Historische achtergrond filosofie van de geneeskunde in Rotterdam

Civis Mundi Digitaal #11

door Hugo Verbrugh

Historische achtergrond filosofie van de geneeskunde in Rotterdam

Hugo Verbrugh

 

Dat is een mooi moment in de geschiedenis van de filosofie van de geneeskunde in Rotterdam en van de Vereniging voor Filosofie en Geneeskunde. Ik kijk terug naar hoe het begon, eind jaren zestig van de vorige eeuw.

In 1966 was de MFR, de Medische Faculteit Rotterdam, als zelfstandige instelling van wetenschappelijk onderwijs opgezet. In het derde jaar moesten alle studenten bijna een jaar aan een zelf gekozen project van wetenschappelijk onderzoek werken, het zogenoemde ’keuzepracticum’. Net in die tijd kwam in de media veel aandacht voor de epidemie van aangeboren afwijkingen door massaal gebruik van het kalmeringsmiddel Softenon. Enkele studenten wilden daarom dat keuzepracticum gebruiken voor medische ethiek. Maar medische ethiek bestond helemaal niet. Zelfs ethiek op zich zelf was geen serieuze academische discipline. Dat was iets voor pastoors en andere softies.

Maar de docenten van de MFR hadden de academische vrijheid hoog in hun vaandel en wilden deze ethiek-zoekende studenten toch hun keuze laten volgen. De oplossing was Arend van Haersolte, hoogleraar in de inleiding in de rechtswetenschap en de rechtsfilosofie in de juridische faculteit van de Nederlandse Economische Hogeschool. Die heeft begin jaren zeventig inderdaad enkele derdejaars studenten in projectjes inzake medisch-ethische kwesties begeleid.

Maar het ging pas echt werken toen in 1973 de Nederlandse Economische Hogeschool en de MFR fuseerden en samen Erasmus Universiteit Rotterdam werden. Die kreeg toen ook een zogeheten Centrale InterFaculteit, zoals de Faculteit der Wijsbegeerte toen heette. Daar werd Jan Sperna Weiland benoemd als hoogleraar en die had een goed oog voor wat de wereld nodig had. Er gebeurde steeds meer dat je alleen goed kunt begrijpen als je enig benul hebt van filosofie en dat begon ook steeds sterker te gelden voor de geneeskunde. Het Softenon-schandaal was geen uitzondering; orale anti-conceptie en de ’reageerbuisbaby’, hart-transplantatie en andere innovaties voorspelden de noodzaak van fundamentele reflectie op de macht van de medische wetenschap. Een boek met de titel ’Geneeskunde op dood spoor - het gangbare medische mensmodel als voorwetenschappelijke ideologie’ uit 1972 sprak duidelijke taal. De medische wetenschap kreeg steeds meer succes in haar streven naar de totaal maakbare mens. Vanaf negen maanden voor de wieg tot en met het graf moet alles onder totale controle komen.

Sperna Weiland zag dat allemaal en trok Douwe Tiemersma, bioloog en filosoof, als medewerker aan. Die werd vanuit de Faculteit der Wijsbegeerte verbindingsman met de Faculteit der Geneeskunde en ik mocht dezelfde functie gaan vervullen in omgekeerde richting. Samen richtten we eerst een Interfacultaire Werkgroep Filosofie en Geneeskunde op, en bemiddelden voortaan tussen de ethiek-zoekende studenten geneeskunde en filosofisch deskundige docent-begeleiders.

Vervolgens lieten we ons inspireren door medisch historicus Mart van Lieburg die een Landelijk Beraad over geschiedenis en geneeskunde had opgericht en deden we het zelfde voor de filosofie. Begin jaren tachtig hadden we een grote vergadering in de Internationale School voor Wijsbegeerte en in het kielzog daarvan richtten Gerlof Verwey (Katholieke Universiteit Nijmegen), Gerrit Kimsma (Vrije Universiteit Amsterdam) en Jan Keppel Hesselink (EUR) de Vereniging voor Filosofie en Geneeskunde op.

Intussen had de vooruitgang in de medische wetenschap de ethiek gereanimeerd, zoals wetenschapsfilosoof Stephen Toulmin in 1982 in een mooi artikel ’How medicine saved the life of ethics’ samenvatte en kwamen geleidelijk leerstoelen medische ethiek. In de EUR werd in 1987 Inez de Beaufort benoemd en werd onze Interfacultaire Werkgroep omgebouwd tot de Vakgroep Filosofie, Ethiek en Geschiedenis van de Geneeskunde.