Maatschappelijke ontwikkeling op een doodlopende weg

Civis Mundi Digitaal #12

door Harm Bart

Maatschappelijke ontwikkeling op een doodlopende weg

 

Enkele overwegingen ter ondersteuning van deze stellingname gerelateerd aan de volgende boeken:

 

Anton Hemerijck, Ben Knapen en Ellen van Doorne (eds.), Aftershocks, Economic crisis and institutional choice, 283 blz., Amsterdam University Press, Amsterdam 2009, en

Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt, 319 blz., Lemniscaat, Rotterdam 2010.

 

Door Harm Bart *

 

Opmaat

Gedurende zo’n 20 jaar ben ik als hoogleraar wiskunde werkzaam geweest binnen de faculteit der economische wetenschappen aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam (EUR). De eerste tien jaar lag de nadruk op onderwijs in de wiskundige basisvakken ten behoeve van de econometriestudie en eigen (fundamenteel of zo men wil: zuiver) wiskundig onderzoek. Daarna namen de bestuurlijke verantwoordelijkheden toe, uitmondend in het decanaat van de faculteit in de periode 1996-2000.

Het was een tijd van aanzienlijke bestuurlijke veranderingen[1], teruglopende studentenaantallen, bezuinigingen, personele reorganisaties (met grote aantallen gedwongen ontslagen), en met dit alles verbonden curriculumherzieningen. Daarover gingen de gesprekken in de talloze overlegsituaties. Niet of nauwelijks over de veranderingen die zich in de economische buitenwereld afspeelden. Ingrijpende veranderingen mogen we achteraf wel stellen. Af en toe kwam er eens iets voorbij. Het programma verzekeringseconomie moest worden bijgesteld omdat de scheiding tussen het bank- en verzekeringswezen werd opgeheven. Er werd wel eens gerefereerd aan een verschuiving van het stakeholders- naar het shareholdersbeginsel. Werd het Rijnlandse model niet langzamerhand weggedrukt door het Angelsaksische? En deugde dat eigenlijk wel? Een enkele keer doken zulke elementen op in de bestuurlijk-organisatorische gesprekken, maar heel alarmerend klonk het alles bijeen genomen niet. En ook in de facultaire wandelgangen kwamen fundamentele maatschappelijke kwesties niet met enige diepgang aan de orde - althans dat is mijn indruk. Een enkele kritische econoom - van buiten de faculteit wel te verstaan - die van zich liet horen werd niet erg serieus genomen. Mainstream overheerste en was - het ligt eigenlijk al in het woord opgesloten - de gangbare norm.

Helemaal immuun voor modieuze stromingen was ook niet iedereen. Toen eind jaren negentig de ‘New Economy’ ten tonele verscheen waren er collega’s die met de betreffende opvattingen sympathiseerden of zelfs meegingen. Ik zag er niet veel in. Het deed mij te veel denken aan het perpetuum mobile dat in de natuurwetenschap op goede gronden voor onmogelijk wordt gehouden. Dat perpetuum-mobile-achtige zit ook in de huidige crisis: de vlucht naar voren in de schulden. Het is goed om het bij lezing van het onderstaande in gedachten te houden.

Hierboven verwees ik naar ingrijpende veranderingen. Intussen heb ik kennis genomen van een flink aantal publicaties over de situatie waarin we als maatschappij verzeild zijn geraakt. Niet alleen de twee hierboven (onder de titel) genoemde boeken maar ook een fors aantal andere[2]. En ik moet zeggen: de schellen zijn mij van de ogen gevallen! Ik gebruik opzettelijk deze uitdrukking want het is dezelfde die wordt gebezigd door Hans Achterhuis in de epiloog van zijn ‘De utopie van de vrije markt’. Het is inderdaad verbijsterend dat onze politieke en financieel-economische leidslieden het zo ver hebben laten komen. Een ex-bankier zei enige tijd geleden in een radioprogramma: er zou onmiddellijk revolutie uitbreken als de mensen zouden weten hoe het er in de financiële wereld toegaat. Of dat zo is betwijfel ik; de traagheid van de mensen is groot. Dat is een les die men toch wel uit de geschiedenis - ook al herhaalt die zich nimmer  - kan trekken. (John Gray: het probleem is niet zozeer dat de geschiedenis zich niet herhaalt, maar dat de mensen de lessen die uit de historie te trekken zijn zo snel vergeten!)  Hoe dan ook, ik ben wel gaan begrijpen waar de zojuist geciteerde ex-bankier op doelde. In dit verband zie ik de occupybeweging, het Franse banlieu oproer in 2005, de opstootjes in Engeland van enkele maanden geleden, en de groeiende onrust in sommige Zuid-Europese landen (denk aan ‘de zogenoemde ‘verontwaardigden’ in Spanje) als een teken aan de wand. Maar zoals dat met zulke tekenen gaat: dikwijls worden ze veronachtzaamd tot het te laat is en dat zal zich ook nu wel weer voordoen. In zijn boek ‘Masse und Macht’ zegt Elias Canetti[3] het zo: "Eine ebenso rätselhaftewie universale Erscheinung ist die Masse, die plötzlich da ist, wo vorher nichts war. Einige wenige Leute mögen beisammen gestanden haben, fünf oder zehn oder zwölf, nicht mehr. Nichts ist angekündigt, nichts erwartet worden. Plötzlich ist alles schwarz von Menschen." Herinnert u zich nog de prerevolutionaire sfeer op Het Binnenhof na de moord op Pim Fortuyn in 2002? Het kan zomaar gebeuren ook waar en wanneer je het niet verwacht!

Maar dit lijkt op een voorspelling. En dat is riskant. Want voorspellen in een maatschappelijke context is moeilijk - zo niet onmogelijk. Op de meer fundamentele aspecten daarvan ben ik ingegaan in het essay ‘Physics Envy’ dat in maart 2012 is verschenen in ‘Civis Mundi’ nr. 10. In aanvulling op dat stuk komen hier andere punten aan bod. In de eerste plaats ingegeven door wat er in de twee bovengenoemde boeken aan de orde komt, maar ook door wat ik aantrof in andere geschriften (zie eindnoot ii) en een ongeteld aantal krantenartikelen. Met dit alles vormt het onderstaande niet zozeer een systematische bespreking van de twee boeken die aan de kop van dit artikel prijken. Die fungeren meer als kapstok om een aantal kanttekeningen bij de ontstane maatschappelijke situatie aan op te hangen. Waarbij ik op voorhand wel wil aangeven dat de betreffende boeken zeer lezenswaardig zijn. Ik kom daar tegen het eind nog op terug.

 

Een doodlopende weg

Theorieën betreffende het functioneren van menselijke samenlevingsvormen hebben een eigenschap die ontbreekt in een natuurwetenschappelijke context. Ze zijn wat Velthuis en Noordegraaf-Eelens[4] ‘performatief’ noemen. De kwestie waar het om gaat kan het beste worden gekarakteriseerd met een variant op een woord van Karl Marx: het gaat er niet om de maatschappij te begrijpen maar om haar te veranderen. Als dat laatste (tijdelijk) lukt kan er een self-fulfilling element in de wisselwerking van theorie en praktijk sluipen. Dan kan het gedurende kortere of langere tijd lijken alsof de theorie klopt. Des te gevaarlijker omdat in feite toch een doodlopende weg is ingeslagen.

De centrale these van dit essay is dat we met de ontwikkeling die de maatschappij thans doormaakt op zo’n doodlopende weg zitten. Enkele overwegingen die deze these schragen worden hieronder weergegeven - met hier en daar verwijzingen naar relevante literatuur, in het bijzonder de twee bovengenoemde boeken.

Maar eerst nog dit. Een voor de hand liggende vraag is: hoe moet het dan? Ik heb daar geen sluitend antwoord op. De situatie lijkt op wat zich in mijn vakgebied de wiskunde met regelmaat voordoet: er ligt een terechte en zinnige vraag - maar uitzicht op een antwoord ontbreekt. Vanuit die achtergrond weet ik in ieder geval wel dat om ook maar een kans te hebben een probleem op te lossen het eerst met de nodige helderheid onder ogen moet worden gezien. Op het punt van de maatschappelijke ontwikkeling ontbreekt het zelfs daaraan.[5] Achterhuis heeft hierover het een en ander te zeggen. Niet voor niets brengt hij de doodlopende weg waarop wij ons bevinden in verband met utopische denkvormen. Daarover nu meer.

 

Het utopisch aspect

De hierboven gegeven verwijzing naar Marx - en dus impliciet naar het communisme - heeft een scherp kantje. Het gaat om het fenomeen heilsleer - utopie zo men wil. Precies daarop concentreert zich het boek ‘De utopie van de vrije markt’ van Hans Achterhuis. Deze is van mening dat in het marktdenken zoals zich dat in de afgelopen tijd ontwikkeld heeft een krachtig utopisch element is binnengeslopen. Een omineuze gedachte[6] als men zich realiseert wat in de loop van de geschiedenis voor ongetelde miljoenen mensen is misgegaan bij pogingen om op aarde de heilstaat te bewerkstelligen. En dat speelt ook hier. Achterhuis geeft er de nodige voorbeelden van.

Daarbij is het mij overigen om het even of men van utopische denkbeelden wil spreken of dat men zich tevreden stelt met de constatering dat het denken door een ‘isme’ bevangen is. De gevolgen kunnen even desastreus zijn. In het bijzonder als het ‘isme’ wijd verbreid is, het functioneren van de gehele maatschappij raakt, wordt verabsoluteerd, en niet (meer) als grensoverschrijdend ‘ísme’ wordt onderkend. Via de dogmatische ideologie belandt alles op het spreekwoordelijke procrustesbed.

Met deze opmerking in het achterhoofd is het toch de moeite waard om de gedachtelijn van Achterhuis nog wat nader te volgen. Hij hangt zijn beschouwingen op aan de roman ‘Atlas shrugged’ van de schrijfster en filosofe Ayn Rand. Het boek is in ons land niet zo bekend, maar in de U.S.A ligt dat anders. ‘Atlas shrugged’ schijnt daar op de Bijbel na het meest verkochte boek te zijn. De roman is een het kapitalisme verheerlijkende utopie. Ik heb het vuistdikke boek gelezen. Tot op zekere hoogte met plezier; Ayn Rand kan verdienstelijk vertellen. Maar ook met verbazing vanwege het volstrekt èèndimensionale, kinderachtige mens- en maatschappijbeeld waarvan het boek doortrokken is. Het kwam voor mij dan ook als een verbijsterende eye-opener dat Alan Greenspan - de economische paus uit het recente verleden - een Rand-adept was.  

 

Nog een bijkomende opmerking. Zoals dat bij ‘totalitaire’ denksystemen past wordt door de aanhangers van het marktfundamentalisme de indruk gewekt alsof het om een soort ‘natuurstaat’ zou gaan. Alsof het in de kern altijd zo geweest is. En of regelrechte tegenwerking de spontane ontwikkeling zou hebben belemmerd. Achterhuis gaat uitvoerig op deze kwestie in en laat zien hoe anders de historische werkelijkheid geweest is. Verhelderend!

Hierboven gebruikte ik de term ‘heilstaat’. Het is er één niet alleen met utopische, maar zelfs met religieuze connotaties. En misschien mag die vergelijking ook wel worden gemaakt. De befaamde metafoor van de alles ten goede kerende ‘invisible hand’ wijst daar al op. Het geloof in die zelfregulerende heilzame werking van de markt heeft in de afgelopen decennia welhaast godsdienstige trekken gekregen. Met een badinerende variatie op een in kerkelijke kring bekend gezang[7]: "Wie maar de goede markt laat zorgen / en op haar hoopt in ’t bangst gevaar, / is bij haar veilig en geborgen, / die redt zij waarlijk wonderbaar: / wie op de vrije markt vertrouwt, / heeft zeker op geen zand gebouwd." Voor wie dit te vergezocht vindt laat ik Lloyd Blankfein - topman van de Amerikaanse zakenbank Goldman Sachs[8] - aan het woord: "wij doen het werk van God"[9]

 

De noodzaak van behoedzaamheid

Al deze kritische opmerkingen moeten ons overigens niet doen vergeten dat de ontwikkeling van de afgelopen eeuwen veel waardevols heeft gebracht - in ieder geval hier in het welvarende Westen. Er zijn maar weinigen onder ons die in een andere tijd zouden hebben willen leven of die zouden willen verhuizen naar een reëel bestaand land met een duidelijk afwijkend maatschappelijk systeem. Wat dat betreft zijn er in ons bestel wel degelijk positief te waarderen utopische trekken aan te wijzen. Maar juist daarom is het zo betreurenswaardig dat door het onmatige en roekeloze handelen van de afgelopen decennia - geïnduceerd door een op hol geslagen en verblinde(nde) ideologie - het waardevolle dat is bereikt in gevaar is gebracht.

Onmatig en roekeloos - de kwalificaties die ik zojuist gebruikte Zoals ik in het eerder genoemde opstel ‘Pysics Envy’ heb gezegd: "wij moeten (terug?) naar behoedzaamheid". Dit brengt mij en passant op een ‘terzijde’: leidt de huidige crisissituatie niet de aandacht af van de enorme problemen waarmee de mensheid binnen afzienbare tijd te maken krijgt. En dan bedoel ik nog niet eens de klimaatproblematiek. Ook die leidt mijns inziens af van de hoofdzaak: de onmatige en roekeloze uitputting van onze planeet. Rekent men voldoende met dit gegeven nu een uitweg zoekt in de richting van groei? Het komt mij voor van niet. Toekomstige generaties zullen ons wellicht vervloeken om wat we in korte tijd hebben opgesoupeerd - en voor een groot deel besteed aan beuzelarijen.[10]

 

Markt en politiek

Adepten van de vrije markt willen nog wel eens Bernard Mandeville voor hun karretje te spannen. In een ingezonden brief in NRC Handelsblad heeft mijn oud-collega Wim Klever er onlangs echter op gewezen dat Mandeville zich terdege bewust was van de grenzen die aan de vrijheid dienen te worden gesteld: "so vice is beneficial found, when it’s by Justice loopt and bound." De neo-liberale, van Ronald Reagan afkomstige, slogan ‘government is the problem, the market is the solution’ zou hij niet voor zijn rekening genomen hebben. Hoe ironisch is het in dit verband dat de ‘oplossing’ van de bankencrisis moest komen van massief ingrijpende overheden. Waarbij overigens de homeopathische aanpak werd gekozen: de ziekte (schulden) bestrijden met het gelijkende (meer schulden). De vlucht naar voren, zogezegd. Met als voorlopig ‘hoogtepunt’ dat de betreffende overheden nu zelf in financiële problemen komen die genadeloos door de geredde markt worden dreigen te worden afgestraft. Waarbij nog dient te worden opgemerkt dat hierbij gigantische vormen van speculatie in het geding zijn waardoor het lot van miljoenen mensen nadelig wordt beïnvloed. Het is onbegrijpelijk dat de morele kanten die hieraan zitten in de politiek zo onderbelicht blijven. Of hebben diegenen gelijk die stellen dat de verwevenheid van de politiek met de financiële sector ingrijpen onmogelijk maakt?

De uitspraak van Mandeville wijst op het belang van wat Achterhuis ‘omheinende instituties’ noemt. Zoals hij in zijn boek uitlegt waren die er. In de afgelopen decennia is een groot aantal ervan via politieke sturing echter welbewust afgebroken. Prominente spelers in dit verband waren Margaret Thatcher en de eerder geciteerde Ronald Reagan. Misschien wel vanwege het utopische karakter van het door hen gepersonifieerde type denken is het als een soort net over de maatschappij heen komt te liggen. Het is nauwelijks mogelijk om ‘anders te denken’ - ‘out of the box’ denken heet dat tegenwoordig. Voorbeelden zijn er helaas te over - ook in de wetenschapsgeschiedenis.  Een mooi voorbeeld betreft de aardrotatie die ten tijde van Galilieo Galilei zoveel stof deed opwaaien. Er staat op zo’n ‘ander denken’ ook (nu nog) een vorm van straf. In de wetenschappelijke wereld tot uitdrukking komend in vormen van uitsluiting: problemen met het geplaatst krijgen van artikelen of het mislopen van bevorderingen dan wel onderzoeksubsidies.

Ook op onze politieke partijen heeft de sirenenzang van het dogmatisch geworden marktdenken zijn uitwerking niet gemist: ze hebben zich massaal laten invangen. De Partij van de Arbeid (PvdA) heeft onder leiding van Wim Kok haar ideologische veren afgeschud. Heeft men zich gerealiseerd dat het verenpak werd ingewisseld voor een andere even knellende pluimage? En ook het Christen-Democratisch Appèl (CDA) is geïnfecteerd geraakt door het marktfundamentalisme. Dat officieel aangehangen Bijbelse noties van gerechtigheid en rentmeesterschap zich niet met de betreffende ideologie laten verenigen is in de praktijk zo goed als geheel ondergesneeuwd. In feite komt vanuit de politiek nauwelijks serieus tegenspel tegen het marktdenken. Geen wonder dat veel kiezers afhaken en bij zo weinig wezenlijk verschil tussen de partijen ‘zwevend’ worden. Helaas gelden de observaties van dit type ook voor de vakbeweging. Ook daar geen overtuigend antwoord.

Men verneemt op dit punt overigens ook andere geluiden. De oorspronkelijke doeleinden van de vakbeweging en van een politieke partij als de PvdA zouden bereikt zijn. De bedoelde bewegingen zouden bezig zijn aan hun eigen succes ten onder te gaan. De Britse socioloog Guy Standing denkt hier anders over. In zijn in 2011 verschenen prikkelende boek ‘The precariat. The new dangerous class’ breng hij naar voren dat wat vroeger het proletariaat was gaandeweg wordt opgevolgd door een nieuwe klasse. Het betreft wat ik zou willen noemen ‘wegwerpmensen/werkers’, door  Standing als volgt gekarakteriseerd: "living and working precariously: usually in a series of short-term jobs, without recourse to stable occupational identities or careers, stable social protection or protective regulations relevant to them." Hij vreest dat dit zal leiden tot nieuwe en onbeheersbare instabiliteiten: "They are increasingly frustrated and dangerous because they have no voice, and hence they are vulnerable to the siren calls of extreme political parties."[11] Ik voeg hier uit eigen waarneming aan toe dat ook de goed betaalde hoger opgeleide loonslaven tot deze groep kunnen gaan behoren. Joris Luyendijk bracht het op 2 februari 2012 in NRC Handelsblad zelfs zo onder woorden: "mensen in de financiële wereld worden misschien overbetaald, ze zijn ook fundamenteel onderbeschermd".

 

Globalisering

Onder dit alles ligt de voortgaande reductie van de mens tot een schakeltje in de globale economische machinerie die de wereld aan het worden is. Een ontwikkeling met ontwrichtende aspecten op het punt van wat wel de sociale cohesie wordt genoemd. Men leze er Achterhuis op na. Op dit moment speelt dit wellicht nog voornamelijk in landen met opkomende economieën, maar een schrijver als de hierboven aangehaalde Guy Standing is er van overtuigd dat op termijn de gevolgen ook in de westerse samenlevingen steeds nadrukkelijker voelbaar zullen worden. [12]

Voor een bijzondere complicatie vraag ik hier nog even de aandacht. Het financiële systeem is op geen enkele manier meer aan een bepaalde plaats gebonden. Het is in extreme mate grensoverschrijdend. Het kapitaal zoekt als vanzelf het laagste punt op, al stromend water. Wil men het ergens aan banden leggen dan wijkt het uit naar waar de beknelling (nog) niet van kracht is. Zo was het vroeger niet - zeker niet in de mate waarin het thans het geval is. Dat betekent dat een grote crisis - en inmiddels gaat het mijns inziens om een crisis van het totale maatschappelijke systeem - thans alleen met succes aangepakt kan worden als er mondiaal overeenstemming is. Hoe moeilijk zoiets ligt blijkt wel uit de situatie in Europa.

In feite gaat het om iets dat in de huidige constellatie onmogelijk is. De verschillen in welvaart die er in de wereld zijn staan hier borg voor. En daar komt nog bij een gebrek aan bereidheid bij de rijke landen om een stapje opzij (laat staan: terug) te doen. Dat heeft overigens alles te maken met onze democratische orde. Met de ‘belofte’ van stagnatie of, erger nog: teruggang, wint men geen verkiezingen! En dit brengt me bij het in de gelezen boeken prominent aanwezige thema ‘markt en democratie’ - een subthema van het eerder aangeroerde motief  ‘markt en politiek’.

 

Markt en democratie

De westerse wereld beroept zich vol trots op het democratisch gehalte van haar politieke systeem. Het is zelfs een exportartikel en bij de verbreiding ervan wordt geweld in voorkomend geval niet geschuwd. Dat althans is de retoriek. Hoe dit alles ook zij, de vraag mag zo langzamerhand wel worden gesteld in hoeverre de verbaal zo gekoesterde democratie verenigbaar is met het kapitalisme zoals zich dat nu ontwikkelt. Tekenend is dat er de laatste tijd krantenartikelen verschijnen met koppen in de trant van ‘de democratie als gevaar’.[13]

Hoe ongerijmd - en precair - de situatie aan het worden is laat zich nader als volgt illustreren. In de afgelopen jaren heeft zich een vorm van Euroscpesis genesteld in onze politiek. Het was een schande dat Nederland nettobetaler was (waarom eigenlijk? welke landen zouden het dan moeten zijn?), allerlei regelgeving werd verweten aan ‘Brussel’ (ook als Nederland zelf aan de totstandkoming ervan had meegewerkt), en zo voort. Nu vinden velen in Den Haag dat uit een ander vaatje moet worden getapt want de euro loopt gevaar. Dit gaat inmiddels zo ver dat onze premier Mark Rutte roept om een Europese instantie die eindelijk eens al die democratisch gekozen politici met slappe knieën buitenspel kan zetten. Gekker kun je het als premier van een democratisch geregeerd land nauwelijks maken. Waarbij ook nog moet worden bedacht dat ook zogenaamd technocratische oplossingen impliciete politieke keuzen in zich bergen.

Recent stelde Arjo Klamer[14]: "governments are dancing to the tune of the financial markets and not vice versa." En in ‘Aftershocks’ valt te lezen[15]: "The financial sector effectively bought political power Therefore, the failure of politics lies in part in its ability to resist being hijacked by financial interests." Ik vrees dat wat hier gezegd wordt waar is. En dat de conclusie - ook door anderen getrokken - gerechtvaardigd is dat de democratie zoals wij die kennen ten principale incompatibel is met het financieel-economische systeem zoals zich dat thans ontwikkelt. Zal dat laatste zich in het gareel voegen? Het lijkt me niet waarschijnlijk. Uitwijken naar plaatsen op de wereld waar men op de ingeslagen weg kan voortgaan is veel te eenvoudig. Dat brengt zoals eerder opgemerkt de globalisering met zich mee. Alleen wanneer op wereldschaal consensus zou worden bereikt is er een kans. Maar het is niet goed voorstelbaar dat dit gaat gebeuren. Gegeven de ongelijkheden op mondiaal niveau zou het om nauwelijks minder dan een mirakel gaan. En in onze moderne tijd zijn de wonderen - anders dan het betreffende spreekwoord suggereert - wel degelijk de wereld uit!

Wat er uiteindelijk van zal komen weet niemand. Toen het communisme in de voormalige Sovjet Unie viel kon men zich vastklampen aan een alternatief systeem: dat van de vrije markt. Overigens zijn de gevolgen voor de mensen daar dramatisch. Ook weer omdat allerlei ‘omheinende structuren’ ernstig zijn veronachtzaamd. Ik heb op dit punt een interessante herinnering. Als decaan van de economische faculteit in Rotterdam moest ik rond 2000 af en toe naar Moskou. Dit om (mede) uitvoering te geven aan een samenwerkingsverband met een aldaar opgericht opleidingsinstituut waar moderne (niet-Marxistische) economie werd onderwezen. Tijdens een receptie zei één van de Russische collega’s daar eens tegen mij: het is heel mooi dat jullie ons assisteren bij opzetten van een ander economisch systeem, maar het zou nog veel belangrijker zijn als wij aan een goed rechtssysteem werden geholpen. Van personen die familie hebben in Rusland hoor ik in privé-gesprekken welke schaamteloze vormen de corruptie daar heeft aangenomen en hoe deze de gehele samenleving doortrekt. De collega die om ‘rechtsbijstand’ vroeg had gelijk! Meer dan ik in mijn toen nog naïef-optimistische kijk op de zaak doorhad. Om de theoloog Harry Kuitert te parafraseren: alles is economie (Clinton: It’s the economy, stupid) maar economie is niet alles![16]

De crisis zoals die zich ontwikkelt raakt dus in toenemende mate het politieke bestel. Het boek ‘Uitgekleed’ van Eduard Bomhoff eindigt aldus: "Kunnen westerse politici bezuinigen en óók hun burgers weer optimistisch maken? Zo niet, dan treft de volgende crisis niet de banken maar het politieke systeem." Als ik het goed zie zijn we al zover. Eerder wees ik al op uitlatingen op het hoogste regeringsniveau die goed beschouwd op het failliet van ons democratische systeem preluderen. Maar ook langs een indirecte weg kunnen zich ernstige ongelukken voordoen. In tijden van teruggang ontstaat een neiging tot radicaliseren. Politieke dwaallichten krijgen hun kans. Dat de gevolgen ontstellend kunnen zijn is in de geschiedenis al vaker gebleken. Men kan er de ogen voor sluiten, een maar al te hardnekkige menselijke neiging. De Griekse dichter Aischylos laat in één van zijn tragedies Prometheus zeggen: "ik heb de blinde hoop gevestigd in hun hart." En uit de Griekse Oudheid komt ook: "wien de goden willen vernietigen slaan zij met blindheid." De wezenloos optimistische toon die soms wordt aangeslagen - tot op het hoogste leidersniveau toe - doet het  ergste vrezen. Zoals eerder opgemerkt: om een probleem op te lossen moet men het eerst goed stellen.

Dat wezenloze optimisme uit zich ook in een onderschatting van de zo langzamerhand op gang komende publieke protesten. Hierboven werd er al het een en ander over gezegd - culminerend in het Canetti-citaat. Het hoeft niet te worden herhaald. Over de machteloosheid van de politiek echter nog het volgende. Toen de crisis enkele jaren geleden uitbrak konden we Nancy Pelosi - voormalig Speaker of the U.S. House of Representatives -  horen uitroepen: "the party is over". Dat was bestemd voor Wall Street. Wat is er van terechtgekomen? Weinig of niets. In de  New Herald Tribune van 9/10 juli 2011 stond een artikel met de veelzeggende titel ‘Shift in policy lets companies police themselves’. Uiteengezet werd dat er niet of nauwelijks wordt opgetreden in gevallen waarbij beschuldigingen van crimineel gedrag gerechtvaardigd zouden zijn. De lijn is - zo werd gesteld: "leniency if companies investigated and reported their own wrongdoing". Er gelden hier kennelijk andere regels dan in het overige maatschappelijk verkeer. Overigens is het een illusie om te menen dat men wat opschiet met zelfregulering. In het sterk competitieve klimaat dat via een ontketend marktdenken wordt opgeroepen werkt zoiets niet. Het artikel is dan ook niet optimistisch over het effect. Het ‘partijtje’ waar Pelosi op doelde is nog lang niet over. De belangen van politiek en financieel systeem zijn veel te verstrengeld.

Op 25 januari 2011 ging de Amerikaanse president Barack Obama in zijn State of the Union de confrontatie aan met de zeer rijken en de bankiers. De laatsten werd toegevoegd dat bij nieuwe problemen er geen "bail out" meer zal volgen. Grote woorden, vergelijkbaar met die van Pelosi. Maar ik heb er niet veel vertrouwen in. Niet zo lang toegestaan wordt dat de banken ‘too big to fail’ zijn - of dat dit geldt voor de financiële sector als geheel. Alleen als op dat punt fundamentele veranderingen tot stand komen zullen bail outs van het soort dat we gehad hebben tot het verleden behoren. Het argument dat er op zeker moment niet voldoende overheidsmiddelen zullen zijn om de banken uit de wind houden en dat de wal dan het schip keert overtuigt mij niet. Daarvoor is het te gemakkelijk om de geldpersen aan te zetten. Een homeopathisch recept met alle risico’s van dien - over lessen uit de geschiedenis gesproken.

Nog één opmerking om deze paragraaf me af te sluiten. De complexiteit van onze globaliserende samenleving is enorm geworden. Parallel daarmee is het levenstempo enorm opgeschroefd.[17] En tenslotte is de mensen een blind vooruitgangsgeloof aangepraat. Teleurstelling in de gewekte verwachtingen en onvrede over de ondoorzichtigheid van allerlei maatschappelijke processen kunnen niet uitblijven. De democratische samenlevingsvorm staat voor een immense uitdaging. Wat er voor in de plaats komt mocht ze de facto of effectief verdwijnen is de vraag. Het lijkt mij allang niet meer de vraag of onze kinderen het beter zullen hebben als wij. Behoud van een problematisch wordende beschaving - ik vrees dat het inmiddels daarom gaat.

 

Het morele aspect

Van de Chinese dissident Liu Xiaobo komt de uitspraak: "Profit makes you dull in morality."[18] Dat hier een spanningsveld ligt kan iemand met enige zelfkennis niet ontgaan. De gemakkelijkste uitweg is te vluchten in de opvatting dat economie en moraal weinig of niets met elkaar uit te staan hebben. Maar daarmee komt men er niet. Eerder werd Mandeville aangehaald. Het loont - aardige uitdrukking in dit verband - om het citaat nog even te herhalen: "so vice is beneficial found, when it’s by Justice loopt and bound." Vice - ondeugd -  hier zijn we volop bij het morele. Maar aan ongebreidelde ondeugd zit volgens Mandeville een steekje los. En - daar ben ik ‘heilig’ van overtuigd - meer dan dat! In dit opzicht interessant is de moderne mantra ‘greed is good’ - een leidende gedachte in Rand’s boek ‘Atlas Shrugged’ dat, toen er kritiek op kwam, nog in bescherming werd genomen door - of all persons - Alan Greenspan. Hebzucht is van alle tijden maar is als regel beschouwd als een van de hoofdzonden, een bron van kwaad. Achterhuis zegt hier behartigenswaardige dingen over als hij de visie van Aristoteles op het economisch verkeer beschrijft. Hebzucht: een ondeugd die in onze tijd wordt neergezet als een hoofddeugd, als de motor die het bestel draaiende moet houden. De omgekeerde wereld. Hier wordt op zand gebouwd - om een hierboven geciteerde uitdrukking nog eens te gebruiken.

Een specifiek aspect van de huidige situatie heb ik hierboven in het voorbijgaan al even aangestipt: het wijdverbreide fenomeen van speculatie op gigantische schaal. Dat richt zich thans zelfs op - of beter: tegen - hele landen. En daarmee wordt het lot van miljoenen machteloze (zij het te goedgelovige) mensen in de waagschaal gesteld. Als ik mij goed herinner werd nog in mijn jonge jaren uiterst misprijzend tegen het fenomeen speculeren aangekeken. Nu lijkt het er op alsof het een algemeen geaccepteerd verschijnsel is. Gaan we die kant ook op met - bijvoorbeeld - handel met voorkennis? Waarom wordt het ene wel aangepakt (mits ontdekt) en het andere niet?

Genoemd moet ook worden het feit dat hoog spel is gespeeld met geld dat niet van de financiële instituties zelf was. Het is van de inleggers. Dat hiermee zo onverantwoordelijk risicovol gerommeld werd was bij de overgrote meerderheid van de betrokkenen niet bekend. Dit geldt niet alleen de (spaar)gelden die waren ingelegd bij de banken en verzekeringsmaatschappijen. Er speelde ook het een en ander bij de pensioenen. Daar heeft de Nederlandse overheid via de zogenoemde brede herwaardering van enkele decennia geleden een dubieuze rol gespeeld.

Er kleeft nog een aspect aan het doorgeschoten marktdenken dat hier aandacht behoeft. Doordat de marktbenadering als een net over de samenleving is komen te liggen ontstaat sluipend - maar als vanzelf - het maatschappelijke fenomeen dat wel kortweg wordt aangeduid met de term ‘de calculerende burger’. Voor men het weet is men in een situatie waarin allerlei zaken op geld gewaardeerd worden waarvoor dat vroeger niet het geval was. Nog los van de schade die dit berokkent aan de onderlinge verhoudingen - de sociale cohesie als men het zo wil noemen - heeft dit een kostenopdrijvend effect. Wie wind zaait zal storm oogsten.

Dat de kern van de huidige crisis in het morele vlak ligt blijkt ook uit het volgende. Die kern ligt namelijk in wat men zou kunnen omschrijven als ‘verspeeld vertrouwen’. Vertrouwen dat - zoals het spreekwoord zo mooi zegt -  te voet komt en te paard gaat. En dat laatste gebeurde. In het bijzonder ten aanzien van het functioneren van het financiële bouwwerk waarop onze samenleving rust. Daarmee is er sprake van een systeemcrisis. Geld mag dan wel op individuele rekeningen staan - het geldsysteem is van ons allemaal. Het is essentiële - zij het immateriële - infrastructuur en behoort als zodanig tot de collectiviteit.[19] Op acties die het vertrouwen er in fundamenteel kunnen ondermijnen zouden dan ook zware sancties moeten staan. In dit verband is de Wegenverkeerswet interessant: "Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt (...)". Waarom bestaat zo’n artikel wel voor het wegverkeer en niet voor het geldverkeer. En - voor het geval ik mij op dit punt vergis - waarom worden overtreders niet ‘keihard’ (het moderne modewoord, onze politici in de mond bestorven) aangepakt? Hopen onze leidslieden er op na de beëindiging van hun politieke carrière zelf een graantje mee te pikken?

Het gaat om een mentaliteitskwestie die ook via de panacee ‘toezicht’ niet valt op te lossen. Op het moment dat ik dit schrijf speelt de derivatenkwestie bij de Rotterdamse woningbouwcorporatie Vestia. De zaak staat niet op zichzelf. Ik noem nog maar even de problematiek rond het onderwijs-conglomeraat Amarantis om dit te illustreren. Stuitend - want het publieke vertrouwen ondermijnend - zijn de regelingen die met falende en van hybris vervulde bestuurders worden of zijn getroffen. Juridisch is er misschien geen speld tussen te krijgen, maar dat laat alleen maar zien dat de zaken verkeerd in elkaar zijn gezet. Men kan het morele fundament van een samenleving niet ongestraft zo ondermijnen. En met toezicht kan men het niet optuigen - daarvoor moeten waarden van buiten het marktdenken een rol van betekenis gaan spelen.  Voor indringende beschouwingen daarover verwijs ik naar het boek ‘What money can’t buy. The moral limits of markets’ van Michael J. Sandel (2012).

 

Oplossingsrichtingen?

In ‘Aftershocks’ (en ook in ‘De utopie van de vrije markt’) wordt enerzijds ingegaan op de zegeningen die het heersende economische systeem in het in materieel opzicht welvarende deel van de wereld gebracht heeft. Maar anderzijds wordt ook aandacht besteed aan de ‘social costs’ die het met zich heeft meegebracht. In het bijzonder op het punt van de ‘sociale cohesie’ worden harde noten gekraakt.[20] Het gangbare succesverhaal wordt daarmee in zijn propagandistische strekking ontmaskerd. In het verlengde hiervan treft men de opvatting aan dat afstand zou moeten worden genomen van de "exclusive focus on economic growth." Een invalshoek die - zo valt in ‘Aftershocks’ te lezen - zou moeten worden vervangen door het hanteren van een "portfolio of social and economic indicators (including, for example, various dimensions of adult numeracy and literacy, access to public services, poverty, environmental health, climate control)." Gesteld wordt: "GDP growth may no longer be an adequate proxy for ‘doing well’."[21] Een waarlijk utopisch vergezicht! Vergelijk dit maar eens met de huidige aanpak van de problemen in Zuid-Europa.

Als kern van de problematiek wordt aangewezen het proces van deregularisatie zoals zich dat in de afgelopen decennia heeft voltrokken; zo men wil: de opkomst van het marktfundamentalisme.  Zelfs wanneer men het inmiddels anders zou willen, het is zoals Aftershocks’ het onder woorden brengt: "once the genie is out of the bottle, it is far more difficult to regulate an economy than to deregulate it." De geest is uit de fles. Ik vrees dat dit een juiste inschatting is. Een eenvoudige terugkeer naar een ‘embedded economy’ bijvoorbeeld in de vorm van het zogenoemde Rijnlandmodel lijkt mij dan ook een illusie. Voorzover ik kan zien heeft niemand op dit moment een goed alternatief. En dat is misschien wel het meest wezenlijke en verontrustende element van de huidige crisis die er een van het maatschappelijke systeem is. En die daarom zo gevaarlijk is.[22]

 

In zijn monumentale werk ‘A study of history’ analyseert Arnold J. Toynbee[23] de levensloop van beschavingen. Naar zijn opvatting spelen daarbij crises een wezenlijke rol. Waarbij het woord ‘crisis’ hier niet op voorhand een Spengleriaanse Untergang des Abenlandes connotatie heeft, maar staat voor een "challenge", een uitdaging. Iedere cultuur, iedere beschaving, wordt van tijd tot tijd geconfronteerd met zulke uitdagingen die soms de vorm aannemen van bedreigingen. Worden deze succesvol het hoofd geboden, dan betekent dit groei; lukt dit niet, dan treedt verval in, soms uitlopend op een totale neergang. Zoals bij de Egyptische beschaving die na duizenden jaren van grootsheid ten onder ging. Interessant is hierbij dat groei en verval in Toynbee’s optiek niet zozeer worden gerelateerd aan economische of technologische vooruitgang maar vooral ook aan moreel gehalte. Voor wat de analyse van Toynbee waard is (ze is uiteraard bekritiseerd): te denken geeft ze!

 

Vooruitgang en Darwinistisch motief

Hierboven werd in het voorbijgaan al even gerefereerd aan het in de westerse cultuur doorgedrongen vooruitgangsdenken. Daarover nu meer.

In veel premodern denken staat het aardse in laag aanzien. Dit kan niet los worden gezien van de geringe mate waarin men bij de toenmalige stand van de wetenschap (als daar al van kon worden gesproken) de wereld naar zijn hand kon zetten. Veel anders dan berusting of hoop op een andere en betere wereld zat er niet op.[24] Bij het Christendom is deze gedachte traditioneel gekoppeld aan de idee van de zondeval in het Paradijs. In het verlengde hiervan ligt de opvatting dat verlossing hier op aarde - op dit tranendal - niet mogelijk is. Voor het heil is men aangewezen op het hiernamaals[25] - pas daar zullen alle tranen worden afgewist.

In de Middeleeuwen wordt al namelijk een afwijkende positie ingenomen door Joachim van Fiore[26]. Hij was een Cisterciënzer abt uit Italië en had de faam voorspellende gaven te beschikken. Dante Alighieri zegt van hem[27] "... en naast mij de zeer verheven / Abt Joachim, bezield en toegewijd, / Aan wie de zienersgave was gegeven". De verstrekkende gedachte van Joachim was dat het verhaal van de Bijbel er één is van spirituele vooruitgang. Iedere Goddelijke Persoon correspondeert met een tijdperk. Na dat van de Vader (Oude Testament: wet, gehoorzaamheid, hiërarchie, angst) en de Zoon (Nieuwe Testament: genade, geloof, eerbied) is op handen het tijdperk of de fase van De Heilige Geest (het Derde Rijk). Een periode van liefde, vrijheid, contemplatie, gemeenschap en vreugde. Hier komt de mogelijkheid van ‘heil in de wereld’ in beeld: de tijd tussen de komst en de wederkomst van Christus wordt niet meer uitsluitend gepercipieerd als een periode van beproeving en wachten op de uiteindelijke verlossing. Dit motief van vooruitgang keert later terug in diverse utopische of politieke gestalten. Zelf verwachtte Joachim dat een en ander zijn beslag zou krijgen rond 1260.

Vooruitgangsgeloof treft men ook aan bij de rond 1600 levende Francis Bacon[28] die wel de heraut van het moderne wetenschappelijk denken wordt genoemd. Hij hechtte grote waarde aan de waarneming. Daarbij gaat het ook om het gerichte experiment: de natuur moet op ‘de pijnbank’ worden gelegd om zo achter haar geheimen te komen. Van de wetenschap die op deze wijze kan worden verkregen verwacht hij veel voor de verbetering van de leefomstandigheden van de mens. Achterhuis heeft in zijn boek ‘De erfenis van de utopie’ (1998) benadrukt dat ook hier een religieus element te bespeuren valt: "De mogelijkheden die de natuurwetenschap biedt, zullen de totale heerschappij van de mens over de natuur herstellen. En de zondeval dus opheffen (...)."

Bacon’s visioen heeft de toon gezet. Een verstrekkend vooruitgangs- en maakbaarheidsgeloof heeft het westerse denken doortrokken en fungeert bij uitstek als stuwend element achter de ontwikkelingen in het verlengde van de wetenschappelijke en technologische revolutie. Daarbij werd aanvankelijk nog gedacht in termen van een religieus geïnspireerd harmoniemodel. Maar dat veranderde. Gaandeweg kwam het vooruitgangsgeloof los te staan de oorspronkelijke religieuze achtergrond. Tekenend in dit verband is de situatie rond Isaac Newton zoals aangeduid door Eduard Dijksterhuis[29]: "Niets heeft in de achttiende eeuw zozeer bijgedragen tot de onderlinge vervreemding van geloof en wetenschap als de ontwikkeling van de mechanica der hemellichamen, die de schoonste vrucht is van de door Newton gegrondveste en als steun voor het geloof bedoelde natuurwetenschap. Er is geen schrijnender contrast tussen een beeld en zijn uitwerking denkbaar dan de tegenstelling tussen Newton’s overtuiging, dat de orde in het planetenstelsel een onweerlegbaar bewijs vormt voor het bestaan van een intelligente Eerste Oorzaak en het antwoord dat de auteur van de Mecanique Céleste Laplace[30], volgens de overlevering aan Napoleon zou hebben gegeven toen deze hem vroeg waarom hij in zijn werk nergens den Schepper vermeld had: Sire, je n’avais pas besoin de cette hypthèse-là[31]."

Zo kwam gaandeweg de band met de religie op losse schroeven te staan. Een ontwikkeling met ingrijpende gevolgen voor de denkbeelden inzake vooruitgang. Met de opkomst van de evolutieleer van Charles Darwin verdween ook het denken in termen van  harmonie. De ‘struggle for life’ komt in beeld, niet alleen als een te constateren (en mogelijk religieus te duiden) feit, maar als de motor achter de biologische progressie. En in het verlengde daarvan ook strijd, concurrentie en competitie als de stuwende factoren achter vooruitgang op andere gebieden.

Hiermee rijst de vraag in hoeverre het marktfundamentalisme een manifestatie is van genoemd onderliggend darwinistisch-evolutionair denken. Aan deze vraag zitten interessante aspecten. Ik moet niet veel hebben van religieuze stromingen die - om zich een schijn van wetenschappelijkheid aan te meten - bedienen van het denkbeeld dat met de term ‘intelligent design’ wordt aangeduid.[32] In een in februari 2008 uitgekomen boekbespreking in ‘Civis Mundi’ heb ik aandacht besteed aan dit onderwerp. En daarbij in het bijzonder aan de opvattingen van Michael Ruse[33]. Deze uitgesproken, maar niet dogmatische, evolutionist karakteriseert bepaalde typen evolutionair denken als ‘wereldlijke godsdienst’. Uitvoerig gaat hij in op de weerstand die de aangeduide samenhang met vooruitgangsdenken heeft opgeroepen. Een weerstand die zijn voedingsbodem heeft in al of niet terecht gepercipieerde morele, sociaal-economische of zelfs racistische implicaties van de evolutionistische denkbeelden. De diepste wortels van het Amerikaanse anti-evolutionistische denken - hoe onacceptabel ook in de huidige vorm - kunnen hiervan niet los worden gezien en liggen in dezelfde sfeer als het verzet van klassieke denkers als Plato, Varro en Cicero tegen de oude Griekse atomistische opvattingen.[34] Steeds weer gaat het uiteindelijk om de vraag of de mens inderdaad niet meer (‘nothing but’) is dan een onderdeel van de ‘tooth and claw of nature’, van de strijd om ‘Lebensraum’; kortom onderworpen aan de wet van het recht van de sterkste - eventueel getrans-formeerd naar het raciale of economische domein. En over laatstgenoemd domein gaat het bij de in dit opstel besproken problematiek. Deze onderstroom - een bepalend element in de ontwikkeling van onze cultuur - blijft in de boeken die als kapstok hebben gefungeerd voor dit essay ongenoemd. Ik had er graag enige aandacht voor gezien.

 

De twee boeken

Maar dat is slechts een opmerking in de marge. Al het overige dat hierboven aan de orde is gesteld passeert in die boeken op enigerlei wijze wel de revue. Het boek van Achterhuis is goed leesbaar en bevat heel veel interessante informatie. Allerlei gangbare voorstellingen worden op hun (eventueel onuitgesproken) vooronderstellingen getoetst. Zoals het een filosofisch werk betaamt! ‘Aftershocks’ heeft een heel ander karakter. Het bestaat uit 24 interviews met vooraanstaande figuren uit de politieke, economische en wetenschappelijke wereld, waarbij het geheel is voorzien van een voorwoord, uitgebreide inleiding en epiloog door de drie redacteuren Anton Hemerijck, Ben Knapen en Ellen van Doorne. Een uitermate interessant geschrift! De genoemde inleiding die ca. 35 pagina’s in beslag neemt geeft een goede indruk van wat in de interviews aan de orde komt. Relevante lectuur voor hen die de moeite willen nemen zich (terechte) zorgen te maken over de toekomst van onze maatschappij.

 

Slotakkoord

‘Aftershocks’ gaat nadrukkelijk in op de noodzaak tot hervorming van ons maatschappelijke systeem. De ondertitel suggereert het al: ‘Economic crisis and institutional choice’.Tegelijkertijd is er bij velen onder de geïnterviewden ernstige twijfel of er van die institutionele keuzen iets komen zal. Die scepsis is niet zonder grond. Veelzeggend op dit punt is de epiloog. Die hamert het er in: "The excesses of deregulation have hit society hard." Gelukkig hebben we in ons deel van de wereld de euro. Deze had een "calming influence" - ja het staat er heus, anno 2009! Maar " ‘Brussels’ had been forced into the role of custodian of the free market, appearing as representative of an ideology rather than a mechanism to enhance social and economic values" (denk aan de eerder gemaakte opmerkingen over de noodzaak van een alternatieve "portfolio of social and economic indicators"). Europa moet een opener houding ontwikkelen: "Can anyone imagine the International Monetary Fund still having any relevance if the chairman is still being chosen from one of the European member states?" Misschien - aldus de auteur van de epiloog - gaan zich nieuwe kansen voordoen maar "before this can happen, a new narrative and a new intellectual framework will be needed. This is missing at present, but a few potentially interesting building blocks are coming into sight - let us call them the unreaped rewards of a credit crisis."

 

So far, so good. Maar waarom onderstreept dit mijn scepsis daar waar het de bereidheid tot aangaan van echte hervormingen betreft? Omdat het de vos is die de passie preekt: de hierboven geciteerde epiloog is van de hand van de CDA-politicus Ben Knapen. Koud een jaar na het uitkomen van ‘Aftershocks’ trad hij toe tot het kabinet "waarbij rechts Nederland zich de vingers kan aflikken"[35]. Waarvan acte!

 

* Prof. Dr. H. Bart is emeritus hoogleraar Wiskunde en oud-decaan Economische Faculteit van de Erasmus Universiteit Rotterdam

 


[1] Invoering Wet Modernisering Universitaire Bestuursorganisatie (MUB) en de organisatie van het wetenschappelijk onderzoek in onderzoekscholen.

[2] O.a.: ‘Op naar de volgende crisis! Over het verleidend vermogen van financiële markten’ van Olav Velthuis en Liesbeth Noordegraaf-Eelens, ‘False dawn’ van John Gray, ‘Uitgekleed’ van Eduard Bomhoff, ‘Crisis economics’ van Nouriel Roubini/Stephen Mihm, ‘The precariat. The new dangerous class’ van Guy Standing en ‘What money can’t buy. The moral limits of markets’ van Michael J. Sandel.

[3] Duitstalige schrijver (1905-1994)  en winnaar van de Nobelprijs Literatuur 1981.

[4] ‘Op naar de volgende crisis! Over het verleidend vermogen van financiële markten’, Klement, Kampen 2009.

[5] In de column ‘Zomer van sport en chaos’ in NRC Handelsblad van 16 mei 2012 benoemt H.J.A. Hofland een aantal factoren die bijdragen tot "de algemene uitzichtloosheid".

[6] In lijn met denkbeelden ontvouwd in ‘False dawn’ van John Gray.

[7] ‘Liedboek der kerken’, Gezang 191:1.

[8] De bank die betrokken was bij de (ook in de Nederlandse politiek thans zo sterk veroordeelde) vroegere begrotingsmachinaties van de Griekse overheid.

[9] Zie o.a. De Volkskrant, 11 november 2009.

[10] Zie voor indringende beschouwingen op dit punt Hans Jonas, ‘Das Prinzip Verantwortung. Versuch einer Ethik für die technologische Zivilisation’ (1979).

[11] Zie ook de in eindnoot v genoemde column van Hofland. Hij spreekt van een "neoproletariaat" - thans ongegroepeerd, zonder vertrouwde leiders en daardoor qua koers volstrekt onvoorspelbaar.

[12] Zie ook de het artikel ‘De gekerkerde middenklasse’ van Hubert Smeets in NRC Handelsblad van 12 mei 2012.

[13] Als voorbeeld kan worden genoemd het artikel ‘De democratie is het probleem’ van Melvyn Kraus in NRC Handelsblad van 17 november 2011. De reacties op het democratische proces in Griekenland zijn over het algemeen sterk negatief. Ook van de zich democratisch noemende politieke partijen.

[14] http://www.klamer.nl/wordpress/?p=705 .

[15] In de Introduction (‘The institutional legacy of the crisis of global capitalism’) van Anton Hemerijck.

[16] In aansluiting hierop nog het volgende. Met de invoering van de euro werd een economisch instrument ingezet om een politiek ideaal te verwezenlijken: de politieke integratie van Europa. Zit daar niet de overtuiging van het primaat van de economie achter? Zo ja, dan dreigt men (anno 2012) toch wel bedrogen uit te komen.

[17] Zie bijv. Hartmut Rosa, ‘Beschleuniging’ (2005).

[18] Zie Reich, ‘Supercapitalism’, Chapter 5 (Politics Diverted), Section 6.

[19] Volgens het Reformatorisch Dagblad heeft de Amsterdamse econoom Arnoud Boot tijdens een door de PvdA op 3 april 2012 belegde discussiebijeenkomst gezegd dat het betalingsverkeer voor de economie cruciale infrastructuur is maar in private handen ligt. Daarmee is een wezenlijk spanningsveld gegeven.

[20] Zie ook ‘False dawn’  van John Gray.

[21] Een vergelijkbaar pleidooi voor andere en aanvullende ‘statistics’ is ook te vinden in Guy Standing, ‘The precariat’.

[22] De Britse historicus Antony Beevor zegt het in NRC Handelsblad van 1 juni 2012 zo: "het publiek heeft nu geen idee hoe gevaarlijk de crisis die ons bedreigt. (...) Oorlog zorgt binnen een samenleving voor interne eenheid, terwijl een economische crisis die cohesie juist verscheurt. Dat stemt somber voor de toekomst."

[23] Engels historicus (1889-1975).

[24] Vgl. ‘De domesticatie van het noodlot’ van Jos de Mul (20060. Door mij besproken in ‘Civis Mundi’ van 2009, nr. 3.

[25] Gezang 75 uit de Oude Hervormde Bundel: "’t Oog omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet!"

[26] Ca. 1135-1202.

[27] ‘De goddelijke komedie´ (Paradijs); berijmde vertaling van Ike Cialona en Peter Verstegen (2001’. 

[28]  Geboren 1561, gestorven 1626.

[29] In ‘De Mechanisering van het Wereldbeeld’ (1950).

[30] Groot wiskundige, 1749-1827.

[31] Hoogheid, ik had aan deze hypothese geen behoefte.

[32] Zij het dat de discussie daarover dikwijls laboreert aan een bedroevende oppervlakkigheid; zie het in de tekst genoemde essay (titel: ‘Blind gebeuren of hoger plan: een spanningsveld in het denken over mens en wereld’).

[33] Zie Michael Ruse, ‘The evolution-creation struggle’ (2005).

[34] Vgl. Chapter I in ‘Fact, faith and fiction in the development of science’ van Reijer Hooykaas (1999).

[35] Formulering van Mark Rutte - toen aantredend premier.