Breinwetenschap in Twitter-idioom: een voorbeeldig boek over de vrije wil

Civis Mundi Digitaal #12

door Hugo Verbrugh

 

Breinwetenschap in Twitter-idioom: een voorbeeldig boek over de vrije wil

 

Hugo Verbrugh*

 

W.L.Tiemeijer, Hoe mensen keuzes maken - de psychologie van het beslissen. Amsterdam University Press, 2011

 

Dubbel perspectief

’De wetenschappelijke kennis over de wijze waarop mensen keuzes maken is de laatste jaren snel gegroeid.’ Met deze zin opent prof. dr. André Knottnerus, voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, zijn Voorwoord bij het boek van W.L. Tiemeijer, stafmedewerker bij deze zelfde Raad. ’Bij de totstandkoming van dit boek is voortgebouwd op het eerdere werk van de WRR projectgroep die zich met dit onderwerp bezig hield. ... Ook is dankbaar gebruik gemaakt van het commentaar en advies van enkele (externe) deskundigen te weten ... Diederik Stapel ...’.

Dat is een zeldzaam ironische dankbetuiging. Menselijkerwijs gesproken zeker was het boek al bij de drukker toen in september 2011 het fraude-schandaal uitbrak waaraan sindsdien bij uitstek de naam van Diederik Stapel verbonden is.

Met dit commentaar wil ik uitdrukkelijk niet suggereren dat inhoud en strekking van het boek onbetrouwbaar zouden zijn. Ik wil er alleen mee aangeven dat het vanzelfsprekende vertrouwen dat wij eigenlijk allen tot die tijd hadden in ’de’ wetenschap sindsdien aan drastische relativering ten prooi gevallen is. Ik schrijf dit artikel over het boek van Tiemeijer dan ook in een dubbel perspectief. Enerzijds blijf ik zonder voorbehoud vertrouwen in de persoonlijke integriteit van de auteur en van alle andere in het boek genoemde deskundigen. Anderzijds schrijf ik dit artikel over dit boek uitdrukkelijk ook tegen de achtergrond van deze relativering van de tot voor kort altijd als vanzelfsprekend veronderstelde zekerheid en betrouwbaarheid van wat de wetenschap in het algemeen en de psychologie in het bijzonder ons voorschotelen.

De wetenschap zoals wij die nu kennen ontstond halverwege de 19e eeuw met het werk van Auguste Comte (Système de politique positive, 1851ff.): ’savoir pour prévoir, prévoir pour pouvoir’: weten om te voorspellen, voorspellen om [de toekomst zó te] kunnen [veranderen als wij zelf menen dat goed is]. Pragmatische effectiviteit werd het criterium om de waarde van wetenschap aan af te meten.

Dat werkte in twee opzichten inderdaad effectief. Zowel de wetenschap als de maatschappij boekten vooruitgang - maar beide wel op hun eigen termen.

Wetenschap werd, in termen van Peter Medawar, ’the art of the soluble’: de kunst om alleen problemen te kiezen  waarvan je kunt verwachten dat ze opgelost zullen worden en de hele rest over te laten aan de filosofen, de theologen en de pseudo-wetenschappers.

Voor de maatschappelijke vooruitgang werd de ’homo economicus’ de modelmens: primair gericht op de bevrediging van zijn behoeften, van zijn ’greed’, met de quasi-vanzelfsprekende implicatie dat zich op geleide van dat model alles in de maatschappij ten goed zou keren.

Zo ontstond eind 19e eeuw wat Stefan Zweig in zijn autobiografie ’Die Welt von Gestern’ heeft getypeerd als ’die Welt der Sicherheit’: alles was onder controle en kon alleen nog maar beter gaan.

 

Vrije wil ter discussie

Sinds WO I weten we beter. Van minstens drie kanten worden ons vertrouwen in de wetenschap en onze zekerheid inzake de vooruitgang belaagd.

            Ten eerste is daar de vrije wil van de mens. De homo economicus is een fictie; mensen zijn in hoge mate vrij om hun eigen idealen en doelen te kiezen en hun eigen keuzes te maken.

            Ten tweede is sinds enkele jaren een aantal neurowetenschappers krachtig bezig om aan te tonen dat de vrije wil niet bestaat. Die zogenaamde vrije wil is volgens hen een fictie; mensen worden inzake hun vermeende eigen keuzes in werkelijkheid in hoge mate, zo niet totaal, gemanipuleerd door hersenprocessen waar ze geen enkele invloed op kunnen uitoefenen.

            Ten derde zijn er steeds effectievere nieuwe technieken om die hersenprocessen van buiten af te manipuleren. De reclame-techniek is de nieuwe geheime nieuwe wetenschap: een bedrijf dat deze of gene manipulatie-techniek heeft ontdekt, houdt die om commerciële redenen zorgvuldig geheim voor eigen gebruik. 

Uit beide laatst genoemde overwegingen zijn allerlei theorieën voortgekomen die bijdragen tot bestendiging van de situatie. Maximale behoeftenbevrediging door maximaal berekenende individuen zal de beste sociaal-economische organisatie bewerkstelligen, leren theorieën over de homo economicus. Deze theorieën worden onderbouwd door geraffineerde wiskundige modellen. Hun vermeende juistheid wordt bewezen door de megawinsten die de super-rijken maken die deze modellen toepassen op de financiële markten. Voor zover zij de macht hebben om de publieke opinie te manipuleren, houden zij de fundamentele discussie over de geldigheid van dit eenzijdige mensbeeld buiten het publieke debat.

Buiten het publieke debat is het probleem goed bekend. De fysicus Richard Feynman en de econoom Deirdre McCloskey hebben dit probleem benoemd als ’cult cargo science’. ’Cult cargo’ is de naam voor de gewoonte van zogenaamde primitieve volkeren om te menen dat zij met hun eigen culturele rituelen ook de materiële rijkdom (’cargo’) van de westerse cultuur zouden kunnen krijgen. De huidige economische denktrant is een even onmogelijke en primitieve manier van redeneren als de cult cargo rituelen, maar hij maakt wel de machthebbers steeds rijker. Daardoor wordt deze drogredenering niet ontmaskerd als contraproductief en kan ze steeds meer ravages aanrichten in de economie van met name de productie en distributie van voedsel.

 

Reveil ethiek

Dichterbij en rechtstreeks zichtbaar is de onheilige alliantie tussen maatschappelijke en wetenschappelijke vooruitgang in het nieuwe fenomeen dat het criterium voor goed wetenschappelijk werk is hoe goed het gefinancierd wordt; en voor goede financiering is, zo lijkt het soms wel, scoren bij Pauw & Witteman de voornaamste vereiste. Tel uit je winst.

Dat is het slechte nieuws. Er is misschien ook goed nieuws. Sinds een aantal jaren gaat als een nieuw fenomeen het historisch besef door de wereld. Vernieuwingen komen en gaan, de historische ontwikkelingen zijn niet een rechtlijnig proces. De filosofie is terug van weggeweest, bij alles kunnen en worden vraagtekens gezet en alternatieve opties op de agenda van het publieke debat geplaatst.  

Een andere inspiratiebron geeft vanaf een zij-ingang de recente geschiedenis van de geneeskunde. Vanaf de jaren zestig kwamen in de geneeskunde ongekend nieuwe problemen op. Massaal gebruik van het kalmeringsmiddel Softenon door zwangere vrouwen had in veel landen van Europa een epidemie van aangeboren afwijkingen aan de ledematen van hun kind tot gevolg gehad. Orale anticonceptie en vooral de zogeheten ’reageerbuisbaby’ vanaf 1978  bewerkstelligden een revolutie in de omgang met seks. Ethische bezinning werd noodzaak - maar er was helemaal geen ethiek. De academische filosofen beschouwden ethiek als moraliserend gepraat voor pastoors en theologanten. De echte filosofie had daar geen boodschap aan. Nu kwam de vooruitgang van de geneeskunde en die ’redde het leven van de ethiek’. Binnen enkele jaren werd ethiek wereldwijd een onmisbaar en erkend filosofisch vakgebied. ’How medicine saved the life of ethics’, schreef Stephen Toulmin in 1982. Nu is de uitdaging van de beleidswetenschappen en bestuurskunde en besliskunde om een nieuwe ethiek en een nieuwe economie te ontwikkelen.

Dat is de achtergrond van mijn nu volgende recensie van het boek van Tiemeijer. Het illustreert de huidige situatie inzake beleidswetenschappen en bestuurskunde en besliskunde in twee opzichten op voorbeeldige wijze.

Enerzijds geeft het een perfect journalistiek geschreven overzicht van wat hier en nu zoal te koop is in de reguliere neuro-psychologische en andere wetenschappen inzake keuzes maken. De inhoudsopgave documentere dit: Voorwoord 7, Inleiding 9, 1 Het ‘irrrationeIe’ brein , 1.1 Onbewuste vertekeningen, 1.2 Vuistregels, 1.3 Het gevoel, 1.4 Samenvatting en conclusie, 2 Het automatische brein, 2.1 Onbewuste processen, 2.2 Mooie verhalen? 2.3 Twee systemen, 2.4 Transcendentie en zelfcontrole, 2.5 Samenvatting en conclusie, 3 Het willoze brein, 3.1 Hebben mensen een vrije wil? 3.2 Morele verantwoordelijkheid, 3.3 Onbedoelde gevolgen, 3.4 Samenvatting en conclusie, 4 Het sociale brein, 4.1 Sociale normen, 4.2 Sociale dilemma’s, 4.3 Altruïsme, 4.4 Evolutionaire grondslagen, 4.5 De biologie van eenzaamheid en verbondenheid, 4.6 Crowding out en nadelen van straffen, 4.7 Samenvatting en conclusie, 5. Relevantie voor beleid. 5.1 Samenvatting: van homo economicus naar kanovaarder, 5.2 Drie bezwaren en één nuancering, 5.3 Vertaling naar beleid: een duale strategie, 5.4 Normatieve problematiek, 5.5 Slotbeschouwing.

Af en toe krijgen we relevante zij-inkijkjes. ’De hoogleraar neurobiologie Dick Swaab is lid van een initiatiefgroep die strijd voor legalisering van stervenshulp aan ouderen die hun leven voltooid achten,’ lezen we op blz. 58. ’In het voorjaar van 2010 trachtte deze groep de 40.000 handtekeningen te verzamelen die nodig zijn om via een burgerinitiatief dit onderwerp op de agenda van de Tweede Kamer te krijgen. De initiatiefgroep draagt de naam ’Uit vrije wil’. Die naam paste echter niet helemaal bij de wetenschappelijke opvattingen van Swaab. "Om geen problemen op een onjuist moment te veroorzaken, heb ik mijn mening dat de vrije wil een illusie is in die groep pas ingebracht op het moment dat de 40.000 handtekeningen [. . .] binnen waren". Het voorval illustreert in wat voor curieuze situaties men verzeild kan raken wanneer wetenschappelijke theorie en maatschappelijke praktijk zover uiteen liggen. Maar is de vrije wil, begrepen als bewuste aansturing, werkelijk een illusie? Het blijft een uiterst glibberig debat, waarin filosofen en hersenwetenschappers niet zelden langs elkaar heen praten.’ Dat laatste is, zacht uitgedrukt, een understatement.

 

Filosofische raad voor het regeringsbeleid

Anderzijds gaat het boek uitdrukkelijk over wat hier en nu zoal te koop is. De auteur geeft bijna 200 literatuuropgaven, maar daarvan zijn verreweg de meeste van deze eeuw en amper een dozijn van vóór 1990. Illustratief is een passage op blz 111 onder het kopje ’Opdringen van mensbeelden’.

’Daarmee komen we op de vraag van welk mensbeeld de overheid eigenlijk wil uitgaan. Elke sturing gaat onvermijdelijk gepaard met de projectie van een bepaald mensbeeld op de objecten van sturing, dat wil zeggen, een bepaalde theorie over wat burgers drijft. In veel beleid wordt op mensen het beeld geprojecteerd van de calculerende burger. Dat is geheel in overeenstemming met het advies van Hume. Die schreef al in 1754 dat "in contriving any system of government [. . .] every man ought to be supposed to be a knave and to have no other end, in all his

actions, than his private interest" ... . Inmiddels is duidelijk dat deze veronderstelling onjuist is. Wat gebeurt er als de overheid desondanks in haar beleid toch uitgaat van dit mensbeeld? Eén mogelijkheid is natuurlijk dat het beleid mislukt. Een andere mogelijkheid is dat het beleid slaagt doordat mensen zich gaan voegen naar het geprojecteerde beeld. Hieraan kleven echter twee potentiële nadelen. Ten eerste vervreemding. Met enige regelmaat verschijnen er cultuurpessimistische beschouwingen over de leegheid van het leven in een systeem dat het  authentieke van mensen niet respecteert en hen dwingt in een wezensvreemde logica (een klassieker is bijvoorbeeld Marcuse ’One dimensional Man’,1968). Wanneer de overheid burgers benadert als een homo economicus kan dat ertoe leiden dat zij keuzen maken die haaks staan op hun ware gevoelens en voorkeuren, en tot het nastreven van doelen die hen niet werkelijk bevrediging schenken. ...’. Dat is een behartigenswaardig commentaar - maar ik stel als voorlopige conclusie dat we pas echt verder komen met inzicht in hoe mensen keuzes maken wanneer we het probleem van de vrije wil tot op het nulpunt gaan onderzoeken en ook weergeven en in ons betoog meenemen wat Augustinus en, om nog een keer mooi dichtbij te blijven, Erasmus daarover hebben gedacht en geschreven. Ook een andere bijdrage van de reeds genoemde Hume  krijge dan de aandacht die hij verdient: het fundamentele verschil tussen de filosofie van het ’is’ en van het ’ought’, van het ’sein’ versus het ’sollen’.

Om mijn conclusie concreet te maken besluit ik met een aanbeveling aan André Knottnerus en Will Tiemeijer: u bevordere dat uw WRR wordt uitgebreid met een FRR: een Filosofische Raad voor het Regeringsbeleid. Als startpagina bestudere en referere u het lemma ’Wahl (griech. αἵρεσις, προαίρεσις; lat. electio, prohairesis; engl. choice; frz. choix; dän. valg)’ in het Historisches Wörterbuch der Philosophie van Ritter en anderen, S. 48463, Bd. 12, S. 19; ik copieer de aanhef: Die ethische W. setzt sich in der kontinentaleuropäischen Moderne gegen zwei Wahl-Typen durch, eine Vorzugswahl (προαίρεσις) und eine - mehrere Formen umfassende - Willkürwahl. Aus der Tradition der klassischen, philosophisch orientierten Nationalökonomie erwächst die Theorie der rationalen Wahl («rational choice theory»).’ Desgevraagd zal ik u als loyale burger gaarne bijstaan, gans sine precunia.

 

* Dr. Hugo Verbrugh is arts-filosoof