Maand van de filosofie: de ziel is een zoekplaatje

Civis Mundi Digitaal #11

door Hugo Verbrugh

 

Maand van de filosofie: de ziel is een zoekplaatje

 

Hugo Verbrugh*

 

Mijn commentaar op:  Bert Keizer, Waar blijft de ziel, Uitgeverij Lemniscaat Rotterdam

 

April is in Nederland sinds een jaar of tien de maand van de filosofie. Dit jaar was dat de maand van de ziel. Dat is een goede aanleiding voor enkele pertinente bespiegelingen. ’De ziel’ - bestaat die nog? Kunnen we daar nog iets mee?

’Wat leert ons de zielkunde’ was de titel van een boek dat ik me van medio vorige eeuw herinner. Ik ging op internet zoeken of het nog bestaat. Ik vond het niet. Wel vond ik allerlei andere verwijzingen naar ’zielkunde’. Dat was eigenlijk het zelfde als wat wij nu psychologie noemen. Tegelijk was het iets totaal anders. In die paradox ligt de wijsheid verscholen die poëtisch is uitgedrukt door L.P.Hartley in de fameuze openingszin van zijn roman ’The Go-Between’: ’The past is a different country. They do things differently there’.

Verder zoekend naar de ziel kwam ik op een uit het Duits vertaald boek van ene Christian Friedrich Handel uit 1837, ’Beknopte zielkunde voor ouders en onderwijzers’. De aanhef is heel duidelijk: ’De ziel is datgene in den mensch, wat denkt, gevoelt en wil. Zij toont zich aanwezig in het eerste ontwaken van het zelfbewustzijn, waardoor wij ons als ik leeren kennen. De eerste indrukken verkrijgt de mensch van de hem omringende Wereld door de vijf zinnen, en daardoor leert hij tevens zijn ik, van alles, wat buiten hem is, onderscheiden. Alle werkingen of verrigtingen der ziel kunnen tot drie hoofdsoorten gebragt worden, namelijk tot voorstellingen, gevoelens en (begeerten) pogingen. Deze vooronderstellen van zelf drie hoofdvermogens der ziel, het voorstellingsvermogen, het gevoelvermogen en het begeervermogen.’

Dat is niet alleen heel duidelijk, het is eigenlijk nog steeds bruikbaar. Ik beschik over drie ’instrumenten’ om mij te oriënteren in de werkelijkheid: denken, voelen, willen. Dat leren wij in de antroposofie. In ietwat andere bewoordingen staat dat ook in de aanhef van dit Duitse boekje over de zielkunde van bijna twee eeuwen geleden.

 

Afrekening met neurosofie

In het meest recente Nederlandse boekje over de ziel staat het heel anders. Voor de maand van de filosofie schreef verpleeghuisarts en filosoof Bert Keizer ’Waar blijft de ziel?’

Goeie vraag! Kun je dat woord nu nog wel gebruiken? Nee, eigenlijk niet. Het woord ’ziel’ is onbruikbaar geworden. De eigentijdse psychologie kent hoogstens nog de ’psyche’ (spreek uit ’saikie’). Ook dat concept is erg wazig. Maar het is van groot belang dat ook het woord ’ziel’ terugkomt in de omgangstaal.

Maar eerst een andere vraag. Bestáát het eigenlijk nog wel, datgene wat vroeger de ’ziel’ heette. Bert Keizer schrijft een zeldzaam goed betoog over deze vraag. In een soort historisch overzicht, mooi-evenwichtig zakelijk-erudiet en persoonlijk betrokken, schetst hij de geleidelijke teloorgang van de ziel: Eerst verdween het woord ’ziel’, daarna het begrip ’ziel’ en nu verdwijnt zelfs datgene wat vroeger werd aangeduid met dat woord en begrip. Die teloorgang van de ziel is recht toe recht aan het resultaat van het werk van wat Bert Keizer de ’neurosofen’ noemt - wetenschappers van het soort Dick Swaab [’Wij zijn ons brein’] en Victor Lamme [ ’De vrije wil bestaat niet’].

Er is misschien nog net iets over van de ziel, zo vat ik in mijn eigen woorden zijn betoog samen, maar dat zal gauw afgelopen zijn. De psychologen die de ziel onderzoeken werken met man en macht aan de vernietiging ervan. Ze stellen ’wij zijn ons brein’ en, concluderen daaruit dat de ziel, voor zover die misschien bestaat, dus in het brein zit. Vervolgens onderzoeken zij dat brein alsof het een levenloos mechaniek is, en vinden zodoende, allicht, niets anders dan een oneindig aantal mini-mechaniekjes. Dan concluderen ze uit de resultaten van hun onderzoek ten eerste ’de vrije wil bestaat niet’ en ten tweede zoiets als de ziel kàn helemaal niet bestaan. Tel uit je winst. Dit is anti-filosofie in mega-formaat.

Zo vat ik ’Waar blijft de ziel?’ van Bert Keizer samen. Het is een even magistrale als persoonlijk betrokken afrekening met de ’neurosofie’, zoals hij het noemt: het pseudo-filosofisch geredeneer van Dick Swaab en Victor Lamme en hun geestverwanten [beter gezegd: hun ’ziels(!)verwanten].

 

Neurosofen zijn hooligans

Mijn eigen conclusie staat in de kop boven dit stukje. Daar zit ook een verhaal aan vast.

In het boek schrijft Bert Keizer zelf over het omslagbeeld, een ontwerp van Frits van Hartingsveldt ’gemodelleerd’ naar het beroemde schilder van Arnold Böcklin. ’Toteninsel’: ’Het omslagbeeld is een visualisatie van wat er in de neurosofie gebeurt. Twee hersenwetenschappers zijn met de vooralsnog levende ziel in een witte kist op weg naar het Brein om haar daar te gaan begraven. De neurosofie is een wonderlijke discipline die neurologie verwart met alomvattende filosofische pretenties’.

Voordat ik die toelichting in het boek had gelezen, had ik zelf bedacht dat die tekening iets heel anders verbeeldt. Ik zag en zie nog steeds een prachtige eigentijdse uitbeelding van de grens tussen het aardse bestaan hier en nu en het zogeheten hiertussenmaals, door sommigen het hiernamaals genoemd. Die grens wordt gevormd door een rivier. Die rivier heet in de klassieke mythologie de Lethe. Dat betekent vergetelheid. De ziel van de gestorvene wordt in een roeibootje naar de overkant gebracht en onderweg vergeet zij alles. In de klassieke mythologie is de roeier een man, Charon, zoon van de waternymf Nyx en de oer-god van de duisternis Erebos. In het plaatje lijkt de roeiende figuur een vrouw te zijn - dat is een echt eigentijds-emancipatorische metamorfose van de mythe! De ziel van gestorvene staat op de voorplecht. Ze is mooi heldergeel getekend en tegelijk het centrum van het verhaal en ruimtelijk ogenschijnlijk onopvallend links onder in het omslagplaatje als geheel geplaatst. Voor haar staat dwars op de boot een even gele kist. Die kist past niet in mijn uitleg dus daar had ik gewoon overheen gekeken ... - zo werken de zintuigen en het brein. Rechts rijst, heel symbolisch, een onecht groot brein uit het water van de rivier van de vergetelheid maar het grootste deel van het brein valt buiten het beeld. Het brein als beeld voor de ziel is een fragment, hoogstens ’het topje van de ijsberg’; de ziel als geheel kun je niet zien. Een kunstenaar kan alleen in het gemoed van de kijker een innerlijk beeld van de ziel oproepen. Mooi dubbelzinnig is ook de achtergrond van het plaatje: een vaag bos van nauwelijks gevormde donkere bomen. Hun ongevormdheid en donkere kleuren suggereren het hiernamaals - de ziel van de gestorvene gaat naar de onderwereld. Maar in de onderwereld is geen leven in biologische zin, dus daar zijn geen bomen. Daardoor wordt meteen ook de suggestie gewekt dat het misschien niet een gestorven ziel is op weg naar het hierna, maar een ongeboren ziel die in omgekeerde richting vanuit het hiervoormaals naar het aardse hier en nu geroeid wordt.

 

Dit gaat telkens opnieuw allemaal door me heen als ik het boekje weer in handen krijg ... - nou, mooi niet dus. Volgens Bert Keizer zijn de roeier en de gele gestalte neurowetenschappers die op weg zijn om de ziel in het brein te begraven: hoe verzint een mens (Bert Keizer) het. Maar even goed: wat kan een ander mens (ik) zich vergissen in zijn duiding van wat hij ziet!

 

Hoewel ... ’vergissen’...? Ik heb gewoon mijn eigen invulling gegeven aan het beeld. Dat mag, daar zijn beelden voor. Juist daardoor bevestigen beelden en onze reacties erop het bestaan van de vrije wil. En juist dàt, de realiteit van de vrije wil, wordt door Keizer in dit echt ietwat geniale boekje uitgewerkt. Dick Swaab en Victor Lamme en de andere profeten van ’wij zijn ons brein’ en ’de vrije wil bestaat niet’ zijn gewoon hooligans. Koop en lees het boekje en word wijs.

 

* Dr. Hugo Verbrugh is arts/filosoof