijnse trivium betekent ‘driesprong’....).

De drieheid is ook in het nog verborgene als ‘geheim’ aanwezig en manifesteert zich als we onze innerlijke of uiterlijke blik erop richten en we ons deze bewust worden. ‘Geheim’, volgens Hugo Verbrugh1, niet in de zin dat kennen of weten daaromtrent slechts mag worden geopenbaard aan zogeheten ’ingewijden’. Het vergt voor de tegenwoordige mens, stelt hij, enige denkinspanning om zich de drieheid als wezen bewust te worden en eigen te maken. Niet geheim dus in de zin dat we deze niet mogen kennen, maar wel dat we er verder wakker aan kunnen geworden.

De drieledigheid is een fundamenteel principe. Het is een kerngedachte in de antroposofie van Rudolf Steiner.

(Overigens betreft het hier wel een keuze. ‘Men zou ook van een ander principe, zoals de vierledigheid of zevenledigheid kunnen uitgaan, maar de drieledigheid betreft het meest eigene en oorspronkelijke idee dat Steiner gedurende een zoekende worsteling van ca. 30 jaar in vrijwel alle facetten heeft ontwikkeld. Hiermee wilde hij een tegenwicht geven tegen het dualistische denken in elkaar uitsluitende tegenstellingen, zoals ‘geloof en wetenschap’, ‘cultuur en natuur’, ‘geest en lichaam’ enzovoort’ (Henk Verhoog2).

Sinds het Concilie van Constantinopel in 869, toen als het ware de vrije geest van de mens werd afgeschaft, bestaat er een sterke neiging tot dominantie van de tweeheid. Het universele hele eenheidsbegrip van de drieheid werd gereduceerd tot een tweeheid. De mens zou voortaan nog slechts bestaan uit lichaam en ziel.

(Op zijn terugreis vanuit Constantinopel in 1438 over de Middellandse Zee heeft kardinaal Nikolaus van Kues - ook wel Cusanus genoemd - waardevolle documenten bij zich. Een van de handschriften die hij naar Italië meeneemt, is een verslag van het achtste concilie van Constantinopel dat in 869 werd gehouden. Rudolf Steiner wijst enkele malen op het belang van dit concilie. Daarin werd bepaald dat de mens een ziel heeft met geestelijke eigenschappen en niet meer gezien werd als een wezen met geest, ziel en lichaam)3.

 

Tegenwoordig is er weinig bewustzijn meer voor de oorspronkelijke drieheid (drieledigheid) van het wezen mens. De begrippen ‘geest’ en ‘ziel’ worden vaak door elkaar gebruikt. De tweeheid van ‘lichaam en geest’ of van ‘geest en materie’ is merkwaardigerwijze soms zelfs meer in zwang dan die van ‘lichaam en ziel’, laat staan van ‘materie en ziel’. Het is vanuit het oogpunt van de drieledigheid zelfs nog ‘erger’: in de huidige natuurwetenschappen denkt men te kunnen volstaan met slechts ‘de materie’4.

 

 

Wat is hier aan de hand?

De drieheid of drieledigheid blijkt meer dan de optelsom van drie afzonderlijke eenheden. Men kan drie willekeurige kastanjes oprapen onder de kastanjeboom in de herfst, maar een drieheid vormen zij zich niet uit zichzelf. De drieheid ontstaat als we er een vormaspect, een betekenisaspect of een waardeaspect aan toevoegen. Niet willekeurig, maar ‘wezenlijk’. De drieheid krijgt dan iets bijzonders en nog meer als we deze gaan zien als drieledigheid. Dan kunnen we bemerken dat de drieheid tegelijkertijd ook een eenheid vormt van drie onlosmakelijk samenhangende en elkaar doordringende, in elkaar verweven elementen. In het heden zijn zowel het verleden als de toekomst aanwezig. Aan de verwevenheid van denken, voelen en willen valt niet te ontkomen. Afzonderlijke elementen van de ‘hele’ drieheid (of drieledigheid) kunnen als zodanig wel worden gedacht, maar zonder elkaar niet bestaan. Anders gezegd, nemen we er de vorm of samenhang uit weg, dan gaat de betekenis ervan verloren en resteren er in de uiterlijke wereld slechts afzonderlijke elementen met een eigen betekenis, waarin de drieheid niet meer herkenbaar is. Een menselijk lichaam waaruit ziel en geest zich hebben teruggetrokken, valt uiteen tot stof. Een menselijk hoofd kan zonder romp en ledematen niet zelfstandig in leven blijven. Bij een boom kennen we een kruin, een wortelstelsel en een stam. Wat is een kruin zonder stam en wortels?

(Het begrip ‘drieledigheid’ kan associaties oproepen met een of ander geleedpotig dier of met ‘drie maal ledigheid’. Deze associaties hebben als zodanig met het hier bedoelde begrip ‘uit de aard van de zaak’ niets van doen).

De drieheid kenmerkt zich bij een imaginatief kruis als een eenheid in zijn heelheid door twee oneindige uitersten en een midden, zoals  een schijnbaar begin of een links, een tussen en een even schijnbaar einde of een rechts. Ook door een boven(pool), een midden en een onder(pool). Het tussen of het midden vormt het kruispunt.

Drieheden kunnen ook onzuiver of onevenwichtig worden voorgesteld, zoals een hoogleraar economie eens opperde met de drieheid van ‘markt, overheid en samenleving’. De begrippen in deze drieheid zijn niet helder en voor verschillende uitleg vatbaar. Een opsomming van drie afzonderlijke elementen maakt nog geen hele drieledigheid, ook al kunnen ze wel een samenhang vertonen.

Die onzuiverheid geldt ook voor de huidige discussie tijdens de financiële crisis over meer of minder ‘markt’ of meer of minder ‘overheid’. ‘Markt’ en ‘overheid’ worden hier gezien als twee elkaar uitsluitende, elkaar bestrijdende of op zijn best twee elkaar ondersteunende principes.

Het gaat hier niet om een nominalistisch woordenspel. Wie er met enige realistische ernst naar wil kijken, zal kunnen ontdekken en beleven dat het hier om universalia gaat, om essenties (Latijn: essentia, van esse, zijn).

 

Van micro via meso naar macro.

 

Micro

Mijn eigen affiniteit tot de drieheid respectievelijk drieledigheid en driegeleding in mens, organisatie en maatschappij vindt zijn oorsprong in het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw. Door me als jonge medewerker in bedrijfsopleidingen te interesseren voor de zogenoemde ‘ontwikkelingsconcepties’ van het NPI Instituut voor Organisatieontwikkeling in Zeist, opgericht door Prof. Dr. Bernard Lievegoed, stuitte ik in voordrachten en syllabi van medewerkers van dit instituut voortdurend op drieledigheden als:

  • Denken, voelen en willen;
  • Leergang, leervorm en leerstof;
  • Kennis, vaardigheid en houding;
  • Autocratisch, participatief en ‘laisser faire’ leiderschap;
  • Inhoud, interactie en procedure;
  • Studiegroep, ontmoetingsgroep en werkgroep;
  • Economisch leven, rechtsleven en geestelijk-cultureel leven;

 

Dat zette me aan het denken, vooral toen ik een model probeerde op te zetten voor de formulering van ‘functie-eisen’ (of vereiste bekwaamheden) voor het kunnen uitoefenen van een functie. Tegenwoordig noemt men die ‘competenties’. Het werd een ware ontdekkingstocht. Het voert te ver deze in alle details te benoemen. Ik beperk me tot een samenvatting.

Terwijl ik op mijn manier (achteraf beschouwd) fenomenologisch bezig was, liep het op een gegeven moment (in onverwacht positieve zin) wat uit de hand. Ik verloor mijn focus van de competenties en liet me meeslepen door een keur aan drieledigheden die voorbij kwam.

 

Laat ik proberen daarvan iets te schilderen5. Daartoe richt ik mij eerst op de kleinste activiteiten respectievelijk taken in een werksituatie. Ik ontdekte dat in elke functie drie soorten activiteiten kunnen worden aangetroffen. Ik noemde ze doeactiviteiten, contactuele activiteiten en denkactiviteiten of wel denkwerk, contactueel werk en doewerk. Heel dicht bij huis.

(Een praktisch hulpmiddel bij het aanvoelen van deze drie kwaliteiten is het gebruik maken van de drie basiskleuren blauw, geel en rood. Of groen in plaats van geel aangezien groen duidelijker ‘leesbaar’  is. Blauw staat dan voor alle begrippen met een ‘bovenpoolkwaliteit’, groen voor alle begrippen met ‘middenkwaliteit’ en rood voor alle begrippen met een ‘onderpoolkwaliteit’. 

 

Bij nadere beschouwing bleek me, dat we deze drie werksoorten niet alleen in elke functie, in elk beroep kunnen tegenkomen, maar daarin ook met een verschillend gehalte. De functie van telefoniste in een receptie bestaat bijvoorbeeld vrijwel volledig uit contactueel werk (groen); de functie van een machinebediener vrijwel volledig uit doewerk (rood); van een schrijver vrijwel volledig uit denkwerk (blauw). Met enige fantasie kunnen we ons de beide andere componenten in hun functies wel voorstellen, ook al kunnen die gering zijn.

  • - Een schrijver kan voorlezen uit eigen werk voor een publiek of meedoen in een praatprogramma op tv (contactueel werk).
  • - Een machinebediener moet sommige storingen zelf zien te verhelpen (denkwerk).
  • - Een vertegenwoordiger moet zijn bezoekagenda bijhouden (doewerk).

Karakteristiek voor de functie van vertegenwoordiger is de centrale plaats die ‘het contact’ hierin inneemt. De functie is als het ware ‘doordrenkt’ van extern contact met klanten en afnemers en intern contact met collega’s, verkoopleiding en anderen.

Zo komt in elke functie het contact met anderen op de één of andere wijze voor en met verschillende frequentie en intensiviteit: in gesprekken, werkbesprekingen, overleg, vergaderingen, aan het loket of aan de balie, via e-mails en telefoon, bij presentaties e.d. Van medewerkers van call centers bestaat de functie uit vrijwel alleen maar contact. Dit geldt voor vele leidinggevenden, leraren en politici niet veel minder. Machinebedieners in lawaaiige productieruimten brengen daarentegen hun daadwerkelijke werktijd vrijwel contactloos door.

Opvallend is dat overige (niet primair contactuele) taakactiviteiten in een functie kunnen worden onderscheiden naar activiteiten die geen verstoringen kunnen verdragen (die noem ik ‘denkwerk’) en andere waarvoor dat vanwege het uitvoerende karakter niet echt hinderlijk is (die noem ik ‘doewerk’). Het hangt af van de mate waarin concentratie nodig is.

Sommige functies bestaan hoofdzakelijk uit ‘doewerk’ zoals lichamelijke arbeid: grondwerk, vis fileren, atletiek e.d. In andere functies is het doen ‘contactueel’ of ‘denkend’.

Het wezenlijke van ‘denkwerk’ is dat het zich ‘binnenshuids’ afspeelt in een bij voorkeur geïsoleerde omgeving waarin men stilte betracht; in ruimten waarin men zich ongehinderd door onverwachte binnendringers kan terug trekken.

Elke medewerker die denkwerk moet verrichten (ook als onderdeel van de eigen functie) is direct gehandicapt als hij hierin bij voortduring wordt gestoord.

In de ene functie is formeel meer ruimte opgenomen voor denkwerk dan in een andere. Ook in functiebeschrijvingen (en in het verlengde daarvan in functiewaardering) is dat merkbaar.

Tussen doewerk (rood), contactueel werk (groen) en denkwerk (blauw) kunnen geen scherpe grenzen worden getrokken. In de praktijk komen alle drie in elkaar verweven voor: het gedachteloos verzorgen van contacten is even onwerkelijk als het doorbrengen van een ‘doe-loze’ 36-urige denkweek’ zonder enig contact. Ook denken is doen, maar dan zonder handen.

In de loop van de tijd is in het onderwijs onderkend hoe belangrijk het oefenen van sociale vaardigheden is naast het consumeren van louter vaktechnische kennis. En sinds enige tijd zijn ook trainingen in ‘creatief denken’ en zelfs cursussen praktische filosofie in het bedrijfsleven doorgedrongen. Dit kan worden gezien als een erkenning van deze drievoudige werksoorten en de daarbij behorende competenties.

Samengevat kunnen drie gebieden van taakactiviteiten worden onderscheiden:

 

DENKWERK (blauw)      

(‘intellectueel’)

onderzoeken, verbeteringen bedenken, ontwerpen, creëren, ontwikkelen van beleid etc.

CONTACTUEEL WERK (groen)

(‘intermenselijk’)

 

 

mondeling, schriftelijk, telefonisch of ‘pc-matig’,

vergaderingen, werkbesprekingen, relatieverzorging met toeleveranciers, afnemers, instanties; overdracht,

coaching etc.

DOEWERK (rood)            

(‘fysiek’)

 

timmeren, montagewerk, machinebediening, grondwerk,

metselen, typen, lassen, handwerk, topsport, bureauwerk, regeldingen doen, etc.

 

Leiding geven aan mensen is volgens deze conceptie in beginsel ‘contactueel werk’. Het spreekt voor zich dat leiding geven op het niveau van de ondernemingsleiding meer het karakter krijgt van ‘denkwerk’ terwijl een voorman op het niveau van het ‘doewerk’ vaak de ‘eerste’ uitvoerende is.

Professionele beoefening van topsport is een uitzonderlijke fysieke activiteit met een hoge mate van concentratie, een denkende wakkerheid en een intensieve relatie met coaches. Een bijzondere ‘drie-eenheid’.

De oude ‘twee-eenheid’ van hoofd- en handenarbeid kan met deze conceptie worden vergeten. Het wezenlijke van het contactuele werk is daarin immers niet begrepen.

Doewerk, contactueel werk en denkwerk komen, zoals gezegd, in elke functie en in elk beroep voor. In de verschillende functies en beroepen in verschillende mate en verhoudingen ten opzichte van elkaar. Ik heb zelf enige tijd mijn agenda ingedeeld naar deze drie werksoorten met een vorm van tijdmanagement om te kunnen nagaan of ik mijn tijd wel goed besteedde.

Soms raken deze verhoudingen uit balans. Bijvoorbeeld als de toegenomen regelgeving oorzaak is van een toename van doewerk ten opzichte van het contactuele werk. De politie is daar een goed voorbeeld van als de roep klinkt dat ‘Hermandad’ meer onder de mensen op straat zichtbaar moet zijn dan achter het bureau.

Onderstaand schema geeft een typologie aan van functies en beroepen waarin één van de drie accenten overheerst. Aan de genoemde beroepen zijn vele toe te voegen.

 

FUNCTIES EN BEROEPEN

 

Denkwerk          

Contacten

Doewerk

Denkwerk

Contacten         

Doewerk

Denkwerk

Contacten          

Doewerk

Machinebediener

Huisschilder

Timmerman

Stratenmaker

Laborant

Automonteur

Glazenwasser

Productiemedewerker

Bakker

Metselaar

Etc.

Serveerster

Conducteur

Huisarts

Receptioniste   

Leraar

Uitvaartbegeleider

Verpleegkundige

Psychotherapeut

Personeelsfunctionaris

Reisleider

Etc.

Onderzoeker

Componist

Redacteur

Ontwerper

Notaris

Topmanager

Programmeur

Wetenschapper

Ingenieur

Beleidsadviseur

Etc.

       

 

Globaal is in dit schema een zekere ‘opklimming’ te herkennen naar functie- , opleidings- en beloningsniveaus. Professionele beroepen kenmerken zich over het algemeen door een relatief lange opleiding, zwaardere selectie en hogere beloning; uitvoerende ‘doefuncties’ vergen meestal een relatief korter durende scholing, minder zware selectie en lagere beloning.

Dr. A.H. Bos spreekt in dit verband over ‘De heilige driepoot van ons arbeidsbestel’: de verknoping van opleidingsladders aan functieniveaus en beloningsschalen in onze huidige samenleving en de psychologische en maatschappelijke consequenties daarvan. (Jonas december 1976).

 

Meso

Na deze constateringen ‘verwijdde’ ik de drie werksoorten tot uiteindelijk het maatschappelijke macroniveau. Hierbij  was de driegelede organisatietypologie van Dr. A.H. Bos, een medewerker van Lievegoed, me behulpzaam. Deze typologie bleek te zijn gefundeerd in de conceptie voor maatschappelijke driegeleding van Rudolf Steiner. Dat vergt enige toelichting.

In het boekje ‘Maatschappijstructuren in beweging’1973 laat Bos in een artikel ‘Driegeleding in het meso-sociale’ zien dat er drie wezenlijk verschillende organisatietypen zijn, die hun eigen aard hebben door hun verwantschap met één van de drie grote maatschappelijke subsystemen, het geestelijk-culturele leven, het rechtsleven en het economisch leven.

Die drie organisatietypen noemt hij productenorganisaties, dienstverlenende organisaties en professionele organisaties.

 

Productenorganisaties (rood) maken materiële producten. Deze verlaten de organisatie in fysieke zin en vervolgen in de ruimte buiten de organisatie een eigen weg tot ze uiteindelijk in de consumptie vroeger of later worden vernietigd. In principe biedt een productenorganisatie een klant geen idee of advies aan, ook in primaire zin geen dienstverlening (hoewel service daarin een groot goed kan zijn), maar een concreet fysiek aanraakbaar materieel product, een waar. Dat kunnen allerlei over het algemeen roerende goederen zijn, zoals voedingsmiddelen, huishoudelijke artikelen, vervoersmiddelen, kleding, meubilair etc.

Dienstverlenende organisaties (groen) herkennen we in banken, ziekenhuizen, verzekeringsbedrijven, gemeentelijke organisaties, de horeca en dergelijke. Ze onderscheiden zich door het ‘produceren’ van processen, een procedure met eindeloze mogelijkheden tot herhaling zoals betalingshandelingen, verstrekken van rijbewijzen of vergunningen, eetprocessen volgens de menukaart etc.

Professionele (advies)organisaties (blauw)zijn volgens Bos samenwerkingsverbanden van deskundigen (vaak ook eenmansbedrijven, zoals vele huidige ZZP-ers die voeren). Zij stammen uit het vrije beroep. We kennen ze als notariskantoren, architectenbureaus, organisatieadviseurs, artsen, advocaten, etc. Zij leveren een ‘idee’ in de vorm van een advies, een ontwerp, een oplossing of een therapie. In zijn zuiverste vorm gaat het om een creatieve, unieke prestatie die in een directe relatie tussen klant en professional ontstaat.

De verwijding die ik hierboven noem, zag er als volgt uit:

Doewerk op microniveau verwijdde zich naar uitvoerende productiefuncties en -beroepen, verder naar productieafdelingen, naar de productiesector in de gehele ‘fabriek’, naar de bedrijfstak en branche van productenorganisaties om uiteindelijk uit te monden in het economisch leven in onze maatschappij.

Contactueel werk op microniveau verwijdde zich naar leidinggevende, sociale, commerciële en ondersteunende functies en beroepen, naar  ondersteunende diensten en commerciële afdelingen, op mesoniveau naar dienstverlenende organisaties om uiteindelijk op macroniveau te landen bij het sociaal-politieke of rechtsleven in onze maatschappij.

Denkwerk op microniveau verwijdde zich naar o.a. beleids- , opleidings- , onderzoeks- en ontwikkelingsfuncties respectievelijk professionele beroepen, naar de sector Research & Development, naar culturele instituties als academies en universiteiten, wetenschappelijke bureaus en professionele (advies)organisaties e.d. om uiteindelijk op macroniveau te eindigen bij het geestelijk-culturele leven in onze maatschappij.

Mijn voorlopige conclusie was dat de driegeledingsgedachte  op microniveau naadloos leek aan te sluiten bij deze gedachte op meso- en macroniveau.

 

En er is meer.

  • - Bij de verwijding van het meso- naar het macroniveau doet er zich een soort metamorfose voor. Op de micro- en mesoniveaus is het doel van de activiteiten extern georiënteerd. Binnen het economisch leven werken mensen en organisaties voor anderen buiten de eigen functie en organisatie. Het macroniveau van productie, handel en consumptie stijgt daarentegen boven de dimensies van medewerker en organisatie uit. Op dit niveau ontmoet het economisch leven niet alleen de twee andere macrogeledingen in de maatschappij: het rechtsleven en het geestelijk-culturele leven. Men kan waarnemen dat de drie in sterke mate in elkaar zijn vervlochten.
  • - Evenals we binnen een functie de drie werksoorten aantreffen, is dit binnen organisaties het geval ten aanzien van de drie soorten ‘afdelingen of sectoren:
  • Binnen een productenorganisatie kunnen we zowel dienstverlenende als ook professionele afdelingen aantreffen;
  • Binnen dienstverlenende organisaties kunnen we zowel uitvoerende en professionele afdelingen aantreffen;
  • Binnen professionele organisaties kunnen we zowel ondersteunende als uitvoerende afdelingen aantreffen.

NB. Bij kleinere organisaties bestaan dergelijke afdelingen vaak slechts uit één persoon, dan wel zijn de drie ‘kwaliteiten’ bij eenmansbedrijven verankerd in de persoon van de ZZP-er zelf.

 

Het eind is vrijwel zoek als we op deze wijze nog een tijdje zouden doorgaan. Dan treffen we bijvoorbeeld drie soorten geld aan (koopgeld, leengeld en schenkgeld), de drie verschillende juridische kernvormen voor rechtspersonen (de stichting, vereniging en economisch georiënteerde rechtspersonen als NV/BV e.d.) ,de trias politica (wetgevende, rechterlijke en uitvoerende macht), in het menselijk lichaam de drie elkaar doordingende geledingen van zenuw-zintuigsysteem, bloedsomloop-ademhalingssysteem en stofwisselingsledematensysteem enzovoort.

Zoals gezegd: onze maatschappij (en de mens) zijn ‘doorspekt’ met het principe van de drieledigheid en tevens met in mijn ogen oneigenlijke toepassing van begrippen in dit verband. Zo bestaat er in deze tijd een neiging om begrippen die gangbaar zijn voor productenorganisaties ook te hanteren voor andere typen organisaties. Met name geldt dit voor de begrippen ‘product’, ’rendement’ en ‘markt’. Zo spreekt men onder andere over financiële producten met rendement en financiële markten, over productieafspraken van ziekenhuizen met verzekeraars (over het ‘produceren’ van verpleegdagen en verrichtingen) en over marktwerking in het onderwijs. Van producten en markten in de eigenlijke of oorspronkelijke betekenis is hier geen sprake.

Vanuit hierboven gekarakteriseerde organisatietypen wordt het mogelijk om aan te voelen dat het op den duur verkeerd kan uitpakken indien bijvoorbeeld

  • een kabinet zich de rol aanmeet van een Raad van Bestuur van een grote onderneming;
  • dienstverlenende organisaties als overheidsorganen, ziekenhuizen, thuiszorg en banken zich gaan gedragen alsof zij commerciële productenorganisaties zijn;
  • financiële instellingen doen voorkomen alsof zij aan productontwikkeling doen;
  • organisaties die ten behoeve van de gehele gemeenschap werkzaam zijn, worden geprivatiseerd en moeten gaan concurreren met andere soortgelijke private organisaties, zoals ‘het spoor’ of ‘de post’.

 

Wat kunnen we met deze constatering? Wat willen wij ermee?

 

Macro

Ik concentreer me hiertoe op het macroniveau, te weten de conceptie van Rudolf Steiner van de maatschappelijke driegeleding: de subsystemen van economie, recht en cultuur (ook wel genoemd ‘het economisch leven’, ‘het rechtsleven’ en ‘het geestelijk-culturele leven’).

De drie geledingen kunnen als volgt worden gekarakteriseerd:

 

Het economisch leven (rood)

Het economische leven kan in grote lijnen worden beschouwd als het levensgebied in de samenleving waarin grondstoffen aan de natuur worden onttrokken, waarin wordt geproduceerd, getransporteerd, gehandeld en geconsumeerd. Nadien worden de restanten, afvalstoffen en verbruikte goederen of producten weer aan de natuur teruggegeven of opnieuw via recycling in het productieproces en de verdere ‘cirkelgang’ opgenomen.

Het gaat hier volgens Steiner om alles wat te maken heeft met warenproductie, warencirculatie en warenconsumptie. Een waar noemt hij elk ‘ding dat door menselijke activiteit (arbeid) is geworden tot iets wat op de een of andere plaats, waar het door mensen wordt heen gebracht, verbruikt of geconsumeerd gaat worden’. In de economische kringloop behoren alleen waren in deze betekenis te circuleren, voegt hij daar met nadruk aan toe. Voortvloeiend uit zijn zienswijze past het dan ook niet dat arbeid, bepaalde rechten (zoals energie-emissies), grond en zogenaamde financiële producten tot koopwaar worden gerekend. Gaat men daartoe wel over, zoals we om ons heen kunnen zien, dan ontstaat er een ziekteproces in het economisch leven met machtsgedrag, strijd en crises tot gevolg. Wellicht is deze benadering voor huidige economen en politici irritant of ontoereikend, in de praktijk zal deze volgens Steiner niettemin zeer bruikbaar blijken.

Hij pleit voor een radicale eliminering van elke economische activiteit uit de politieke staat, beperking van economisch handelen tot waren in bovengenoemde zin en de inrichting van associaties (overlegorganen) van producenten, handel en consumenten, die ervoor dienen te zorgen dat op grond van wat voor consumptie nodig is, de beste productiemethoden en distributiekanalen  tot stand komen. Zijn voorspelling is dat, waar verouderde neoliberale, kapitalistische ondernemingsvormen bezig zijn zich op te lossen, mensen individueel en in kleine groepen het initiatief zullen nemen om in de geest van het associatieve nieuwe vormen te vinden. Steiner zegt daar onder andere over6:

 

‘Aus die einzelnen Individualität kann für sich allein das Massgebende im Wirstschaftsleben nicht hervorgehen. Darum stellte ich als das Notwendige neben dem Rechtlich-Staatlichen und dem Geistigen die Assoziation für das Wirtschaftsleben hin. Solche Assoziationen werden sich zusammenfügen. Das wird schon entstehen, ich habe keine Sorge. Wer mir sagt, das ist Utopie, dem sage ich: Ich weiss,dass diese Assoziationen entstehen einfach aus den unterbewussten Kräften in Menschen. Wir können aber diese Assoziationen fördern durch die Vernunft, wir können sie schneller entstehen lassen oder aber warten, bis sie sich aus der Not heraus entwickeln. In diese Assoziationen werden vereinigt sein diejenigen, die Produktion, Handel treiben, und die Konsumenten. Und bloss Produktion, Zirkulation der Waren, der Güter und Konsumtion werden darinnen eine Rolle spielen. Die Arbeit wird immer mehr und mehr in das gebiet des Rechtslebens hineinkommen......Preis und Wert werden aufgedrückt werden durch das, was als Kollektivurteil aus den Assoziationen hervorgeht.’

 

Het rechtsleven (groen)

Hierin hebben we te maken met alles wat onder zuivere menselijke verhoudingen begrepen moet worden en daarin tot uitdrukking komt vanuit de relatie mens tot mens inclusief de rechtsverhoudingen. Andere benamingen kunnen zijn het omgangsleven of sociaal-politieke leven.

Het rechtsleven kan in grote lijnen worden beschouwd als het levensgebied van het samenleven in pure zin, waarin onder meer rechten en plichten respectievelijk wetten gelden, waarin mensen onderling afspraken maken, overeenkomsten en verbintenissen aangaan, waarin mensen recreëren en aan het (ook sociale) verkeer deelnemen, waarin burgers kiezen en gekozen kunnen worden, waarin recht wordt gesproken en waarin sancties worden toegepast in geval van overtreding.

 

Het geestelijk-culturele leven (blauw)

Als derde geleding, die zich even zelfstandig naast economisch en rechtsleven in de maatschappij zal moeten grondvesten, gaat het om alles wat berust op hetgeen als capaciteiten, als natuurlijke begaafdheden van individuele mensen in de samenleving moet kunnen binnen stromen. Het is het levensgebied van de individuele ontwikkeling, van creativiteit en initiatiefkracht van mensen, het gebied van opvoeding en onderwijs, van kunst, wetenschap en religie, van het informatiewezen, de omroepen, het internet enzovoort.  

In de verschillende maatschappelijke geledingen spelen wij als mensen een verschillende rol: in het geestelijk-culturele leven zijn wij ‘mens in ontwikkeling’, in het rechtsleven ‘medeburger’ en het economisch leven ‘beroepsbeoefenaar of consument’.

Maatschappelijke driegeleding is geen utopie en geen ideologie. Zij legt zich ook niet bij voorbaat vast in een inhoudelijk partijprogramma of in een politieke partij en is tevens niet een maatschappelijk model dat als een blauwdruk snel kan worden ingevoerd. Concrete beleidsvorming in de verschillende geledingen wordt open gelaten. Naar gelang de maatschappelijke ontwikkelingen wordt in deze conceptie aan de praktijk telkens opnieuw vorm gegeven. Maatschappelijke driegeleding kan worden beschouwd als een richtinggevende ontwikkelingsconceptie voor de samenleving.

 

Vrijheid, gelijkheid en broederschap

De Franse Revolutie heeft ons in een onverbrekelijke samenklank de fundamentele beginselen (en tegelijkertijd ook idealen) van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap (of Samenwerking) overgeleverd.

Een bijzondere vondst van Rudolf Steiner is zijn inzicht in de noodzaak van verbinding van deze idealen ‘liberté, egalité en fraternité’ aan de drie geledingen van de maatschappij en wel als volgt:

 

  • - principiële Vrijheid in het geestelijk culturele leven voor ieder mens en elke institutie;
  • - principiële Gelijkheid (en gelijkwaardigheid) in het rechtsleven voor alle mensen in hun betrekkingen ten opzichte van elkaar;
  • - principiële Broederschap of samenwerking in het economisch leven in associatieve inrichtingen/overlegvormen van producenten, handel en consumenten.

 

Vrijheid in de betekenis van geestelijke vrijheid als basisprincipe heeft volgens Steiner dus bij uitstek zijn thuis in de cultuur, het geestelijk-culturele leven. Van deze vrijheid kan slechts goed gebruik worden gemaakt als zij gegrondvest is op autonomie en onafhankelijkheid. Dit geldt voor het onderwijs, voor universiteiten, voor de pers, voor wetenschap, kunsten en religies etc.

Zelfs oppervlakkige waarneming van binnen- of buitenlandse voorbeelden maakt echter duidelijk dat dit vrijheidsideaal van de Franse Revolutie in de dagelijkse praktijk van het leven nog lang niet in zijn volheid is gerealiseerd. Dan wel dat het wordt toegepast op de andere gebieden van de samenleving (in het bijzonder op economische leven: ‘the free enterprise’) en daar dan uiteindelijk onvermijdelijk tot misstanden, strijd, onrechtvaardigheid, verspilling, milieubederf en uitbuiting leiden.

Steiner:Man kann natürlich einwenden, daß auch in einer solchen Selbstverwaltung des Geisteslebens nicht alles vollkommen sein werde. Doch das wird im wirklichen Leben auch gar

nicht zu fordern sein. Daß das Bestmögliche zustande komme, das allein kann angestrebt werden’7.

 

Het beginsel van de Gelijkheid (ook gelijkwaardigheid ofwel de gelijke behandeling in de zin van de wet) heeft zijn thuis in het rechtsleven. Het is het fundamenteel democratische gebied. Misschien zijn Westerse democratieën op dit gebied inmiddels - ondanks allerlei haperingen en onvolkomenheden - het verst gevorderd. Voorzichtige experimenten met volksraadplegingen of referenda tonen dat democratie nog lang niet is uitontwikkeld. Steeds vaker klinkt de roep om vormen van meer directe democratie.

Ook het verschijnsel van de vele actie- en belangengroeperingen en bewegingen in de samenleving (zoals Greenpeace, Amnesty International, Artsen zonder Grenzen en vele andere) bevestigt mij in deze veronderstelling. Actueel is boeiend te zien hoe in Arabische landen van onder op emancipatie- of vrijheidsbewegingen zich laten gelden en hoe er overal in de wereld een groeiend protest opkomt tegen uitwassen van het huidige neoliberale kapitalisme (‘Occupy Wall Street’). Ook in China is een discussie op gang gekomen en wel over de ontstane discrepantie tussen de afnemende moraal en de stijgende welvaart naar aanleiding van het overrijden van een peuter zonder dat iemand direct te hulp schoot uit angst er zelf nadeel van te ondervinden.

Gelijkheid voor de wet moet zoveel mogelijk gelijke tred houden met de ontwikkeling van het rechtsgevoel van de burgers. Ongelijkheid in de wetgeving en wetshandhaving die niet of onvoldoende aansluit bij dit rechtsgevoel leidt in de praktijk tot protest, ontduiking, grootscheepse overtreding of burgerlijke ongehoorzaamheid.

Vooral de groeiende afstand tussen burgers, organisaties, groeperingen en instituties enerzijds en politici anderzijds laat mij zien dat de vertegenwoordigende ‘politieke partijendemocratie’ in zijn voegen begint te kraken.

Kerk, staat en economie zijn in de loop van de geschiedenis steeds meer ontvlochten. Ondertussen proberen de door het volk gekozen vertegenwoordigers in kabinetten en parlement echter nog steeds krampachtig de macht aan zich te houden in de illusie dat

  • de samenleving daarmee beter af zou zijn;
  • er geen echt alternatief zou zijn voor het huidige bestel;
  • de meeste vraagstukken in de samenleving voor een centrale overheid nog steeds beheersbaar lijken.

Een verdere ontvlechting met een sterker op eigen benen staan van de drie geledingen in de samenleving zal er echter uiteindelijk wel van komen, door alle weerstanden heen. Te optimistisch?

 

Broederschap of samenwerking heeft als ideaal vooral zijn toepassingsgebied in de economie, het economische leven. Het gaat hierbij niet alleen om samenwerking tussen productenorganisaties, zoals door middel van fusies, joint-ventures, strategische allianties of anderszins wordt nagestreefd, maar tevens om nog slechts in relatief geringe mate tot ontwikkeling gekomen samenwerkingsvormen tussen bijvoorbeeld productorganisaties, retailorganisaties en dienstverlenende organisaties.

In de economie vormen grondstofverwerving en productie, logistiek en handel evenals consumptie basisfuncties in de keten van grondstof tot consument. In het bijzonder consumenten laten het tot in deze tijd nog steeds vrijwel volledig afweten om zich in economische zin te organiseren.

(Diverse consumentenorganisaties die wij kennen, bewegen zich met name in het gebied van het rechtsleven).

Op een relatief kleinschalig niveau zijn van zich economisch organiserende consumenten wel kiemen zichtbaar, zoals in bepaalde consumentenkringen die zich als het ware ‘associatief’ trachten te organiseren rondom en met biologische of biologisch-dynamische landbouwbedrijven. Voorbeelden zijn de Pergola Associaties ‘De Oosterwaarde’ in Diepenveen, de biologisch-dynamische tuinderij ‘De Aardvlo’ in Utrecht en de akker van de Vereniging ‘De Nieuwe Ronde’ in Wageningen.

 

Noodzakelijke ontvlechting: een richting voor toekomstige maatschappelijke ontwikkeling

 

De conceptie van de maatschappelijke driegeleding is niet slechts een mix van liberalisme, van (christen- of sociaal)democratie en van socialisme. Deze drie grote ideeën of ideologieën neigen naar eenzijdigheid in hun principes (kortweg: vrijheid in het liberalisme, gelijkheid in het socialisme en broederschap in de christendemocratie) dan wel passen deze toe op de gebieden waarin zij niet hun eigenlijke thuis hebben. Zij hebben tevens de neiging in de praktijk deze principes over het gehele maatschappelijk leven uit te stulpen.

 

Steiner: ‘Dasjenige, um was es sich handelt, ist eben, daß drei große Ideen, die nur ernst und ehrlich gemeint sein sollen, heraufgekommen sind in der Menschheitsentwickelung. Die eine Idee ist die vom Liberalismus, die andere die von der Demokratie, die dritte ist die vom Sozialismus. Man wird, wenn man es ehrlich mit diesen drei Ideen meint, nicht alle drei durcheinandermischen können, oder die eine durch die andere beseitigen lassen können, sondern man wird sich sagen müssen: vom selbständigen Geistesleben muß etwas ausstrahlen, was bis in den Kapitalismus, was in den ganzen Organismus hineinflutet. Das ist das freie menschliche Entwickeln, das ist das liberale Element. In dem politischen Staate, im Rechtsleben, muß etwas leben, worinnen alle Menschen gleich sind. Das ist das demokratische Element. Und im Wirtschaftsleben muß das brüderliche Element walten. Das muß die wahre Grundlage einer sozialen Struktur abgeben. Darum handelt es sich. Man sollte nicht dasjenige, was segensvoll zunächst im Laufe der neueren Menschheitsentwickelung heraufgekommen ist als die Folge des Liberalismus, der Demokratie, des Sozialismus, man sollte es nicht einseitig bekämpfen und auch nicht einseitig vertreten; man sollte durchschauen, wie im selbständigen Geistesleben wächst der alles übrige soziale Leben überleuchtende Liberalismus; wie im wirklichen Rechtsstaat wächst die wiederum alles übrige Leben überleuchtende Demokratie, wie in jenem Wirtschafsleben, das sich nur mit Warenerzeugung, Warenzirkulation, Warenkonsum und der dadurch bedingten Feststellung der gerechten Preise befaßt, der wiederum alles durchdringende Sozialismus waltet. Dann, wenn man dieses durchschaut, wird man seine Lebensauffassung heute richtig durchdringen mit der Erkenntnis, daß volle Irrtümer im äußeren Leben weniger schädlich sind, weil sie leichter durchschaut werden können, als halbe oder Viertelswahrheiten8.

 

Waar het beginsel van de broederschap ideologisch wordt verbonden aan de staatsmacht bestaat er een kans op een vorm van socialistische of communistische dictatuur met negatieve gevolgen voor de geestelijke vrijheid van mensen (zoals in de oude Sovjet Unie, de meeste Oost-Europese landen tot in de 80’er jaren van de vorige eeuw en tot op heden in bijvoorbeeld Noord Korea). Het economische leven kan er door centralistische staatsplanning tot grote inefficiëntie en tekorten leiden. Elke vorm van persoonlijk initiatief wordt ingedamd.

Evenzeer treedt verontmenselijking op indien een staatsmacht op grond van theocratisch-calvinistische beïnvloeding Bijbelteksten gebruikt ter rechtvaardiging van een overheersende positie van blanken over mensen met een andere huidskleur zoals indertijd in Zuid-Afrika. Of als op grond van teksten uit de Koran een regime van geestelijken de mensen onderwerpt aan een stelsel van zeer gedetailleerde leefregels.

In vele samenlevingen in de wereld zijn de gebieden van cultuur, recht en economie nog steeds sterk in elkaar verstrengeld. Deze verstrengeling vloeit bijvoorbeeld voort uit fundamentalistisch-godsdienstige motieven (zoals tot kort geleden bij de Taliban in Afghanistan en nog steeds in Iran), historisch-godsdienstige oorzaken (Noord-Ierland) of vanwege dictatoriale machtsuitoefening (zoals in Birma).

Vraagstukken met betrekking tot de mensenrechten staan in dergelijke samenlevingen volop in het brandpunt van de belangstelling. In relatief ‘vrijere’ samenlevingen, zoals in de Westerse parlementaire democratieën, kunnen de drie gebieden zich in voorlopig bescheiden mate autonoom organiseren en reguleren. In deze democratieën houdt de staat c.q. de overheid nog steeds een grote invloed op inhoud, financiering en regelgeving van onder meer het onderwijs, de wetenschap, de kunsten en de gezondheidszorg. Steeds vaker wordt de behoefte geuit aan grotere vrijheid en verdere verzelfstandiging van onder andere onderwijsinstellingen door verdere vermindering van overheidsbemoeienis. Anderzijds wordt deze verzelfstandiging door rigide bezuinigingen, bijvoorbeeld door plotselinge intrekking van overheidssubsidies ten opzichte van de kunsten, zelfs geforceerd. Beslissers kunnen er in dit verband echter niet van worden verdacht dat zij dit doen vanuit een visie op de maatschappelijke driegeleding.

Genoemde drie beginselen of idealen van de Franse Revolutie, vrijheid, gelijkheid en broederschap,

zullen volgens Steiner het meest vruchtbaar werkzaam kunnen worden, indien zij consequent en

duurzaam worden verbonden met die maatschappelijke geleding waarin zij eigenlijk thuishoren.

Dit inzicht dringt nog onvoldoende door. Het lijkt ook daarom onvermijdelijk dat overmatige verspilling in het economische leven, conflicten en oorlogen tussen bevolkingsgroeperingen en staten evenals beknotting van de geestelijke vrijheid van individuele en groepen mensen (zoals de vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst) en ook van instituties in het culturele leven (zoals de pers, het internet en het onderwijs) nog wel enige tijd zullen blijven voorkomen.

Nederlandse politici zijn zich van de conceptie van de maatschappelijke driegeleding nog amper bewust. Slechts een enkeling is ermee bekend. Er klinkt echter uit die hoek geen protest als de minister van onderwijs het te behalen niveau van leerlingen wettelijk vast legt.

Het Regeerakkoord van VVD-CDA wijdt de volgende passage aan de vrijheid van onderwijs: ‘Aan de vrijheid van onderwijs zoals gewaarborgd door art. 23 Grondwet, wordt niet getornd. Dit neemt niet weg dat (zeer) zwakke scholen sneller, binnen een jaar, het onderwijsproces op orde moeten hebben. Zo niet, dan wordt tot sluiting overgegaan’. Wie betaalt, bepaalt. Het komt bij huidige politici niet op om dit beleid principieel ter discussie te stellen.

En wie vindt de discussie over de overheidssubsidies voor de landbouw zinvol? Of over de grondpolitiek? Er is al eens een kabinet over gevallen. Ik vrees dat men zijn politieke vingers er niet aan wil branden, ‘want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren’.

 

Toch bemerken we hier en daar aanzetten tot kentering. Kortgeleden is er op initiatief van Herman Wijffels, Klaas van Egmond van de Universiteit Utrecht en het Utrecht Sustainability Institute (USI) en Peter Blom van Triodos Bank in 2010 het Sustainable Finance Lab opgericht. In dit Lab zijn wetenschappers uit verschillende wetenschappelijke disciplines samengebracht. Doel is het ontwikkelen van ideeën voor een daadwerkelijke verduurzaming van de financiële sector: een stabiele en robuuste financiële sector die bijdraagt aan een economie die de mens dient zonder daarbij zijn leefmilieu uit te putten. Hiervoor zijn meer fundamentele veranderingen nodig dan wat nu op de maatschappelijke agenda staat.

Ook zijn er kleinschalige initiatieven zoals genoemde Pergola-associaties en bijvoorbeeld de Stichting Grondbeheer die grond koopt en deze vervolgens verpacht aan biologisch-dynamisch werkende boeren. Daarmee wordt de desbetreffende grond aan het verdere economisch verkeer onttrokken. De pachtprijs wordt aangepast aan de bedrijfsvoering en opbrengsten van het bedrijf en wordt niet gerelateerd aan de economische waarde van de grond. De Stichting Grondbeheer waarborgt met haar werkwijze dat Nederland altijd biologisch-dynamische landbouwgrond zal hebben en dat deze grond niet in handen van de staat zal vallen of persoonlijk eigendom kan worden. Grond als koopwaar beschouwen is een van de ziekteverwekkers in onze economie.

En wie zijn blik er op richt, kan meer vernieuwende initiatieven in deze geest ontwaren.

 

Tenslotte

Na de dood van kolonel Kadaffi staat het Libische volk voor de opgave om vrijwel vanuit een nulpunt een nieuwe maatschappij op te bouwen. Men kan hiertoe kiezen uit vele beproefde, maar over het algemeen deels of grotendeels mislukte modellen. Allah verhoede het dat er gekozen wordt voor een anachronistische theocratisch-centralistische vorm, waarin de geestelijke vrijheid opnieuw wordt beknot, het recht van de sterksten opnieuw zal gelden en de zwakkeren wederom het recht krijgen om er onder door te gaan.

Te wensen is dat de nieuwe Libische leiders met een geheel eigen Libische invulling in een geleidelijk ontwikkelingsproces

  • - geestelijk-culturele vrijheid voor de Libische bevolking zullen scheppen;
  • - gelijke rechten voor alle Libische burgers zullen garanderen in het licht van de Universele verklaring van de Rechten van de Mens;
  • - samenwerking in associatieve vorm zullen weten te bevorderen van producenten, handel en consumenten met vermijding van neoliberaal Angelsaksisch kapitalisme of een centrale planeconomie.

En zou er voor het Israëlisch-Palestijnse conflict licht kunnen gaan gloren indien beide ‘partijen’ het verleden zouden kunnen laten rusten, elkaars religie in vrijheid zouden accepteren, burgers aan beide zijden van het conflict gelijke rechten zouden verwerven en beider economieën in gezamenlijkheid associatief zouden worden ingericht?

Ontvlechting van de drie maatschappelijke geledingen in ons eigen land betekent met name voor de verzelfstandiging van culturele instituties (onderwijs, wetenschap, kunsten, musea, omroepen e.d.) de onvermijdelijkheid van een zich terug trekkende overheid. Dit zal onder andere grote gevolgen hebben voor het aantal en de omvang van desbetreffende ministeries en een dramatische ombuiging van de geldstromen ter financiering van de culturele instituties. Ook op provinciaal en gemeentelijk niveau zal deze ontwikkeling aanzienlijke effecten hebben. Slechts de weg van geleidelijkheid op basis van inzicht lijkt mij hier verantwoord.

 

 

* Frans Wuijts (1946) heeft een loopbaan in personeelsmanagement en organisatieontwikkeling in bedrijfsleven en gezondheidszorg. In zijn denken en werken laat hij zich inspireren door antroposofische mededelingen van Rudolf Steiner.

E-mailadres: wuijts@ziggo.nl Website: http://www.franswuijts.nl

 

 

Noten:

 

1.       Zie ook: ‘Iedereen is materialist: gebondenheid aan de materie als determinant van het mens-zijn’ door Hugo Verbrugh Civis Mundi 16 december 2010

2.       ‘Al het goede komt in drieën’ Henk Verhoog Nearchus 2010

3.       Zie:http://www.antroposofie.nl/literatuur/antroposofische_literatuur/artikelendatabase/ms/filos/df/motief63-2

4.       Zie ook:  ‘Sterven met of zonder ziel’ door Frans Wuijts, Civis Mundi 31 augustus 2011

5.       ‘Humaan ontslaan?! Een ontwikkelingsgerichte kijk op ontslag’ Frans Wuijts 2007

6.       Uit: ‘Westliche und östliche Weltgegensätzlichkeit’ Rudolf Steiner 1922

7.       ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk’ Rudolf Steiner 2004

8.       Uit: ‘Die geisteswissenschaftliche Grundlage der sozialen Frage’ Rudolf Steiner 1919